Language of document : ECLI:EU:C:2000:528

ARREST VAN HET HOF

3 oktober 2000 (1)

„Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijnen 89/391/EEG en 93/104/EG - Toepassingsgebied - Artsen van ploegen voor eerstelijnszorg - Gemiddelde arbeidstijd - Wachtdiensten daaronder begrepen - Nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst”

In zaak C-303/98,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana (Spanje), in het aldaar aanhangige geding tussen

Sindicato de Médicos de Asistencia Pública (Simap)

en

Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1), en richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), D. A. O. Edward, L. Sevón en R. Schintgen, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet, rechters,

advocaat-generaal: A. Saggio


griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

-    Sindicato de Médicos de Asistencia Pública (Simap), vertegenwoordigd door D. Rivera Auñón, advocaat,

-    Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana, vertegenwoordigd door J. Pla Gimeno, jurist bij de juridische dienst van de Generalidad Valenciana, als gemachtigde,

-    de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. López-Monís Gallego, abogado del Estado, als gemachtigde,

-    de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, valtionasiamies bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

-    de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door D. Anderson, Barrister,

-    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en I. Martínez del Peral, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Sindicato de Médicos de Asistencia Pública (Simap), vertegenwoordigd door D. Rivera Auñón; Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana, vertegenwoordigd door J. Pla Gimeno; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad, abogado del Estado, als gemachtigde; de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis en I. Martínez del Peral, ter terechtzitting van 28 september 1999,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 december 1999,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 10 juli 1998, ingekomen bij het Hof op 3 augustus daaraanvolgend, heeft het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana (Spanje) krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG), vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1; hierna: „basisrichtlijn”), en richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18).

2.
    Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Sindicato de Médicos de Asistencia Pública de la Comunidad Valenciana (vakbond van artsen voor openbare hulpverlening in de regio Valencia; hierna: „Simap”) en Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana (Ministerie van Gezondheid van de regio Valencia), waarin door Simap tegen laatstgenoemde een collectief beroep is ingesteld betreffende het medisch personeel dat is tewerkgesteld in ploegen voor eerstelijnszorg van de gezondheidscentra van die regio.

Het juridisch kader

De gemeenschapsregeling

De basisrichtlijn

3.
    De basisrichtlijn is de kaderrichtlijn op dit gebied. Daarin zijn de algemene beginselen vastgesteld die nadien zijn uitgewerkt in een aantal bijzondere richtlijnen, waaronder richtlijn 93/104.

4.
    Artikel 2 van de basisrichtlijn omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt:

„1.    Deze richtlijn is van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren (industriële, landbouw-, handels-, administratieve, dienstverlenende, educatieve, culturele, vrijetijdsactiviteiten, enz.).

2.    Deze richtlijn geldt niet wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, de toepassing ervan in de weg staan.

In dat geval moet ervoor worden gezorgd dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk worden verzekerd, met inachtneming van de doelstellingen van deze richtlijn.”

Richtlijn 93/104

5.
    Richtlijn 93/104 is bedoeld ter bevordering van de verbetering van de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid van de werknemers op het werk. Haar rechtsgrondslag is artikel 118 A EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG).

6.
    De eerste twee artikelen van richtlijn 93/104 omschrijven het doel en het toepassingsgebied ervan, alsmede de strekking en de betekenis van de gebruikte begrippen.

7.
    Artikel 1, getiteld „Doel en toepassingsgebied”, van die richtlijn luidt:

„1.    Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

    

2.    Deze richtlijn is van toepassing op:

a)    de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd,

    en

b)    bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.

3.    Onverminderd artikel 17 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG, met uitzondering van het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding.

4.    Het bepaalde in richtlijn 89/391/EEG is ten volle van toepassing op de in lid 2 bedoelde aangelegenheden, onverminderd strengere en/of meer specifieke bepalingen die in deze richtlijn vervat zijn.”

