Language of document :

Beroep ingesteld op 10 november 2014 – Efler e.a. / Commissie

(Zaak T-754/14)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partijen: Michael Efler (Berlijn, Duitsland), Pedro De Birto E. Abreu Krupenski (Lissabon, Portugal), Susan Vance George (Parijs, Frankrijk), Otto Jaako Kronqvist (Helsinki, Finland), Blanche Léonie Denise Weber (Luxemburg, Luxemburg), John Jephson Hilary (Londen, Verenigd Koninkrijk), Ileana-Lavinia Andrei (Boekarest, Roemenië) (vertegenwoordiger: Professor B. Kempen)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit C (2014)6501 van de Commissie, inzake het niet-registreren van het Europese burgerinitiatief „STOP TTIP” van 10 september 2014;

verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding en van die van mogelijke tussenkomende partijen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekende partijen twee middelen aan.

Eerste middel: schending van artikel 11, lid 4, VEU, en de artikelen 2, eerste punt, en 4, lid 2, sub b, van verordening (EU) nr. 211/20111 , voor zover de Commissie heeft vastgesteld dat het voorgenomen burgerinitiatief niet binnen haar bevoegdheden valt.

Verzoekende partijen betogen dat de Commissie gebrekkig heeft gemotiveerd dat de beoogde aanbeveling van de Commissie om het onderhandelingsmandaat voor de Overeenkomst betreffende het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP) in te trekken, niet ziet op een „rechtshandeling” in de zin van artikel 11, lid 4, VEU, gebrekkig is. Zowel het verlenen als het intrekken van een onderhandelingsmandaat vormt namelijk een Raadsbesluit in de zin van artikel 288, lid 4, VWEU en is daarmee een „rechtshandeling” in de zin van artikel 11, lid 4, VEU.

Verzoekende partijen betogen voorts dat de Commissie verder eveneens gebrekkig heeft gemotiveerd dat met het burgerinitiatief tegen de brede economische en handelsovereenkomst (CETA, Comprehensive Economic and Trade Agreement) niet van de Commissie zou kunnen worden verlangd de Raad niet de aanbeveling te doen de telkens uitonderhandelde volkenrechtelijke verdragen aan te nemen en ook niet van haar zou kunnen worden verlangd de aanbeveling te doen een besluit te nemen tot het niet-aannemen van de telkens uitonderhandelde verdragen. Uit artikel 11, lid 4, VEU, en de artikelen 2, eerste punt, en 4, lid 2, sub b, van verordening (EU) nr. 211/2011 blijkt namelijk geenszins dat burgerinitiatieven tot het nietig verklaren van gedane rechtshandelingen of het niet-aannemen van voorbereide rechtshandelingen, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Verzoekende partijen betogen daarenboven dat het niet-registreren van het burgerinitiatief „STOP TTIP” ook in strijd met het recht is, omdat het voorgenomen burgerinitiatief krachtens artikel 4, lid 2, sub b, van verordening (EU) nr. 211/2011 niet „kennelijk” buiten de bevoegdheden van de Commissie valt.

Tweede middel: schending van de algemene beginselen van goed bestuur in de zin van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van artikel 20 van dit Handvest.

Verzoekende partijen zijn van mening dat de Commissie deze beginselen niet heeft nageleefd door, in het geval van verzoekende partijen, de burgerinitiatieven die zien op het TTIP en de CETA niet te registreren, hoewel zij tevoren een burgerinitiatief over het opzeggen van de overeenkomst met Zwitserland over het vrije verkeer van personen (initiatief-„Swiss-Out”) wel heeft geregistreerd.

____________

____________

1 Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PB L 65, blz. 1).