Language of document : ECLI:EU:C:2012:479

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

19 juli 2012 (*)

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Spaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Prijsvaststelling en marktverdeling – Inbreuk op artikel 81 EG – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag van dochterondernemingen aan hun moedermaatschappij – Vermoeden van onschuld – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht – Gelijke behandeling”

In de gevoegde zaken C‑628/10 P en C‑14/11 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op respectievelijk 28 december 2010 en 7 januari 2011,

Alliance One International Inc., voorheen Standard Commercial Corp., gevestigd te Danville (Verenigde Staten),

Standard Commercial Tobacco Co. Inc., gevestigd te Wilson (Verenigde Staten),

vertegenwoordigd door M. Odriozola Alén en A. João Vide, abogados,

rekwirantes,

andere partijen bij de procedure:

Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd, gevestigd te Vaduz (Liechtenstein),

verzoekster in eerste aanleg,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, E. Gippini Fournier en R. Sauer als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster in eerste aanleg,

en

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, E. Gippini Fournier en R. Sauer als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

rekwirante,

andere partijen bij de procedure:

Alliance One International Inc.,

Standard Commercial Tobacco Co. Inc.,

Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd,

vertegenwoordigd door M. Odriozola Alén en A. João Vide, abogados,

verzoeksters in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, M. Safjan en A. Prechal, kamerpresidenten, K. Schiemann, E. Juhász, G. Arestis, A. Arabadjiev (rapporteur), D. Šváby, M. Berger en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 november 2011,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 januari 2012,

het navolgende

Arrest

1        Met hun hogere voorziening (C‑628/10 P) verzoeken Alliance One International Inc. (hierna: „AOI”), voorheen Standard Commercial Corp. (hierna: „SCC”), en Standard Commercial Tobacco Co. Inc. (hierna: „SCTC”) enerzijds om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 oktober 2010, Alliance One International e.a./Commissie (T‑24/05, Jurispr. blz. II-5329; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht hun beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2004) 4030 def. van de Commissie van 20 oktober 2004 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.238/B.2 – Ruwe tabak – Spanje) (hierna: „bestreden beschikking”) heeft verworpen, en anderzijds om nietigverklaring van deze beschikking, voor zover zij hen betreft, alsook om verlaging van de hun bij deze beschikking opgelegde geldboete.

2        Met haar hogere voorziening (C‑14/11 P) vordert de Europese Commissie enerzijds vernietiging van het bestreden arrest, voor zover de bestreden beschikking daarbij nietig is verklaard voor zover deze Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd (hierna: „TCLT”) betreft, en anderzijds verwerping van het door laatstgenoemde bij het Gerecht ingestelde beroep.

I –  Voorgeschiedenis van het geding

3        De feiten die tot het onderhavige geding hebben geleid, zoals zij in de punten 1 tot en met 40 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen als volgt worden samengevat.

4        World Wide Tobacco España SA (hierna: „WWTE”), Agroexpansión SA (hierna: „Agroexpansión”) en Tabacos Españoles SL (hierna: „Taes”) zijn drie van de vier bedrijven voor de eerste bewerking van ruwe tabak in Spanje (hierna alle vier samen: „bewerkingsbedrijven”).

5        Van 1995 tot 5 mei 1998 had TCLT, een 100 %-dochteronderneming van SCTC, zelf een 100 %-dochteronderneming van SCC (nadien AOI), twee derde van het kapitaal van WWTE in handen. De president van WWTE en twee van zijn familieleden bezaten het overige derde.

6        Op 5 mei 1998 heeft TCLT haar deelneming in het kapitaal van WWTE op 86,94 % gebracht. De overige aandelen waren in handen van WWTE zelf (9,73 %) en van een natuurlijke persoon (3,33 %). In oktober 1998 heeft WWTE de aandelen van laatstgenoemde verworven en heeft SCC een directe participatie van 0,04 % in het kapitaal van WWTE verkregen. In mei 1999 hebben TCLT en SCC hun participatie in het kapitaal van WWTE op respectievelijk 89,64 % en 0,05 % gebracht. De rest werd door WWTE zelf aangehouden.

7        Agroexpansión behoort tot een ondernemingsgroep waarvan Dimon Inc. de hoofdmoedermaatschappij is. Laatstgenoemde onderneming heeft via haar 100 %-dochteronderneming Intabex Netherlands BV (hierna: „Intabex”) alle aandelen van Agroexpansión in handen.

8        Alle aandelen van Taes en van Deltafina SpA (hierna: „Deltafina”), een Italiaanse onderneming die hoofdzakelijk actief is in de eerste bewerking van ruwe tabak in Italië en in de verkoop van bewerkte tabak, zijn in handen van Universal Leaf Tobacco Co. Inc. (hierna: „Universal Leaf”). Laatstbedoelde onderneming is zelf volledig in handen van de Amerikaanse onderneming Universal Corp. (hierna: „Universal”).

9        Op 3 en 4 oktober 2001 heeft de Commissie op grond van artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verificaties verricht in de lokalen van met name WWTE, om na te gaan of de inlichtingen volgens welke de bewerkingsbedrijven en de Spaanse producenten van ruwe tabak artikel 81 EG hadden geschonden, correct waren.

10      Op 11 december 2003 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, die zij aan 20 ondernemingen of verenigingen, waaronder SCTC en SCC, heeft toegezonden.

11      Op 20 oktober 2004 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld, die met name een op de Spaanse markt voor ruwe tabak door de bewerkingsbedrijven en Deltafina gesloten en uitgevoerde horizontale mededingingsregeling betreft.

12      Volgens de vaststellingen van de Commissie had deze mededingingsregeling tot doel om elk jaar, van 1996 tot en met 2001, de gemiddelde leveringsprijs voor elke soort ruwe tabak, ongeacht de kwaliteitscategorie, vast te stellen en de hoeveelheden van elke soort ruwe tabak die elk van de bewerkingsbedrijven bij de producenten kon kopen, onderling te verdelen. Van 1999 tot en met 2001 maakten de bewerkingsbedrijven en Deltafina eveneens onderling afspraken over de prijsklassen per kwaliteitscategorie van elke soort ruwe tabak, alsook over de gemiddelde minimumprijzen per producent en per groep producenten.

13      In de bestreden beschikking heeft de Commissie dit kartel als één voortdurende inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aangemerkt, onder meer Deltafina en de bewerkingsbedrijven voor het kartel aansprakelijk gesteld, en deze ondernemingen gelast om deze inbreuk onmiddellijk te beëindigen en zich voortaan te onthouden van mededingingsverstorende gedragingen met een vergelijkbaar doel of gevolg. Bovendien heeft zij bij deze beschikking de volgende geldboeten opgelegd: 108 000 EUR aan Taes, 1 822 500 EUR aan WWTE, 2 592 000 EUR aan Agroexpansión en 11 880 000 EUR aan Deltafina.

14      Uit de bestreden beschikking volgt eveneens dat de drie moedermaatschappijen van WWTE hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de aan laatstbedoelde opgelegde geldboete, net als Dimon Inc. voor de betaling van de aan Agroexpansión opgelegde geldboete. Intabex is daarentegen niet aansprakelijk gesteld voor de betaling van de aan Agroexpansión opgelegde geldboete en Universal en Universal Leaf zijn evenmin hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de aan Taes en Deltafina opgelegde geldboeten.

