Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus (Finland) op 13 januari 2017 – Bosphorus Queen Shipping Ltd Corp. / Rajavartiolaitos

(Zaak C-15/17)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bosphorus Queen Shipping Ltd Corp.

Verwerende partij: Rajavartiolaitos

Prejudiciële vragen

Dient de uitdrukking „kustlijn of daarmede samenhangende belangen” in artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag respectievelijk de uitdrukking „kustlijn of daaraan gelieerde belangen” in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/35/EG1 te worden uitgelegd aan de hand van de definitie van de uitdrukking „daarmede samenhangende belangen”, zoals opgenomen in artikel II, punt 4, van het Internationale Verdrag van 1969 inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door olie kunnen veroorzaken?

Volgens de definitie in artikel II, punt 4, onder c), van het in de eerste prejudiciële vraag genoemde verdrag van 1969 ziet „daarmede samenhangende belangen” onder meer op het welzijn van het betrokken gebied, met inbegrip van het behoud van de levende rijkdommen van de zee en van de in het wild levende dieren. Geldt deze bepaling ook voor het behoud van de levende rijkdommen van de zee alsmede de in het wild levende dieren in de exclusieve economische zone of heeft deze bepaling slechts betrekking op het behoud van de belangen van het kustgebied?

Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: wat wordt bedoeld met de uitdrukking „kustlijn of daarmede samenhangende belangen” in artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag respectievelijk de uitdrukking „kustlijn of daaraan gelieerde belangen” in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/35/EG?

Wat betekent de uitdrukking „rijkdommen van zijn territoriale zee of exclusieve economische zone” in de zin van artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag en artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/35/EG? Moeten onder levende rijkdommen alleen geoogste soorten worden verstaan of vallen daaronder ook soorten die in hetzelfde ecosysteem leven als de geoogste nuttige soorten in de zin van artikel 61, lid 4, van het zeerechtverdrag, zoals bijvoorbeeld planten en dieren die door de geoogste soorten als voedsel worden gebruikt?

Hoe dient de uitdrukking „het risico [...] veroorzaakt” in artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag en „dreigt te veroorzaken” in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/35/EG te worden opgevat? Moet de dreigende veroorzaking worden bepaald aan de hand van het begrip van het abstracte of het concrete risico of op andere wijze?

Moet bij de toetsing aan de in artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag en artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/35/EG voorziene voorwaarden voor de bevoegdheid van de kuststaat ervan uit worden gegaan dat de veroorzaakte of dreigende grote schade een ingrijpender gevolg is dan de veroorzaakte of dreigende aanmerkelijke verontreiniging van het mariene milieu in de zin van artikel 220, lid 5? Hoe moet de aanmerkelijke verontreiniging van het mariene milieu worden gedefinieerd, en hoe moet hiermee rekening worden gehouden bij de beoordeling van de veroorzaakte of dreigende grote schade?

Welke omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de veroorzaakte dan wel dreigende schade? Moeten bij de beoordeling bijvoorbeeld de duur en de geografische reikwijdte van de nadelige gevolgen die zich als schade manifesteren, in aanmerking worden genomen? Indien dit wordt bevestigd: hoe moeten de duur en de omvang van de schade worden beoordeeld?

Richtlijn 2005/35/EG is een minimumrichtlijn en belet de lidstaten niet om in overeenstemming met het volkenrecht strengere maatregelen te treffen tegen mariene verontreiniging door schepen (artikel 2). Geldt de mogelijkheid om strengere regels toe te passen voor artikel 7, lid 2, van de richtlijn, waarin de bevoegdheid van de kuststaat is geregeld om tegen een schip op doorvaart op te treden?

Kan bij de uitlegging van de in artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag en in artikel 7, lid 2, van de richtlijn opgenomen voorwaarden voor de bevoegdheid van de kuststaat betekenis worden toegekend aan de bijzondere geografische en ecologische eigenschappen alsmede aan de kwetsbaarheid van het Oostzeegebied?

Wordt met „duidelijke redenen” in de zin van artikel 220, lid 6, van het zeerechtverdrag en „duidelijke objectieve bewijzen” in de zin van artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/35/EG ook het bewijs van de gevolgen van de lozing bedoeld, naast het bewijs dat een schip de overtredingen waarop de bedoelde bepalingen zien, heeft begaan? Welk bewijs is nodig om aan te tonen dat grote schade dreigt te ontstaan aan de kustlijn of aan daarmee samenhangende belangen dan wel aan rijkdommen van de territoriale zee of de exclusieve economische zone, bijvoorbeeld voor de vogel- en visbestanden alsmede het mariene milieu in het gebied? Betekent het vereiste van duidelijke redenen respectievelijk duidelijke objectieve bewijzen dat bijvoorbeeld de beoordeling van de nadelige gevolgen van de geloosde olie voor het mariene milieu steeds gebaseerd moet zijn op concrete onderzoeken en studies inzake de gevolgen van de feitelijke olielozing?

____________

1 Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (PB 2005, L 255, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 (PB 2009, L 280, blz. 52).