Language of document : ECLI:EU:C:2017:197

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

9 maart 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Persoonsgegevens – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van deze gegevens – Richtlijn 95/46/EG – Artikel 6, lid 1, onder e) – Gegevens die in het vennootschapsregister openbaar moeten worden gemaakt – Eerste richtlijn (68/151/EEG) – Artikel 3 – Ontbinding van de betrokken vennootschap – Beperking van de toegang van derden tot deze gegevens”

In zaak C‑398/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter, Italië) bij beslissing van 21 mei 2015, ingekomen bij het Hof op 23 juli 2015, in de procedure

Camera di Commercio,Industria, Artigianato e Agricoltura di Lecce

tegen

Salvatore Manni,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat‑generaal: Y. Bot,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 juni 2016,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Lecce, vertegenwoordigd door L. Caprioli, avvocato,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door E. De Bonis en P. Grasso, avvocati dello Stato,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,

–        Ierland, vertegenwoordigd door E. Creedon, J. Quaney en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door A. Carroll, barrister,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en C. Vieira Guerra als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Costa de Oliveira, D. Nardi en H. Støvlbæk als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2016,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van de Eerste richtlijn (68/151/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1968, L 65, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 (PB 2003, L 221, blz. 13) (hierna: „richtlijn 68/151”), en van artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Lecce (kamer van koophandel, industrie, nijverheid en landbouw van Lecce, Italië; hierna: „kamer van koophandel van Lecce”) en Salvatore Manni over de weigering van die kamer van koophandel om bepaalde persoonsgegevens van Manni in het vennootschapsregister te schrappen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 68/151

3        Blijkens overweging 3 van richtlijn 2003/58 had die richtlijn met name tot doel richtlijn 68/151 te moderniseren en „niet alleen de belangrijke doelstelling inzake een betere en snellere toegang tot bedrijfsinformatie voor belanghebbenden dichterbij [te] brengen, maar [...] tevens de openbaarmakingsformaliteiten voor ondernemingen aanzienlijk [te] vereenvoudigen”.

4        De overwegingen van richtlijn 68/151 luiden als volgt:

„Overwegende dat de in artikel 54, lid 3, onder g), [van het EEG‑Verdrag] en in het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging neergelegde coördinatie een urgent karakter draagt, met name ten aanzien van de vennootschappen op aandelen en de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, daar de werkzaamheid van deze vennootschappen vaak de grenzen van het nationale grondgebied overschrijdt;

Overwegende dat de coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de openbaarmaking, de rechtsgeldigheid van de verbintenissen en de nietigheid van deze vennootschappen van bijzonder belang is, met name met het oog op de bescherming van de belangen van derden;

Overwegende dat op deze gebieden voor deze vennootschappen tegelijkertijd communautaire voorschriften moeten worden vastgesteld, omdat deze vennootschappen aan derden geen andere waarborg bieden dan het vermogen van de vennootschap;

Overwegende dat de openbaarmaking derden in de gelegenheid moet stellen kennis te nemen van de voornaamste akten van de vennootschap en van bepaalde gegevens die haar betreffen, met name de identiteit der personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden;

Overwegende dat de bescherming van derden moet worden verzekerd door middel van bepalingen die de gronden van ongeldigheid van de ten name van de vennootschap aangegane verbintenissen zoveel mogelijk beperken;

Overwegende dat de beperking van de gevallen van nietigheid en van de terugwerkende kracht van de nietigverklaring, alsmede het vaststellen van een korte termijn voor het derdenverzet tegen deze nietigverklaring noodzakelijk zijn om de rechtszekerheid te waarborgen in de betrekkingen tussen de vennootschap en derden alsmede tussen de deelnemers in de vennootschap”.

5        Krachtens artikel 1 van richtlijn 68/151 zijn de door die richtlijn voorgeschreven coördinatiemaatregelen van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de lidstaten die betrekking hebben op vennootschappen met in deze bepaling genoemde rechtsvormen, waaronder voor de Italiaanse Republiek de „società a responsabilità limitata” (vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).

6        Artikel 2 van richtlijn 68/151 is opgenomen in afdeling I van de richtlijn, die het opschrift „Openbaarmaking” draagt, en bepaalt:

„1.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen tenminste plaatsvindt voor de volgende akten en gegevens:

[...]

d)      de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan

i)      de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen,

ii)      deelnemen aan het bestuur van, het toezicht of de controle op de vennootschap.