15      Wat de adressaten van de bestreden beschikking betreft, heeft de Commissie in de punten 375 en 376 van deze beschikking gepreciseerd:

„(375)      In casu zijn drie van de vier Spaanse bedrijven voor de bewerking van ruwe tabak (voor 100 % of 90 %) in handen van Amerikaanse multinationals. Voorts bevestigen andere feitelijke elementen het vermoeden dat het gedrag van Agroexpansión en WWTE is toe te rekenen aan hun respectieve moedermaatschappij. In die gevallen moeten de twee ondernemingen – moeder en dochter – hoofdelijk aansprakelijk worden geacht voor de in de onderhavige beschikking vastgestelde inbreuken.

(376)      Na zending van de mededeling van punten van bezwaar en het horen van de partijen is [daarentegen] gebleken dat de bewijzen in het dossier een soortgelijke conclusie voor de deelname van Universal [...] en Universal Leaf [...] in Taes en Deltafina niet konden wettigen. [Behalve] de vennootschappe[lijke] band tussen moeder‑ en dochtermaatschappijen bevat het dossier geen aanwijzing van daadwerkelijke deelname van Universal [...] en Universal Leaf aan de in de onderhavige beschikking onderzochte feiten. Aan hen dient in deze zaak dus geen beschikking te worden gericht. Dezelfde conclusie geldt a fortiori voor Intabex [...], aangezien haar deelneming van 100 % in Agroexpansión zuiver financieel was.”

16      Wat meer in het bijzonder WWTE betreft, heeft de Commissie twee periodes onderscheiden, rekening houdend met de omstandigheden die in de punten 5 en 6 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet. De eerste periode loopt van 1995 tot en met 4 mei 1998 (hierna: „eerste periode”), de tweede loopt van 5 mei 1998 tot de dag waarop de bestreden beschikking is vastgesteld (hierna: „tweede periode”).

17      Inzake de eerste periode heeft de Commissie in de punten 391 en 392 van de bestreden beschikking op basis van een aantal met name in de punten 388 tot en met 390 van die beschikking uiteengezette elementen geconcludeerd dat SCC (via SCTC en TCLT) en de president van WWTE en diens familie gezamenlijk zeggenschap over WWTE uitoefenden, dat SCC en/of haar dochterondernemingen het gedrag van WWTE daadwerkelijk hebben beïnvloed en dat SCC een stelsel van mechanismen op poten had gezet waarmee zij op de hoogte kon blijven van de activiteiten van WWTE, zodat zij het commerciële beleid van dit bedrijf daadwerkelijk kon controleren.

18      Inzake de tweede periode heeft de Commissie in de punten 397 en 400 van de bestreden beschikking op basis van een aantal met name in de punten 393 tot en met 398 van die beschikking uiteengezette elementen geconcludeerd dat SCC hetzij rechtstreeks, hetzij via SCTC en TCLT, exclusieve zeggenschap over WWTE had, dat de argumenten die SCC in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar had aangevoerd geen andere conclusie daaromtrent wettigen, dat SCC en/of haar dochterondernemingen SCTC en TCLT dus een beslissende invloed op het commerciële beleid van WWTE hebben uitgeoefend en bijgevolg hoofdelijk aansprakelijk moeten worden gesteld voor de verweten mededingingsbeperkende gedragingen.

II –  Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

19      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 januari 2005, hebben AOI, SCTC en TCLT een beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld, voor zover deze hen betreft.

20      Ter ondersteuning van hun beroep hebben AOI, SCTC en TCLT twee middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van artikel 81, lid 1, EG en artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) en, subsidiair, ontoereikende motivering van de bestreden beschikking. Met hun tweede middel betoogden verzoeksters dat het beginsel van gelijke behandeling was geschonden.

21      Na te hebben beslist dat deze twee middelen samen dienden te worden onderzocht, heeft het Gerecht allereerst het tweede onderdeel van het eerste middel, dat betrekking had op de ontoereikende motivering van de bestreden beschikking, afgewezen.

22      Vervolgens heeft het Gerecht ook het tweede middel, dat schending van het beginsel van gelijke behandeling betrof, afgewezen, op grond dat de Commissie op alle betrokken moedermaatschappijen dezelfde beginselen had toegepast om vast te stellen of zij aansprakelijk moesten worden gesteld voor de door hun dochters begane inbreuk. In het bijzonder heeft het geoordeeld dat uit de bestreden beschikking niet bleek dat deze instelling in dit verband de situatie van SCC en SCTC enerzijds, en die van Universal, Universal Leaf of Intabex anderzijds, verschillend had behandeld.

23      Die beoordeling was met name gesteund op de volgende overwegingen, die in de punten 155 tot en met 157 van het bestreden arrest staan vermeld:

„155      In het bijzondere geval waarin een moederonderneming het volledige kapitaal bezit van haar dochter die de communautaire mededingingsregels heeft geschonden, baseerde de Commissie zich, ten bewijze dat de eerste daadwerkelijk een beslissende invloed op het commerciële beleid van de tweede uitoefent, uit behoedzaamheid weliswaar niet uitsluitend op het vermoeden in de zin van de rechtspraak [...], maar hield ook rekening met andere feitelijke gegevens ter bevestiging van deze uitoefening. Daardoor verhoogde de Commissie evenwel alleen het bewijsniveau dat is vereist om aan te nemen dat is voldaan aan de voorwaarde van daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed [...].

156      [...] [D]e Commissie [moet], wanneer zij in een inbreukzaak met verschillende ondernemingen binnen het door de rechtspraak vastgestelde kader een bepaalde methode kiest om vast te stellen of zowel de dochters [die de inbreuk daadwerkelijk hebben begaan] als hun moedermaatschappijen aansprakelijk moeten worden gesteld, daartoe – behalve in uitzonderlijke omstandigheden – voor al deze ondernemingen dezelfde criteria hanteren.

157      De Commissie moet namelijk het [beginsel van gelijke behandeling] in acht nemen dat volgens vaste rechtspraak verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is [...].”

24      Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, heeft het Gerecht voor de eerste periode in punt 194 van het bestreden arrest en voor de tweede periode in punt 217 van dat arrest vastgesteld dat de Commissie rechtens genoegzaam had aangetoond dat SCC en SCTC daadwerkelijk een beslissende invloed op het gedrag van WWTE uitoefenden.

25      In de punten 195 tot en met 197 en in de punten 218 en 219 van het bestreden arrest heeft Gerecht voor de eerste en de tweede periode geoordeeld dat daarentegen geen enkel van de door de Commissie in de bestreden beschikking aangevoerde elementen de conclusie wettigde dat TCLT een beslissende invloed op het gedrag van WWTE uitoefende, en dat de Commissie het inbreukmakende gedrag van WWTE dus niet mocht toerekenen aan TCLT en laatstbedoelde evenmin hoofdelijk aansprakelijk mocht stellen voor de betaling van de geldboete.

26      In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 218 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie zich niet kon baseren op het loutere feit dat TCLT nagenoeg het volledige kapitaal van WWTE bezat, aangezien TCLT dan op discriminerende wijze zou worden behandeld ten opzichte van Intabex, Universal en Universal Leaf.

27      Tot slot heeft het Gerecht in de punten 220 tot en met 229 van het bestreden arrest het argument van verzoekers afgewezen dat WWTE tijdens de inbreukperiode zelfstandig op de markt optrad. Bijgevolg heeft het Gerecht de bestreden beschikking nietig verklaard voor zover zij TCLT betrof, en het beroep verworpen voor het overige.

III –  Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen

28      Bij beschikking van de president van het Hof van 14 september 2011 zijn de zaken C‑628/10 P en C‑14/11 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

29      Met hun hogere voorziening verzoeken AOI en SCTC het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen en de bestreden beschikking, voor zover zij hen betreft, nietig te verklaren;

–        de bij deze beschikking opgelegde geldboete dienovereenkomstig te verlagen;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.

