Language of document : ECLI:EU:C:2001:687

ARREST VAN HET HOF

13 december 2001 (1)

„Niet-nakoming - Weigering embargo op Brits rundvlees op te heffen”

In zaak C-1/00,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Booss en G. Berscheid als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

ondersteund door

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door D. Anderson, QC, en M. Hoskins, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënt,

tegen

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en J.-F. Dobelle, vervolgens door R. Loosli-Surrans en J.-F. Dobelle, en daarna door R. Loosli-Surrans en G. de Bergues als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan

-    beschikking 98/256/EG van de Raad van 16 maart 1998 inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie, tot wijziging van beschikking 94/474/EG en tot intrekking van beschikking 96/239/EG (PB L 113, blz. 32), in de versie die voortvloeit uit beschikking 98/692/EG van de Commissie van 25 november 1998 (PB L 328, blz. 28), inzonderheid aan artikel 6 van die beschikking en bijlage III ervan, en aan

-    beschikking 1999/514/EG van de Commissie van 23 juli 1999 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de „Date-Based Export Scheme”, van van runderen verkregen producten uit het Verenigd Koninkrijk, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256 (PB L 195, blz. 42), inzonderheid aan artikel 1 van die beschikking,

en meer in het bijzonder met haar weigering de verkoop op haar grondgebied na 1 augustus 1999 toe te staan van producten die daarvoor in aanmerking komen uit hoofde van voormeld „Date-Based Export Scheme” als bedoeld in artikel 6 en bijlage III van beschikking 98/256, zoals gewijzigd bij beschikking 98/692, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens die twee beschikkingen, inzonderheid krachtens voormelde bepalingen ervan, en krachtens het EG-Verdrag, met name de artikelen 10 EG en 28 EG,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. Jann, F. Macken, N. Colneric en S. von Bahr, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, J.-P. Puissochet, L. Sevón (rapporteur), M. Wathelet, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,

advocaat-generaal: J. Mischo,


griffier: L. Hewlett, administrateur,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 19 juni 2001, waarbij de Commissie werd vertegenwoordigd door D. Boos en G. Berscheid; de Franse Republiek door R. Loosli-Surrans en F. Alabrune als gemachtigden, en het Verenigd Koninkrijk door J. E. Collins, D. Anderson en M. Hoskins,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 september 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 januari 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan

-    beschikking 98/256/EG van de Raad van 16 maart 1998 inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie, tot wijziging van beschikking 94/474/EG en tot intrekking van beschikking 96/239/EG (PB L 113, blz. 32), in de versie die voortvloeit uit beschikking 98/692/EG van de Commissie van 25 november 1998 (PB L 328, blz. 28; hierna: „gewijzigde beschikking 98/256”), inzonderheid aan artikel 6 van die beschikking en bijlage III ervan, en aan

-    beschikking 1999/514/EG van de Commissie van 23 juli 1999 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de „Date-Based Export Scheme”, van van runderen verkregen producten uit het Verenigd Koninkrijk, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256 (PB L 195, blz. 42), inzonderheid aan artikel 1 van die beschikking,

en meer in het bijzonder met haar weigering de verkoop op haar grondgebied na 1 augustus 1999 toe te staan van producten die daarvoor in aanmerking komen uit hoofde van voormeld „Date-Based Export Scheme” als bedoeld in artikel 6 en bijlage III van de gewijzigde beschikking 98/256, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens die twee beschikkingen, inzonderheid krachtens voormelde bepalingen ervan, en krachtens het EG-Verdrag, met name de artikelen 10 EG en 28 EG.

2.
    Bij beschikking van de President van het Hof van 13 juni 2000 werd het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.

Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht

3.
    Na de ontdekking van een mogelijk verband tussen een variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, welke ziekte zich bij de mens voordoet, en boviene spongiforme encefalopathie (hierna: „BSE”), een ziekte die destijds in het Verenigd Koninkrijk veel voorkwam, gaf de Commissie op 27 maart 1996 beschikking 96/239/EG inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie (PB L 78, blz. 47; hierna: „embargobeschikking”), waarbij zij het Verenigd Koninkrijk de uitvoer verbood, vanaf zijn grondgebied naar andere lidstaten en naar derde landen, van met name levende runderen, rundvlees en van runderen verkregen producten.

4.
    Die beschikking was gebaseerd op het Verdrag, op richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, blz. 29), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425 (PB 1993, L 62, blz. 49; hierna: „richtlijn 90/425”), en met name op artikel 10, lid 4 ervan, alsmede op richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 395, blz. 13), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/118 (hierna: „richtlijn 89/662”), en met name op artikel 9 ervan.

5.
    Artikel 3 van de embargobeschikking bepaalde, dat het Verenigd Koninkrijk de Commissie om de twee weken een rapport diende te zenden over de toepassing van de maatregelen die op grond van de communautaire en de nationale wetgeving waren genomen ter bescherming tegen BSE.

6.
    In artikel 4 van die beschikking werd het Verenigd Koninkrijk verzocht nieuwe voorstellen in te dienen voor de bestrijding van BSE op zijn grondgebied.

7.
    In de zevende overweging van de considerans van de embargobeschikking werd gesteld, dat de beschikking opnieuw zou moeten worden bezien na onderzoek van alle daarin genoemde factoren.

8.
    Op 16 maart 1998 gaf de Raad beschikking 98/256, waarbij hij onder de strenge voorwaarden van een regeling betreffende voor uitvoer erkende beslagen („Export Certified Herds Scheme - ECHS”; hierna: „ECHS”) het embargo ophief voor bepaald vlees en bepaalde vleesproducten afkomstig van in Noord-Ierland geslachte runderen.

9.
    De hervatting van de uitvoer onder die regeling werd vastgesteld bij beschikking 98/351/EG van de Commissie van 29 mei 1998 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de „Export Certified Herds Scheme”, van van runderen verkregen producten uit Noord-Ierland, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256 (PB L 157, blz. 110).

10.
    Bij beschikking 98/692 werd via een wijziging van artikel 6 van beschikking 98/256 het beginsel vastgesteld dat toestemming kan worden verleend voor de verzending van producten van runderen in het kader van een aan een datum gerelateerde uitvoerregeling („Date-Based Export Scheme - DBES”; hierna: „DBES”).

11.
    De DBES is omschreven in bijlage III bij beschikking 98/256, die bij beschikking 98/692 aan deze beschikking is toegevoegd.

12.
    In bijlage III, punt 3, bij de gewijzigde beschikking 98/256 zijn de voor de DBES in aanmerking komende dieren als volgt omschreven:

„Een rund komt in aanmerking voor de DBES indien het in het Verenigd Koninkrijk is geboren en gehouden en indien op het tijdstip van het slachten wordt aangetoond dat aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)    het dier kon zijn leven lang duidelijk worden geïdentificeerd, zodat steeds kan worden bepaald uit welk beslag en van welk moederdier het afkomstig was; het unieke oormerknummer van het dier, de datum en het bedrijf van geboorte en alle verplaatsingen na de geboorte zijn geregistreerd in het officiële paspoort van het dier of in een officieel computersysteem voor identificatie en tracering; de identiteit van het moederdier is bekend;

b)    het dier is ouder dan zes doch jonger dan 30 maanden, waarbij de leeftijd wordt bepaald aan de hand van de in een officieel computerbestand geregistreerde geboortedatum of, voor dieren uit Groot-Brittannië, aan de hand van het officiële paspoort van het dier;

c)    de bevoegde autoriteit heeft aan de hand van door haar geverifieerde officiële bewijsstukken geconstateerd dat het moederdier nog gedurende ten minste zes maanden na de geboorte van het in aanmerking komende dier heeft geleefd;

d)    het moederdier is niet met BSE besmet en wordt evenmin ervan verdacht met BSE te zijn besmet.”

13.
    Bijlage III, punt 4, bij de gewijzigde beschikking 98/256 bepaalt:

„Wanneer een voor slachting aangeboden dier of enige met die slachting verband houdende omstandigheid niet in overeenstemming is met de eisen van deze beschikking, wordt het dier automatisch afgewezen. Indien die informatie eerst na het slachten beschikbaar komt, stopt de bevoegde autoriteit onverwijld met de afgifte van certificaten en trekt zij reeds afgegeven certificaten in. Indien de verzending reeds is geschied, stelt de bevoegde autoriteit onverwijld de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming van een en ander in kennis. De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming treft de nodige maatregelen.”

14.
    Volgens punt 5 van bijlage III bij de gewijzigde beschikking 98/256 worden de in aanmerking komende dieren geslacht in gespecialiseerde slachthuizen die niet worden gebruikt voor dieren die niet in aanmerking komen, en volgens punt 7 moet de traceerbaarheid volkomen zijn verzekerd, wat het volgende inhoudt:

„Aan de hand van een officieel traceringssysteem moet vlees kunnen worden getraceerd tot bij het voor de DBES in aanmerking komende dier of, na het uitsnijden, tot bij de dieren die bij het uitsnijden deel uitmaakten van dezelfde partij. Na het slachten worden etiketten aangebracht aan de hand waarvan vers vlees en vleesproducten als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b) en c), tot bij het in aanmerking komende dier kunnen worden getraceerd, teneinde de betrokken zending uit de markt te kunnen nemen. Voor voeder voor als huisdier gehouden carnivoren moet tracering aan de hand van de begeleidende documenten en de geregistreerde gegevens kunnen geschieden.”