8.
    Onder de titel „Definities” bepaalt artikel 2 van dezelfde richtlijn:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

    

1.    .arbeidstijd‘: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

2.    .rusttijd‘: de tijd die geen arbeidstijd is;

3.    .nachttijd‘: een tijdvak van ten minste zeven uren, als vastgesteld bij de nationale wetgeving, dat in ieder geval de periode tussen vierentwintig uur en vijf uur omvat;

4.    .nachtarbeider‘:

    a)    enerzijds, een werknemer die normaal gedurende ten minste drie uren van zijn dagelijkse arbeidstijd werkzaam is binnen de nachttijd;

    

    b)    anderzijds, een werknemer die gedurende een bepaald gedeelte van zijn jaarlijkse arbeidstijd binnen de nachttijd werkzaam kan zijn, als vastgesteld, naar keuze van de betrokken lidstaat, bij:

    

        i)    de nationale wetgeving na raadpleging van de sociale partners,

    

            of

    

        ii)    collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners op nationaal of regionaal niveau;

5.    .ploegenarbeid‘: een regeling van de arbeid in ploegen, waarbij de werknemers na elkaar op dezelfde werkplek werken, volgens een bepaald rooster, ook bij toerbeurt en al dan niet continu, met als gevolg dat de werknemers over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijden moeten werken;

    

6.    .werknemer in ploegendienst‘: een werknemer die volgens een ploegendienstrooster werkt.”

9.
    Bij richtlijn 93/104 is een aantal regels vastgesteld betreffende de maximale wekelijkse arbeidstijd, de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden, de jaarlijksevakantie, alsmede de arbeidstijd en de arbeidsomstandigheden van nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst.

10.
    Met betrekking tot de maximale wekelijkse arbeidstijd bepaalt artikel 6 van richtlijn 93/104:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

1.    de wekelijkse arbeidstijd via wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of via collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners wordt beperkt;

2.    de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”

11.
    Met betrekking tot de duur van de nachtarbeid bepaalt artikel 8 van richtlijn 93/104:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat:

1.    de normale arbeidstijd voor nachtarbeiders gemiddeld niet langer is dan acht uren per tijdvak van vierentwintig uur;

2.    nachtarbeiders wier werk bijzondere risico's dan wel grote lichamelijke of geestelijke spanningen meebrengt, niet langer werken dan acht uren in een periode van vierentwintig uur waarin zij nachtarbeid verrichten.

    Voor de toepassing van dit punt wordt arbeid die bijzondere risico's dan wel grote lichamelijke of geestelijke spanningen meebrengt, gedefinieerd in de nationale wetten en/of gebruiken of in collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners, met inachtneming van de specifieke effecten en risico's van nachtarbeid.”

12.
    Artikel 15 van richtlijn 93/104 bepaalt:

„Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.”

13.
    Artikel 16 van richtlijn 93/104 stelt de referentieperioden vast waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van de in de punten 9 tot en met 12 van het onderhavige arrest genoemde regels. Dit artikel luidt als volgt:

„De lidstaten mogen een referentieperiode vaststellen die:

1.    voor de toepassing van artikel 5 (wekelijkse rusttijd), niet langer is dan veertien dagen;

2.    voor de toepassing van artikel 6 (maximale wekelijkse arbeidstijd), niet langer is dan vier maanden.

    De perioden van overeenkomstig artikel 7 toegekende jaarlijkse vakantie en de perioden van ziekteverlof worden niet meegerekend of zijn neutraal voor de berekening van het gemiddelde;

3.    voor de toepassing van artikel 8 (duur van de nachtarbeid), is vastgesteld na raadpleging van de sociale partners of in collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden op nationaal of regionaal niveau tussen de sociale partners.

    Indien de bij artikel 5 vereiste wekelijkse minimumrusttijd van vierentwintig uren in de referentieperiode valt, wordt daarmee geen rekening gehouden voor de berekening van het gemiddelde.”

14.
    Richtlijn 93/104 bevat eveneens een reeks afwijkingen van de basisregels, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van bepaalde werkzaamheden en bepaalde voorwaarden worden opgelegd. Dienaangaande bepaalt artikel 17:

„1.    Met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, kunnen de lidstaten afwijken van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8 en 16, wanneer de duur van de arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten en/of vooraf bepaald, of door de werknemers zelf kan worden bepaald, en met name wanneer het gaat om:

a)    leidinggevend personeel of andere personen met een autonome beslissingsbevoegdheid;

b)    arbeidskrachten in gezins- of familieverband;

    of

c)    werknemers die in kerken en religieuze gemeenschappen de eredienst verzorgen.