30      In haar memorie van antwoord op die hogere voorziening concludeert de Commissie tot afwijzing van die hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirantes in de kosten van eerste aanleg en van de hogere voorziening.

31      Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen, voor zover de bestreden beschikking daarbij nietig is verklaard voor zover zij TCLT betrof;

–        het door laatstbedoelde bij het Gerecht ingestelde beroep te verwerpen;

–        TCLT te verwijzen in de kosten van beide instanties.

32      In hun memorie van antwoord op die hogere voorziening concluderen AOI, SCTC en TCLT tot afwijzing van die hogere voorziening en tot verwijzing van de Commissie in de kosten van eerste aanleg en van de hogere voorziening.

IV –  De hogere voorzieningen

33      In de eerste plaats moet de door de Commissie ingestelde hogere voorziening worden onderzocht.

A –  De hogere voorziening van de Commissie

34      Tot staving van haar hogere voorziening voert de Commissie vier middelen aan. Het eerste en het vierde middel betreffen de onjuiste toepassing van het beginsel van gelijke behandeling. Met haar tweede middel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de vaststelling van het juridisch criterium tot bepaling van de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen. Met het derde middel wordt betoogd dat het Gerecht het recht op een procedure op tegenspraak heeft geschonden en de motiveringsplicht onjuist heeft uitgelegd.

35      Het eerste en het tweede middel dienen samen te worden onderzocht.

1.     Eerste en tweede middel

a)     Argumenten van partijen

36      Met haar eerste middel betoogt de Commissie in de eerste plaats dat het Gerecht is voorbijgegaan aan het feit dat het beginsel van gelijke behandeling zich moet verdragen met het legaliteitsbeginsel, zodat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onrechtmatigheid ten gunste van een ander. Derhalve kan een onderneming die artikel 81 EG heeft geschonden zich – teneinde aan bestraffing te ontkomen – niet baseren op het feit dat aan andere ondernemingen die zich in vergelijkbare situaties bevonden, geen geldboete is opgelegd.

37      In de tweede plaats merkt de Commissie op dat zij deze argumenten voor het Gerecht had aangevoerd, en stelt zij dat het bestreden arrest gebrekkig is gemotiveerd, aangezien het daarvan geen melding maakt.

38      In de derde plaats betoogt de Commissie dat kon worden aangenomen dat TCLT – als moedermaatschappij die nagenoeg het volledige kapitaal van WWTE in handen had – over deze onderneming een beslissende invloed uitoefende, en dat het Gerecht niet heeft vastgesteld dat TCLT dit vermoeden heeft weerlegd of dat zelfs maar heeft gepoogd te doen.

39      In de vierde plaats voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat TCLT niet aansprakelijk kon worden gesteld omdat andere ondernemingen die zich in zogenaamd vergelijkbare situaties bevonden niet aansprakelijk zijn gesteld. In het bijzonder stelt zij dat uit punt 384 van de bestreden beschikking, waarnaar het Gerecht heeft verwezen, blijkt dat het beginsel van gelijke behandeling slechts kan worden toegepast wanneer de ondernemingen zich in een vergelijkbare situatie bevinden, hetgeen in casu niet het geval is.

40      Met haar tweede middel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft geoordeeld dat het feit dat de Commissie de beoordeling van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed voor bepaalde ondernemingen had gebaseerd op een „dubbele grondslag” en niet uitsluitend op het in de rechtspraak neergelegde vermoeden, met zich bracht dat zij deze benadering diende te volgen voor alle adressaten van de bestreden beschikking. Enkel het in de rechtspraak vastgelegde criterium is van toepassing en de Commissie kon de op dit gebied geldende bewijsvereisten niet verscherpen. Haar benadering kan het Gerecht evenmin binden in het kader van de juridische analyse die het verricht.

41      Wanneer aan het in de rechtspraak geformuleerde criterium is voldaan, maakt het volgens de Commissie geen verschil uit of zij al dan niet aanvullende aanwijzingen heeft verschaft teneinde, uit voorzorg, de slotsom te bevestigen waartoe zij was gekomen, aangezien deze aanwijzingen daardoor hoe dan ook geen dwingend juridisch criterium werden om te beoordelen of een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op het gedrag van haar dochter uitoefende.

b)     Beoordeling door het Hof

42      In herinnering zij gebracht dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd. Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor dragen (zie arresten van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, Jurispr. blz. I-1, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 53).

43      In het bijzonder kan het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer deze dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 58; reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 54, en arrest van 29 september 2011, Arkema/Commissie, C‑520/09 P, Jurispr. blz. I-8901, punt 38).

44      In een dergelijke situatie maken de moedermaatschappij en haar dochteronderneming namelijk deel uit van één economische eenheid en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG, zodat de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten aan de moedermaatschappij kan richten, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 59; General Química e.a./Commissie, punt 38, en Elf Aquitaine/Commissie, punt 55).

45      Teneinde uit te maken of een dochteronderneming autonoom haar marktgedrag bepaalt, moet de Commissie in beginsel rekening houden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende lijst kan worden opgesteld (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punten 73 en 74, en Elf Aquitaine/Commissie, punt 58).

46      Het Hof heeft gepreciseerd dat een moedermaatschappij, in het bijzondere geval waarin zij 100 % van het kapitaal bezit van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, beslissende invloed op het gedrag van deze dochteronderneming kan uitoefenen en dat er in dat geval een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij ook daadwerkelijk dergelijke invloed uitoefent (arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, Jurispr. blz. I-2239, punt 97, en reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 56).

47      In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat de moedermaatschappij het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit, om aan te nemen dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt dat haar dochteronderneming zich autonoom gedraagt op de markt (reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 61; Elf Aquitaine/Commissie, punt 57, en Arkema/Commissie, punt 41).

48      Om te beginnen zij benadrukt dat het vermoeden van de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak weerlegbaar is.

49      Bovendien houdt deze rechtspraak niet in dat de Commissie zich uitsluitend op dat vermoeden moet baseren. Niets belet deze instelling immers om door middel van andere bewijselementen of een combinatie van dergelijke elementen en het voormelde vermoeden aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op haar dochteronderneming uitoefent.

50      Zoals het Gerecht in de punten 134 tot en met 147 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, blijkt in casu uit de bestreden beschikking dat de Commissie – zoals zij zelf in eerste aanleg overigens heeft bevestigd – had besloten om in het kader van de beoordeling van de effectieve uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappijen op hun dochters, deze moedermaatschappijen slechts aansprakelijk te stellen wanneer het vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed op de dochterondernemingen, dat voortvloeit uit het feit dat deze moedermaatschappijen zeggenschap hebben over het volledige kapitaal van deze dochters, door bewijselementen werd bevestigd (de zogenaamde „dubbele grondslag”‑methode). Derhalve heeft de Commissie afgezien van de toepassing van het loutere vermoeden van beslissende invloed.

51      Bovendien staat vast dat deze benadering was ingegeven door het feit dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking, gelet op de toenmalige stand van de rechtspraak, betwijfelde of de zeggenschap door een moedermaatschappij over het volledige kapitaal van haar dochteronderneming op zich volstond om het vermoeden – zelfs al was het niet weerlegd – toepassing te laten vinden, en of deze zeggenschap dus volstond om aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op haar dochter uitoefende.

52      Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie er terecht voor heeft gekozen om de aansprakelijkheid van de betrokken moedermaatschappijen vast te stellen aan de hand van een der methoden waarop zij zich, gelet op de vaststelling in punt 49 van het onderhavige arrest, mocht baseren om het bestaan van dergelijke beslissende invloed te beoordelen.