15.
    In de dertiende overweging van de considerans van beschikking 98/692 is dienaangaande overwogen,

„dat dieren die worden aangeboden om in het kader van de ECHS of van de DBES te worden geslacht, aan alle in deze beschikking vastgestelde relevante voorwaarden moeten voldoen; dat wanneer, nadat een dier in het kader van één van bovengenoemde regelingen is geslacht, alsnog wordt geconstateerd dat het niet voor de regeling in aanmerking had mogen komen, de bevoegde autoriteit de nodige maatregelen moet treffen om te voorkomen dat van dat dier verkregen producten worden verzonden; dat, wanneer producten van een achteraf als niet in aanmerking komend bevonden dier toch zijn verzonden, de in artikel 9 van richtlijn 89/662/EEG vastgestelde maatregelen moeten worden toegepast”.

16.
    Artikel 6, lid 5, van de gewijzigde beschikking 98/256 bepaalt dat de Commissie, nadat zij door communautaire inspecties de toepassing van alle bepalingen van deze beschikking heeft gecontroleerd en de lidstaten heeft ingelicht, de datum vaststelt waarop met de verzending van de in bijlage III bij deze beschikking bedoelde producten mag worden begonnen.

17.
    Overeenkomstig die bepaling is deze datum bij beschikking 1999/514 op 1 augustus 1999 vastgesteld.

Feiten en procedure

18.
    In het Franse recht vloeit het verbod op invoer van rundvlees uit het Verenigd Koninkrijk voort uit het besluit van 28 oktober 1998 tot vaststelling van bijzondere maatregelen die van toepassing zijn op bepaalde van runderen verkregen producten die zijn verzonden uit het Verenigd Koninkrijk (JORF van 2 december 1998, blz. 18169; hierna: „besluit van 28 oktober 1998”). Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 11 oktober 1999 (JORF van 12 oktober 1999, blz. 15220), teneinde de doorvoer van Brits rundvlees toe te laten.

19.
    Op 10 september 1999 heeft de Commissie de Franse Republiek een brief geschreven, waarin zij haar verbazing uitdrukte over het feit dat de kwestie is voorgelegd aan de Agence française pour la sécurité sanitaire des aliments (het Franse agentschap voor voedselveiligheid; hierna: „AFSSA”) in het kader van de tenuitvoerlegging in de Franse rechtsorde van de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514. De Commissie spoorde de Franse Republiek aan deze beschikkingen snel na te leven, opdat de Commissie de procedure van artikel 226 EG niet zou moeten inleiden.

20.
    Bij brief van 1 oktober 1999 zond de Franse Republiek de Commissie het advies van de AFSSA van 30 september 1999, met het verzoek dit advies en de gegevens waarop het was gebaseerd te laten onderzoeken door de wetenschappelijke stuurgroep (hierna: „WS”), die bij beschikking 97/404/EG van de Commissie van 10 juni 1997 is opgericht (PB L 169, blz. 85).

21.
    Volgens dit advies deden de recente wetenschappelijke vooruitgang en de feitelijke context nieuwe vragen rijzen over de veiligheid van de aan de DBES onderworpen producten. De deskundigen stelden in dat advies met name, dat besmetting van runderen met BSE ook via een derde weg mogelijk was, en niet alleen via de twee reeds bekende wegen, namelijk de voeding en de overdracht via het moederdier. Gelet op de incubatietijd van de ziekte, waren er geen wetenschappelijke gegevens die toelieten de gegrondheid te toetsen van de criteria op grond waarvan dieren voor de DBES in aanmerking kwamen. Enkel via diagnostische middelen kon het risico beter worden beheerst. Voorts berustte de betrouwbaarheid van het opgezette programma volgens de deskundigen op de betrouwbaarheid van de identificatie- en traceringsregeling voor dieren, hoewel volgens de geldende regeling de traceerbaarheid van bepaalde producten niet was verzekerd.

22.
    De Commissie zond dit advies naar de WS met het verzoek de volgende vragen te beantwoorden:

1)    Bevatten de door de Franse autoriteiten overgelegde adviezen en documenten wetenschappelijke informatie, epidemiologische gegevens of ander bewijsmateriaal waarmee de WS geen rekening heeft gehouden?

2)    Indien die documenten informatie, gegevens of nieuw bewijsmateriaal bevatten of de WS dergelijke nieuwe informatie tot haar beschikking heeft, vereist dit dan een heronderzoek van een van de vier adviezen van de WS die rechtstreeks verband houden met de wetenschappelijke rechtvaardiging van de DBES?

3)    Kan de WS in het licht van haar antwoord op de vorige vraag al dan niet haar standpunt bevestigen dat de voorwaarden van de DBES, indien zij correct worden nageleefd, toereikend zijn voor de veiligheid van het vlees en de vleesproducten?

23.
    Die vragen zijn eerst onderzocht door de gespecialiseerde groep voor overdraagbare spongiforme encefalopathieën, namelijk de ad hoc-groep TSE/BSE. Zij onderzocht het advies van de AFSSA tijdens haar bijeenkomsten van 14 en 25 oktober 1999, maar kon niet tot een unanieme conclusie komen over de haar door de Commissie voorgelegde vragen.

24.
    Ook de WS onderzocht tijdens haar bijeenkomsten van 28 en 29 oktober 1999 dit advies en de vragen van de Commissie. Zij merkte op, dat er voortdurend nieuwe gegevens beschikbaar kwamen en dat deze zowel door haarzelf als door de ad hoc-groep TSE/BSE tijdens hun maandelijkse bijeenkomsten werden onderzocht. Zij stelde vast, dat de noodzaak van snelle diagnostische tests niet nieuw was, maar dat ten aanzien van de nieuw ontwikkelde tests nog geen evaluatie had plaatsgevonden. Die evaluatie was ingewikkeld, maar diende bij voorrang te geschieden. Zij onderzocht de epidemiologische gegevens over BSE in het Verenigd Koninkrijk tot midden oktober 1999 en stelde vast, dat het aantal ziektegevallen bleef afnemen en dat er daarom geen reden was het bestaan van een nieuwe vorm van infectie aan te nemen. Zij concludeerde, dat er geen enkele aanleiding bestond haar conclusies over de rechtvaardiging van de DBES opnieuw te onderzoeken. Zij wees er met nadruk op, dat haar evaluatie van het risico afhing van de wijze waarop de Commissie en de lidstaten toezagen op een strikte naleving van de voorgestelde maatregelen om het risico uit te sluiten of te beperken. Zij merkte op dat de zekerheid van de Britse DBES in sterke mate afhing van de handhaving van het verbod van voeding op basis van dierlijk meel, de regel van 30 maanden, en het duidelijke bewijs dat het risico van overdracht via het moederdier tot een minimum werd beperkt. Concluderend stelde zij, dat door de maatregelen van het Verenigd Koninkrijk het risico van de Britse DBES voor de gezondheid van de mens op een vergelijkbaar niveau lag als in de andere lidstaten.

25.
    Aangezien de Franse Republiek het embargo niet had opgeheven, vonden op 2, 5, 12 en 15 november 1999 een reeks vergaderingen plaats tussen vertegenwoordigers van de Franse en de Britse autoriteiten en de Commissie.

26.
    Op 17 november 1999 zond de Commissie de Franse Republiek een aanmaningsbrief in de zin van artikel 226 EG. De Commissie stelde in die brief onder meer vast dat die lidstaat, door te weigeren om na 1 augustus 1999 op zijn grondgebied de verkoop mogelijk te maken van Brits rundvlees dat aan de communautaire vereisten voldeed, niet aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen had voldaan. De Commissie verzocht de Franse regering in die brief om haar binnen veertien dagen haar opmerkingen te doen toekomen en behield zich het recht voor om na onderzoek van die opmerkingen krachtens artikel 226 EG een met redenen omkleed advies uit te brengen.

27.
    Op 24 november 1999 sloten de Franse en Britse autoriteiten, alsmede de Commissie een memorandum van overeenstemming (hierna: „memorandum”). Volgens dit memorandum zijn de Franse autoriteiten tevreden met de door de Britse autoriteiten en de Commissie verstrekte verduidelijkingen over de traceerbaarheid van de producten in het Verenigd Koninkrijk en de controles ter plaatse in deze lidstaat. Het memorandum voorziet in een project voor epizoötiebewaking van groepen dieren uit veehouderijen waar een ná 1 januari 1996 geboren rund door BSE is getroffen, evenals in nieuwe diagnostische tests post mortem.

28.
    Wat de traceerbaarheid van producten buiten het Verenigd Koninkrijk betreft, bepaalt punt 5 van het memorandum:

„Rechtstreeks in Frankrijk aangekomen zendingen DBES-vlees kunnen worden onderworpen aan een overeenkomstig de Franse regeling omschreven specifieke identificatie die een transparante traceerbaarheid toelaat, waardoor, indien nodig, zo snel mogelijk een procedure kan worden gestart om de producten uit de markt te nemen.

De bestaande communautaire regeling verzekert reeds een traceerbaarheid die echter niet transparant en traag is. Een betere werking van de regeling waardoor met name het .driehoeksverkeer’ eronder zou vallen, is via een interpretatieve verklaring van de Commissie en, in voorkomend geval, een overeenkomst op grond van de .wederzijdse bijstand tussen de lidstaten’ verzekerd.”