[...];

[...]

h)      de ontbinding van de vennootschap;

[...]

j)      de benoeming en de identiteit van de vereffenaars alsmede hun respectieve bevoegdheden, tenzij deze bevoegdheden uitdrukkelijk en uitsluitend voortvloeien uit de wet of de statuten;

k)      de beëindiging van de liquidatie en de doorhaling in het register in die lidstaten waar zulks rechtsgevolgen heeft.”

7        Artikel 3 van die richtlijn is opgenomen in dezelfde afdeling en bepaalt:

„1.      In iedere lidstaat wordt hetzij bij een centraal register hetzij bij een handelsregister of vennootschapsregister voor elk der aldaar ingeschreven vennootschappen een dossier aangelegd.

2.      Alle akten en alle gegevens die krachtens artikel 2 openbaar gemaakt dienen te worden, worden in het dossier opgenomen of ingeschreven in het register; de inhoud van het in het register ingeschrevene dient in elk geval uit het dossier te blijken.

[...]

3.      Een volledig of gedeeltelijk afschrift van de in artikel 2 bedoelde akten of gegevens moet op aanvraag verkrijgbaar zijn. Uiterlijk vanaf 1 januari 2007 kunnen aanvragen zowel schriftelijk als langs elektronische weg, naar keuze van de aanvrager, bij het register worden ingediend.

Vanaf een door elke lidstaat te kiezen datum, maar uiterlijk vanaf 1 januari 2007, moeten de in de eerste alinea bedoelde afschriften op papier of langs elektronische weg, naar keuze van de aanvrager, van het register kunnen worden verkregen. Dit geldt in het geval van alle akten en gegevens, ongeacht of zij vóór of na de gekozen datum zijn ingediend. De lidstaten kunnen echter besluiten dat alle – of bepaalde categorieën – akten en gegevens die tot uiterlijk 31 december 2006 schriftelijk zijn ingediend, niet langs elektronische weg van het register kunnen worden verkregen indien zij vóór een vastgestelde termijn voorafgaand aan de datum van de aanvraag bij het register zijn ingediend. Deze vastgestelde termijn mag niet korter zijn dan tien jaar.

[...]”

8        Richtlijn 68/151 is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 2009, L 258, blz. 11). Richtlijn 2009/101 is nadien gewijzigd bij richtlijn 2012/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 (PB 2012, L 156, blz. 1).

9        Richtlijn 2012/17 heeft met name artikel 7 bis in richtlijn 2009/101 ingevoegd, luidend:

„Op de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van deze richtlijn is richtlijn [95/46] van toepassing.”

10      Evenwel is op het hoofdgeding, gelet op het tijdstip van de feiten, richtlijn 68/151 van toepassing.

 Richtlijn 95/46

11      Richtlijn 95/46, die volgens artikel 1 tot doel heeft het in verband met de verwerking van persoonsgegevens waarborgen van de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, in het bijzonder van het recht op persoonlijke levenssfeer, alsmede het opheffen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van die gegevens, vermeldt in de overwegingen 10 en 25 het volgende:

„(10)      Overwegende dat met de nationale wetgevingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens de eerbiediging moet worden gewaarborgd van de fundamentele rechten en vrijheden, en met name van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat tevens in artikel 8 van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht is erkend; dat derhalve de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen niet tot een verzwakking van de aldus geboden bescherming mag leiden, maar juist erop gericht moet zijn een hoog beschermingsniveau in de Gemeenschap te waarborgen;

[...]

(25)      Overwegende dat de beginselen van de bescherming enerzijds tot uiting moeten komen in de verplichtingen die aan de personen [...] die de verwerkingen uitvoeren, worden opgelegd, verplichtingen die met name betrekking hebben op de kwaliteit van de gegevens, de technische beveiliging, de aanmelding bij de toezichthoudende autoriteit en de omstandigheden waarin de verwerking kan worden uitgevoerd, en anderzijds in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten”.

12      Artikel 2 van richtlijn 95/46 bepaalt het volgende:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)      ,persoonsgegevens’, iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna ,betrokkene’ te noemen; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;

b)      ,verwerking van persoonsgegevens’, hierna ,verwerking’ te noemen, elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

[...]

d)      ,voor de verwerking verantwoordelijke’, de natuurlijke of rechtspersoon, de overheidsinstantie, de dienst of enig ander lichaam die, respectievelijk dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer het doel van en de middelen voor de verwerking worden vastgesteld bij nationale of communautaire wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, kan in het nationale of communautaire recht worden bepaald wie de voor de verwerking verantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;

[...]”

13      Artikel 3 van die richtlijn draagt het opschrift „Werkingssfeer” en bepaalt in lid 1:

„De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet‑geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.”

