Language of document : ECLI:EU:C:2002:644

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

D. RUIZ-JARABO COLOMER

van 7 november 2002 (1)

Zaak C-182/01

Saatgut-Treuhandverwaltungsgesellschaft mbH

tegen

Werner Jäger

[Verzoek van het Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Kweekproducten – Beschermingsregeling – Artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 en artikelen 3, lid 2, en 8 van verordening (EG) nr. 1768/95 – Organisatie van houders – Definitie – Verplichting van organisatie om alleen namens haar leden op te treden – Machtiging voor landbouwers om op hun bedrijf voor vermeerderingsdoeleinden product van oogst van beschermde soort te gebruiken – Omvang van plicht informatie te verstrekken aan houder van communautair kwekersrecht”





1.     Ter beantwoording van de twee vragen die het Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) krachtens artikel 234 EG heeft gesteld, dient enerzijds verordening (EG) nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht(2) – in het bijzonder artikel 14, lid 3, zesde streepje, dat degenen die van de afwijkingsregeling voor de landbouw gebruik maken tot het verstrekken van bepaalde informatie verplicht – in samenhang met artikel 8 van verordening (EG) nr. 1768/95 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen betreffende die afwijking(3), te worden uitgelegd. Daarnaast dient artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95, dat een organisatie van houders de mogelijkheid biedt gezamenlijk de bevoegdheden van haar leden geldend te maken, te worden onderzocht.

I –    De feiten

2.     Verzoekster in het hoofdgeding is de besloten vennootschap naar Duits recht Saatgut‑Treuhandverwaltung, waarvan het vennootschappelijk doel bestaat in de behartiging van de economische belangen van natuurlijke personen en rechtspersonen die rechtstreeks of indirect zaaigoed telen of verkopen, of bij deze activiteiten betrokken zijn.

Haar activiteiten omvatten het toezicht op kwekersrechten in een nationale en internationale context, in het bijzonder de uitvoering van controles met betrekking tot de rechten van de vennoten of van derden bij ondernemingen die zich met de vermeerdering en verhandeling van zaaigoed bezighouden, de inning van royalty’s voor kwekersrechten, alsook de uitvoering van algemene maatregelen om de teelt te bevorderen en de verspreiding en levering aan de consumenten van deugdelijk zaaigoed van uitstekende kwaliteit te verzekeren. Zij houdt zich evenwel niet bezig met de aan- en verkoop van zaaigoed.

3.     Zoals het Oberlandesgericht Düsseldorf in de verwijzingsbeschikking aangeeft, zijn er onder haar vennoten houders en exclusieve licentiehouders van kwekersrechten in de zin van het Sortenschutzgesetz (Duitse wet inzake het kwekersrecht) en/of verordening nr. 2100/94. Ook de Bundesverband Deutscher Pflanzenschützer e.V., een civielrechtelijke vereniging waartoe onder andere talrijke houders en exclusieve licentiehouders van kwekersrechten behoren, is kennelijk een van de vennoten van Saatgut‑Treuhandverwaltung.(4)

4.     Verzoekster maakt op grond van schriftelijke volmachten in eigen naam de uit de toepassing van het landbouwersvoorrecht voortvloeiende rechten met betrekking tot meer dan 500 beschermende plantenrassen die aan meer dan 60 houders van kwekersrechten of van gebruikslicenties toebehoren, voor de Duitse rechtbanken geldend tegen honderden landbouwers, waaronder Jäger, verweerder in het hoofdgeding.

Een eerste groep personen wier rechten Saatgut‑Treuhandverwaltung geldend maakt, bestaat uit haar vennoten; een tweede uit de leden van een vereniging die een van haar vennoten is; en een derde uit personen die haar enkel volmacht hebben gegeven om in eigen naam, tegen vergoeding, hun kwekersrechten geldend te maken tegenover de landbouwers die op hun bedrijf voor vermeerderingsdoeleinden het oogstproduct van een beschermd ras gebruiken.

5.     De vordering strekt ertoe na te gaan in welke mate Jäger tijdens het seizoen 1997/1998 voor vermeerderingsdoeleinden op zijn land het oogstproduct heeft gebruikt dat was verkregen door het verbouwen van meer dan vijfhonderd plantenrassen, waaronder aardappelen, wintertarwe, zomertarwe, wintergerst, zomergerst, haver, winterrogge, velderwten, tuinbonen, triticale en gele lupinen, waarvan eenderde door verordening nr. 2100/94 en tweederde door de Duitse wet beschermde kweekproducten zijn.

Verzoekster stelt dat de landbouwer haar op grond van zijn hoedanigheid de verlangde informatie moet verstrekken, zonder dat zij concreet behoeft aan te tonen dat verweerder een bepaald ras heeft verbouwd en in welke mate hij dat heeft gedaan. Jäger bestrijdt deze stelling onder meer op grond dat verzoekster geen aanwijzingen heeft verstrekt dat hij een van de beschermde plantenrassen heeft gebruikt.

II – De prejudiciële vragen

6.     De vordering is in eerste aanleg afgewezen. Het Oberlandesgericht Düsseldorf, dat over het beroep moet oordelen, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Kan een besloten vennootschap naar Duits recht (GmbH):

a)      een „organisatie van houders van kwekersrechten” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening [...] nr. 1768/95 [...] zijn?

b)      de in artikel 3, lid 1, van die verordening bedoelde rechten ook geldend maken voor houders van kwekersrechten in de zin van artikel 3, lid 2, die geen vennoten van deze vennootschap zijn, maar leden van een vereniging die zelf vennoot van die vennootschap is?

c)      de in artikel 3, lid 1, van die verordening bedoelde rechten ook tegen vergoeding geldend maken voor houders van kwekersrechten in de zin van artikel 3, lid 2, die geen vennoten van deze vennootschap zijn, noch leden van een vereniging die een van haar vennoten is?

2)      Moet artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening [...] nr. 2100/94 [...], juncto artikel 8 van verordening [...] nr. 1768/95 [...], aldus worden uitgelegd, dat de houder van een ingevolge verordening nr. 2100/94 beschermd kweekproduct van iedere landbouwer de in die bepalingen bedoelde informatie kan verlangen, ongeacht of er aanwijzingen zijn dat de landbouwer met betrekking tot dat kweekproduct een in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 bedoelde handeling heeft verricht of althans dat hij dat kweekproduct anderszins in zijn bedrijf heeft gebruikt?”