53      Voorts heeft het Gerecht in punt 155 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat de Commissie, door voor deze methode te opteren, voor zichzelf het bewijsniveau dat vereist was om te kunnen besluiten dat daadwerkelijk beslissende invloed was uitgeoefend en dat de betrokken mededingingsregeling dus aan de moedermaatschappijen kon worden toegerekend, hoger heeft gelegd dan in beginsel vereist was, gelet op de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

54      In de punten 195 tot en met 197 en 218 en 219 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat geen enkel van de in de bestreden beschikking vermelde bewijselementen het vermoeden kon bevestigen dat TCLT daadwerkelijk beslissende invloed over WWTE uitoefende, en dat de Commissie er in het geval van Intabex, Universal en Universal Leaf, overeenkomstig de door haar gekozen methode, toe had besloten om deze moedermaatschappijen niet aansprakelijk te stellen omdat dergelijke elementen ontbraken.

55      Op basis van deze vaststellingen heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie TCLT discriminerend had behandeld ten opzichte van Intabex, Universal en Universal Leaf door haar hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de betrokken geldboete.

56      Dienaangaande zij benadrukt dat de Commissie deze vaststellingen in haar hogere voorziening niet betwist. Zij betwist dus niet dat zij de gekozen methode, te weten de methode van de dubbele grondslag, heeft toegepast op alle moedermaatschappijen waarvan de dochters aan de betrokken mededingingsregeling hadden deelgenomen, behalve op TCLT. Volgens de bestreden beschikking waren voor deze laatste onderneming de aan deze methode ten grondslag liggende criteria niet vervuld. Hieruit volgt dat de Commissie deze onderneming louter op grond van het betrokken vermoeden aansprakelijk heeft gesteld.

57      In de punten 156 en 157 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat de Commissie zich, wanneer zij een methode hanteert als die welke in casu aan de orde is om vast te stellen of moedermaatschappijen waarvan de dochters aan één zelfde mededingingsregeling hebben deelgenomen aansprakelijk moeten worden gesteld, krachtens het beginsel van gelijke behandeling – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – op dezelfde criteria dient te baseren voor al deze moedermaatschappijen.

58      In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete niet door de toepassing van verschillende berekeningsmethodes mag worden gediscrimineerd tussen de ondernemingen die aan een met artikel 81, lid 1, EG strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen (zie in die zin arresten van 16 november 2000, Weig/Commissie, C‑280/98 P, Jurispr. blz. I‑9757, punten 63‑68, en Sarrió/Commissie, C‑291/98 P, Jurispr. blz. I‑9991, punten 97‑100).

59      Aangezien de toerekening van een door een dochteronderneming begane inbreuk aan haar moedermaatschappij overeenkomstig de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode grote invloed kan uitoefenen op het bedrag van de geldboete die hoofdelijk aan deze ondernemingen kan worden opgelegd, heeft het Gerecht in punt 156 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat diezelfde logica geldt wanneer de Commissie binnen het door de rechtspraak vastgestelde kader een specifieke methode voor een mededingingsregeling hanteert om vast te stellen of de bedoelde moedermaatschappijen aansprakelijk moeten worden gesteld voor de door hun dochters begane inbreuken.

60      Wat het onderhavige geval betreft, moet worden gepreciseerd dat de beoordeling door het Gerecht – anders dan de Commissie beweert – niet is gebaseerd op de gelijkenis tussen de feitelijke situatie van TCLT, enerzijds, en van Intabex, Universal en Universal Leaf, anderzijds, maar wel op het feit dat deze ondernemingen zich in een vergelijkbare situatie bevonden wat de bewijsvereisten betrof waaraan volgens de Commissie voor de betrokken mededingingsregeling diende te zijn voldaan om te kunnen besluiten dat de moedermaatschappijen daadwerkelijk beslissende invloed op hun dochters hadden uitgeoefend, alsook wat de in de bestreden beschikking vermelde bewijselementen betrof.

61      Hieruit volgt dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat er een verschil in behandeling bestond en dat de bestreden beschikking daarom gedeeltelijk nietig diende te worden verklaard.

62      Anders dan de Commissie beweert, wordt aan deze vaststelling niet afgedaan door de vereisten van het legaliteitsbeginsel.

63      Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van haar conclusie heeft opgemerkt, heeft de Commissie immers een methode gehanteerd die verenigbaar was met de rechtspraak van het Hof inzake beslissende invloed en kon zij dus geen onrechtmatigheid hebben begaan, zodat het legaliteitsbeginsel haar in casu niet kon ontheffen van haar verplichting om het beginsel van gelijke behandeling te eerbiedigen.

64      Wat tot slot het argument betreft dat het bestreden arrest gebrekkig is gemotiveerd, zij eraan herinnerd dat de ingevolge de artikelen 36 en 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren volgens vaste rechtspraak van het Hof niet inhoudt dat het Gerecht bij zijn redenering alle door de partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend dient te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het bestreden arrest is gesteund en het Hof over voldoende elementen beschikt om in het kader van een hogere voorziening zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 16 december 2010, AceaElectrabel Produzione/Commissie, C‑480/09 P, Jurispr. blz. I-13355, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      In casu volgt uit punt 113 van het bestreden arrest dat het Gerecht het door de Commissie in eerste aanleg gevoerde betoog heeft uiteengezet. Voorts volgt uit de punten 156 en 157, en 218 en 219 van dat arrest dat het Gerecht dit betoog impliciet van de hand heeft gewezen. Het heeft immers vastgesteld dat de Commissie een methode had gehanteerd die verenigbaar was met de rechtspraak inzake beslissende invloed en dat zij dus geen onrechtmatigheid had begaan, zodat het legaliteitsbeginsel de Commissie in casu niet kon ontheffen van haar verplichting om het beginsel van gelijke behandeling te eerbiedigen.

66      Aangezien de belanghebbenden op grond van deze punten van het bestreden arrest de redenen kunnen kennen waarop dat arrest is gesteund en het Hof over voldoende elementen beschikt om in het kader van een hogere voorziening zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen, is het bestreden arrest – anders dan de Commissie betoogt – niet gebrekkig gemotiveerd.

67      Derhalve dienen het eerste en het tweede middel dat de Commissie ter ondersteuning van haar hogere voorziening heeft aangevoerd te worden afgewezen.

2.     Derde middel van de hogere voorziening van de Commissie: schending van het recht op een procedure op tegenspraak en onjuiste uitlegging van de motiveringsplicht

a)     Argumenten van partijen

68      De Commissie betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 196 van het bestreden arrest te overwegen dat de Commissie zich niet mocht baseren op de feitelijke verschillen tussen de situatie van TCLT, enerzijds, en van Intabex en Universal, anderzijds, aangezien deze verschillen in de bestreden beschikking niet waren vermeld. Zij heeft deze verschillen immers geëxpliciteerd in haar bij het Gerecht ingediende verweerschrift.

69      De Commissie meent dat de motiveringsplicht niet vereist dat zij uitlegt waarom de betrokken handeling niet aan bepaalde derden is gericht, en dat zij in de bestreden beschikking dus niet hoefde aan te geven waarom zij deze beschikking niet aan Intabex en Universal had gericht, en hierin evenmin hoefde te rechtvaardigen waarom deze ondernemingen op verschillende wijze waren behandeld, zoals rekwiranten stellen.

70      De Commissie beklemtoont dat TCLT tijdens de administratieve procedure noch schending van het beginsel van gelijke behandeling had aangevoerd, noch had betoogd dat haar belang in WWTE zuiver financieel was. Bijgevolg heeft de Commissie het argument betreffende discriminatie pas voor het eerst in haar verweerschrift voor het Gerecht kunnen weerleggen.