14      Artikel 6 is opgenomen in afdeling I van hoofdstuk II van richtlijn 95/46, die het opschrift „Beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens” draagt, en luidt als volgt:

„1.      De lidstaten bepalen dat de persoonsgegevens:

a)      eerlijk en rechtmatig moeten worden verwerkt;

b)      voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze d[i]e onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de lidstaten passende garanties bieden;

c)      toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig moeten zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt;

d)      nauwkeurig dienen te zijn en, zo nodig, dienen te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te corrigeren;

e)      in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is. De lidstaten voorzien in passende waarborgen voor persoonsgegevens die langer dan hierboven bepaald voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.

2.      Op de voor de verwerking verantwoordelijke rust de plicht er zorg voor te dragen dat lid 1 wordt nageleefd.”

15      Artikel 7 is opgenomen in afdeling II van hoofdstuk II van richtlijn 95/46, die het opschrift „Beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking” draagt, en bepaalt:

„De lidstaten bepalen dat de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden indien:

[...]

c)      de verwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de voor de verwerking verantwoordelijke onderworpen is, of

[...]

e)      de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, [...] is opgedragen, of

f)      de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van artikel 1, lid 1, van deze richtlijn, niet prevaleren.”

16      Artikel 12 van de richtlijn draagt het opschrift „Recht van toegang” en bepaalt:

„De lidstaten waarborgen elke betrokkene het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

[...]

b)      naargelang van het geval, de rectificatie, de uitwissing of de afscherming van de gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens;

[...]”

17      Artikel 14 van richtlijn 95/46 draagt het opschrift „Recht van verzet van de betrokkene” en bepaalt:

„De lidstaten kennen de betrokkene het recht toe:

a)      zich ten minste in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onder e) en f), te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de voor de verwerking verantwoordelijke persoon verrichte verwerking niet langer op deze gegevens betrekking hebben;

[...]”

18      Volgens artikel 28 van richtlijn 95/46 stellen de lidstaten een toezichthoudende autoriteit in die toeziet op de toepassing van de ter uitvoering van die richtlijn vastgestelde bepalingen.

 Italiaans recht

19      Artikel 2188 van de codice civil (burgerlijk wetboek) luidt als volgt:

„Er wordt een vennootschapsregister ingesteld voor de wettelijk voorgeschreven inschrijvingen.

Het register wordt gehouden door het bureau van het vennootschapsregister onder toezicht van een door de president van de rechtbank aangewezen rechter.

Het register is openbaar.”

20      Artikel 8, leden 1 en 2, van legge n. 580 – Riordinamento delle camere di commercio, industria, artigianato e agricoltura (wet nr. 580 houdende reorganisatie van de kamers van koophandel, industrie, nijverheid en landbouw) van 29 december 1993 (gewoon supplement bij GURI nr. 7 van 11 januari 1994) bepaalt dat de kamers van koophandel, industrie, nijverheid en landbouw het houden van de vennootschapsregisters tot taak krijgen.

21      Decreto del Presidente della Repubblica n. 581 – Regolamento di attuazione dell’articolo 8 della legge 29 dicembre 1993, n. 580, in materia di istituzione del registro delle imprese di cui all’articolo 2188 del codice civile (presidentieel besluit nr. 581 tot uitvoering van artikel 8 van wet nr. 580 van 29 december 1993 houdende instelling van het in artikel 2188 van de codice civile bedoelde vennootschapsregister) van 7 december 1995 (GURI nr. 28 van 3 februari 1996) regelt bepaalde aspecten met betrekking tot het vennootschapsregister.

22      Bij decreto legislativo n. 196 – Codice in materia di protezione dei dati personali (wetgevend besluit nr. 196 houdende vaststelling van regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens) van 30 juni 2003 (gewoon supplement bij GURI nr. 174 van 29 juli 2003) is richtlijn 95/46 omgezet in Italiaans recht.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

23      Manni is enig bestuurder van Italiana Costruzioni S.r.l., een onderneming waaraan de opdracht is gegund voor de bouw van een toeristencomplex.

24      Op 12 december 2007 heeft Manni een rechtszaak aangespannen tegen de kamer van koophandel van Lecce, waarbij hij heeft aangevoerd dat de wooneenheden van het complex niet werden verkocht omdat uit het vennootschapsregister bleek dat hij enig bestuurder en vereffenaar was geweest van Immobiliare e Finanziaria Salentina S.r.l. (hierna: „Immobiliare Salentina”), een vennootschap waarvan in 1992 het faillissement was uitgesproken en die na afloop van een liquidatieprocedure op 7 juli 2005 was doorgehaald in het vennootschapsregister.