29.
    Bijlage II bij het memorandum bevat de interpretatieve verklaring van de Commissie die luidt als volgt:

„De Commissie verklaart dat elke lidstaat, overeenkomstig zijn verplichtingen inzake traceerbaarheid en het uit de markt nemen, volgens beschikking 98/256/EG zoals gewijzigd bij beschikking 98/692/EG, teneinde de nuttige werking van deze op het voorzorgsbeginsel gebaseerde maatregel te garanderen, dwingende maatregelen treft om een maximale traceerbaarheid te waarborgen door te verzekeren dat alle uit het Verenigd Koninkrijk verzonden vlees of elk vleesproduct in overeenstemming met de bijlagen II en III bij deze beschikking :

-    bij aankomst op zijn grondgebied is gemerkt of geëtiketteerd met een speciaal merk dat duidelijk onderscheiden is van het communautaire keurmerk;

-    op die wijze gemerkt of geëtiketteerd blijft wanneer het vlees of het product op zijn grondgebied wordt uitgesneden, be- of verwerkt, dan wel herverpakt.

Elke lidstaat wordt verzocht de Commissie en de andere lidstaten het door hem gekozen speciaal merk mee te delen. In het licht van de opgedane ervaring, zal de Commissie indien nodig trachten de bestaande regeling te preciseren en aan te vullen, bijvoorbeeld op grond van het systeem van de wederzijdse bijstand en/of via een op basis van artikel 6, lid 1, sub f, van richtlijn 64/433/EEG, en/of artikel 17 van richtlijn 77/99/EEG, en/of artikel 7, lid 5, van richtlijn 94/65 vastgestelde beschikking.

Voorts bevestigt de Commissie dat een lidstaat, indien deze traceerbaarheid niet is verzekerd, met inachtneming van het gemeenschapsrecht en met name van artikel 7 van richtlijn 89/662/EEG, vlees of alle producten die dergelijk vlees bevatten kan weigeren, ingeval deze duidelijk niet aan deze voorwaarde voldoen.

De Commissie zal deze verklaring naar alle lidstaten sturen.”

30.
    Bij brief van 1 december 1999 verzocht de Franse regering de termijn voor beantwoording van de aanmaningsbrief met één week te verlengen, zodat zij het memorandum aan de AFSSA kan voorleggen.

31.
    Op 6 december 1999 stelde de AFSSA haar advies vast. Punt 2 van dit advies bepaalt:

„In afwachting van wetenschappelijke of epidemiologische gegevens die zullen toelaten de veronderstellingen waarop de DBES is gebaseerd formeel te bevestigen dan wel te weerleggen, kunnen de aanvullende preciseringen en bepalingen inzake controles, traceerbaarheid en etikettering er nuttig toe bijdragen dat, mochten de Franse autoriteiten besluiten het embargo op te heffen, de risico's die te wijten zijn aan een gebrekkige toepassing van de DBES beter worden beheerst, of beter kan worden gereageerd op nieuwe gegevens en met name op eventuele waarschuwingssignalen.”

32.
    Punt 4 van dit advies luidt:

„Bij elk besluit moet rekening worden gehouden met:

-    de aannemelijke maar momenteel niet te kwantificeren risicofactoren die samenhangen met de onzekerheid over hoe de BSE-besmetting zich mettertijd in het organisme van runderen verspreidt en voorts over alle wijzen van overdracht van de besmetting bij dieren;

-    de omstandigheid dat de maatregelen om de controles te versterken en de werking van het systeem te controleren, waardoor de werkelijke naleving van de vastgestelde bepalingen kan worden verzekerd, echter geen rechtstreekse en onmiddellijke invloed hebben op die risicofactoren;

-    de noodzaak ervoor te zorgen dat de getroffen maatregelen omkeerbaar zijn, om een eventuele blootstelling van de consument aan een risico dat eerst later reëel blijkt te zijn, onmiddellijk te beëindigen.”

33.
    Op 8 december 1999 maakte de persdienst van de Franse Eerste minister een perscommuniqué bekend, waarin werd aangekondigd dat „Frankrijk momenteel het embargo op Brits rundvlees niet kan opheffen”. Na te hebben gewezen op de conclusies van de AFSSA, preciseert het perscommuniqué dat de Franse Republiek het embargo niet kan opheffen „bij ontbreken van toereikende garanties op de volgende punten:

-    de omschrijving en de uitvoering van testprogramma's die moeten worden verbeterd en uitgebreid. Daartoe blijkt het nodig dat de Commissie werkvergaderingen met wetenschappelijke deskundigen organiseert, met name met Britse en Franse deskundigen;

-    de vaststelling van een communautaire regelgeving die de traceerbaarheid en een verplichte etikettering voor Brits rundvlees en afgeleide producten in Europa waarborgt”.

34.
    Bij brief van 9 december 1999 heeft de Franse regering geantwoord op de aanmaningsbrief van de Commissie. De inhoud van deze brief stemt in wezen overeen met het perscommuniqué van 8 december 1999.

35.
    Op 14 december 1999 zond de Commissie de Franse Republiek een met redenen omkleed advies waarin zij verwees naar het perscommuniqué van 8 december 1999 en zij de Franse Republiek verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan haar communautaire verplichtingen.

36.
    Dit met redenen omkleed advies is vervangen door een tweede advies van 16 december 1999, waarin eveneens een termijn van 5 werkdagen is opgelegd om daaraan te voldoen. Op verzoek van de Franse Republiek is deze termijn tot en met 30 december 1999 verlengd.

37.
    Bij brief van 29 december 1999 heeft de Franse regering geantwoord op het met redenen omkleed advies. Zij heeft eraan herinnerd dat ingevolge de Franse wet de AFSSA moest worden geraadpleegd vooraleer het besluit van 28 oktober 1998 kon worden gewijzigd. Volgens de adviezen van de AFSSA waren er echter nog steeds ernstige twijfels over de risico's van de aan de DBES onderworpen producten.

38.
    De Franse regering heeft eveneens gesteld dat de Commissie geen rekening had gehouden met de minderheidsstandpunten binnen de ad hoc-groep TSE/BSE en zodoende het voorzorgsbeginsel had geschonden, noch met feit dat de Franse Republiek de voor de opheffing van het embargo vastgestelde datum had betwist, omdat deze volgens haar voorbarig was.

39.
    De Franse regering heeft betoogd, dat de garanties in het memorandum inefficiënt waren, omdat daarvoor is vereist dat producten uit het Verenigd Koninkrijk op het grondgebied van de lidstaten kunnen worden getraceerd, terwijl deze traceerbaarheid niet was verwezenlijkt. Tijdens de discussies in het kader van de vergaderingen van het permanent veterinair comité van 23 en 24 november en 6 december 1999 is immers gebleken, dat een meerderheid van de lidstaten niet bereid was zich spontaan naar de uitlegging van Commissie te schikken en bijgevolg de traceerbaarheid van de producten te verzekeren. In die situatie had de Commissie de toepassing ervan verplicht moeten stellen en op zijn minst een wijziging van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (PB L 117, blz. 1) moeten voorstellen. De Commissie heeft integendeel voorgesteld de invoering van de verplichte etikettering van rundvlees tot 31 december 2000 uit te stellen.

40.
    De Franse regering heeft voorts herinnerd aan het belang dat zij hechtte aan de snelle invoering van een programma inzake opsporingstests, een bekommernis waaraan op dat moment niet was voldaan.

41.
    Gelet op een en ander betoogde de Franse regering, dat de Commissie ingevolge de wetenschappelijke gegevens in het advies van de AFSSA de beschikking tot opheffing van het embargo had moeten herzien of althans de toepassing ervan had moeten schorsen. Door dat niet te doen, heeft de Commissie het voorzorgsbeginsel geschonden.

42.
    De Franse regering wees eveneens op de zeer korte termijnen die haar waren verleend om op de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies te antwoorden, termijnen waaruit bleek dat de Commissie de Franse Republiek wou dwingen een beschikking uit te voeren die niet alle waarborgen inzake bescherming van de menselijke gezondheid bood.

43.
    Bovendien deelde de Franse regering mee, dat zij voornemens was bij het Hof beroep in te stellen tegen de weigering om beschikking 1999/514 te wijzigen.

44.
    Op 29 december 1999 stelde de Franse Republiek bij het Hof beroep in tot nietigverklaring van de beschikking waarbij de Commissie zou hebben geweigerd beschikking 1999/514 te wijzigen of in te trekken. Volgens de Franse regering blijkt dit weigeringsbesluit uit een verklaring van het lid van de Commissie Byrne en uit het besluit van de Commissie van 17 november 1999 om de Franse Republiek aan te manen om aan beschikking 1999/514 te voldoen.

45.
    Uitspraak doende op een door de Commissie opgeworpen exceptie, verklaarde het Hof bij beschikking van 21 juni 2000, Frankrijk/Commissie (C-514/99, Jurispr. blz. I-4705), dit beroep echter kennelijk niet-ontvankelijk. In punt 47 van deze beschikking heeft het Hof erop gewezen, dat de Commissie niet expliciet om wijziging van beschikking 1999/514 is verzocht, maar enkel op de hoogte is gesteld van beweerdelijk nieuwe gegevens die de feitelijke en juridische context waarvan is uitgegaan, konden wijzigen. Het Hof heeft in punt 48 van deze beschikking overwogen, dat „[i]ndien verzoekster van mening was dat die mededeling voor de Commissie de verplichting inhield om een nieuwe beschikking te geven, zij de procedure wegens nalaten van het Verdrag [had] moeten volgen”.