71      Door de benadering van het Gerecht heeft de Commissie zich bijgevolg niet kunnen verdedigen tegen de stelling dat er sprake was van discriminatie. Zij is echter van mening dat zij zich, wanneer een argument voor het eerst voor het Gerecht wordt aangevoerd, mag baseren op ieder element dat zij voor haar verdediging noodzakelijk acht. In het bijzonder is zij volgens de rechtspraak niet verplicht om in haar beschikkingen alle argumenten uiteen te zetten waarop zij zich later zou kunnen beroepen om de tegen haar handelingen aangevoerde grieven te bestrijden.

b)     Beoordeling door het Hof

72      De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 147).

73      Zo heeft de verplichting tot motivering van individuele beschikkingen volgens vaste rechtspraak van het Hof zowel tot doel om de rechter in staat te stellen de wettigheid ervan te toetsen, als om de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist (reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 148).

74      De motivering moet dus in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld. Het ontbreken van een motivering kan niet worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de gerechtelijke instanties van de Unie kennis krijgt van de redenen van het besluit (reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      In het bijzonder moet een beschikking houdende toepassing van de regels van de Unie op het gebied van het mededingingsrecht, wanneer zij meer dan één adressaat heeft en betrekking heeft op de toerekening van de inbreuk, een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, inzonderheid van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking aansprakelijk zijn voor de inbreuk. Zo dient een dergelijke beschikking ten aanzien van een moedermaatschappij die zij aansprakelijk stelt voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter in beginsel omstandig de redenen uiteen te zetten die de toerekening van de inbreuk aan deze onderneming rechtvaardigen.

76      In casu zij eraan herinnerd dat het Gerecht allereerst heeft vastgesteld dat de Commissie – zoals uit de bestreden beschikking volgt – had besloten om de bedoelde moedermaatschappijen slechts aansprakelijk te stellen indien in elk individueel geval voldoende bewijselementen het vermoeden inzake de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed bevestigden dat voortvloeit uit het feit dat zij het volledige kapitaal van hun respectieve dochterondernemingen bezitten, vervolgens – wat TCLT betreft – dat deze beschikking geen enkel bewijselement aanhaalt dat dit vermoeden bevestigt, en ten slotte dat de Commissie ten gevolge van het ontbreken van dergelijke elementen had besloten om de moedermaatschappijen Intabex, Universal en Universal Leaf niet aansprakelijk te stellen.

77      Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 196 van het bestreden arrest te oordelen dat geen rekening kan worden gehouden met een omstandigheid die de Commissie voor het eerst in haar verweerschrift voor het Gerecht heeft aangevoerd.

78      Door aldus de relevante rechtspraak toe te passen, heeft het Gerecht de Commissie bovendien niet verplicht te motiveren waarom de bestreden beschikking niet aan bepaalde derden was gericht, noch om elk mogelijk relevant argument uiteen te zetten. Het Gerecht heeft in punt 195 van het bestreden arrest in wezen immers enkel vastgesteld dat de bestreden beschikking gebrekkig was gemotiveerd in het licht van de criteria die de Commissie zichzelf had opgelegd, en in punt 196 van dat arrest dat deze instelling een dergelijk gebrek in de loop van het geding niet meer kon verhelpen.

79      Bijgevolg heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de rechten van verdediging van de Commissie niet zo ver reiken dat deze instelling, wanneer zij van discriminatie wordt beschuldigd, tijdens de gerechtelijke procedure ter staving van de rechtmatigheid van de bestreden beschikking bewijselementen kan aandragen waarmee de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij wordt aangetoond, maar die niet in deze beschikking zelf zijn vermeld.

80      Hieruit volgt dat het derde middel dat de Commissie tot staving van haar hogere voorziening heeft aangevoerd, moet worden afgewezen.

3.     Vierde middel van de hogere voorziening van de Commissie: onjuiste toepassing van het beginsel van gelijke behandeling

a)     Argumenten van partijen

81      De Commissie is van mening dat Universal en Intabex, enerzijds, en TCLT, anderzijds, zich – anders dan het Gerecht heeft geoordeeld – niet in dezelfde feitelijke situatie bevinden, zodat geen schending van het beginsel van gelijke behandeling kon worden vastgesteld.

82      Ten eerste herinnert de Commissie eraan dat TCLT, in tegenstelling tot Intabex, geen zuiver financiële tussenliggende vennootschap was, maar de voornaamste klant van WWTE. Deze omstandigheid rechtvaardigt zowel het feit dat een beroep is gedaan op het vermoeden dat daadwerkelijk beslissende invloed is uitgeoefend, als de vaststelling dat TCLT dit vermoeden niet heeft weerlegd.

83      Ten tweede betoogt de Commissie dat het Gerecht in het bestreden arrest niet heeft uiteengezet waarom het van oordeel was dat Universal zich in dezelfde situatie bevond als TCLT. Aangezien het Gerecht niet heeft geantwoord op de rechtvaardigingsgronden die de Commissie heeft aangevoerd om de situatie van TCLT te onderscheiden van die van Universal, is het bestreden arrest gebrekkig gemotiveerd.

b)     Beoordeling door het Hof

84      Uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van wat het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof krachtens artikel 256 VWEU bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, Jurispr. blz. I‑3173, punt 51, en 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C‑352/09 P, Jurispr. blz. I-2359, punt 179).

85      Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat de beoordeling van de feiten – behoudens het geval van onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen – geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 18 mei 2006, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, C‑397/03 P, Jurispr. blz. I‑4429, punt 85, en reeds aangehaald arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, punt 180).

86      In casu moet evenwel worden vastgesteld dat de Commissie, met haar betoog dat Universal en Intabex, enerzijds, en TCLT, anderzijds, zich niet in dezelfde feitelijke situatie bevinden, het Hof verzoekt om door het Gerecht verrichte feitelijke beoordelingen te toetsen.

87      Zoals in punt 60 van het onderhavige arrest is opgemerkt, steunt de beoordeling van het Gerecht daarenboven niet op een vergelijking van de feitelijke situaties van deze ondernemingen, maar wel op het feit dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevonden wat de bewijsvereisten betreft waaraan volgens de Commissie diende te zijn voldaan, alsook wat de in de bestreden beschikking vermelde bewijselementen betreft.

88      Zoals de advocaat‑generaal in punt 134 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de grief dat de vergelijkbaarheid van de respectieve situaties van TCLT en Universal in het bestreden arrest gebrekkig is gemotiveerd, niet ter zake dienend, aangezien het Gerecht in dat arrest rechtens genoegzaam heeft uiteengezet waarom het van mening was dat TCLT en Intabex zich in een soortgelijke situatie bevonden. Aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie TCLT en Intabex zonder rechtvaardiging verschillend had behandeld, heeft het reeds rechtens genoegzaam aangetoond dat er een verschil in behandeling bestond, zoals het heeft vastgesteld.

89      Bijgevolg moet het vierde middel dat de Commissie ter ondersteuning van haar hogere voorziening heeft aangevoerd, en dus ook deze hogere voorziening in haar geheel, worden afgewezen.

B –  De hogere voorziening van AOI en SCTC

90      Tot staving van hun hogere voorziening voeren AOI en SCTC drie middelen aan: schending van artikel 81, lid 1, EG en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en van de rechten van de verdediging, en schending van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), waarin het beginsel van gelijke behandeling ligt verankerd. AOI en SCTC verzoeken het Hof om de hun opgelegde geldboete te verlagen ingeval het tot nietigverklaring besluit.

