Language of document : ECLI:EU:C:2001:296

BESCHIKKING VAN HET HOF

29 mei 2001 (1)

„Verzoek om toestemming tot het leggen van derden-beslag onder de Commissie van de Europese Gemeenschappen”

In zaak C-1/00 SA,

Cotecna Inspection SA, gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door J. H. J. Bourgeois, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. De Pauw en B. Martenczuk als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek om toestemming tot het leggen van derden-beslag onder de Commissie van de Europese Gemeenschappen,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr (rapporteur), J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: R. Grass,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1.
    Bij op 14 december 2000 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de vennootschap Cotecna Inspection SA (hierna: „Cotecna”) krachtens artikel 1, derde volzin, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Protocol”) verzocht om toestemming tot het leggen van derden-beslag onder de Commissie op bepaalde door de Europese Gemeenschap aan de Republiek Djibouti verschuldigde bedragen.

De aan het geding ten grondslag liggende feiten

2.
    De feiten van de zaak, zoals deze uit het dossier blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

3.
    Op 20 januari 1996 sloot Cotecna met de Republiek Djibouti een overeenkomst over de levering van diensten inzake inspectie en verificatie van de importen in dit land. Omdat de Republiek Djibouti in gebreke bleef de tussen 3 juni 1997 en 30 november 1997 opgestelde maandelijkse facturen te betalen, op één na, deed Cotecna een beroep op een in de overeenkomst opgenomen arbitraal beding.

4.
    Bij arbitrale uitspraak van 28 januari 2000 werd de Republiek Djibouti veroordeeld tot betaling aan Cotecna van een bedrag van 2 265 550,63 USD, vermeerderd met intresten tegen het in Djibouti geldende wettelijk tarief vanaf de datum van de uitspraak, en van een bedrag van 66 000 USD. Omdat de Republiek Djibouti in gebreke bleef deze bedragen te betalen, verzocht Cotecna de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België) om het exequatur van de arbitrale uitspraak. Bij beschikking van 16 november 2000 verleende deze rechtbank het exequatur krachtens artikel 1710 van het Belgische gerechtelijk wetboek.

5.
    Bij brief van 1 september 2000 verzocht Cotecna de Commissie haar mee te delen, of derden-beslag onder de Commissie op de bedragen die deze aan de Republiek Djibouti verschuldigd is, afbreuk zou doen aan de werking en de onafhankelijkheid van de Europese Gemeenschappen.

6.
    Op 2 oktober 2000 antwoordde de Commissie, dat voor zover zulk een derden-beslag afbreuk zou doen aan de financiering van een gemeenschapsbeleid, in het bijzonder aan de ontwikkelingssamenwerking met de Republiek Djibouti, zij zich op de haar door het Protocol verleende immuniteit zou beroepen.

Conclusies van partijen

7.
    Cotecna vordert in haar verzoekschrift, dat het Hof haar toestemming verleent tot het leggen van derden-beslag onder de Commissie ten belope van 2 265 550,63 USD, vermeerderd met intresten tegen het in Djibouti geldende wettelijk tarief, te rekenen vanaf de datum van de arbitrale uitspraak van 28 januari 2000, en van 66 000 USD.

8.
    De Commissie concludeert, dat het het Hof behage de vordering van Cotecna af te wijzen en deze in de kosten te verwijzen.

Beoordeling door het Hof

9.
    Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht, dat artikel 1 van het Protocol bepaalt, dat „de eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet kunnen worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard”. Deze bepaling dient te voorkomen, dat de werking en de onafhankelijkheid van de Gemeenschappen worden geschaad (beschikking van 11 april 1989, Generale Bank/Commissie, 1/88 SA, Jurispr. blz. 857, punt 2).

10.
    Gelijk het Hof heeft verklaard in zijn beschikking van 17 juni 1987, Universe Tankship/Commissie (1/87 SA, Jurispr. blz. 2807, punt 3), dient het Hof zich met betrekking tot een verzoek om derden-beslag te beperken tot het onderzoek van de vraag, of een dergelijke maatregel, gelet op de gevolgen die het toepasselijke nationale recht eraan verbindt, de goede werking en de onafhankelijkheid van de Europese Gemeenschappen kan belemmeren.

11.
    Cotecna meent, dat in casu derden-beslag de werking van de Gemeenschap niet belemmert. Tot staving van deze stelling voert zij verschillende argumenten aan over het belang van de door haar geleverde diensten voor de ontwikkeling van een land als Djibouti, het ontbreken van gevolgen van derden-beslag voor de toekomstige acties van de Gemeenschap, alsmede het bestaan van praktijken die op vergelijkbare wijze als derden-beslag afbreuk doen aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

12.
    In dit verband moet worden opgemerkt, dat de werking van de Gemeenschappen kan worden gehinderd door dwangmaatregelen die een weerslag hebben op de financiering van het gemeenschappelijk beleid of de uitvoering van door de Gemeenschappen opgestelde actieprogramma's (beschikking Generale Bank/Commissie, reeds aangehaald, punt 13).

13.
    Krachtens artikel 177, lid 1, EG is het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking gericht op de bevordering van de duurzame economische en sociale ontwikkeling van de ontwikkelingslanden.

14.
    De Gemeenschap heeft haar ontwikkelingssamenwerking met staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan georganiseerd in een reeks achtereenvolgens met die landen gesloten verdragen. De financiële ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap met de Republiek Djibouti moet in deze context worden gezien. Het specifieke kader van deze samenwerking is vastgelegd in de nationale indicatieve programma's van het zesde, zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds. Dezeprogramma's bepalen het globale bedrag dat voor de ontwikkelingssamenwerking met de Republiek Djibouti beschikbaar is en wijzen de gebieden, de doelstellingen en de modaliteiten van de communautaire tussenkomst aan.

15.
    Uit de opmerkingen van partijen blijkt, dat het verzoek van Cotecna betrekking heeft op bedragen die de Commissie uit het Europees Ontwikkelingsfonds wil putten om in het kader van het gemeenschapsbeleid inzake ontwikkelingssamenwerking specifieke programma's ten voordele van de Republiek Djibouti te financieren.

16.
    In casu zou de toestemming tot het leggen van derden-beslag tot gevolg hebben, dat bedragen die door de Commissie uitdrukkelijk voor haar beleid inzake ontwikkelingssamenwerking zijn bestemd, worden aangewend voor particuliere belangen die, ofschoon legitiem, niets met dit beleid van doen hebben.

17.
    Gelet op een en ander moet de vordering van Cotecna worden afgewezen.

Kosten

18.
    
19.
    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Cotecna in het ongelijk is gesteld moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE

beschikt:

1)    Het verzoek wordt afgewezen.

2)    Cotecna Inspection SA wordt in de kosten verwezen.

Luxemburg, 29 mei 2001.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Frans.