III – Het gemeenschapsrecht

7.     Verordening nr. 2100/94 stelt volgens artikel 1 „een communautaire beschermingsregeling voor kweekproducten [in] als enige en uitsluitende vorm van communautaire bescherming van industriële eigendom met betrekking tot plantenrassen”. Sedert de inwerkingtreding ervan hebben de lidstaten de bevoegdheid nationale beschermingsrechten te verlenen, echter onder voorbehoud van artikel 92, dat een verbod van dubbele bescherming bevat, zodat voor een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, geen nationaal kwekersrecht of octrooi mag worden verleend. De communautaire bescherming omvat rassen van alle botanische geslachten en soorten, met inbegrip van hybriden.

8.     Om voor bescherming in aanmerking te komen, moeten de rassen onderscheiden, homogeen, bestendig en nieuw zijn, en moeten zij worden aangeduid met een eigen benaming. De aanspraak op een communautair kwekersrecht komt toe aan de kweker, zijnde de persoon die het ras heeft gekweekt of heeft ontdekt en ontwikkeld, of zijn rechtverkrijgende.

9.     Ingevolge artikel 13 van verordening nr. 2100/94 is de houder van een communautair kwekersrecht bevoegd de in lid 2 genoemde handelingen te verrichten, te weten a) het voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering); b) het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering; c) het te koop aanbieden; d) het verkopen of op andere wijze in de handel brengen; e) het uitvoeren uit de Gemeenschap; f) het invoeren in de Gemeenschap, en g) het opslaan voor een van voornoemde doeleinden. De houder kan aan derden toestemming verlenen deze handelingen te verrichten en kan aan zijn toestemming voorwaarden of beperkingen verbinden.

10.   Artikel 14, lid 1, bevat een uitzondering op de rechten van de houder met het oog op de bescherming van de landbouwproductie en staat aan landbouwers toe om voor vermeerderingsdoeleinden op hun land het oogstproduct te gebruiken van een ras, hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd, dat onder een communautair kwekersrecht valt. Het landbouwersvoorrecht is alleen van toepassing op bepaalde landbouwgewassen, die worden opgesomd in lid 2 en zijn verdeeld in vier groepen: voedergewassen, olie- en vezelhoudende gewassen, granen en aardappelen.

De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van lid 3, zesde streepje, van dit artikel, dat luidt:

„Om uitvoering te geven aan de in lid 1 bedoelde afwijking en om de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer te beschermen, worden [...] in [...] uitvoeringsbepalingen voorwaarden vastgelegd aan de hand van de volgende criteria:

[...]

–       relevante informatie wordt aan de houders, op hun verzoek, verstrekt door landbouwers en loonwerkers; [...]”

11.   Ter uitvoering van de verplichting die haar krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94 is opgelegd, heeft de Commissie verordening nr. 1768/95 vastgesteld, die de afwijkingsregeling ten gunste van landbouwers nader regelt. De landbouwers die van de afwijking gebruik maken, moeten aan de houder een billijke vergoeding betalen, die aanmerkelijk lager is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van teeltmateriaal van hetzelfde ras. Van deze verplichting zijn kleine landbouwers zoals omschreven in verordening nr. 2100/94 uitgesloten.

12.   Het Oberlandesgericht Düsseldorf vraagt om uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95, dat organisaties van houders de mogelijkheid biedt gezamenlijk de bevoegdheden van haar leden geldend te maken, alsmede van artikel 8, lid 2, van deze verordening, dat in detail de informatieverplichting van de landbouwer regelt met het oog op de vergoeding voor de houder.

Artikel 3, lid 2, luidt:

„De in lid 1 bedoelde bevoegdheden kunnen geldend worden gemaakt door individuele houders, door verschillende houders gezamenlijk of door een in de Gemeenschap op communautair, nationaal, regionaal of lokaal niveau opgerichte organisatie van houders. Een organisatie van houders kan slechts namens haar leden handelen, en uitsluitend namens die leden welke de organisatie daartoe schriftelijk last hebben gegeven. Namens de organisatie treden hetzij een of meer van haar vertegenwoordigers, hetzij door haar gemachtigde accountants op, die handelen binnen de grenzen van hun bevoegdheid.”

Voorzover hier van belang bepaalt artikel 8 dat, wanneer geen overeenkomst is gesloten, de landbouwer aan de houder op diens verzoek een verklaring moet afgeven met de volgende gegevens: a) zijn naam, zijn huisadres en het adres van zijn bedrijf; b) het feit of hij het oogstproduct van een of meer rassen van de houder op zijn land heeft gebruikt; c) in het geval van een zodanig gebruik, de hoeveelheid; d) de naam en het adres van degene die voor hem een dienst, bestaande in de verwerking van het betrokken oogstproduct voor gebruik, heeft verricht; en e) indien de overeenkomstig het bepaalde onder b, c of d verkregen informatie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 kan worden bevestigd, de gebruikte hoeveelheid in licentie geproduceerd teeltmateriaal van de betrokken rassen, alsmede de naam en het adres van de leverancier daarvan.

Deze gegevens moeten betrekking hebben op het lopende verkoopseizoen en op een of meer van de voorgaande drie verkoopseizoenen waarvoor de houder nog niet eerder een verzoek om informatie heeft ingediend.

IV – De procedure voor het Hof

13.   In deze procedure zijn binnen de termijn van artikel 20 van het Statuut van het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend door Saatgut‑Treuhandverwaltung, Jäger, Italië en de Commissie.

De vertegenwoordigers van Saatgut‑Treuhandverwaltung en Jäger, evenals de gemachtigden van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zijn verschenen ter terechtzitting van 3 oktober 2002 teneinde mondeling hun standpunt toe te lichten.

V –    De eerste prejudiciële vraag

14.   Met deze vraag, die uit drie onderdelen bestaat, wenst de nationale rechter te vernemen of een besloten vennootschap naar Duits recht een „organisatie van houders” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 is en of zij als zodanig ook de in lid 1 bedoelde rechten geldend kan maken ten behoeve van houders van kwekersrechten die geen vennoten zijn, maar leden van een vereniging die zelf vennoot van die vennootschap is, of van houders die geen vennootschapsrechtelijke band met haar hebben, maar haar deze taak tegen betaling opdragen.

A –    Ingediende opmerkingen

15.   De vennootschap Saatgut‑Treuhandverwaltung merkt op dat de gemeenschapswetgever het begrip „organisatie van houders” niet heeft gedefinieerd. Zij staat een ruime uitlegging van dit begrip voor, zodat de houders die vanwege het grote aantal betrokken landbouwers niet individueel aanspraak op hun rechten kunnen maken, dit gezamenlijk met anderen kunnen doen. Daarvoor zou voldoende moeten zijn dat de kweker of de exclusieve licentiehouder de organisatie een volmacht geeft, waardoor hij het lidmaatschap verkrijgt. A fortiori is de vennootschap bevoegd om te handelen in naam van de houders die haar niet alleen last hebben gegeven, maar ook lid zijn van een vereniging die zelf vennoot is.