46.
    Gelet op het antwoord van de Franse Republiek op het met redenen omkleed advies, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid

47.
    Overeenkomstig artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft de Franse Republiek bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen.

48.
    Overeenkomstig artikel 91, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering heeft het Hof bij beschikking van 23 mei 2000 besloten de exceptie met de zaak ten gronde te voegen, en zijn nieuwe termijnen bepaald voor de voortzetting van het geding.

49.
    Deze exceptie is gebaseerd op twee middelen. Het eerste middel is ontleend aan onregelmatigheid van de precontentieuze procedure, en het tweede aan schending van het collegialiteitsbeginsel.

Het middel ontleend aan onregelmatigheid van de precontentieuze procedure

50.
    Dit middel omvat vier grieven.

51.
    Met de eerste grief stelt de Franse regering, dat de verzending door de Commissie van de aanmaningsbrief voordat de AFSSA haar tweede advies had uitgebracht, afbreuk deed aan het beginsel dat het voorwerp van het geding duidelijk omschreven moet zijn. Aldus heeft de Commissie het doel van de precontentieuze procedure miskend, namelijk de betrokken lidstaat de gelegenheid geven aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen te voldoen dan wel nuttig verweer te voeren.

52.
    De Commissie antwoordt dat de grief irrelevant is, omdat zij niet verplicht was dit advies af te wachten. De verzending van een aanmaningsbrief heeft tot doel de grieven te bepalen en belet geenszins dat de discussie wordt voortgezet. Evenmin heeft de Franse Republiek aangevoerd, dat zij ingevolge de vroegtijdige verzending van de aanmaningsbrief schade heeft geleden.

53.
    Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de precontentieuze procedure van artikel 226 EG tot doel heeft de betrokken lidstaat de gelegenheid te geven aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen te voldoen of nuttig verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven. Het regelmatig verloop van deze procedure vormt een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet enkel ter bescherming van de rechten van de betrokken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geding duidelijk is omschreven (beschikking van 11 juli 1995, Commissie/Spanje, C-266/94, Jurispr. blz. I-1975, punten 16 en 17).

54.
    Uit dit oogmerk volgt dat de aanmaningsbrief tot doel heeft, het voorwerp van het geschil af te bakenen en de lidstaat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden en hem in staat te stellen hieraan gevolg te geven voordat beroep bij het Hof wordt ingesteld (arrest van 15 februari 2001, Commissie/Frankrijk, C-230/99, Jurispr. blz. I-1169, punt 31).

55.
    In casu was de gestelde niet-nakoming in de aanmaningsbrief duidelijk omschreven als zijnde de weigering om de maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om per 1 augustus 1999 uitvoering te geven aan de gewijzigde beschikking 98/256 en aan beschikking 1999/514.

56.
    De Franse Republiek wilde de Commissie met de mededeling van het tweede advies van de AFSSA ongetwijfeld overtuigen van de gegrondheid van het standpunt dat zij reeds in haar brief van 1 oktober 1999 en tijdens verschillende vergaderingen met de Commissie had ingenomen. De Commissie had evenwel het recht de omschrijving van de niet-nakoming die zij aan de Franse Republiek verweet, ongewijzigd te handhaven, en ervan uit te gaan dat een bijkomend advies van de AFSSA voor deze omschrijving geen gevolgen zou hebben.

57.
    Bijgevolg is de grief ontleend aan de onregelmatigheid van de aanmaningsbrief wegens het tijdstip van verzending ervan, ongegrond.

58.
    Met de tweede grief voert de Franse regering aan, dat de Commissie de fundamentele regel dat zij het bewijs van de niet-nakoming dient te leveren had geschonden, door te weigeren rekening te houden met de juridische argumenten die de Franse regering aanvoert ten betoge dat beschikking 1999/514 onmogelijk kon worden uitgevoerd.

59.
    De Commissie antwoordt op deze grief, dat de Franse Republiek geen juridisch maar een politiek betoog had gevoerd, en dat deze grief hoe dan ook duidelijk door de feiten wordt weerlegd. Zij herinnert er dienaangaande aan, dat zij het advies van de AFSSA aan de WS heeft gezonden en talrijke vergaderingen met de Franse autoriteiten heeft gehad.

60.
    Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat deze grief het gestelde ontbreken van bewijs van de niet-nakoming betreft, dat wil zeggen een vraag ten gronde, en op zich niet kan afdoen aan de ontvankelijkheid van het beroep.

61.
    Met de derde grief stelt de Franse regering dat de Commissie haar heeft verplicht zowel op de aanmaningsbrief als op het met redenen omkleed advies te antwoorden binnen spoedtermijnen die vanuit het oogpunt van de economische belangen van de marktdeelnemers, noch vanuit dat van de bescherming van de gezondheid van de consument waren gerechtvaardigd. Hiermee heeft de Commissie inbreuk gemaakt op het beginsel van hoor en wederhoor. Zij heeft zich ook schuldig gemaakt aan een misbruik van procedure door een verkorte precontentieuze procedure in de plaats te stellen van een procedure in kort geding, teneinde druk uit te oefenen op de Franse regering zonder de formele en materiële vereisten van een procedure in kort geding te eerbiedigen.

62.
    De Commissie werpt tegen deze grief op dat de lidstaat voor de beantwoording van een aanmaningsbrief en een met redenen omkleed advies een redelijke termijn moet krijgen, en dat voor de beoordeling van de redelijkheid van die termijn rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden die het concrete geval kenmerken (arrest van 2 juli 1996, Commissie/Luxemburg, C-473/93, Jurispr. blz. I-3207, punt 20). Zij stelt dat in de onderhavige zaak de Franse autoriteiten reeds vóór de verzending van de aanmaningsbrief op de hoogte waren van het standpunt van de Commissie, maar dat zij hun voornemen om de litigieuze beschikkingen niet toe te passen reeds hadden kenbaar gemaakt, overigens eerst aan de pers en pas dan aan de Commissie. De Commissie beklemtoont bovendien dat het in casu niet om een moeilijke en nieuwe vraag over de uitlegging van een verdragsbepaling of een afgeleide gemeenschapshandeling ging, maar wel om het niet-toepassen van gemeenschapshandelingen waarvoor het wettigheidsvermoeden geldt en waartegen niet binnen de daartoe gestelde termijn beroep tot nietigverklaring is ingesteld. Zij herinnert er tevens aan dat zij heeft ingestemd met de door de Franse regering gevraagde verlenging van de termijn.

63.
    De Commissie ontkent voorts dat zij verplicht zou zijn de korte termijnen te motiveren, en betwist het argument dat zij, om misbruik van procedure te vermijden, naast de procedure ten gronde een procedure in kort geding had moeten instellen.

64.
    Dienaangaande zij erop gewezen dat de precontentieuze procedure tot doel heeft de betrokken lidstaat de gelegenheid te geven aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen te voldoen of nuttig verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven.

65.
    Dit tweeledige doel verplicht de Commissie de lidstaten een redelijke termijn te laten om op de aanmaningsbrief te antwoorden en zich te voegen naar het met redenen omkleed advies of, in voorkomend geval, hun verweer voor te bereiden. Om uit te maken of de verleende termijn redelijk is, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. Zo kunnen zeer korte termijnen gerechtvaardigd zijn in bijzondere omstandigheden, met name wanneer met spoed moet worden opgetreden tegen een verzuim van een lidstaat of wanneer deze lang vóór het begin van de procedure volledig op de hoogte was van het standpunt van de Commissie (arrest van 28 oktober 1999, Commissie/Oostenrijk, C-328/96, Jurispr. blz. I-7479, punt 51).

66.
    Zoals in punt 19 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft de Commissie er reeds op 10 september 1999 bij de Franse Republiek op aangedrongen dat zij de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 snel zou uitvoeren, en dat anders beroep wegens niet-nakoming zou worden ingesteld.

67.
    Bovendien heeft de Commissie rekening gehouden met bepaalde verzoeken en opmerkingen van de Franse Republiek, aangezien zij de WS om een nieuw advies heeft verzocht en met de Britse autoriteiten heeft gepraat om een minnelijke oplossing voor het geschil te vinden. Drie maanden inspanningen in die zin zijn echter zonder resultaat gebleven.

68.
    Gelet op het dwingend karakter van de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514, het tijdsverloop sinds de datum waarop de invoer van Brits rundvlees had moeten worden hervat, de economische belangen die op het spel staan, de waarschuwing door de Commissie op 10 september 1999, en de destijds lopende onderhandelingen, waren de door de Commissie verleende termijnen voor beantwoording van de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies niet onredelijk.

69.
    Er zij voorts aan herinnerd, dat de Commissie niet heeft geweigerd deze antwoordtermijnen te verlengen, toen haar hierom werd verzocht.

