Language of document :

Hogere voorziening ingesteld op 5 januari 2017 door ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias, tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 27 april 2016 in zaak T-154/14, ANKO / Europese Commissie

(Zaak C-6/17 P)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: ANKO AE Antiprosopeion, Emporiou kai Viomichanias (vertegenwoordiger: Stavroula Paliou, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 27 april 2016 in zaak T-154/14 vernietigen en de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor afdoening ten gronde;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met haar hogere voorziening komt rekwirante op tegen de onjuiste rechtsopvattingen waarvan in het arrest van het Gerecht van 27 april 2016 in zaak T-154/14 blijk is gegeven en die in strijd zijn met het Unierecht.

Volgens rekwirante moet het bestreden arrest worden vernietigd:

in de eerste plaats, met betrekking tot de toepasselijke bepalingen van materieel recht, voor zover in het bestreden arrest blijk is gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en vormvoorschriften betreffende de motivering zijn geschonden;

in de tweede plaats, voor zover in het bestreden arrest blijk is gegeven van onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de regels die van toepassing zijn, wat het beroep aangaat, op het te leveren bewijs en de bewijslast en, wat de tegenvordering aangaat, op de verdeling van de bewijslast.

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante de volgende middelen aan:

Met betrekking tot de onjuiste rechtsopvattingen en de schending van vormvoorschriften:

eerste middel: kennelijk ontoereikende motivering.

tweede middel: onjuiste rechtsopvattingen en tegenstrijdige motivering.

Met betrekking tot de onjuiste rechtsopvattingen en de bepalingen die het te leveren bewijs en de bewijslast regelen:

derde middel: onjuiste rechtsopvattingen inzake het te leveren bewijs en de bewijslast wat het beroep aangaat.

vierde middel: onjuiste rechtsopvattingen inzake de verdeling van de bewijslast wat de tegenvordering van de Commissie aangaat.

____________