1.     Eerste middel: schending van artikel 81, lid 1, EG en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003

91      Het eerste middel omvat twee onderdelen. Met het eerste wordt betoogd dat de moedermaatschappijen van WWTE niet in staat waren om tijdens de eerste periode, te weten vóór 5 mei 1998, beslissende invloed over hun dochteronderneming uit te oefenen, met het tweede dat het bestreden arrest AOI en SCTC een aantal van hun grondrechten ontneemt.

a)     Eerste onderdeel van het eerste middel: SCC en SCTC oefenden geen beslissende invloed uit op WWTE

i)     Argumenten van partijen

92      In de eerste plaats stellen AOI en SCTC dat het Gerecht ten onrechte heeft bevestigd dat zij tijdens de eerste periode in staat waren om een beslissende invloed op het gedrag van WWTE uit te oefenen. Tijdens deze periode had SCC, via TCLT, slechts 66 % van het kapitaal van WWTE in handen. Voor de vaststelling van beslissingen op de algemene vergadering van laatstbedoelde was echter een meerderheid vereist die met 75 % van het maatschappelijk kapitaal overeenstemde.

93      AOI en SCTC stellen dat het begrip beslissende invloed in de zin van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1) weliswaar een negatief begrip is en dat sprake is van zulke invloed wanneer een aandeelhouder blokkeringsmacht heeft, maar dat op grond van dit begrip geen aansprakelijkheid in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan worden vastgesteld, aangezien die laatste bepaling inhoudt dat de moedermaatschappij enkel aansprakelijk kan worden gesteld op grond van actieve handelingen die zij ten aanzien van haar dochterondernemingen heeft verricht.

94      Voorts verwijten AOI en SCTC het Gerecht te hebben vastgesteld dat, indien zij daadwerkelijk beslissende invloed op het gedrag van WWTE uitoefenden, dit noodzakelijkerwijs inhield dat zij in staat waren om zulke invloed uit te oefenen. Deze twee criteria, te weten enerzijds de mogelijkheid om beslissende invloed uit te oefenen en anderzijds de daadwerkelijke uitoefening van dergelijke invloed, staan los van elkaar.

95      AOI en SCTC benadrukken dat uit de door de Commissie aangevoerde bewijselementen niet blijkt dat SCC instructies aan WWTE heeft gegeven, maar enkel dat zij van de betrokken praktijken op de hoogte was. Deze informatie volstond evenwel niet als bewijs dat SCC beslissende invloed op het gedrag van WWTE heeft uitgeoefend of kon uitoefenen.

96      Tot slot stellen AOI en SCTC dat de indirecte en negatieve zeggenschap die SCC over WWTE uitoefende niet volstond om SCC aansprakelijk te stellen voor het gedrag van WWTE, aangezien het Gerecht TCLT niet hoofdelijk aansprakelijk heeft geacht.

97      In de tweede plaats betogen AOI en SCTC dat het Gerecht het begrip „één enkele onderneming” onjuist heeft uitgelegd. Volgens hen bestonden er weliswaar economische, organisatorische en juridische banden tussen WWTE, SCC en de minderheidsaandeelhouder, maar moest één enkele onderneming al deze partijen omvatten. Aangezien SCC alleen niet in staat was om tijdens de eerste periode beslissende invloed over WWTE uit te oefenen, konden WWTE en SCC samen niet als één economische eenheid worden beschouwd.

98      AOI en SCTC preciseren dat de Commissie niet heeft vermeld of de minderheidsaandeelhouder invloed kon uitoefenen en dat het Gerecht niet is nagegaan of laatstgenoemde WWTE kon beïnvloeden. Bijgevolg zijn er geen gronden om enkel SCC aansprakelijk te stellen voor het gedrag van WWTE.

99      Volgens de Commissie dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen. In het bijzonder betoogt zij dat het argument van AOI en SCTC, dat de aansprakelijkheid voor een inbreuk van een dochteronderneming in geval van gezamenlijke zeggenschap moet worden toegerekend aan de twee aandeelhouders die deze zeggenschap gezamenlijk uitoefenden, niet in eerste aanleg is aangevoerd en daarom niet-ontvankelijk is.

ii)  Beoordeling door het Hof

100    Om te beginnen moet de grief van de Commissie dat het door AOI en SCTC aangevoerde argument inzake de onjuiste toepassing van het begrip één enkele onderneming niet-ontvankelijk is, worden afgewezen, aangezien dit argument kan worden beschouwd als een nadere uitwerking van het voorheen voor het Gerecht uiteengezette argument dat in de punten 56 en 57 van het bestreden arrest is vermeld.

101    Ten gronde heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uitoefening van gezamenlijke zeggenschap door twee onderling onafhankelijke moedermaatschappijen over hun dochteronderneming in beginsel niet in de weg staat aan de vaststelling door de Commissie dat tussen één van deze moedermaatschappijen en de betrokken dochteronderneming een economische eenheid bestaat, en dat dit zelfs het geval is wanneer deze moedermaatschappij een kleiner aandeel heeft in het kapitaal van de dochter dan de andere moedermaatschappij (zie in die zin reeds aangehaald arrest AceaElectrabel Produzione/Commissie, punt 64). Bijgevolg geldt a fortiori dat een moedermaatschappij en haar dochter, die zelf de moedermaatschappij van de inbreukmakende onderneming is, kunnen worden geacht om samen een economische eenheid met deze laatste onderneming te vormen.

102    Bovendien kan de Commissie, zoals in de punten 42 tot en met 44 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, een boetebeschikking richten aan de moedermaatschappij van een dochteronderneming die aan een inbreuk op artikel 81 EG heeft deelgenomen, zonder dat zij hoeft aan te tonen dat deze moedermaatschappij zelf bij de inbreuk betrokken was, op voorwaarde dat deze moedermaatschappij het commerciële beleid van deze dochter daadwerkelijk beslissend beïnvloedt.

103    Het feit dat SCC en SCTC tijdens de betrokken periode enkel een gezamenlijke zeggenschap over WWTE uitoefenden, staat op zich niet in de weg aan de vaststelling dat een economische eenheid tussen deze ondernemingen bestaat, mits wordt aangetoond dat SCC en SCTC daadwerkelijk een beslissende invloed op het commerciële beleid van WWTE uitoefenden.

104    In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht in de punten 172 tot en met 193 van het bestreden arrest uitvoerig de bewijselementen heeft onderzocht waarop de Commissie zich had gebaseerd, en vervolgens in punt 194 van dat arrest heeft geconcludeerd dat deze elementen rechtens genoegzaam aantoonden dat daadwerkelijk een dergelijke beslissende invloed werd uitgeoefend.

105    Gelet op met name de in de punten 182 tot en met 186 van het bestreden arrest onderzochte elementen, die de door SCTC op WWTE uitgeoefende invloed betreffen, berusten de overwegingen van de punten 172 tot en met 194 van het bestreden arrest niet op een onjuiste rechtsopvatting en mocht het Gerecht, anders dan AOI en SCTC beweren, op basis van deze overwegingen constateren dat daadwerkelijk een dergelijke beslissende invloed werd uitgeoefend.

106    Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het eerste middel van de door AOI en SCTC ingestelde hogere voorziening worden afgewezen.

b)     Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de grondrechten

i)     Argumenten van partijen

107    AOI en SCTC stellen dat het bestreden arrest een aantal van hun grondrechten schendt, namelijk het recht op het vermoeden van onschuld, het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen alsook het beginsel van de persoonlijke aard van delicten en straffen, zoals vastgelegd in de artikelen 48 en 49 van het Handvest. Volgens hen heeft de inwerkingtreding van het Handvest een rechtstreekse invloed op het onderhavige geval, aangezien deze beginselen voortaan dezelfde waarde als het primaire recht hebben.