70.
    Wat het onderdeel van de grief betreft dat is ontleend aan een misbruik van procedure, moet worden gepreciseerd dat de Commissie, waar zij overeenkomstig artikel 226 EG een beroep wegens niet-nakoming heeft ingesteld, de bepalingen van het Verdrag correct heeft toegepast. De Commissie koos immers de specifiek in het Verdrag vastgestelde procedure voor het geval dat zij van mening is dat een lidstaat één van de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

71.
    Bovendien verplicht geen enkele verdragsbepaling de Commissie een procedure in kort geding in te stellen. Dienaangaande kan de Commissie niet worden verweten het beroep wegens niet-nakoming snel te hebben ingesteld, aangezien, zoals hierboven is vastgesteld, de precontentieuze procedure regelmatig was.

72.
    Bijgevolg moet de grief ontleend aan de onregelmatigheid van de precontentieuze procedure wegens de door de Commissie verleende korte termijnen om op de aanmaning en op het met redenen omkleed advies te antwoorden, worden verworpen.

73.
    Met de vierde grief betwist de Franse regering het beroep op grond dat tegen de Bondsrepubliek Duitsland, die de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 evenmin toepast, geen beroep is ingesteld.

74.
    De Commissie antwoordt dat deze lidstaat zich in een andere situatie bevindt, maar dat zij de zaak niet laat rusten. Zij herinnert er overigens aan dat een lidstaat zijn eigen verzuim om het gemeenschapsrecht na te leven niet kan rechtvaardigen onder verwijzing naar dat van een andere lidstaat.

75.
    Dienaangaande is het feit dat tegen een lidstaat geen beroep wegens niet-nakoming is ingesteld, irrelevant bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een tegen een andere lidstaat ingesteld beroep wegens niet-nakoming. Aan de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep wordt dus niet afgedaan door de omstandigheid dat tegen een andere lidstaat geen analoog beroep wegens niet-nakoming is ingesteld.

76.
    Het eerste middel, ontleend aan onregelmatigheid van de precontentieuze procedure, moet dan ook worden afgewezen.

Het middel ontleend aan schending van het collegialiteitsbeginsel

77.
    De Franse regering stelt dat het besluit waarbij de Commissie als college haar voorzitter Prodi en het lid van de Commissie Byrne machtigde de zaak bij het Hof aanhangig te maken, is genomen op 22 december 1999, toen het college het antwoord van deze regering op het met redenen omkleed advies nog niet kende. Aangezien in dit antwoord uitdrukkelijk is verwezen naar het voorzorgsbeginsel en naar het voornemen van de Franse regering om beroep in te stellen tegen de weigering van de Commissie om de beschikkingen 98/692 en 1999/514 te wijzigen, en voorts de Commissie vóór de indiening van het verzoekschrift bij het Hof niet als college kennis heeft kunnen nemen van deze gegevens, had volgens de Franse regering het besluit om dit verzoekschrift in te dienen geen collegiaal karakter stricto sensu.

78.
    De Commissie antwoordt dat zij als college volledig op de hoogte was van de grieven tegen de Franse Republiek, het verloop van de feiten, zoals de vergaderingen, het memorandum en de adviezen van de WS, de rechtsgrond van de te ondernemen stappen, alsmede het argument van de AFSSA, op grond waarvan de Franse regering het voorzorgsbeginsel zal aanvoeren. Het voornemen om beroep bij het Hof in te stellen was niet vermeld, doch op dat moment was de dreiging hoe dan ook niets anders dan een procedurestap. Aangezien het college over alle voor de besluitvorming nodige gegevens beschikte, is bij het besluit het collegialiteitsbeginsel nauwgezet geëerbiedigd.

79.
    Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het collegialiteitsbeginsel op de gedachte berust, dat de leden van de Commissie als gelijken aan de besluitvorming deelnemen, en houdt het met name in, dat de besluiten in gemeen overleg worden genomen en dat alle leden van het college collectief politiek verantwoordelijk zijn voor alle genomen besluiten (arrest van 29 september 1998, Commissie/Duitsland, C-191/95, Jurispr. blz. I-5449, punt 39).

80.
    Het Hof heeft gepreciseerd, dat een besluit van de Commissie om een beroep wegens niet-nakoming in te stellen tegen een lidstaat door het college in gemeen overleg moet worden genomen en dat alle gegevens waarop dit besluit is gebaseerd ter beschikking moeten staan van de leden van het college (arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 48).

81.
    In casu vermeldde de bij het besluit van het college gevoegde synthese van het niet-nakomingsonderzoek de rechtsgrondslag van het in te stellen beroep, het verweten feit, en de laatste stand van het dossier. In het kader van de stand van het dossier is een samenvatting gegeven van het advies van de AFSSA, van dat van de WS, van de onderhandelingen tussen de Franse en Britse autoriteiten, en van het perscommuniqué van de Franse regering van 8 december 1999.

82.
    Gelet op een en ander moet worden vastgesteld, dat de leden van het college over alle relevante informatie beschikten om met volledige kennis van zaken te besluiten de zaak bij het Hof aanhangig te maken.

83.
    Wat het voorzorgsbeginsel betreft, dat eerst in het antwoord op het met redenen omkleed advies uitdrukkelijk ter sprake zou zijn gebracht en waarvan het college bij het nemen van het besluit om de zaak bij het Hof aanhangig te maken dus niet op de hoogte was, moet worden vastgesteld dat dit de stand van het aan het college voorgelegde dossier niet wijzigde. De Franse regering beriep zich immers reeds sedert verschillende maanden op de verplichting tot bescherming van de volksgezondheid, de wetenschappelijke onzekerheid op dit gebied, en de problemen inzake risicobeheersing. De precisering dat deze argumenten op het „voorzorgsbeginsel” berusten, voegde daar inhoudelijk niets aan toe.

84.
    Hetzelfde geldt voor het voornemen van de Franse regering om beroep in te stellen bij het Hof. Het ging immers enkel om de dreiging met een juridisch niet nader omschreven beroep, dat hoe dan ook niet afdoet aan het vermoeden van wettigheid van de beschikkingen 98/692 en 1999/514 en aan de dwingende aard daarvan (zie in die zin arrest van 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-261/99, Jurispr. blz. I-2537, punt 26).

85.
    Overigens was de Commissie, gelet op het door de Franse regering in het perscommuniqué van 8 december 1999 en in het antwoord van 9 december 1999 op de aanmaningsbrief ingenomen standpunt, er terecht van uitgegaan dat de doelstelling van de precontentieuze procedure was bereikt en dat het dossier klaar was om te worden voorgelegd aan het college dat, ingeval de Franse regering ondanks de mededeling van het met redenen omkleed advies bij haar standpunt zou blijven, een besluit diende te nemen over het instellen van een beroep wegens niet-nakoming.

86.
    Bijgevolg is het tweede middel, ontleend aan schending van het collegialiteitsbeginsel, ongegrond.

87.
    Gelet op een en ander, moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

Ten gronde

88.
    De Commissie betoogt, dat ingevolge artikel 249 EG een beschikking verbindend is voor degenen tot wie zij is gericht. Artikel 1 van beschikking 1999/514 bepaalde dat per 1 augustus 1999 met de verzending van aan de DBES onderworpen producten mocht worden begonnen, en liet de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge ten aanzien van deze datum en de modaliteiten van deze verzendingen. Een lidstaat kan met een beroep op het wetenschappelijk advies van een nationale instantie niet zijn eigen beoordeling van de risico's in de plaats stellen van die van de Commissie, welke overeenkomstig haar bevoegdheden, die in casu voortvloeien uit artikel 10, lid 4, van richtlijn 90/425 en artikel 9, lid 4, van richtlijn 89/662, tot stand is gekomen.

89.
    Volgens de Commissie heeft het voorzorgsbeginsel, dat aan al haar handelingen ten grondslag ligt, niet tot gevolg dat zij zonder dat haar enige beoordelingsbevoegdheid rest, elk wetenschappelijk standpunt moet volgen, of het om een standpunt van een instantie van een lidstaat gaat dan wel om het minderheidsstandpunt van een communautaire werkgroep. Zij beklemtoont dienaangaande dat artikel 7 van beschikking 97/404 preciseert, dat ook minderheidsstandpunten in het advies van de WS worden opgenomen.

90.
    Volgens de Commissie kan een lidstaat zich niet beroepen op interne juridische overwegingen, eventuele uitleggingsproblemen, of gestelde twijfels over de geldigheid van een beschikking van de Commissie, om eenzijdig deze beschikking buiten toepassing te laten. Evenmin kan hij de uitvoering van beschikkingen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat daaraan bepaalde wijzigingen zouden worden aangebracht.

91.
    Wat beschikking 1999/514 betreft, preciseert de Commissie dat zij de datum waarop met de verzending van aan de DBES onderworpen producten mocht worden begonnen, moest vaststellen, aangezien materieel aan de bij artikel 6 van en bijlage III bij de gewijzigde beschikking 98/256 gestelde voorwaarden was voldaan. Het verwijt dat zij geen rekening had gehouden met opportuniteitsoverwegingen is dus irrelevant.

92.
    De Commissie betoogt, dat het opleggen van invoerbeperkingen voor goederen uit andere lidstaten niet alleen in strijd is met de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514, maar ook een schending van artikel 28 EG oplevert. Aangezien er voor de betrokken producten een communautaire harmonisatie bestaat, die een coherent en volledig systeem vormt ter bescherming van de gezondheid van mens en dier, kan de Franse Republiek het embargo niet rechtvaardigen op grond van artikel 30 EG.