25      In het kader van dat geding heeft Manni gesteld dat de uit het vennootschapsregister verkregen persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, zijn verwerkt door een onderneming die gespecialiseerd is in het verzamelen en verwerken van marktinformatie en het beoordelen van risico’s (rating), en dat de kamer van koophandel van Lecce die gegevens niet heeft geschrapt ondanks een verzoek daartoe.

26      Manni heeft derhalve verzocht de kamer van koophandel van Lecce te gelasten om de gegevens die hem in verband brengen met het faillissement van Immobiliare Salentina te schrappen, te anonimiseren of af te schermen, alsmede die kamer van koophandel te veroordelen tot vergoeding van de geleden imagoschade.

27      Bij uitspraak van 1 augustus 2011 heeft de Tribunale di Lecce (rechtbank Lecce, Italië) dit verzoek ingewilligd door de kamer van koophandel van Lecce te gelasten de gegevens die Manni in verband brengen met het faillissement van Immobiliare Salentina te anonimiseren, en door haar te veroordelen tot vergoeding van de schade, die is vastgesteld op 2 000 EUR, vermeerderd met rente en kosten.

28      De Tribunale di Lecce heeft namelijk geoordeeld dat „[d]e aantekeningen die de naam van een natuurlijk persoon in verband brengen met een kritieke fase in het bestaan van de onderneming (zoals het faillissement) [...] niet eeuwig geregistreerd [kunnen] blijven indien een specifiek algemeen belang bij bewaring en openbaarmaking ervan ontbreekt”. Aangezien het burgerlijk wetboek niet voorziet in een maximale inschrijvingsduur, luidde het oordeel dat, zodra „een passend tijdsbestek” sinds de faillietverklaring is verstreken en de betrokken vennootschap in het vennootschapsregister is doorgehaald, niet langer de noodzaak en het nut, zoals bedoeld in wetgevend besluit nr. 196, bestaan om de naam van de ten tijde van het faillissement enige bestuurder te vermelden, terwijl voor het algemeen belang „bij de ,opslag van historische gegevens’ over het bestaan van de vennootschap en haar problemen geanonimiseerde gegevens ruimschoots voldoende zijn”.

29      Nadat de kamer van koophandel van Lecce tegen deze uitspraak cassatieberoep had ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter, Italië), heeft deze rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

„1)      Heeft het beginsel dat persoonsgegevens, in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is, als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn [95/46], omgezet bij wetgevend besluit nr. 196 van 30 juni 2003, voorrang boven en staat het derhalve in de weg aan het door het vennootschapsregister tot stand gebrachte openbaarmakingssysteem, als voorzien in [richtlijn 68/151], alsmede in het nationale recht in artikel 2188 van het burgerlijk wetboek en artikel 8 van wet nr. 580 van 29 december 1993, voor zover dit vereist dat eenieder zonder beperking in de tijd kennis kan nemen van de daarin opgeslagen persoonsgegevens?

2)      Staat artikel 3 van [richtlijn 68/151] dientengevolge toe dat de betrokken gegevens, in afwijking van de regel dat de in het vennootschapsregister openbaar gemaakte gegevens voor onbeperkte tijd worden opgeslagen en door eenieder kunnen worden ingezien, niet langer onderworpen zijn aan ‚openbaarmaking’ in deze tweeledige betekenis, maar gedurende slechts een beperkt tijdsbestek of voor een specifieke groep ontvangers beschikbaar zijn, op grond van een beoordeling per geval door de beheerder van de gegevens?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

30      Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van richtlijn 68/151 en artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46 aldus dienen te worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen, of zelfs moeten, toestaan dat natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 de met het houden van het vennootschapsregister belaste autoriteit verzoeken om, na een bepaalde periode na de ontbinding van de betrokken vennootschap en op basis van een beoordeling per geval, de toegang tot in dat register over hen opgenomen persoonsgegevens te beperken.

31      Vooraf moet erop worden gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak en de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de verdere verwerking van de litigieuze gegevens die in casu is verricht door de in punt 25 van het onderhavige arrest genoemde gespecialiseerde onderneming in rating, maar wel op de toegang van derden tot dergelijke gegevens in het vennootschapsregister.