16.   Jäger stelt zich op het standpunt dat een besloten vennootschap niet uit leden in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 bestaat. Gezien de gebruikte terminologie had de wetgever een beroepsmatige belangenvereniging met de rechtsvorm van een vereniging of iets dergelijks op het oog, en niet een juridisch en organisatorisch volledig zelfstandige onderneming, die geheel losstaat van de individuele belangen van de kwekers. Verzoekster is in feite niets anders dan een incassobedrijf met een zuiver economisch oogmerk.

17.   De Italiaanse regering is van mening dat een organisatie van houders niet de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid mag hebben. Anders zou zij ten opzichte van elke houder van een kwekersrecht als een derde moeten worden beschouwd en zouden de in artikel 14 van verordening nr. 2100/94 aan de houders toegekende rechten derhalve niet aan haar kunnen worden overgedragen.

18.   De Commissie stelt zich op het standpunt dat het betrokken begrip ruim moet worden uitgelegd. Dat een houder persoonlijk of gezamenlijk in een groep of via een organisatie zijn rechten geldend kan maken, houdt in dat de organisatie uit het oogpunt van de procesbevoegdheid moet worden gelijkgesteld met een individuele houder. Een besloten vennootschap naar Duits recht handelt als „organisatie van houders” ten behoeve van haar leden en van degenen die tot een entiteit behoren die vennoot is van die vennootschap, doch niet van degenen die haar buiten een vennootschapsverband last geven om tegen vergoeding hun rechten geldend te maken.

B –    Antwoord op de prejudiciële vraag

19.   Ik onderschrijf het door de Commissie verdedigde standpunt met betrekking tot de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95. Het begrip organisatie van houders in deze bepaling is zo ruim, dat men zou kunnen zeggen dat de gemeenschapswetgever daaronder alle in de lidstaten bestaande verenigingsvormen heeft willen vatten. Ongeacht haar rechtsvorm moet zij echter aan alle door de verordening gestelde functioneringsvoorwaarden voldoen.

20.   Verordening nr. 1768/95 bevat een nadere regeling van de voorwaarden waaronder aanspraak op het landbouwersvoorrecht kan worden gemaakt. Volgens artikel 3 zijn de uit artikel 14 van verordening nr. 2100/94 voortvloeiende bevoegdheden en verplichtingen van de houder, met uitzondering van het recht op een bedrag uit hoofde van de vergoeding, waarvan de hoegrootheid reeds kan worden vastgesteld, niet vatbaar voor overdracht aan anderen.

In wezen kent deze bepaling aan de houder drie bevoegdheden toe: inning van de vergoeding die is verschuldigd door de landbouwer die van het landbouwersvoorrecht gebruikmaakt; toezicht op de naleving van de bepalingen die deze figuur regelen; en verkrijging van de relevante informatie van de landbouwer en van degenen die het product voor later gebruik hebben verwerkt.

21.   Krachtens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 kunnen deze bevoegdheden geldend worden gemaakt door individuele houders, door verschillende houders gezamenlijk of door een in de Gemeenschap op communautair, nationaal, regionaal of lokaal niveau opgerichte organisatie van houders.

Ik ben het niet eens met de redenering van de Italiaanse regering. Wanneer alle leden van de vennootschap houder zijn van een kwekersrecht en de vennootschap tot doel heeft de uit artikel 14 van verordening nr. 2100/94 voortvloeiende rechten geldend te maken, is het feit dat zij rechtspersoonlijkheid heeft niet in strijd met artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95, nu deze bepaling zoals gezegd geen concrete eisen stelt aan de rechtsvorm van een organisatie.

Evenmin deel ik de opvatting dat sprake is van een overdracht van rechten van de houder aan de vennootschap. Het verkrijgen van de hoedanigheid van vennoot van een organisatie met de vorm van een besloten vennootschap brengt geen overdracht van rechten mee, temeer daar lid 1 van genoemd artikel bepaalt dat met uitzondering van het recht op een bedrag waarvan de hoegrootheid reeds kan worden vastgesteld, de overige bevoegdheden die de organisatie geldend kan maken, niet vatbaar zijn voor overdracht aan anderen, tenzij zij tezamen met het communautaire kwekersrecht worden overgedragen.

22.   Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 stelt verschillende eisen aan de organisaties van houders. In de eerste plaats mogen zij slechts handelen namens hun leden, die houder moeten zijn van een kwekersrecht. Deze voorwaarde sluit uit dat zij dit in eigen naam of voor derden doen, zoals bij verzoekster in het hoofdgeding het geval is. Het artikel verbiedt tevens dat houders van al dan niet exclusieve gebruikslicenties voor beschermde plantenrassen tot die organisaties behoren, omdat zij geen houders van kwekersrechten zijn en dus niet de rechten hebben die aan deze laatsten toekomen ingevolge artikel 14 van verordening nr. 2100/94, dat het landbouwersvoorrecht regelt.

In de tweede plaats is de hoedanigheid van lid van de organisatie of van vennoot een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde, aangezien een organisatie het lid of de vennoot alleen kan vertegenwoordigen wanneer zij daartoe schriftelijk last heeft gekregen. De houder dient deze formaliteit in de akte van oprichting of nadien te verrichten.

23.   Indien de Duitse regeling inzake de oprichting en werking van besloten vennootschappen de vervulling van deze voorwaarden mogelijk maakt, hetgeen de nationale rechter moet beoordelen, kan een van deze vennootschappen dus een „organisatie van houders van kwekersrechten” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 zijn.

24.   Hetzelfde geldt in het geval dat een organisatie van houders zelf vennoot is van een besloten vennootschap die tot doel heeft de rechten die voor de houders van kwekersrechten uit het landbouwersvoorrecht voortvloeien, geldend te maken. Wanneer de organisatie als zodanig namelijk uit houders van kwekersrechten bestaat, kan de vennootschap ook in hun naam handelen, wanneer zij haar daartoe uitdrukkelijk schriftelijk last hebben gegeven. Deze formule kan een in een lidstaat gevestigde organisatie van houders ertoe aanmoedigen in dat land de rechten geldend te maken van houders van kwekersrechten die in een andere lidstaat zijn gevestigd en voor de gezamenlijke bescherming van hun rechten een organisatie hebben opgericht.

25.   Deze voorwaarden verzetten zich evenwel ertegen dat een organisatie van houders in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 de rechten geldend maakt van personen die geen lid zijn. Dit is het geval voor hen die geen vennootschapsrechtelijke band met Saatgut‑Treuhandverwaltung hebben, maar haar tegen vergoeding last hebben gegeven om hun rechten met betrekking tot het landbouwersvoorrecht geldend te maken.

