Language of document : ECLI:EU:C:2014:2037

Zaak C‑573/12

Ålands vindkraft AB

tegen

Energimyndigheten

(verzoek van het förvaltningsrätt i Linköping om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing – Nationale steunregeling die voorziet in de toekenning van verhandelbare groenestroomcertificaten voor installaties die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren – Verplichting voor de elektriciteitsleveranciers en bepaalde verbruikers om jaarlijks bij de bevoegde autoriteit een bepaald aantal groenestroomcertificaten in te leveren – Weigering om groenestroomcertificaten toe te kennen voor buiten de betrokken lidstaat gelegen productie-installaties – Richtlijn 2009/28/EG – Artikel 2, tweede alinea, sub k, en artikel 3, lid 3 – Vrij verkeer van goederen – Artikel 34 VWEU”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 1 juli 2014

1.        Gerechtelijke procedure – Mondelinge behandeling – Heropening – Voorwaarden

(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83)

2.        Milieu – Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen – Richtlijn 2009/28 – Voorschriften betreffende de nationale steunregelingen – Steunregeling – Begrip – Nationale steunregeling die voorziet in de toekenning van verhandelbare groenestroomcertificaten voor installaties die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren – Regeling die de elektriciteitsleveranciers en bepaalde verbruikers verplicht om jaarlijks bij de bevoegde autoriteit een bepaald aantal groenestroomcertificaten in te leveren – Daaronder begrepen – Weigering om groenestroomcertificaten toe te kennen voor buiten de betrokken lidstaat gelegen productie-installaties – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 2009/28 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, lid 2, sub k, en 3, lid 3)

3.        Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Nationale steunregeling die voorziet in de toekenning van verhandelbare groenestroomcertificaten voor installaties die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren – Verplichting voor de elektriciteitsleveranciers en bepaalde verbruikers om, op straffe van een administratieve geldboete, jaarlijks bij de bevoegde autoriteit een bepaald aantal groenestroomcertificaten in te leveren – Weigering om groenestroomcertificaten toe te kennen voor buiten de betrokken lidstaat gelegen productie-installaties – Toelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor de productie van elektriciteit

(Art. 34 VWEU)

4.        Recht van de Europese Unie – Beginselen – Rechtszekerheid – Nationale steunregeling voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen – Steunmaatregelen die zijn voorbehouden voor productie van groene stroom op het grondgebied van de betrokken lidstaat – Territoriale werkingssfeer die niet uitdrukkelijk uit die regeling blijkt – Eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel – Verplichting voor nationale rechter om dit na te gaan

1.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punt 35)

2.        De artikelen 2, tweede alinea, sub k, en 3, lid 3, van richtlijn 2009/28 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77 en richtlijn 2003/30 moeten aldus worden uitgelegd dat zij een lidstaat toestaan om een steunregeling in te voeren die bij de toekenning van verhandelbare certificaten aan producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen alleen rekening houdt met de uit die bronnen in die staat geproduceerde stroom, en die de leveranciers en bepaalde verbruikers van elektriciteit verplicht om jaarlijks bij de bevoegde autoriteit een met een deel van hun totale elektriciteitslevering of -verbruik overeenstemmend aantal van die certificaten in te leveren.

In de eerste plaats vertoont een dergelijke steunregeling immers de vereiste kenmerken om te worden aangemerkt als „steunregeling” in de zin van de artikelen 2, tweede alinea, sub k, en 3, lid 3, van richtlijn 2009/28. In de tweede plaats had de Uniewetgever niet de bedoeling de lidstaten die hebben gekozen voor een steunregeling die gebruikmaakt van groenestroomcertificaten, te verplichten om deze regeling ten goede te laten komen aan in een andere lidstaat geproduceerde groene stroom.

(cf. punten 48, 53, 54, dictum 1)

3.        Artikel 34 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die bij de toekenning van verhandelbare certificaten aan producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen alleen rekening houdt met de in de betrokken lidstaat uit die bronnen geproduceerde stroom, en die de leveranciers en bepaalde verbruikers van elektriciteit verplicht om, op straffe van betaling van een specifiek recht, jaarlijks bij de bevoegde autoriteit een met een deel van hun totale elektriciteitslevering of ‑verbruik overeenstemmend aantal van die certificaten in te leveren.

Het is juist dat een dergelijke regeling de invoer van – met name groene – elektriciteit uit andere lidstaten kan belemmeren en bijgevolg een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt, die in beginsel onverenigbaar is met de Unierechtelijke verplichtingen van artikel 34 VWEU.

Niettemin kan een doelstelling van het bevorderen van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor de productie van elektriciteit, zoals die welke wordt nagestreefd door een dergelijke nationale regeling, in beginsel eventuele belemmeringen van het vrije verkeer van goederen rechtvaardigen.

De in een dergelijke regeling vastgestelde territoriale beperking kan in de huidige stand van het Unierecht echter worden geacht noodzakelijk te zijn ter verwezenlijking van die legitieme doelstelling. Hoewel de aan een verhoging van de productie en het verbruik van groene stroom ten grondslag liggende milieubeschermingsdoelstelling a priori binnen de Unie lijkt te kunnen worden nagestreefd los van het feit dat deze verhoging haar oorsprong vindt in installaties die zijn gelegen op het grondgebied van deze of gene lidstaat, aangezien het Unierecht de nationale steunregelingen voor groene stroom niet heeft geharmoniseerd, is het de lidstaten in beginsel toegestaan te bepalen dat alleen voor de productie van groene stroom op hun grondgebied aanspraak kan worden gemaakt op dergelijke regelingen.

Bovendien mag een lidstaat in de huidige stand van het Unierecht aannemen dat een dergelijke territoriale beperking niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling om de productie, en indirect het verbruik, van groene stroom in de Unie te verhogen.

Voorts moet worden vastgesteld dat een dergelijke nationale regeling, gelet op de andere kenmerken ervan en in samenhang met de territoriale beperking beschouwd, in haar geheel genomen voldoet aan de vereisten van het evenredigheidsbeginsel.

(cf. punten 75, 82, 92‑94, 104, 105, 119, dictum 2)

4.        Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om, rekening houdend met alle relevante elementen, waartoe met name kan behoren de normatieve Unierechtelijke context van een nationale regeling van steun voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die alleen groenestroomproductie op het grondgebied van de betrokken lidstaat voor de steunmaatregelen in aanmerking laat komen, na te gaan of die regeling, beoordeeld vanuit het oogpunt van de territoriale werkingssfeer ervan, voldoet aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel.

(cf. punt 132, dictum 3)