93.
    De Commissie stelt eveneens dat de Franse Republiek, door gedurende verschillende maanden te weigeren aan de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 te voldoen, de ingevolge artikel 10 EG op haar rustende verplichting tot samenwerking bij de vervulling van de taken van de Gemeenschap niet is nagekomen.

94.
    De Franse regering stelt in wezen, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor de opheffing van het embargo, omdat ten eerste bij de DBES geen rekening was gehouden met nieuwe gegevens zoals het opduiken van een verdacht BSE-geval, ten tweede omdat het Brits rundvlees niet voldeed aan de voorwaarden van de DBES, en ten derde omdat er voor aan deze regeling onderworpen producten geen traceringssysteem bestond en de lidstaten weigerden een dergelijk systeem in te voeren, hoewel dit een essentiële voorwaarde is voor de DBES. De Commissie kan tegen haar geen beroep instellen wegens niet-nakoming van de verplichting een onwettige beschikking uit te voeren, nu zij er niet op toeziet dat de andere lidstaten de essentiële voorwaarden van deze beschikking naleven. Onder deze omstandigheden kon de Franse regering zich met een beroep op artikel 30 EG terecht verzetten tegen de invoer van Brits rundvlees. De Franse regering ontkent bovendien dat zij haar verplichting tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG niet zou zijn nagekomen.

De betwisting van de DBES wegens een vermoedelijk nieuw BSE-geval

95.
    De Franse regering heeft twijfels over de doeltreffendheid van de DBES, en de gebeurtenissen ná het instellen van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming hebben die twijfels zeker niet weggenomen.

96.
    Van bijzonder belang is, dat BSE is vastgesteld bij een Britse koe die is geboren ná 1 augustus 1996 toen de DBES geacht werd volledig operationeel te zijn. Dit wijst namelijk op een niveau van latente besmettelijkheid nog vóór het optreden van de klinische verschijnselen van de ziekte, wat betekent dat vóór het bereiken van de leeftijd van 30 maanden geslachte dieren besmet zouden kunnen zijn, en in het kader van de DBES toch voor uitvoer in aanmerking komen. Dat de Britse autoriteiten dit geval niet konden verklaren en evenmin de doodsoorzaak van het moederdier van het besmette rund konden preciseren, doet ernstige twijfels rijzen over de doeltreffendheid van de gehele Britse toezichtsregeling, die de hoeksteen van de DBES vormt. Een dergelijke situatie vereist efficiënte controlemiddelen zoals tests.

97.
    De Commissie betoogt dat de Franse regering met dit argument de geldigheid ter discussie stelt van de beschikkingen waarvan de Commissie in het kader van het onderhavige beroep de uitvoering beoogt. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter dat een lidstaat zich in het kader van een beroep wegens niet-nakoming niet kan beroepen op een eventuele onwettigheid van de maatregel die volgens de Commissie moet worden uitgevoerd (arrest van 27 juni 2000, Commissie/Portugal, C-404/97, Jurispr. blz. I-4897, punt 4).

98.
    Voorzover met het argument van de Franse regering wordt verwezen naar nieuwe feiten die volgens haar de vaststelling van een nieuwe beschikking rechtvaardigen, herinnert de Commissie aan de uitspraak van het Hof in de beschikking Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald.

99.
    Wat meer bepaald het geval betreft van een ná 1 augustus 1996 geboren rund met BSE, betoogt de Commissie dat dit hoe dan ook de DBES niet in het gedrang brengt. Zoals blijkt uit het advies van de WS van 14 en 15 september 2000, is een alleenstaand geval van BSE bij een ná 1 augustus 1996 geboren dier volgens wetenschappers steeds mogelijk als gevolg van overdracht via het moederdier, en is dat tot op vandaag slechts één keer voorgekomen. Vervolgens is er geen enkel risico dat de DBES op dit dier zou worden toegepast, omdat het niet voldeed aan twee voorwaarden om voor deze regeling in aanmerking te komen: het was ouder dan 30 maanden en voorts heeft het moederdier na de geboorte geen zes maanden meer geleefd. Bovendien blijkt uit het advies van de WS van 13 en 14 april 2000, dat het aantal besmette runderen jonger dan 30 maanden dat tijdens hun laatste incubatiejaar in de voedselketen zou kunnen komen, uiterst laag is. Tot slot wordt elk voor de DBES in aanmerking komend dier vakkundig uitgesneden, waarbij bepaalde organen en weefsels worden verwijderd, terwijl het gevaar voor besmetting door de consumptie van spierweefsel te verwaarlozen is.

100.
    Dienaangaande vormen de twijfels van de Franse regering over de doeltreffendheid van de DBES een betwisting, vanuit het oogpunt van het voorzorgsbeginsel, van de wettigheid van de beschikking waarbij deze regeling is ingevoerd, namelijk beschikking 98/692, die daartoe beschikking 98/256 heeft gewijzigd.

101.
    Er zij echter aan herinnerd, dat in het in het Verdrag neergelegde stelsel van beroepsmogelijkheden een onderscheid wordt gemaakt tussen de beroepen in de zin van de artikelen 226 EG en 227 EG, strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die in de zin van de artikelen 230 EG en 232 EG, die ertoe strekken de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen te toetsen. Deze beroepen hebben verschillende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een lidstaat zich niet op de onwettigheid van tot hem gerichte beschikkingen beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van deze beschikkingen (arresten van 27 oktober 1992, Commissie/Duitsland, C-74/91, Jurispr. blz. I-5437, punt 10, en 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 18).

Betwisting van de DBES op grond dat het Britse rundvlees niet in overeenstemming zou zijn met de communautaire voorschriften

102.
    De Franse regering stelt dat volgens punt II.5.1 van het verslag over het van 20 tot en met 24 maart 2000 door het voedsel- en veterinair bureau verrichte inspectiebezoek in Groot-Brittannië meer dan 20 % van de „registraties/dieren” niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 3 van verordening nr. 820/97. Voorts is volgens punt III.2 van dit verslag verordening (EG) nr. 494/98 van de Commissie van 27 februari 1998 houdende uitvoeringsbepalingen voor verordening nr. 820/97 wat de toepassing van de minimale administratieve sancties in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen betreft (PB L 60, blz. 78), in Groot-Brittannië niet volledig uitgevoerd. Volgens het verslag „[b]etekent dit in de praktijk dat dieren waarbij geen afwijkingen zijn vastgesteld, maar die werden gehouden in een bedrijf waar meer dan 20 % van de dieren niet aan de eisen voldoen, onder de aan een datum gerelateerde uitvoerregeling [DBES] kunnen vallen, omdat een rechtsgrondslag om deze dieren aan beperkingen te onderwerpen ontbreekt”.

103.
    De Commissie antwoordt dat de in dat verslag uiteengezette tekortkomingen niet afdoen aan het feit, dat aangezien de DBES is gebaseerd op de individuele status van elk dier, enkel dieren die voldoen aan de eisen inzake identificatie en registratie voor deze regeling in aanmerking komen. Deze tekortkomingen hebben enkel tot gevolg, dat deze dieren afkomstig kunnen zijn van bedrijven waar 20 % of meer van de dieren niet aan deze eisen voldoen. Dat probleem is hoe dan ook eerst na de vaststelling van de betrokken beschikkingen aan het licht gekomen, en is niet voldoende ernstig om de DBES in het gedrang te brengen.

104.
    Dienaangaande zij vastgesteld, dat de Franse regering in wezen aanvoert, dat de de criteria om voor de DBES in aanmerking te komen geen rekening houden met het feit dat de communautaire voorschriften inzake traceerbaarheid niet zijn nageleefd voor Britse runderen en meer bepaald voor deze welke zijn gehouden in een bedrijf waar bepaalde runderen individueel aan de DBES-voorwaarden voldoen, en andere niet.

105.
    Aldus stelt de Franse regering opnieuw de geldigheid ter discussie van de voorschriften waarbij de DBES is ingevoerd, namelijk beschikking 98/692. Anders dan de bij beschikking 98/256 vastgestelde ECHS, die is gebaseerd op de erkenning van beslagen, is de grondslag van de DBES immers dat voor elk dier afzonderlijk aan de vastgestelde voorwaarden moet zijn voldaan.

106.
    Er zij echter aan herinnerd dat, zoals in punt 101 van het onderhavige arrest is uiteengezet, een lidstaat zich in een procedure wegens niet-nakoming van tot hem gerichte beschikkingen niet kan verweren met een beroep op de onwettigheid van die beschikkingen, aangezien geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet.

107.
    De Franse regering kan bijgevolg de tekortkomingen bij de identificatie van andere dieren dan deze welke voor de DBES in aanmerking komen niet aanvoeren om de geldigheid van deze regeling te betwisten en te weigeren zich naar de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 te voegen.

Gebrek aan traceerbaarheid van de aan de DBES onderworpen producten

108.
    De Franse regering stelt in wezen, dat de traceerbaarheid van de aan de DBES onderworpen producten één van de essentiële voorwaarden van deze regeling was, maar dat op het ogenblik van de hervatting van de uitvoer van Brits vlees deze traceerbaarheid niet verder reikte dan de Britse uitsnijderijen. De andere lidstaten hebben tijdens de vergaderingen van het permanent veterinair comité van 23 en 24 november en 6 december 1999 meegedeeld, dat zij de gewijzigde beschikking 98/256 niet zouden toepassen, en de Commissie heeft zich bij deze niet-toepassing neergelegd. De Franse regering vernam dit pas na het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/514 houdende vaststelling van de datum voor de hervatting van de uitvoer onder de DBES, en op die grond kan zij in het kader van het onderhavige beroep de wettigheid van deze beschikking ter discussie stellen.