32      Allereerst volgt uit artikel 2, lid 1, onder d), van richtlijn 68/151 dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen tenminste plaatsvindt voor de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan, de bevoegdheid hebben de betrokken vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen, of deelnemen aan het bestuur van, het toezicht of de controle op die vennootschap. Voorts moeten blijkens artikel 2, lid 1, onder j), ook de benoeming en de identiteit van de vereffenaars alsmede hun respectieve bevoegdheden openbaar worden gemaakt.

33      Volgens artikel 3, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 68/151 moeten die gegevens in iedere lidstaat worden ingeschreven hetzij in een centraal register, hetzij in een handelsregister of vennootschapsregister (hierna gezamenlijk: „register”), en moet een volledig of gedeeltelijk afschrift van de gegevens op aanvraag verkrijgbaar zijn.

34      De gegevens die betrekking hebben op de identiteit van personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151, zijn informatie betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen en daarmee aan te merken als „persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 95/46. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat de omstandigheid dat die informatie behoort tot een professionele context niet afdoet aan de kwalificatie ervan als persoonsgegevens (zie arrest van 16 juli 2015, ClientEarth en PAN Europe/EFSA, C‑615/13 P, EU:C:2015:489, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Verder is het zo dat, bij het inschrijven en bewaren van die informatie in het register en het in voorkomend geval op aanvraag verstrekken daarvan aan derden, de met het houden van dat register belaste autoriteit een „verwerking van persoonsgegevens” verricht waarvoor zij de „verantwoordelijke” is in de zin van artikel 2, onder b) en d), van richtlijn 95/46.

36      Op de verwerking van persoonsgegevens die aldus plaatsvindt ter uitvoering van artikel 2, lid 1, onder d) en j), en artikel 3 van richtlijn 68/151, is richtlijn 95/46 van toepassing krachtens de artikelen 1 en 3 van die richtlijn. Dit wordt overigens thans expliciet tot uitdrukking gebracht in artikel 7 bis van richtlijn 2009/101, zoals gewijzigd bij richtlijn 2012/17, welk artikel evenwel slechts een declaratoir karakter heeft. Zoals de Europese Commissie ter terechtzitting heeft aangegeven, heeft de wetgever van de Europese Unie het immers zinvol geacht om hierop te wijzen tegen de achtergrond van de wettelijke wijzigingen die met richtlijn 2012/17 zijn doorgevoerd en die erop gericht zijn om interoperabiliteit tot stand te brengen tussen de registers in de lidstaten, aangezien er bij die wijzigingen van mocht worden uitgegaan dat de verwerking van persoonsgegevens in intensiteit zou toenemen.

37      Wat richtlijn 95/46 betreft, volgt uit artikel 1 en overweging 10 daarvan dat deze richtlijn beoogt een hoog niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, en met name van hun privéleven, bij de verwerking van persoonsgegevens te waarborgen (zie arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google, C‑131/12, EU:C:2014:317, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Volgens overweging 25 van richtlijn 95/46 komen de beginselen van de bescherming waarin deze richtlijn voorziet tot uiting, enerzijds, in de verplichtingen die worden opgelegd aan de personen die de verwerkingen uitvoeren en die met name betrekking hebben op de kwaliteit van de gegevens, de technische beveiliging, de aanmelding bij de toezichthoudende autoriteit en de omstandigheden waarin de verwerking kan worden uitgevoerd en, anderzijds, in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten.

39      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat richtlijn 95/46, doordat zij een regeling treft in verband met de verwerking van persoonsgegevens die afbreuk kan doen aan de fundamentele vrijheden, en inzonderheid aan het recht op eerbiediging van het privéleven, noodzakelijkerwijs moet worden uitgelegd op basis van de grondrechten die door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) worden gewaarborgd (zie arrest van 6 oktober 2015, Schrems, C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Aldus waarborgt artikel 7 van het Handvest het recht op eerbiediging van het privéleven, terwijl artikel 8 van het Handvest uitdrukkelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens waarborgt. De leden 2 en 3 van laatstgenoemd artikel preciseren dat deze gegevens eerlijk moeten worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet, dat eenieder het recht van inzage heeft in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan en dat een onafhankelijke autoriteit erop toeziet dat deze regels worden nageleefd. Deze vereisten zijn met name bij de artikelen 6, 7, 12, 14 en 28 van richtlijn 95/46 uitgevoerd.