Ik kan me niet vinden in de stelling van Saatgut‑Treuhandverwaltung, dat de houder van een kwekersrecht reeds louter door de lastgeving het lidmaatschap verkrijgt. Ik bestrijd niet dat dit de juiste manier is om een organisatie voor de gezamenlijke bescherming van rechtmatige belangen te vormen; wanneer evenwel een organisatie van houders de vorm aanneemt van een handelsvennootschap op aandelen, kan men enkel toetreden door vennoot te worden. Een houder die opdracht verleent om tegen vergoeding zijn rechten geldend te maken, verkrijgt daarmee nog niet die hoedanigheid.

26.   Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat een besloten vennootschap naar Duits recht een „organisatie van houders” in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95 kan zijn en als zodanig bevoegd is om voor houders van kwekersrechten de in lid 1 bedoelde rechten geldend te maken, op voorwaarde dat deze houders vennoten zijn, haar schriftelijk last hebben gegeven en zij namens hen handelt. Een dergelijke vennootschap kan die rechten ook geldend maken namens houders van kwekersrechten die lid zijn van een organisatie die zelf vennoot is, mits zij haar daartoe schriftelijk last hebben gegeven. Zij vertegenwoordigt daarentegen niet degenen die noch vennoot zijn, noch lid van een organisatie die de voormelde hoedanigheid van vennoot bezit.

VI – De tweede prejudiciële vraag

27.   Met deze vraag wenst het Oberlandesgericht Düsseldorf te vernemen of de door hem aangehaalde bepalingen betekenen dat de houder van een communautair kwekersrecht van iedere landbouwer relevante informatie mag verlangen, met het doel van hem de betaling van een vergoeding wegens gebruikmaking van het landbouwersvoorrecht te vorderen, ook wanneer er geen aanwijzingen zijn dat het ras voor een van de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde handelingen, waaronder de productie, of voor een ander doel, is gebruikt.

28.   Deze vraag is identiek aan die welke het Duitse Oberlandesgericht Frankfurt am Main in augustus 2000 heeft voorgelegd en die heeft geleid tot de nog aanhangige zaak Schulin (C‑305/00), waarin ik op 21 maart 2002 conclusie heb genomen. De feiten van die zaak vertonen grote gelijkenis met die welke aan de procedure tegen Jäger ten grondslag liggen; het verschil is dat de vennootschap Saatgut‑Treuhandverwaltung destijds geïntimeerde was en thans optreedt als appellante.

29.   In juli 2002 zond de European Seed Association mij een schrijven waarin zij, na te hebben uitgelegd dat zij op verzoek van het directoraat-generaal Landbouw van de Commissie van de Europese Gemeenschappen had meegewerkt aan de definitie van het in verordening nr. 2100/94 en verordening nr. 1768/95 neergelegde begrip landbouwersvoorrecht, de intentie van de wetgever bij de regeling van deze figuur toelichtte en mij verzocht het door mij voorgestelde antwoord op de prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main te heroverwegen.

30.   Het ziet ernaar uit dat de vertegenwoordiger van Saatgut‑Treuhandverwaltung heeft getracht de procedureregels van het Hof te omzeilen, en aldus het dwingende karakter ervan heeft miskend.

Bekend met de rechtspraak Emesa Sugar(5), volgens welke de advocaat-generaal op openbare en persoonlijke wijze deelneemt aan de totstandkoming van de beslissing van het Hof, die de discussie tussen de partijen afsluit, zodat gelet op de rechtsprekende aard van zijn medewerking zijn handelingen geen contradictoir debat behoeven, stelde verzoekster in het hoofdgeding een ingenieuze strategie in werking. Daar in een eerste procedure, waarin dezelfde prejudiciële vraag was voorgelegd(6), het door mij als advocaat-generaal ingenomen standpunt niet met haar conclusies overeenstemde en evenmin de door de rechtspraak(7) verlangde voorwaarden aanwezig waren om krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge procedure te bevelen, besloot verzoekster afstand van instantie te doen om te verhinderen dat het Hof uitspraak zou doen zonder haar commentaar op de conclusie van de advocaat-generaal in aanmerking te nemen. Aldus zou zij haar argumenten in het volgende geding, dat hetzelfde twistpunt betrof, kunnen verstevigen.

Om haar positie te ondersteunen, wendde zij zich tot de griffie van het Hof met het verzoek om doorhaling van de zaak Schulin en, subsidiair, om opschorting van de uitspraak in die zaak tot na de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak. Ofschoon de Duitse rechter, het Oberlandesgericht te Frankfurt am Main, de afstand van instantie afwees en de voorgelegde prejudiciële vraag handhaafde, werkte de vertraging in de rechtsbedeling, inherent aan het grote aantal te behandelen zaken, in haar voordeel, zodat zij voorafgaand aan een uitspraak ten gronde van het Hof in voormelde zaak, haar mondelinge opmerkingen in de onderhavige zaak heeft kunnen voordragen. Hier is niets op tegen, mits daarmee de kwaliteit van de rechtsbescherming is gediend. Ik wijs evenwel op het beginsel van de procedurele eerlijkheid die partijen aan de rechterlijke instanties – in casu niet alleen het Hof, maar ook de Duitse rechters – verschuldigd zijn, alsook op het beginsel van solidariteit met en respect voor de overige justitiabelen, dat vanwege de complexiteit en de voortdurende toename van allerhande geschillen verlangt dat hij die een procedure instelt, onverminderd zijn recht om alle voor de verdediging van zijn rechten noodzakelijke maatregelen te nemen, dit niet nodeloos doet, zodat hij niet de duur of de grondigheid van het onderzoek van de vorderingen van andere personen beïnvloedt. Met andere woorden, ook het recht op effectieve rechtsbescherming kent zijn grenzen. In de omstandigheden waarin de rechter heden ten dage in de westerse wereld zijn taak verricht, vertalen zich deze grenzen aldus dat justitiabelen, nu rechters slechts beperkte tijd hebben voor de afdoening van de aan hen voorgelegde geschillen, procedures moeten voeren zonder verlies van garanties maar ook zonder het recht van hun medeburgers op toegang tot de rechter te belemmeren, door onnodige of tardieve, buitengewoon gecompliceerde, vanwege hun vorm verwarrende of te uitgebreide procedures te vermijden en niet in hun uitsluitende belang meerdere processen te voeren.(8)

A –    Ingediende opmerkingen

31.   Saatgut‑Treuhandverwaltung stelt dat de houder van een beschermd kwekersrecht ingevolge artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94 juncto artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1768/95 van elke landbouwer mag verlangen dat hij aangeeft of en in welke mate hij van het landbouwersvoorrecht gebruik heeft gemaakt, ook al staat niet vast dat hij in het verleden een beschermd ras op zijn bedrijf heeft gebruikt. Ter ondersteuning van deze uitlegging haalt zij maar liefst tien uitspraken van Duitse rechterlijke instanties in eerste aanleg aan, die zich recentelijk in deze zin hebben geuit.