109.
    Gelet op het ontbreken van een harmonisatie op het gebied van etikettering en traceerbaarheid, betoogt de Franse regering dat zij zich met een beroep op artikel 30 EG kon verzetten tegen de invoer van de aan de DBES onderworpen producten. Haar reactie voldeed aan het evenredigheidsbeginsel, omdat zij zich niet heeft verzet tegen de doorvoer van deze producten op haar grondgebied. De Commissie neemt een te formalistisch standpunt in, daar zij de mededeling vereist van een vrijwaringsmaatregel waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de vrijwaringsclausules van de richtlijnen 89/662 en 90/425. Enerzijds waren er onderhandelingen aan de gang. Anderzijds blijkt uit de uiteenzetting van de feiten in het arrest van 5 december 2000, Eurostock (C-477/98, Jurispr. blz. I-10695, punt 24), dat de Commissie meer begrip toonde voor een andere lidstaat die een onjuiste mededeling had gedaan. Onder verwijzing naar de omstandigheden van de onderhavige zaak en met name het feit, dat het de Franse regering was die de Commissie attent heeft gemaakt op de problemen in verband met de traceerbaarheid, stelt de Franse regering dat zij haar verplichting tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG is nagekomen.

110.
    De Commissie erkent dat de traceerbaarheid één van de essentiële voorwaarden van de DBES was. De traceerbaarheid was door de ten tijde van de feiten geldende gemeenschapsbepalingen echter voldoende verzekerd. Zij is bovendien verder verbeterd bij verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van verordening nr. 820/97 (PB L 204, blz. 1).

111.
    De Commissie stelt vervolgens dat de Franse Republiek noch de gestelde onwettigheid van beschikking 1999/514, noch niet-nakomingen van andere lidstaten als verweer kan aanvoeren. Dat andere lidstaten hun verplichtingen inzake traceerbaarheid niet nakomen, heeft hoe dan ook enkel gevolgen voor het driehoeksverkeer, dit wil zeggen gevallen waarin producten uit het Verenigd Koninkrijk via een andere lidstaat in Frankrijk aankomen. Aangezien de producten bij het verlaten van de Britse uitsnijderijen correct waren geëtiketteerd, kon de Franse regering tegen de rechtstreekse invoer van deze producten uit het Verenigd Koninkrijk evenwel niet inbrengen dat de producten op haar eigen grondgebied niet traceerbaar waren.

112.
    Volgens de Commissie kan tot slot artikel 30 EG niet worden aangevoerd, aangezien bij de betrokken beschikkingen een volledige harmonisatie tot stand is gebracht en in de richtlijnen 89/662 en 90/425 een procedure voor de toepassing van vrijwaringsclausules is vastgesteld.

113.
    Dienaangaande zij om te beginnen vastgesteld, dat de traceerbaarheid van de aan de DBES onderworpen producten een essentiële voorwaarde was voor de goede werking van deze regeling, met het oog op de bescherming van de volksgezondheid.

114.
    Zoals immers blijkt uit de dertiende overweging van de considerans van beschikking 98/692 en uit punt 7 van bijlage III bij de gewijzigde beschikking 98/256, moesten de aan de DBES onderworpen producten tot aan het verkooppunt traceerbaar zijn teneinde een zending uit de markt te kunnen nemen, met name indien zou blijken dat een dier niet voor deze regeling in aanmerking kwam.

115.
    Uit de aan het Hof voorgelegde gegevens blijkt echter, dat deze traceerbaarheid door de ten tijde van de vaststelling van beschikking 1999/514 geldende communautaire regeling niet volledig was verzekerd, met name niet voor aan de DBES onderworpen vlees en producten, die worden uitgesneden, be- of verwerkt, dan wel herverpakt.

116.
    De Commissie heeft deze lacune in de regeling erkend, aangezien er in punt 5 van het memorandum van overeenstemming op wordt gewezen dat de op het tijdstip van de ondertekening van dat document bestaande traceerbaarheid niet transparant en traag was.

117.
    Om dit probleem te verhelpen was in punt 5 van het memorandum bepaald, dat de rechtstreeks in Frankrijk aangekomen DBES-zendingen konden worden onderworpen aan een overeenkomstig de Franse regeling omschreven specifieke identificatie die een transparante traceerbaarheid mogelijk maakt, waardoor, indien nodig, zo snel mogelijk een procedure kan worden gestart om de producten uit de markt te nemen.

118.
    Wat het driehoeksverkeer betreft, bepaalde de in bijlage II bij het memorandum van overeenstemming opgenomen interpretatieve verklaring van de Commissie, dat elke lidstaat dwingende maatregelen moest treffen om te verzekeren dat alle in het kader van de ECHS of de DBES uit het Verenigd Koninkrijk verzonden vlees of vleesproducten met een speciaal merk worden gemerkt of geëtiketteerd en dit blijven wanneer het vlees of de vleesproducten op zijn grondgebied worden uitgesneden, be- of verwerkt, dan wel herverpakt. In punt 5 van het memorandum is evenwel bepaald, dat, in voorkomend geval, een overeenkomst op grond van de „wederzijdse bijstand tussen de lidstaten” een betere werking van de traceerbaarheidsregeling zou moeten verzekeren.

119.
    Dienaangaande blijkt uit het verslag van de vergadering van het permanent veterinair comité van 6 december 1999, dat tijdens deze vergadering de vertegenwoordigers van de meeste lidstaten verklaarden niet voornemens te zijn voor Brits vlees een speciaal merk te gebruiken. Zij waren niettemin voorstander van een communautaire harmonisatie inzake etikettering.

120.
    Toen de Commissie de veterinaire autoriteiten van de lidstaten er bij brief van 16 oktober 2000 aan herinnerde dat zij overeenkomstig de dertiende overweging van de considerans van beschikking 98/692 en punt 4 van bijlage III bij de gewijzigde beschikking 98/256, indien nodig verplicht konden zijn op de plaats van bestemming maatregelen te treffen, en dat het uit de markt nemen van vlees of vleesproducten zou worden vergemakkelijkt wanneer de lidstaten een permanente specifieke merking invoerden die ook bij het uitsnijden, het be- of verwerken, dan wel het herverpakken van het vlees of de vleesproducten behouden blijft, antwoordden bepaalde lidstaten dat volgens hen de communautaire wettelijke regeling volstond of dat een extra merking niet kon worden ingevoerd zonder de communautaire regeling te wijzigen.

121.
    Verordening nr. 820/97, die ondanks haar titel enkel voorzag in de mogelijkheid voor de lidstaten om een etiketteringsregeling in te voeren, moest tot en met 31 december 1999 van kracht blijven. Artikel 19, lid 1, van deze verordening bepaalde, dat „een verplichte rundvleesetiketteringsregeling [wordt] ingevoerd die vanaf 1 januari 2000 in alle lidstaten verplicht wordt toegepast”. Zoals het Hof in zijn arrest van heden in de zaak Parlement/Raad (C-93/00, Jurispr. blz. I-10119, punten 8 en 10), heeft vastgesteld, heeft de Commissie echter eerst op 13 oktober 1999 bij het Europees Parlement en de Raad twee voorstellen voor een verordening ingediend: het eerste tot invoering van een verplichte etiketteringsregeling met ingang van 1 januari 2003, en het tweede tot tijdelijke verlenging van de gevolgen van verordening nr. 820/97.

122.
    Op 21 december 1999 stelde de Raad verordening (EG) nr. 2772/1999 tot vaststelling van de algemene bepalingen voor een verplichte etiketteringsregeling voor rundvlees (PB L 334, blz. 1) vast. Aangezien deze verordening overeenstemde met het tweede voorstel van de Commissie, had zij evenwel enkel tot gevolg dat de facultatieve etiketteringsregeling van kracht bleef.

123.
    Eerst op 17 juli 2000 hebben het Europees Parlement en de Raad bij verordening nr. 1760/2000 een exhaustieve verplichte regeling inzake traceerbaarheid en etikettering ingevoerd. Overeenkomstig artikel 25, tweede alinea, geldt deze verordening echter enkel voor rundvlees van dieren die vanaf 1 september 2000 worden geslacht.

124.
    Uit een en ander volgt dat er op de datum van vaststelling van beschikking 1999/514, namelijk 23 juli 1999, geen dwingende regeling bestond op basis waarvan de DBES kon worden ingevoerd met inachtneming van de in deze regeling vastgestelde voorwaarden inzake traceerbaarheid. Het stond dus aan de lidstaten om eigener beweging de passende maatregelen te treffen met het oog op de invoering van een regeling inzake specifieke merking en traceerbaarheid van de aan de DBES onderworpen producten.

125.
    Tegen de achtergrond van deze omstandigheden moeten de verweten niet-nakoming en het verweer van de Franse Republiek worden beoordeeld.

126.
    Vastgesteld moet worden, dat de door de Franse regering als verweer aangevoerde argumenten betreffende het gebrek aan traceerbaarheid relevant zijn voorzover zij betrekking hebben op de aan de DBES onderworpen producten die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn uitgesneden, be- of verwerkt, dan wel herverpakt en vervolgens naar Frankrijk zijn uitgevoerd zonder dat een speciaal merk is aangebracht dat het mogelijk maakt zendingen eventueel uit de markt te nemen.