41      Wat in het bijzonder de algemene voorwaarden betreft die in richtlijn 95/46 worden gesteld om te kunnen spreken van rechtmatige verwerking, is het zo dat, behoudens de op grond van artikel 13 van richtlijn 95/46 toegestane uitzonderingen, elke verwerking van persoonsgegevens, ten eerste, moet stroken met de in artikel 6 van deze richtlijn vermelde beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens, en, ten tweede, moet beantwoorden aan een van de in artikel 7 van deze richtlijn vermelde beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking (zie met name arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google, C‑131/12, EU:C:2014:317, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de verwerking van persoonsgegevens die de met het houden van het register belaste autoriteit verricht ter uitvoering van artikel 2, lid 1, onder d) en j), en artikel 3 van richtlijn 68/151 in overeenstemming met een aantal in artikel 7 van richtlijn95/46 neergelegde toelaatbaarheidsgronden, namelijk de onder c) genoemde grond met betrekking tot het nakomen van een wettelijke verplichting, de onder e) genoemde grond met betrekking tot de uitoefening van het openbaar gezag of de vervulling van een taak van algemeen belang, en de onder f) genoemde grond met betrekking tot de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derden aan wie de gegevens worden verstrekt.

43      Ten aanzien van met name de toelaatbaarheidsgrond van artikel 7, onder e), van richtlijn 95/46 heeft het Hof reeds geoordeeld dat bij het door een overheidsinstantie opslaan in een databank van gegevens die vennootschappen op grond van een wettelijke meldingsplicht hebben meegedeeld, het verlenen aan belanghebbenden van inzage daarin en het laten vervaardigen van kopieën voor hen sprake is van uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag (zie arrest van 12 juli 2012, Compass‑Datenbank, C‑138/11, EU:C:2012:449, punten 40 en 41). Het gaat dan tevens om een taak van algemeen belang als bedoeld in die bepaling.

44      In casu zijn partijen in het hoofdgeding het oneens over de vraag of de met het houden van het register belaste autoriteit na een bepaalde periode na het staken van de activiteiten van een vennootschap en op verzoek van de betrokkene de daarin opgenomen persoonsgegevens moet schrappen of anonimiseren, dan wel de openbaarmaking ervan moet beperken. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich met name af of een verplichting daartoe voortvloeit uit artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46.

45      Volgens artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46 bepalen de lidstaten dat de persoonsgegevens in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is. Worden die gegevens langer dan hierboven bepaald voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden bewaard, dan voorzien de lidstaten in passende waarborgen. Blijkens lid 2 van dat artikel rust op de voor de verwerking verantwoordelijke de plicht er zorg voor te dragen dat die beginselen worden nageleefd.

46      Bij niet-naleving van de in artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46 gestelde voorwaarde waarborgen de lidstaten de betrokkene overeenkomstig artikel 12, onder b), van die richtlijn het recht om van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen, naargelang het geval, de uitwissing of de afscherming van de betrokken gegevens (zie in die zin arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google, C‑131/12, EU:C:2014:317, punt 70).

47      Voorts kennen de lidstaten volgens artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46 de betrokkene het recht toe zich met name in de gevallen bedoeld in artikel 7, onder e) en f), van die richtlijn, te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. Door de afweging die in het kader van dat artikel 14, eerste alinea, onder a), moet worden gemaakt, kan dus specifieker rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de concrete situatie van de betrokkene. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de verwerking die is verricht door de voor de verwerking verantwoordelijke niet langer op die gegevens betrekking hebben (zie arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google, C‑131/12, EU:C:2014:317, punt 76).

48      Om uit te maken of de lidstaten ingevolge artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 12, onder b), of artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46 verplicht zijn te bepalen dat natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 de met het houden van het register belaste autoriteit mogen verzoeken om de in dat register ingeschreven persoonsgegevens na verloop van tijd uit te wissen of af te schermen, dan wel de toegang daartoe te beperken, moet om te beginnen worden nagegaan welk doel wordt nagestreefd met die inschrijving.

49      Uit de overwegingen en de titel van richtlijn 68/151 volgt dat de daarin voorgeschreven openbaarmaking met name strekt tot bescherming van de belangen van derden ten aanzien van vennootschappen op aandelen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, omdat deze vennootschappen aan derden geen andere waarborg bieden dan het vermogen van de vennootschap. De openbaarmaking moet derden dan ook in de gelegenheid stellen kennis te nemen van de voornaamste akten van de vennootschap en van bepaalde gegevens die haar betreffen, met name de identiteit van de personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden.