Volgens haar is de houder niet in staat om enig bewijs te leveren dat een landbouwer voor vermeerderingsdoeleinden op zijn land het oogstproduct van een beschermd ras heeft gebruikt. In theorie zou het feit dat de landbouwer ooit nieuw gecertificeerd zaad heeft gekocht bij een leverancier, een indicatie zijn dat hij het oogstproduct opnieuw zou kunnen zaaien. In de praktijk echter heeft de houder niet de middelen om dat bewijs te leveren, omdat hij – nu hij geen commerciële relaties met landbouwers onderhoudt – niet weet wie er ooit gecertificeerd zaad van zijn kweekproduct heeft gekocht. De houder levert het basiszaad of prebasiszaad van het ras aan een vermeerderingsbedrijf, opdat daar het zaad voor de verkoop wordt vervaardigd. Het zaad wordt vervolgens verkocht aan coöperaties of groothandelaars, die het op hun beurt weer via tussen- en detailhandelaren verkopen aan de verschillende landbouwers. Niets verbiedt de landbouwer die het gecertificeerde zaad heeft verkregen, het oogstproduct gedurende meerdere seizoenen voor vermeerderingsdoeleinden te gebruiken, in het bijzonder wanneer het gaat om granen.

32.   De gemachtigde van de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft ter terechtzitting een letterlijke uitlegging van artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94 en van artikel 8 van verordening nr. 1768/95 voorgesteld. Aangezien deze bepalingen geen onderscheid maken tussen landbouwers in het algemeen en landbouwers die op hun bedrijf reeds een beschermd plantenras hebben gezaaid, kan niet worden gesteld dat alleen laatstgenoemden verplicht zijn aan het verzoek om informatie van een houder te voldoen. Bovendien, indien de regeling beoogt te bewerkstelligen dat de houder zijn recht op een billijke vergoeding uitoefent in ruil voor het voorrecht dat de landbouwer geniet, is de meest eenvoudige en praktische manier om de informatie te verkrijgen, degenen die zaaigoed zaaien er rechtstreeks naar te vragen.

33.   Jäger, de Italiaanse regering en de Commissie wijzen er eensgezind op dat voor de toepassing van artikel 8, lid 2, sub b en c, vereist is dat zaad van een beschermd ras is gekocht of dat aanwijzingen bestaan dat dit is gebruikt, en dat de houder in zijn verzoek om informatie de elementen specificeert die hem tot die overtuiging leiden.

De Commissie stelt verder dat het uitoefenen van het landbouwersvoorrecht hoe dan ook het bestaan van een relatie met de houder vooronderstelt aangezien, alvorens het oogstproduct van een beschermd ras opnieuw kan worden gezaaid, beide partijen een overeenkomst moeten hebben gesloten voor het eerste gebruik, hetzij direct, hetzij indirect door aankoop van zaad bij een leverancier. De houder heeft over het algemeen toegang tot de gegevens met betrekking tot de verkoop van zijn beschermde rassen. Zo niet, dan doet hij er goed aan zich te wenden tot de groothandelaars in zaden of andere leveranciers die zijn producten verhandelen in plaats van een bindende informatieplicht aan alle landbouwers te willen opleggen.

B –    Antwoord op de prejudiciële vraag

34.   Na zorgvuldige bestudering van de schriftelijke en mondelinge argumenten die in deze procedure bij het Hof zijn ingediend, zie ik geen enkele reden om het standpunt dat ik in mijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak C-305/00 heb ingenomen, te wijzigen.

35.   Blijkens de vijfde overweging van de considerans heeft verordening nr. 2100/94 tot doel de bescherming van alle kwekers ten opzichte van de situatie in 1994 te versterken, teneinde het kweken en ontwikkelen van nieuwe rassen te stimuleren.

Artikel 13 van deze verordening geeft een nauwkeurige opsomming van de commerciële handelingen waarvoor toestemming van de houder is vereist; daarbij gaat het om handelingen, gaande van vermeerdering tot opslag, met betrekking tot componenten van een ras en met betrekking tot de oogstproducten (bijvoorbeeld bloemen en vruchten).

36.   Voor de uitoefening van het communautaire kwekersrecht gelden beperkingen die zijn neergelegd in bepalingen die in het algemeen belang zijn vastgesteld. Aangezien de bescherming van de landbouwproductie aan dit belang beantwoordt, geeft artikel 14 van de verordening de landbouwers het recht om onder bepaalde voorwaarden hun oogstproduct voor vermeerderingsdoeleinden te gebruiken. Tussen de ongeveer twintig in lid 2 genoemde soorten waarop het landbouwersvoorrecht betrekking heeft, zijn er enkele waarvan de verbouwing zeer verbreid is, zoals gerst, tarwe en aardappelen.

Die mogelijkheid beperkt zonder enige twijfel de rechten van de houder om het ras dat hij door eigen inspanning heeft ontwikkeld of ontdekt en verbeterd, te gebruiken. Ter bescherming van de rechtmatige belangen van de kweker en de landbouwer bepaalt artikel 14 dat aan de hand van bepaalde criteria, waaronder de verplichting een billijke vergoeding aan de houder te betalen, uitvoeringsbepalingen dienen te worden vastgesteld.

37.   Zoals ik reeds in mijn conclusie in de zaak Schulin heb opgemerkt, schijnen sommige landbouwers zich door deze regeling benadeeld te voelen. Zij menen dat het een beperking betekent van de sinds onheuglijke tijden in de sector bestaande praktijk om van het product van de oogst een deel te bewaren teneinde dat vrij te gebruiken als teeltmateriaal voor de volgende oogst. Het staat evenwel vast dat dankzij het werk van de kwekers belangrijke vooruitgang is gemaakt met de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen die een grotere en betere landbouwproductie mogelijk maken.

Slechts de landbouwers die op hun bedrijf een beschermd ras zaaien, zijn verplicht de kweker een vergoeding te betalen wanneer zij hun oogstproduct gebruiken voor vermeerdering; de landbouwers die niet-gecertificeerd zaad gebruiken, hebben derhalve geen informatie- en vergoedingsverplichting.

38.   Artikel 14 van verordening nr. 2100/94, waarbij het landbouwersvoorrecht is erkend, legt het toezicht op de naleving van deze regel en haar uitvoeringsbepalingen uitsluitend bij de houder, zonder te voorzien in steun van officiële instanties. Degenen die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken zijn, kunnen hem de relevante informatie enkel verstrekken wanneer zij deze in de normale uitoefening van hun taak, zonder extra werk of kosten, hebben verkregen.