127.
    De Commissie heeft echter niet bewezen dat de Franse regering zich heeft verzet tegen de invoer van alle rundvlees of alle vleesproducten uit andere lidstaten die niet zijn voorzien van het speciaal merk voor de aan de DBES onderworpen producten op grond dat bepaalde zendingen vlees of bepaalde zendingen producten die zijn uitgesneden, be- of verwerkt, dan wel herverpakt, eventueel rundvlees of producten afkomstig uit Groot-Brittannië zouden kunnen bevatten die niet als dusdanig identificeerbaar zijn.

128.
    Bijgevolg moet het verzoek tot vaststelling van een niet-nakoming worden afgewezen voorzover het deze categorie van producten betreft.

129.
    Wat de aan de DBES onderworpen producten betreft die correct zijn gemerkt of geëtiketteerd, ongeacht of zij rechtstreeks uit het Verenigd Koninkrijk dan wel uit een andere lidstaat afkomstig zijn, kan het verweer van de Franse regering de niet-uitvoering van de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 niet rechtvaardigen.

130.
    Er zij immers aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen (arrest van 10 juli 1990, Commissie/Duitsland, C-217/88, Jurispr. blz. I-2879, punt 26).

131.
    Voorts kan een lidstaat die tijdelijk wordt geconfronteerd met onoverkomelijke moeilijkheden die hem beletten zijn uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen na te komen, zich enkel voor de periode die nodig is om deze moeilijkheden op te lossen op overmacht beroepen (zie in die zin arrest van 11 juli 1985, Commissie/Italië, 101/84, Jurispr. blz. 2629, punt 16).

132.
    De Franse regering heeft in casu geen gewag gemaakt van bijzondere moeilijkheden die haar zouden hebben belet om, in elk geval na het verstrijken van de termijn om aan het met redenen omkleed advies te voldoen, de nodige voorschriften vast te stellen om de traceerbaarheid te verzekeren van de aan de DBES onderworpen producten die op haar grondgebied worden uitgesneden, be- of verwerkt, dan wel herverpakt.

133.
    Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de verplichtingen inzake traceerbaarheid van vlees en vleesproducten uit het Verenigd Koninkrijk niet bij beschikking 1999/514 zijn vastgesteld, maar sinds 1 juni 1998 in het kader van de bij beschikking 98/256 ingevoerde ECHS bestonden. In beschikking 98/692 werd voorts het belang van de traceerbaarheid voor de goede werking van de DBES beklemtoond.

134.
    Opgemerkt moet worden dat er weliswaar moeilijkheden waren bij de uitlegging en bijgevolg de uitvoering van de gewijzigde beschikking 98/256, doordat de aan alle lidstaten opgelegde verplichtingen duidelijk noch precies waren. Met de uitvoer van aan de DBES onderworpen producten moest immers worden begonnen op een tijdstip waarop een verplichte communautaire regeling die de traceerbaarheid van deze producten moest verzekeren, niet bestond. Op grond van het memorandum van overeenstemming kon de Franse regering blijkbaar de traceerbaarheid van de rechtstreeks in Frankrijk aangevoerde producten regelen, terwijl de Commissie in de aan dit memorandum gehechte interpretatieve verklaring de aan de lidstaten opgelegde verplichtingen preciseert, met dien verstande dat de werking van de regeling indien nodig door een tussen de lidstaten gesloten overeenkomst kon worden verbeterd. Uit de documenten met de standpunten van de nationale veterinaire autoriteiten blijkt tevens, dat volgens bepaalde lidstaten een nationale regeling niet nodig was of dat de vereiste traceerbaarheid enkel via een communautaire harmonisatie kon worden verwezenlijkt.

135.
    Vastgesteld zij echter, dat de Franse Republiek ingevolge het memorandum van overeenstemming van 24 november 1999 volledig op de hoogte was van de omvang van haar uit de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 voortvloeiende verplichtingen inzake de traceerbaarheid van vlees en vleesproducten uit het Verenigd Koninkrijk die rechtstreeks op het Franse grondgebied zijn aangevoerd. Hetzelfde geldt voor vlees en vleesproducten uit het Verenigd Koninkrijk die echter via een andere lidstaat zijn ingevoerd en die correct gemerkt en geëtiketteerd zijn.

136.
    Aangezien de Franse Republiek moet beschikken over een redelijke termijn voor de uitvoering van de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514, zoals deze zijn uitgelegd en gepreciseerd in het memorandum van overeenstemming, is de niet-nakoming bestaande in de niet-uitvoering van deze beschikkingen enkel bewezen voor de periode na het verstrijken van de termijn om aan het met redenen omkleed advies te voldoen, dit wil zeggen na 30 december 1999.

De schending van artikel 28 EG

137.
    Wat betreft het verzoek van de Commissie om een niet-nakoming van artikel 28 EG vast te stellen, moet erop worden gewezen dat de Commissie tot staving van dit verzoek geen andere elementen heeft aangevoerd dan deze welke de niet-nakoming opleveren die voortvloeit uit de niet-uitvoering van de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514.

138.
    De Commissie zet evenmin uiteen wat de vaststelling van een afzonderlijke niet-nakoming van artikel 28 EG zou rechtvaardigen, terwijl zij van mening is dat de Franse Republiek zich niet kan beroepen op artikel 30 EG tot staving van haar weigering om de aan de DBES onderworpen producten in te voeren, omdat de toepasselijke communautaire regeling een volledige en coherente harmonisatie van de materie vormt.

139.
    Aangezien dit onderdeel van het beroep niet is gestaafd en bovendien een kennelijke tegenstrijdigheid bevat, is het verzoek tot vaststelling dat de Franse Republiek artikel 28 EG niet is nagekomen, ongegrond.

Schending van artikel 10 EG

140.
    Wat betreft het verzoek van de Commissie om een niet-nakoming van de verplichting tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG vast te stellen, zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 134 van het onderhavige arrest is opgemerkt, er moeilijkheden waren bij de uitlegging en de uitvoering van de gewijzigde beschikking 98/256. Het was juist de Franse regering die de Commissie heeft attent gemaakt op de problemen ingevolge de onduidelijkheid van deze beschikking en van de toepasselijke communautaire regeling in het algemeen wat de traceerbaarheid van de aan de DBES onderworpen producten betreft.

141.
    Gelet op een en ander, is niet bewezen dat de Franse Republiek de verplichting tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG niet is nagekomen.

Conclusie

142.
    Uit al het voorgaande volgt, dat de niet-nakoming slechts is bewezen voorzover de Franse Republiek met haar weigering om de maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de gewijzigde beschikking 98/256, inzonderheid aan artikel 6 van die beschikking en bijlage III ervan, alsmede aan beschikking 1999/514, inzonderheid aan artikel 1 ervan, en meer in het bijzonder met haar weigering om de verkoop op haar grondgebied na 30 december 1999 toe te staan van de aan de DBES onderworpen producten die correct gemerkt en geëtiketteerd zijn, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens die twee beschikkingen, inzonderheid krachtens de voormelde bepalingen ervan.

143.
    Het beroep dient te worden verworpen voor het overige.

Kosten

144.
    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Krachtens artikel 69, lid 3, van dit Reglement kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.

145.
    Rekening moet worden gehouden met het feit dat het beroep niet voor de niet-nakoming in haar geheel, zoals zij door de Commissie is omschreven, is toegewezen. Uit het dossier blijkt voorts dat bepaalde door de Franse Republiek ondervonden moeilijkheden bij de uitvoering van de gewijzigde beschikking 98/256 en beschikking 1999/514 een gevolg waren van onduidelijkheid over de aan de lidstaten opgelegde verplichtingen.

146.
    Gelet op een en ander, moet de Franse Republiek in twee derden van de kosten worden verwezen. De Commissie zal het andere derde van de kosten dragen.

147.
    Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal het Verenigd Koninkrijk zijn eigen kosten dragen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1)    Met haar weigering om de maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan

    -    beschikking 98/256/EG van de Raad van 16 maart 1998 inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie, tot wijziging van beschikking 94/474/EG en tot intrekking van beschikking 96/239/EG, in de versie die voortvloeit uit beschikking 98/692/EG van de Commissie van 25 november 1998, inzonderheid aan artikel 6 van die beschikking en bijlage III ervan, en aan

    -    beschikking 1999/514/EG van de Commissie van 23 juli 1999 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de „Date-Based Export Scheme”, van van runderen verkregen producten uit het Verenigd Koninkrijk, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256, inzonderheid aan artikel 1 ervan,

    en meer in het bijzonder met haar weigering om de verkoop op haar grondgebied na 30 december 1999 toe te staan van de aan deze „Date-Based Export Scheme” onderworpen producten die correct zijn gemerkt en geëtiketteerd, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens die twee beschikkingen, inzonderheid krachtens de voormelde bepalingen ervan.

2)    Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)    De Franse Republiek wordt verwezen in twee derden van de kosten. De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in het andere derde van de kosten.

4)    Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zal zijn eigen kosten dragen.

Rodríguez Iglesias
Jann
Macken

Colneric

von Bahr
Gulmann

Edward    

La Pergola
Puissochet

        Sevón                            Wathelet

        Schintgen                            Skouris

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 december 2001.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Frans.