50      Het Hof heeft bovendien reeds verklaard dat het de bedoeling van richtlijn 68/151 is om met het oog op de verdieping van de handelsstromen tussen lidstaten als gevolg van de schepping van de interne markt de rechtszekerheid in de betrekkingen tussen de vennootschap en derden te verzekeren en dat het, zo gezien, van belang is dat eenieder die zakenrelaties met in andere lidstaten gevestigde vennootschappen wenst te vestigen en te handhaven, zonder moeite kennis kan nemen van essentiële gegevens betreffende de oprichting van een handelsvennootschap en de bevoegdheid van de personen die haar hebben te vertegenwoordigen, hetgeen vereist dat alle ter zake dienende gegevens expliciet in het register worden vermeld (zie in die zin arrest van 12 november 1974, Haaga, 32/74, EU:C:1974:116, punt 6).

51      Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat met de openbaarmaking van artikel 3 van richtlijn 68/151 wordt beoogd om alle derde‑belanghebbenden in te lichten, zonder dat een beschermingswaardig recht of belang hoeft te worden aangetoond. Het Hof heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 54, lid 3, onder g), van het EEG‑Verdrag, waarop die richtlijn is gebaseerd, zelf de doelstelling van de bescherming van de belangen van derden in het algemeen vermeldt, zonder daarbij onderscheid te maken of bepaalde categorieën uit te zonderen, zodat het begrip derde in deze bepaling niet kan worden beperkt tot met name de schuldeisers van de betrokken vennootschap (zie arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland, C‑97/96, EU:C:1997:581, punten 19, 20 en 22, en beschikking van 23 september 2004, Springer, C‑435/02 en C‑103/03, EU:C:2004:552, punten 29 en 33).

52      Wat vervolgens de vraag betreft of het ter bereiking van het doel van artikel 3 van richtlijn 68/151 in beginsel nodig is dat de persoonsgegevens van natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van die richtlijn ook na de beëindiging van de activiteiten en de ontbinding van de betrokken vennootschap in het register blijven staan en/of op aanvraag voor derden toegankelijk zijn, moet worden vastgesteld dat de richtlijn dienaangaande geen aanwijzingen bevat.

53      Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 73 en 74 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat echter vast dat er ook na de ontbinding van een vennootschap rechten en rechtsbetrekkingen met betrekking tot die vennootschap kunnen blijven bestaan. Zo kunnen de in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 genoemde gegevens nodig blijken te zijn in geschillen, met name om de rechtsgeldigheid na te gaan van een handeling die namens die vennootschap is verricht in de periode dat deze actief was, of om derden de mogelijkheid te bieden tot gerechtelijke stappen tegen de leden van de organen of tegen de vereffenaars van de vennootschap.

54      Bovendien kunnen er, met name vanwege de verschillende verjaringstermijnen die in de lidstaten worden gehanteerd, nog jaren nadat een vennootschap is opgehouden te bestaan vragen rijzen waarvoor die gegevens nodig zijn.

55      Aangezien tal van scenario’s, met mogelijkerwijs een rol voor belanghebbenden in verschillende lidstaten, denkbaar zijn en de in de verschillende nationale rechtsstelsels voor de verschillende rechtsgebieden gehanteerde verjaringstermijnen sterk uiteenlopen, hetgeen door de Commissie is benadrukt, lijkt het thans onmogelijk om te komen tot één vanaf de ontbinding van een vennootschap lopende termijn na het verstrijken waarvan de inschrijving in het register en openbaarmaking van de genoemde gegevens niet meer nodig zou zijn.

56      Derhalve kunnen de lidstaten zich niet beroepen op artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 12, onder b), van richtlijn 95/46 om natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 het recht toe te kennen om in beginsel te verkrijgen dat na een bepaalde periode na de ontbinding van de betrokken vennootschap de hen betreffende persoonsgegevens die op grond van artikel 2, lid 1, onder d) en j), in het register zijn ingeschreven, worden uitgewist of afgeschermd voor het publiek.

57      Deze uitlegging van artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 12, onder b), van richtlijn 95/46 leidt bovendien niet tot een onevenredige inbreuk op de grondrechten van de betrokkenen en met name hun recht op eerbiediging van het privéleven en hun recht op bescherming van persoonsgegevens als neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest.

58      Krachtens artikel 2, lid 1, onder d) en j), en artikel 3 van richtlijn 68/151 moet immers slechts een beperkt aantal persoonsgegevens openbaar worden gemaakt, namelijk de gegevens met betrekking tot de identiteit en respectieve taken van de personen die de bevoegdheid hebben de betrokken vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen, deelnemen aan het bestuur van, het toezicht of de controle op die vennootschap, of zijn benoemd tot vereffenaar van de vennootschap.