2.    Mits de betrokken werknemers gelijkwaardige compenserende rusttijden worden geboden of, in de uitzonderlijke gevallen waarin dit op objectieve grondenniet mogelijk is, een passende bescherming, kan bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners worden afgeweken:

2.1.    van de artikelen 3, 4, 5, 8 en 16:

    a)    voor werkzaamheden waarbij de werkplek en de woonplaats van de werknemer ver van elkaar verwijderd zijn of waarbij de verschillende arbeidsplaatsen van de werknemer ver van elkaar verwijderd zijn;

    b)    voor bewakings-, surveillance- en wachtdiensten die verband houden met de noodzakelijke bescherming van goederen en personen, met name wanneer het gaat om bewakers, conciërges of bewakingsfirma's;

    c)    voor werkzaamheden waarbij de continuïteit van de dienst of de productie moet worden gewaarborgd, met name in geval van:

        i)    opvang, behandeling en/of verzorging in ziekenhuizen of soortgelijke instellingen, tehuizen en gevangenissen;

    (...)

3.    Van de artikelen 3, 4, 5, 8 en 16 mag worden afgeweken bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners op nationaal of regionaal niveau of, conform de door deze sociale partners vastgelegde regels, bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners op een lager niveau.

(...)

4.    De in lid 2, punt 2.1 en punt 2.2, en in lid 3, bedoelde mogelijkheid om af te wijken van artikel 16, punt 2, mag niet tot gevolg hebben dat er een referentieperiode wordt vastgesteld die langer is dan zes maanden.

De lidstaten kunnen evenwel, met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, toestaan dat om objectieve, technische of arbeidsorganisatorische redenen in collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners langere referentieperioden worden vastgesteld, die echter in geen geval langer mogen zijn dan twaalf maanden.

(...)”

15.
    Artikel 18 van richtlijn 93/104 bepaalt:

„1.    a)    De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 23 november 1996 aan deze richtlijn te voldoen of vergewissen zich er uiterlijk op die datum van dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige maatregelen nemen; de lidstaten nemen in dit laatste geval alle noodzakelijke maatregelen om te allen tijde de door deze richtlijn geëiste resultaten te kunnen waarborgen.

    b)    i)    Een lidstaat kan evenwel, met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, besluiten artikel 6 niet toe te passen, mits hij door de nodige maatregelen te treffen het volgende waarborgt:

            -    geen enkele werkgever verlangt dat een werknemer meer dan achtenveertig uur werkt tijdens een periode van zeven dagen, berekend als gemiddelde van de in artikel 16, punt 2, bedoelde referentieperiode, tenzij de werknemer met het verrichten van dergelijke arbeid heeft ingestemd;

            -    geen enkele werknemer mag nadeel ondervinden van het feit dat hij niet bereid is dergelijke arbeid te verrichten;

            -    de werkgever houdt registers bij van alle werknemers die dergelijke arbeid verrichten;

            -    de registers worden ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten die, in verband met de veiligheid en/of de gezondheid van de werknemers, de mogelijkheid om de maximale wekelijkse arbeidstijd te overschrijden, kunnen verbieden of beperken;

            -    de werkgever verstrekt de bevoegde autoriteiten, op hun verzoek, inlichtingen over de gevallen waarin werknemers ermee hebben ingestemd om langer dan achtenveertig uur te werken tijdens een periode van zeven dagen, berekend als gemiddelde van de in artikel 16, punt 2, bedoelde referentieperiode.

(...)”

De nationale regeling

16.
    Onder de titel „Arbeidstijd” bepaalt artikel 6 van koninklijk besluit nr. 137/84 van 11 januari 1984 (BOE nr. 27 van 1 februari 1984, blz. 2627):

„1.    De arbeidstijd van het personeel dat deel uitmaakt van ploegen voor eerstelijnszorg is 40 uur per week, onverminderd eventuele werkzaamheden wegens deelname aan wachtdiensten met huisbezoeken en dringende opdrachten, overeenkomstig de bepalingen van de juridische statuten van het medisch personeel en het medisch hulppersoneel dat onder de sociale zekerheid valt en de bepalingen ter uitvoering daarvan (...)