108    AOI en SCTC betogen dat een vermoeden van schuld overeenkomstig deze grondrechten in beginsel verboden is en slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegestaan. Het Gerecht heeft het uit het bezit van alle aandelen van de dochteronderneming voortvloeiende vermoeden dat daadwerkelijk beslissende invloed werd uitgeoefend, evenwel toegepast zonder dat in casu sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. Daarenboven zijn de hun opgelegde geldboeten niet gering, maar wel aanzienlijk.

109    De Commissie is van mening dat het tweede onderdeel van het eerste middel dat ter ondersteuning van de hogere voorziening is aangevoerd, niet-ontvankelijk is. Zij betoogt in dit verband met name dat het op nieuwe argumenten berust.

ii)  Beoordeling door het Hof

110    Zoals de Commissie terecht betoogt, hebben AOI en SCTC in hun verzoekschrift in eerste aanleg de in het tweede onderdeel van het eerste middel van hun hogere voorziening aangevoerde argumenten niet opgeworpen.

111    Uit vaste rechtspraak volgt dat, indien een partij een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, zij bij het Hof een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof in beginsel enkel bevoegd de beoordeling door het Gerecht te onderzoeken met betrekking tot de middelen die voor het Gerecht zijn bepleit (reeds aangehaald arrest AceaElectrabel Produzione/Commissie, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112    Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het eerste middel niet‑ontvankelijk te worden verklaard.

113    Het in punt 108 van het onderhavige arrest samengevatte betoog is, gelet op de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, hoe dan ook volstrekt ongegrond.

114    Het eerste middel moet derhalve in zijn geheel worden afgewezen.

2.     Tweede middel van de door AOI en SCTC ingestelde hogere voorziening: schending van de rechten van de verdediging en van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

a)     Argumenten van partijen

115    In de eerste plaats stellen AOI en SCTC dat het Gerecht de rechten van de verdediging heeft geschonden door in strijd met artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering een nieuw argument over te nemen dat de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht had aangevoerd.

116    In dat antwoord was de Commissie namelijk teruggekomen op haar eerdere verklaring dat Universal en Universal Leaf er tijdens de administratieve procedure in waren geslaagd het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed, dat voortvloeide uit het bezit van alle aandelen van Deltafina, te weerleggen en had zij voor het eerst gesteld dat zij ervoor gekozen had zich niet uitsluitend op dit vermoeden te baseren, maar de aansprakelijkheid op een dubbele grondslag vast te stellen, waarbij zij ook rekening hield met aanvullende bewijselementen, die volgens haar ontbraken met betrekking tot de moedermaatschappijen Universal en Universal Leaf. AOI en SCTC hadden echter niet de mogelijkheid om in hun stukken te antwoorden op het argument inzake deze dubbele grondslag.

117    In de tweede plaats beklemtonen AOI en SCTC dat de Commissie volgens vaste rechtspraak de redenering van de bestreden beschikking dient te volgen en deze beschikking niet achteraf voor de rechter van de Unie mag motiveren. Een dergelijk vereiste geldt des te meer voor het Gerecht zelf.

118    AOI en SCTC merken op dat in de punten 371 tot en met 373 van de bestreden beschikking niet wordt verwezen naar het door het Gerecht aanvaarde criterium van de dubbele grondslag. Het Gerecht heeft dus achteraf uit de context van deze beschikking afgeleid welke methode de Commissie zogenaamd had toegepast. De redenen die de Commissie ertoe hebben kunnen brengen om zich in deze beschikking dubbelzinnig uit te drukken, geven het Gerecht evenwel hoegenaamd niet het recht om de redeneerfouten van de Commissie te vergoelijken, noch om achteraf een redenering te bedenken.

119    De Commissie stelt dat het tweede middel van de hogere voorziening niet‑ontvankelijk is, aangezien een argument dat is gesteund op een onregelmatigheid in de procedure voor het Gerecht, in het kader van de hogere voorziening slechts ontvankelijk is indien deze onregelmatigheid de belangen van de verzoekende partij heeft geschaad. AOI en SCTC hebben echter niet aangetoond dat hun belangen zijn geschaad. Bovendien is dit middel niet ter zake dienend.

b)     Beoordeling door het Hof

120    Om te beginnen moet het betoog van de Commissie dat het onderhavige middel niet-ontvankelijk is, worden afgewezen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 187 en 188 van haar conclusie heeft opgemerkt, hebben de argumenten van AOI en SCTC betrekking op een schending van de rechten van de verdediging. Indien een dergelijke schending komt vast te staan, kan zij tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.

121    Ten gronde moet echter meteen al worden geconstateerd dat het Gerecht, anders dan AOI en SCTC beweren, zijn beoordeling niet heeft gebaseerd op een nieuw argument dat de Commissie tijdens het geding heeft aangevoerd, maar wel op zijn eigen uitlegging van de bestreden beschikking, in haar geheel beschouwd, zoals blijkt uit de punten 141 en volgende van het bestreden arrest. In het bijzonder vloeit uit punt 147 van dat arrest voort dat het Gerecht de verklaringen die de Commissie tijdens het geding heeft afgelegd, slechts in aanmerking heeft genomen om zijn eigen uitlegging van deze beschikking te staven.

122    Derhalve moet het argument van AOI en SCTC dat het Gerecht de redenering van de bestreden beschikking niet heeft onderzocht, maar een nieuw argument heeft overgenomen dat de Commissie tijdens het geding heeft aangevoerd, worden afgewezen.

123    Voorts is het argument van AOI en SCTC inzake schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals de Commissie terecht aanvoert, niet ter zake dienend. Hoe dan ook kan deze bepaling, anders dan AOI en SCTC stellen, niet aldus worden uitgelegd dat zij ertoe strekt de beoordelingsbevoegdheid van het Gerecht te beperken en tot gevolg heeft dat het Gerecht een beschikking niet op een bepaalde manier zou mogen uitleggen omdat een van de partijen in de procedure diezelfde uitlegging te laat heeft voorgesteld. Bovendien hebben AOI en SCTC de gelegenheid gehad om in eerste aanleg ter terechtzitting een standpunt over de verklaringen van de Commissie innemen.

124    Hieruit volgt dat het ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde tweede middel moet worden afgewezen.

3.     Derde middel van de door AOI en SCTC ingestelde hogere voorziening: schending van het beginsel van gelijke behandeling

a)     Argumenten van partijen

125    In de eerste plaats betogen AOI en SCTC dat het criterium van de dubbele grondslag, dat het Gerecht heeft gehanteerd om vast te stellen of daadwerkelijk beslissende invloed werd uitgeoefend en om aldus de moedermaatschappijen aansprakelijk te stellen voor het gedrag van hun 100 %-dochterondernemingen, op drie onjuiste rechtsopvattingen berust.

126    Ten eerste geeft deze methode aanleiding tot een discriminatie tussen de ondernemingen naargelang van de kracht van hun betoog in het kader van het beroep. Door een methode te hanteren waarbij de gevallen waarin het betrokken vermoeden wordt geacht te zijn weerlegd uit voorzorg worden gefilterd naargelang er al dan niet aanvullende bewijselementen zijn aangevoerd, heeft de Commissie speculatief gehandeld en de in de bestreden beschikking bedoelde ondernemingen gediscrimineerd ten opzichte van de ondernemingen waarop deze beschikking niet zag.