59      Voorts schrijft richtlijn 68/151, zoals in punt 49 van het onderhavige arrest is aangegeven, openbaarmaking van de in artikel 2, lid 1, onder d) en j), genoemde gegevens met name voor omdat vennootschappen op aandelen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid aan derden geen andere waarborg bieden dan het vermogen van de vennootschap, hetgeen voor die derden een verhoogd economisch risico inhoudt. Hierop gelet lijkt het gerechtvaardigd dat natuurlijke personen die ervoor kiezen om aan het economisch verkeer deel te nemen met behulp van een dergelijke vennootschap, de gegevens met betrekking tot hun identiteit en taken binnen de vennootschap openbaar dienen te maken, temeer daar zij op de hoogte zijn van die verplichting wanneer zij dergelijke activiteiten starten.

60      Ten slotte moet wat artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46 betreft, worden vastgesteld dat uit het voorgaande weliswaar volgt dat bij de in het kader van deze bepaling te maken afweging de noodzaak de belangen van derden ten aanzien van vennootschappen op aandelen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid te beschermen en rechtszekerheid te bieden, de eerlijkheid van handelstransacties en dus het goede functioneren van de interne markt in beginsel prevaleren, maar dat niet valt uit te sluiten dat er uitzonderlijke situaties kunnen zijn waarin zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met het specifieke geval van de betrokkene, bij wijze van uitzondering rechtvaardigen dat de toegang tot de hem betreffende persoonsgegevens in het register, na verloop van een voldoende lange termijn na de ontbinding van de betrokken vennootschap, wordt beperkt tot derden die een aantoonbaar belang hebben bij inzage in die gegevens.

61      Hierbij moet er wel op worden gewezen dat artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46 wordt toegepast tenzij de nationale wetgeving andersluidende bepalingen bevat, zodat het uiteindelijk aan de nationale wetgever is om uit te maken of natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 de met het houden van het register belaste autoriteit mogen verzoeken om de toegang tot de hen betreffende persoonsgegevens op basis van een beoordeling per geval te beperken.

62      Het staat aan de verwijzende rechter om het nationale recht op dit punt te onderzoeken.

63      Mocht uit dat onderzoek blijken dat dergelijke verzoeken naar nationaal recht mogelijk zijn, dan dient de verwijzende rechter aan de hand van alle relevante omstandigheden en met inachtneming van de tijd die is verstreken sinds de ontbinding van de betrokken vennootschap te beoordelen of er mogelijkerwijs sprake is van zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die in voorkomend geval bij wijze van uitzondering kunnen rechtvaardigen dat de toegang van derden tot de in het vennootschapsregister over Manni opgenomen gegevens, waaruit blijkt dat hij de enige bestuurder en vereffenaar van Immobiliare Salentina was, wordt beperkt. De enkele omstandigheid dat de wooneenheden van een toeristencomplex dat is gebouwd door Italiana Costruzioni, waarvan Manni thans enig bestuurder is, naar verluidt niet worden verkocht omdat geïnteresseerde kopers van de wooneenheden toegang hebben tot de gegevens in het vennootschapsregister, kan op zich geen dergelijke reden opleveren, met name gelet op het gerechtvaardigde belang van geïnteresseerde kopers om die informatie te hebben.

64      Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, onder e), artikel 12, onder b), en artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46, gelezen in samenhang met artikel 3 van richtlijn 68/151, aldus moeten worden uitgelegd dat het bij de huidige stand van het Unierecht aan de lidstaten is om te bepalen of natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 de met het houden van het register belaste autoriteit mogen verzoeken om op basis van een beoordeling per geval na te gaan of het, om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met hun bijzondere situatie, bij wijze van uitzondering gerechtvaardigd is om, na verloop van een voldoende lange termijn na de ontbinding van de betrokken vennootschap, de toegang tot in dat register over hen opgenomen persoonsgegevens te beperken tot derden die een aantoonbaar belang hebben bij inzage in die gegevens.

 Kosten

65      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, onder e), artikel 12, onder b), en artikel 14, eerste alinea, onder a), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Eerste richtlijn (68/151/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003, moeten aldus worden uitgelegd dat het bij de huidige stand van het Unierecht aan de lidstaten is om te bepalen of natuurlijke personen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 de met het houden van het centraal register, handelsregister of vennootschapsregister belaste autoriteit mogen verzoeken om op basis van een beoordeling per geval na te gaan of het, om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met hun bijzondere situatie, bij wijze van uitzondering gerechtvaardigd is om, na verloop van een voldoende lange termijn na de ontbinding van de betrokken vennootschap, de toegang tot in dat register over hen opgenomen persoonsgegevens te beperken tot derden die een aantoonbaar belang hebben bij inzage in die gegevens.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.