Om het toezicht, dat onder die omstandigheden praktisch onmogelijk zou zijn, te vergemakkelijken, bepalen artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94 en artikel 8 van verordening nr. 1768/95 dat de landbouwer verplicht is aan de houder, op diens verzoek of ter uitvoering van een contractuele bepaling, de informatie te verschaffen die deze nodig heeft om te bepalen of hij een vergoeding moet ontvangen en, zo ja, voor welk bedrag. Die verplichting tot informatieverstrekking op verzoek van de houder rust ook op de loonwerker.

Bovendien biedt artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95, zoals we bij het antwoord op de eerste vraag hebben gezien, de houders de mogelijkheid zich te organiseren om de uit het landbouwersvoorrecht voortvloeiende rechten gezamenlijk geldend te maken.

39.   Gelet op deze wettelijke bepalingen is nu de vraag, op welke landbouwers deze informatieplicht rust: op alle landbouwers op grond van hun hoedanigheid, zoals Saatgut‑Treuhandverwaltung en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen; of op hen die in het verleden op hun bedrijf teeltmateriaal van het desbetreffende beschermde ras hebben gezaaid of geplant, zoals Jäger, de Italiaanse regering en de Commissie stellen.

Naar mijn oordeel verdient deze laatste uitlegging de voorkeur.

40.   Ik wil een punt benadrukken dat weliswaar evident is, maar aan de aandacht van de vertegenwoordiger van Saatgut‑Treuhandverwaltung en de gemachtigde van de regering van het Verenigd Koninkrijk lijkt te zijn ontsnapt: verordening nr. 2100/94 beoogt niet een bepaalde sector van de landbouwproductie in de Gemeenschap te regelen, maar wil kweekproducten communautaire bescherming bieden. Waar de bepalingen van deze verordening spreken van „landbouwer”, zien zij dus niet op alle agrarische ondernemers die hun activiteiten op het grondgebied van de Unie ontplooien, maar enkel op degenen die onder de personele werkingssfeer van de verordening vallen, namelijk zij die op hun bedrijf beschermde plantenrassen gebruiken.

41.   Uit de tekst van artikel 14, leden 1 en 2, volgt dat de afwijkingsregeling alleen geldt voor landbouwers die aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals: a) aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een beschermd ras; b) oogst van het product; en c) aanplanting van een ras dat voorkomt op de gegeven lijst van landbouwgewassen. Gebruiken zij het product van die oogst, dan moeten zij de houder een vergoeding betalen en hem voor de berekening daarvan relevante informatie verschaffen.(9)

42.   Verordening nr. 1768/95 strekt enkel tot uitvoering van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94, waarin de voorwaarden zijn neergelegd om uitvoering te geven aan de afwijking ten gunste van landbouwers en de rechtmatige belangen van de landbouwer en de kweker te beschermen. Het beperkte doel van deze verordening sterkt mij in de overtuiging dat de „landbouwer” aan wie zij bepaalde verplichtingen oplegt, niet iedere willekeurige landbouwer in de Europese Unie kan zijn; het kan integendeel alleen gaan om een marktdeelnemer die onder deze regeling valt, dat wil zeggen iemand die teeltmateriaal heeft verworven van een van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 opgesomde landbouwgewassen.

Derhalve zijn uitsluitend die landbouwers gehouden informatie te verstrekken, die ooit teeltmateriaal van het betrokken beschermde ras hebben verworven. Het lijkt mij fundamenteel dat deze verplichting niet kan worden opgelegd aan hen die nooit dergelijk materiaal gekocht hebben, omdat zij het niet hebben kunnen opkweken en het hun geen oogst heeft kunnen opleveren die opnieuw zou kunnen worden gebruikt ter vermeerdering op hun velden.

43.   Artikel 8 van verordening nr. 1768/95 regelt uitvoerig de inhoud van de informatieplicht van de landbouwer die in staat is het oogstproduct van teeltmateriaal van een beschermd ras te gebruiken. Op grond van lid 1 van deze bepaling kunnen de landbouwer en de houder bij overeenkomst bepalen welke bijzonderheden eerstgenoemde aan laatstgenoemde moet verschaffen. Het gaat om een overeenkomst die accessoir is aan de hoofdovereenkomst, waarbij de houder of zijn vertegenwoordiger de landbouwer het recht verleent om een van de handelingen bedoeld in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 te verrichten, dat wil zeggen normaliter het voortbrengen van landbouwproducten.

44.   Bij gebreke van een accessoire overeenkomst over de details van de te verschaffen informatie bestaat er een rechtsbetrekking tussen enerzijds de houder, zijn vertegenwoordiger of de handelaars die gerechtigd zijn het teeltmateriaal van zijn beschermd ras te verkopen, en anderzijds de landbouwer die het aankoopt.

Daar het aan de houder is om toe te zien op de inachtneming van zijn rechten door de landbouwers en de overige deelnemers aan het economische verkeer, heeft vooral hij er belang bij dat wordt vastgelegd welke transacties plaatsvinden met betrekking tot teeltmateriaal van zijn beschermde rassen en meer in het bijzonder van de soorten waarbij de landbouwer zijn voorrecht om het oogstproduct te gebruiken voor nieuwe inzaai of aanplanting, kan uitoefenen.

45.   Het Verenigd Koninkrijk en met name verzoekster stellen dat het nagenoeg onmogelijk is voor de houders om te weten te komen welke landbouwers zaad van hun beschermde rassen hebben gekocht, aangezien zij licenties voor de vermeerdering verlenen en niet bij de latere transacties betrokken zijn. Saatgut‑Treuhandverwaltung heeft ter terechtzitting nog opgemerkt dat de wens van de houders om de marktdeelnemers die bij de distributie en verhandeling van de zaden betrokken zijn, contractueel te binden, in strijd is met artikel 81 EG.

46.   Ik ben het niet met deze opvatting eens. Weliswaar kan volgens artikel 27 van verordening nr. 2100/94 het communautaire kwekersrecht geheel of gedeeltelijk voorwerp van al dan niet exclusieve contractuele gebruikslicenties zijn. Niets belet echter de houder, bij de toekenning ervan de voorwaarden en beperkingen op te leggen die het meest aan zijn recht tegemoetkomen. In ieder geval geeft deze bepaling hem de mogelijkheid de uit het communautaire kwekersrecht voortvloeiende rechten geldend te maken tegenover de licentienemer die de contractbepalingen schendt.