127    Ten tweede zijn AOI en SCTC van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie strengere eisen had gesteld aan het bewijs, aangezien het Gerecht niet heeft verklaard dat de Commissie de toepassing van het vermoeden in kwestie afhankelijk had gesteld van aanvullende aanwijzingen. De Commissie had dit vermoeden dus kunnen toepassen zonder een beroep te doen op een andere grondslag om de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed vast te stellen.

128    Ten derde merken AOI en SCTC op dat de Commissie in punt 376 van de bestreden beschikking de aansprakelijkheid van Universal en Universal Leaf heeft uitgesloten, aangezien het dossier geen enkele aanwijzing bevatte dat deze ondernemingen daadwerkelijk aan de inbreuk hadden deelgenomen. Aangezien de Commissie nooit heeft verklaard dat SCC of SCTC daadwerkelijk aan de door WWTE begane inbreuk hadden deelgenomen en hen toch aansprakelijk heeft gesteld, heeft zij andere criteria op hen toegepast en bijgevolg het beginsel van gelijke behandeling geschonden.

129    In de tweede plaats voeren AOI en SCTC aan dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden bij de toepassing van de methode voor de toerekening van aansprakelijkheid voor de inbreuk.

130    Ten eerste heeft het Gerecht niet onderzocht of Deltafina, Universal en Universal Leaf één enkele economische eenheid vormden. Derhalve kon het Gerecht volgens AOI en SCTC niet bepalen of zij ten opzichte van deze drie ondernemingen discriminerend zijn behandeld. Bovendien volgt uit het dossier dat Universal de Commissie had meegedeeld dat zij de beslissing tot samenwerking van haar dochteronderneming Taes steunde, en dat twee dochterondernemingen aan de praktijken hadden deelgenomen, hetgeen een aanwijzing kon vormen dat zij een beslissende invloed op deze dochters uitoefende.

131    Ten tweede betogen AOI en SCTC dat de situatie van SCC en SCTC volledig vergelijkbaar was met die van Universal en Universal Leaf, aangezien al deze ondernemingen het volledige kapitaal van hun respectieve dochterondernemingen in handen hadden. Aangezien het Gerecht de bestreden beschikking gedeeltelijk nietig heeft verklaard voor zover zij TCLT betrof, had het ook de toerekening van aansprakelijkheid aan SCC en SCTC nietig moeten verklaren, teneinde te vermijden dat deze laatste ondernemingen discriminerend zouden worden behandeld ten opzichte van Universal en Universal Leaf.

b)     Beoordeling door het Hof

132    Wat in de eerste plaats het criterium van de dubbele grondslag betreft, dat de Commissie volgens de vaststellingen van het Gerecht heeft gehanteerd om te bepalen of de moedermaatschappijen waarvan de dochterondernemingen aan de in de bestreden beschikking bedoelde mededingingsregeling hadden deelgenomen, aansprakelijk dienden te worden gesteld, zij eraan herinnerd dat het Gerecht uit een uitvoerige analyse van de bestreden beschikking heeft afgeleid dat de Commissie deze benadering heeft gevolgd, en dat deze analyse niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, zoals in punt 121 van het onderhavige arrest reeds is geconstateerd.

133    In het bijzonder heeft het Gerecht met zijn uitlegging de door AOI en SCTC voorgestelde lezing van punt 376 van de bestreden beschikking, volgens welke de Commissie Universal Leaf en Universal niet aansprakelijk heeft gesteld voor de inbreuk omdat er geen elementen waren waaruit de daadwerkelijke deelname van deze ondernemingen aan de inbreuk bleek, terecht afgewezen, aangezien een dergelijke lezing niet te rijmen valt met de beschikking in haar geheel en in het bijzonder met de punten 18, 376, 384, 391, 392, 397, 399 en 400 ervan, die het Gerecht overigens in de punten 133 en volgende van het bestreden arrest heeft onderzocht.

134    Voorts is in de punten 51 tot en met 53 van het onderhavige arrest vastgesteld dat het Gerecht, gelet op de twijfels die de Commissie koesterde inzake de rechtmatigheid van een beschikking die louter is gebaseerd op het niet‑weerlegde vermoeden dat beslissende invloed is uitgeoefend, in casu mocht oordelen dat het de Commissie was toegestaan zichzelf een zwaardere bewijslast op te leggen dan die welke in beginsel voldoende zou zijn geacht in het licht van de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

135    In dit verband zij gepreciseerd dat het door het Gerecht gehanteerde criterium van de dubbele grondslag een objectief criterium is, aangezien het enkel vereist dat het vermoeden dat de betrokken moedermaatschappij beslissende invloed op haar dochter uitoefent, dat voortvloeit uit het feit dat zij het gehele kapitaal ervan bezit, door bewijselementen wordt bevestigd. Anders dan AOI en SCTC stellen, is dit criterium dus niet gebaseerd op de kracht van het betoog dat elk van de in de bestreden beschikking bedoelde ondernemingen naar voren heeft gebracht.

136    Wat in de tweede plaats de toepassing van het criterium van de dubbele grondslag op het onderhavige geval betreft, moet worden opgemerkt dat AOI en SCTC met hun argumenten in wezen betogen dat het Gerecht had moeten nagaan of Deltafina, Universal en Universal Leaf een economische eenheid vormden, en dat het, indien dit het geval bleek te zijn, de bestreden beschikking nietig had moeten verklaren voor zover zij SCC en SCTC betrof, aangezien deze ondernemingen in dat geval discriminerend zouden zijn behandeld ten opzichte van Universal en Universal Leaf.

137    In dit verband zij in herinnering gebracht dat het Gerecht in de punten 141 tot en met 147 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt dat de Commissie hetzelfde juridische criterium heeft toegepast op alle moedermaatschappijen en dat zij, behalve in het geval van TCLT, de aansprakelijkheid van de ondernemingen heeft beoordeeld aan de hand van de vraag of er bewijselementen waren die het vermoeden bevestigden dat deze moedermaatschappijen beslissende invloed hadden uitgeoefend, dat voortvloeit uit het feit dat zij het volledige kapitaal van hun respectieve dochterondernemingen bezaten.

138    In die omstandigheden hebben AOI en SCTC geen schending van het beginsel van gelijke behandeling aangetoond en moet het derde middel ter ondersteuning van hun hogere voorziening dus worden afgewezen.

4.     Verzoek om verlaging van de geldboete

139    AOI en SCTC stellen dat de hun opgelegde geldboete moet worden verlaagd in geval van nietigverklaring van de bestreden beschikking.

140    Aangezien de bestreden beschikking, gelet op alle voorgaande overwegingen, niet nietig dient te worden verklaard, moet het verzoek om verlaging van de aan AOI en SCTC opgelegde geldboete, dat overigens bij het Gerecht niet is ingediend, hoe dan ook worden afgewezen.

141    Aangezien geen van de door AOI en SCTC tot staving van hun hogere voorziening aangevoerde middelen kan worden aanvaard, moet deze hogere voorziening worden afgewezen.

V –  Kosten

142    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

143    Aangezien AOI en SCTC in het kader van de hogere voorziening in zaak C‑628/10 P in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van deze hogere voorziening.

144    Aangezien de Commissie in het kader van de hogere voorziening in zaak C‑14/11 P in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van AOI en SCTC te worden verwezen in de kosten van deze hogere voorziening.

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1)      De hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)      Alliance One International Inc. en Standard Commercial Tobacco Co. Inc. dragen in verband met de hogere voorziening in zaak C‑628/10 P hun eigen kosten alsook die van de Europese Commissie.

3)      De Europese Commissie draagt in verband met de hogere voorziening in zaak C‑14/11 P haar eigen kosten alsook die van Alliance One International Inc., Standard Commercial Tobacco Co. Inc. en Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.