Language of document :

Hogere voorziening ingesteld op 24 maart 2017 door Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer – uitgebreid) van 1 februari 2017 in zaak T-479/14, Kendrion tegen Europese Unie

(Zaak C-150/17 P)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Rekwirante: Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Inghelram en E. Beysen, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Kendrion NV, Europese Commissie

Conclusies

punt 1) van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen;

de vordering in eerste aanleg van Kendrion tot vergoeding van de beweerdelijk geleden materiële schade af te wijzen of, uiterst subsidiair, deze schadevergoeding te verlagen tot een bedrag van 175 709,87 EUR;

Kendrion te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan.

Het eerste middel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip causaal verband, omdat het Gerecht heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke procestermijn de doorslaggevende oorzaak is geweest voor de vermeende materiële schade bestaande in de betaling van bankgarantiekosten, terwijl de eigen keuze van een onderneming om de geldboete niet hangende de procedure voor de Unierechter te betalen, volgens vaste rechtspraak de doorslaggevende oorzaak voor de betaling van dergelijke kosten is.

Het tweede middel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip schade, omdat het Gerecht heeft geweigerd om op de vermeende materiële schade in verband met de betaling van kosten voor bankgaranties dezelfde voorwaarde toe te passen als die die het voor de vermeende schade in verband met de betaling van rente over het boetebedrag heeft geformuleerd, namelijk dat verzoekster in eerste aanleg moest aantonen dat de financiële last die met die laatste betaling samenhing, hoger was dan het voordeel dat zij uit het niet betalen van de geldboete heeft kunnen halen.

Het derde middel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de bepaling van de periode waarin de vermeende materiële schade zich heeft voorgedaan en een motiveringsgebrek, omdat het Gerecht, zonder de reden daarvoor uiteen te zetten, heeft geoordeeld dat de periode waarin de vermeende materiële schade bestaande in de betaling van bankgarantiekosten zich heeft voorgedaan, anders kon zijn dan de periode waarin het Gerecht het onrechtmatige gedrag had gesitueerd dat beweerdelijk tot deze schade heeft geleid.

____________