47.   Ik moet hierbij opmerken dat onmogelijk in abstracto kan worden beoordeeld of de voorwaarden die de houders licentienemers kunnen opleggen ter naleving van hun uit het landbouwersvoorrecht afgeleide rechten, strijdig kunnen zijn met artikel 81 EG. In ieder concreet geval moet worden nagegaan of het om overeenkomsten, besluiten of verboden praktijken gaat, en moet vervolgens worden bezien of de in artikel 81, lid 3, EG, bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn.

48.   Ontbreekt een overeenkomst, dan bepaalt artikel 8, lid 2, sub a-f, van verordening nr. 1768/95 welke relevante bijzonderheden de landbouwer aan de houder moet verschaffen, waaronder allereerst zijn naam, zijn huisadres en het adres van zijn bedrijf.

Naar mijn oordeel is het niet overbodig of onnodig om deze gegevens op te vragen, ook al betekent het feit dat de houder zich rechtstreeks of door middel van de organisatie waartoe hij behoort tot de landbouwer wendt, dat hij reeds over enkele gegevens beschikt. De verplichting van de landbouwer om deze gegevens te verstrekken laat zich enerzijds verklaren door identificatiedoeleinden en anderzijds door het feit dat het voor de ontvanger nuttig kan zijn om de gegevens te controleren en eventueel aan te vullen.

49.   In de tweede plaats moet de landbouwer aangeven of hij van het voorrecht gebruik heeft gemaakt met betrekking tot een ras van de houder. Volgens mij bevestigt deze bepaling dat de houder, wanneer hij informatie vraagt, weet dat de landbouwer dat product kan hebben gebruikt, dat wil zeggen dat hij voordien teeltmateriaal van het beschermde ras heeft aangekocht.

50.   In de derde plaats moet hij, als hij het product op zijn land heeft gebruikt, de gebruikte hoeveelheid opgeven, zodat kan worden berekend welke vergoeding hij aan de houder moet betalen. In dat geval is hij ook gehouden, als hij van diensten van derden gebruik heeft gemaakt, gegevens te verschaffen over degenen die het product voor latere aanplanting hebben verwerkt.

51.   In de vierde plaats moet de landbouwer, als de omstandigheden met betrekking tot het gebruik van het oogstproduct en de gebruikte hoeveelheid niet kunnen worden bevestigd, de gebruikte hoeveelheid van het in licentie geproduceerde teeltmateriaal van het ras van de houder alsmede de gegevens van de leverancier opgeven.

Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van Saatgut‑Treuhandverwaltung aangevoerd dat het feit dat de landbouwer in dit geval de gegevens van de leverancier moet verstrekken, zijn stelling bevestigt dat deze niet bij de houder bekend zijn. Ik ben het evenwel niet met deze interpretatie eens. Ook in het geval dat de landbouwer teeltmateriaal van een beschermd ras koopt, maar geen gebruik maakt van het voorrecht, kan de houder er volgens mij belang bij hebben de gebruikte hoeveelheid te kennen ten opzichte van de gekochte hoeveelheid, en voor controledoeleinden te vernemen wie deze heeft geleverd.

52.   Wat het toezicht door de houders betreft, bepaalt artikel 14 van verordening nr. 1768/95 dat de landbouwers alle facturen en etiketten ten minste voor het lopende verkoopseizoen en de drie voorgaande verkoopseizoenen moeten bewaren, dat wil zeggen voor de periode waarover de houder informatie over het gebruik van het oogstproduct kan vragen.

53.   Op grond van de leden 5 en 6 van artikel 8 van verordening nr. 1768/95 kan de houder, in plaats van zich te richten tot de landbouwer, contact opnemen met coöperaties, loonwerkers of leveranciers van in licentie geproduceerd teeltmateriaal van zijn beschermde rassen die door de betrokkenen landbouwers zijn gemachtigd de gevraagde informatie aan de houder te verschaffen, in welk geval geen individuele landbouwers behoeven te worden vermeld.

Deze bepalingen bevestigen bovendien enerzijds dat de houder zijn recht op informatie aangaande een ras pas geldig kan uitoefenen wanneer de landbouwer tevoren teeltmateriaal van dat ras heeft verbouwd, en anderzijds dat de houder weet wie gedurende verschillende verkoopseizoenen teeltmateriaal aan bepaalde landbouwers levert en heeft geleverd.

54.   Artikel 8, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1768/95, waarin is vastgelegd voor welke seizoenen de landbouwer informatie aangaande het gebruik van het voorrecht moet verschaffen, bevestigt de beslissende rol die de houder in de verhandelingsketen van zijn beschermde plantenrassen speelt of moet spelen. Volgens deze bepaling is het eerste verkoopseizoen dat waarin het eerste verzoek om informatie met betrekking tot het ras aan de landbouwer is gericht, mits de houder ervoor heeft gezorgd dat de landbouwer op of vóór het moment van aankoop van het teeltmateriaal van het beschermde ras ten minste op de hoogte was van het feit dat een aanvraag om verlening van een communautair kwekersrecht was ingediend of dat een dergelijk recht was verleend, alsmede van de aan het gebruik van dat teeltmateriaal verbonden voorwaarden.

55.   Uit deze bepaling blijkt enerzijds duidelijk dat van de landbouwer pas informatie kan worden gevraagd nadat hij bewust een beschermd plantenras heeft gekocht, en anderzijds dat de houder bij de verkoop van het zaad bepaalde verplichtingen ten opzichte van de landbouwer moet vervullen. De stelling van Saatgut‑Treuhandverwaltung dat alle landbouwers verplicht zijn informatie aan de houders te verstrekken, of zij nu wel of niet zaaigoed van beschermde rassen hebben gekocht, en dat de houder onmogelijk kan weten wie dit heeft gekocht, mist dan ook elke grondslag.

56.   Uit de formulering van de bepalingen waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt, alsmede uit de context en de doelstellingen die zij nastreven(10), volgt dus dat de verplichting om aan de houder van een beschermd ras relevante informatie te verschaffen met betrekking tot het gebruik van het landbouwersvoorrecht, geldt voor alle landbouwers die onder licentie teeltmateriaal van dit ras hebben aangekocht, en dat het recht van de houder om de gegevens op te vragen enkel daarvan afhangt.

Derhalve moet de informatieplicht, waarvan de niet-nakoming blijkens de onderhavige zaak tot een gerechtelijke procedure kan leiden, niet worden uitgebreid, zoals Saatgut‑Treuhandverwaltung stelt, tot de landbouwers die nooit teeltmateriaal van het beschermde ras van de houder hebben ingekocht, omdat het voor hen technisch onmogelijk is het oogstproduct ervan te gebruiken.

57.   Het staat vast dat de houder niet in staat is van geval tot geval na te gaan of de landbouwers na het verbouwen van zijn beschermde ras op hun land het oogstproduct voor vermeerderingsdoeleinden gebruiken.(11) Echter, gegeven het feit dat voor ieder gebruik van de componenten van het ras zijn toestemming, waaraan hij voorwaarden en beperkingen kan verbinden, nodig is en dat het toezicht op de naleving van zijn rechten uitsluitend zijn verantwoordelijkheid is, is het logisch dat hij, voorzover hij dat al niet gedaan heeft, maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat hij via tussenhandelaren en zaadleveranciers voortdurend op de hoogte wordt gehouden van de identiteit van degenen die zijn teeltmateriaal kopen. Met die kennis kan hij zijn verzoeken om informatie gerichter zenden aan de landbouwers die verplicht zijn die informatie te verstrekken.

De wens van Saatgut‑Treuhandverwaltung, zonder onderscheid alle landbouwers in een bepaald land te kunnen verzoeken een formulier in te vullen over het gebruik van het oogstproduct dat is verkregen door het verbouwen van een beschermd ras, lijkt mij buitensporig. Bovendien is dit onnodig om de legitieme belangen van de houders te beschermen, die, zoals ik heb aangegeven, over andere, geschiktere middelen beschikken om de relevante informatie waarop zij onmiskenbaar recht hebben, te verkrijgen.

58.   Om voormelde redenen ben ik van mening dat artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94, juncto artikel 8 van verordening nr. 1768/95, moet worden uitgelegd in die zin dat uitsluitend landbouwers die in het verleden teeltmateriaal van een beschermd ras hebben gekocht en dus de mogelijkheid hebben gehad dit te verbouwen, ongeacht of zij dit gedaan hebben, gehouden zijn aan de houder van een kwekersrecht informatie te verschaffen over de verbouwing op hun land van het oogstproduct van dat materiaal.

VII – Conclusie

59.   Op grond van het voorgaande geef ik het Hof het navolgende antwoord op de vragen van Oberlandesgericht Düsseldorf in overweging:

„1)      Een besloten vennootschap naar Duits recht kan een ‚organisatie van houders’ zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers, en is als zodanig bevoegd om de in lid 1 bedoelde rechten van houders van kwekersrechten geldend te maken, op voorwaarde dat deze houders vennoten zijn, haar schriftelijk last hebben gegeven en zij namens hen handelt. Een dergelijke vennootschap kan die rechten ook geldend maken namens houders van kwekersrechten die lid zijn van een organisatie die zelf vennoot is, mits zij haar daartoe schriftelijk last hebben gegeven. Zij vertegenwoordigt daarentegen niet degenen die noch vennoot zijn, noch lid van een organisatie die de voormelde hoedanigheid van vennoot bezit.

2)      Artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautair kwekersrecht, juncto artikel 8 van verordening (EG) nr. 1768/95, moet worden uitgelegd in die zin dat uitsluitend landbouwers die in het verleden teeltmateriaal van een beschermd ras hebben gekocht en dus de mogelijkheid hebben gehad dit te verbouwen, ongeacht of zij dit gedaan hebben, gehouden zijn aan de houder van een kwekersrecht informatie te verschaffen over de verbouwing op hun land van het oogstproduct van dat materiaal.”


1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.


2  – Verordening van de Raad van 27 juli 1994 (PB L 227, blz. 1), gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2506/95 van de Raad van 25 oktober 1995 (PB L 258, blz. 3). De wijzigingen hebben geen betrekking op de inhoud van de bepalingen waarvan de verwijzende rechter de uitlegging vraagt.


3  – Verordening van de Commissie van 24 juli 1995 (PB L 173, blz. 14). De Commissie heeft twee andere uitvoeringsverordeningen vastgesteld: verordening (EG) nr. 1238/95 van 31 mei 1995 houdende toepassingsbepalingen van verordening nr. 2100/94 met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor Plantenrassen te betalen rechten (PB L 121, blz. 31), en verordening (EG) nr. 1239/95 van 31 mei 1995 houdende voorschriften ter uitvoering van verordening nr. 2100/94 van de Raad betreffende de procedures voor het Communautair Bureau voor Plantenrassen (PB L 121, blz. 37).


4  – In antwoord op mijn vraag ter terechtzitting deelde de vertegenwoordiger van verzoekster in het hoofdgeding het Hof mee, dat zowel de vennoten van verzoekster als die van de Bundesverband Deutscher Pflanzenschützer houders van een beschermd kwekersrecht zijn.


5  –      Beschikking van 4 februari 2000 (C‑17/98, Jurispr. blz. I‑665).


6  –      Arrest Schulin, reeds aangehaald.


7  –      Zie mijn conclusie van 11 juli 2002 in de zaak Kaba (C‑466/00, nog aanhangig bij het Hof), punten 108 en 109.


8  –      In antwoord op mijn vraag ter terechtzitting gaf de vertegenwoordiger van Saatgut‑Treuhandverwaltung toe dat de instelling van de vordering, de poging om nadien afstand van instantie te doen en de handhaving van vergelijkbare vorderingen in andere procedures deel uitmaakten van een „strategie” die was bedacht om op de conclusie van de advocaat-generaal te kunnen reageren.


9  – Indien de wetgever had willen verwijzen naar alle landbouwers van de Gemeenschap, had hij dat dus moeten preciseren door te bepalen dat zij allen verplicht zijn informatie aan de houders te verstrekken, ongeacht of zij al dan niet op hun bedrijf gecertificeerd zaad van een van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 opgesomde landbouwgewassen hebben aangeplant. Hoe dan ook, de wetgever had zich kunnen bedienen van uitdrukkingen die duidelijk meer omvatten dan „los agricultores”, zoals daar zijn: „todos los agricultores”, „cualquier agricultor”, „tous les agriculteurs”, „l'ensemble des agriculteurs”, „chaque agriculteur”, „all farmers”, „every farmer”, „alle Landwirte” of „jeder Landwirt”.


10  – Arrest van 18 mei 2000, KVS International (C‑301/98, Jurispr. blz. I‑3583, punt 21). Zie ook arresten van 17 november 1983, Merck (292/82, Jurispr. blz. 3781, punt 12), en 14 oktober 1999, Adidas (C‑223/98, Jurispr. blz. I‑7081, punt 23).


11  – Kiewiet, B.P., de voorzitter van het Communautair Bureau voor Plantenrassen, verklaarde in een op 26 januari 2001 te Einbeck gehouden voordracht over Modern Plant Breeding and Intellectual Property Rights, blz. 2: „Taking action against farmers who are not prepared to pay involves considerable expense (not least legal costs) and is made even more difficult by the lack of adequate information about the extent of the use of seed from protected varieties at individual farm level.” Gepubliceerd in www.cpvo.fr/e/articles ocvv/speech bk.pdf.