2.    In landelijke gebieden wordt de zorg 's ochtends en 's middags in het gezondheidscentrum verstrekt, gedurende de consultaties ter plaatse en aan huis, zowel in normale als in spoedgevallen.

De leden van de ploeg zullen bij toerbeurt ploegen voor spoedgevallen vormen, waarbij de diensten alle dagen van de week in het gezondheidscentrum zijn gecentraliseerd.”

17.
    Bij besluit van 20 november 1992, bekendgemaakt in bijlage bij de Resolución van 15 januari 1993 (BOE nr. 28 van 2 februari 1993, blz. 2864), heeft de Spaanse ministerraad de overeenkomst goedgekeurd die op 3 juli 1992 is gesloten tussen de gezondheidsdienst van de staat en de meest representatieve vakbonden in de sector eerstelijnszorg in Spanje. De bijlage bij dat besluit betreffende overeenkomsten inzake de eerstelijnszorg bepaalt onder de titel „B) Wachtdienst”:

„(...) Voor de wachtdiensten geldt als regel een maximum van 425 uur per jaar. Voor de ploegen voor eerstelijnszorg in de landelijke gebieden, waarvoor het algemeen maximum van 425 uren wachtdienst per jaar onvermijdelijk worden overschreden, wordt het maximum vastgesteld op 850 uur per jaar, waarbij de doelstelling is om de duur van de wachtdiensten geleidelijk te verminderen (...)”

18.
    Wat de regio Valencia betreft is op 7 mei 1993 tussen de meest representatieve vakbonden en de regionale overheid ook een overeenkomst gesloten in gelijknamige bewoordingen als die welke in het vorige punt zijn weergegeven. Die overeenkomst bepaalt met name:

„(...) Voor de wachtdiensten geldt als regel een maximum van 425 uur per jaar. Voor de ploegen voor eerstelijnszorg in landelijke gebieden, waarvoor het algemeen maximum van 425 uren per jaar onvermijdelijk wordt overschreden, is overeengekomen, om de duur van de wachtdiensten geleidelijk te verminderen, een maximum van 850 uur per jaar vast te stellen en daarvoor extra artsen en .Asistentes técnicos sanitarios‘ (A.T.S.) in dienst te nemen binnen de grenzen van de budgettaire mogelijkheden (...)”

19.
    Een regeling betreffende de organisatie en de werking van de ploegen voor eerstelijnszorg in de regio Valencia (hierna: „regeling”) is vastgesteld bij besluit van 20 november 1991 van Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana. In artikel 17, lid 3, van die regeling is artikel 6 van koninklijk besluit nr. 137/84 overgenomen.

20.
    Bij arrest van 15 december 1993 heeft de kamer voor administratiefrechtelijke geschillen van het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana het besluit tot goedkeuring van de regeling nietig verklaard.

21.
    Op 21 september 1995 is koninklijk besluit nr. 1561/95 betreffende de bijzondere arbeidstijden (BOE nr. 230 van 26 september 1995, blz. 28606) vastgesteld. Dat koninklijk besluit is enkel van toepassing op gewone privaatrechtelijke arbeidsverhoudingen en bevat geen enkele bepaling met betrekking tot de gezondheidssector.

Het geschil in het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

22.
    Bij een collectief beroep tegen Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana, heeft Simap verzocht om vast te stellen, dat alle artsen die hun werkzaamheden in de ploegen voor eerstelijnszorg in de regio Valencia verrichten er recht op hebben:

-    dat artikel 17, lid 3, van de regeling wordt uitgelegd in het licht van de artikelen 6, 8, 15 en 17 van richtlijn 93/104;

-    dat hun arbeidstijd, overuren inbegrepen, gedurende elke periode van zeven dagen (op een totaal van vier maanden) niet meer bedraagt dan veertig uur, en dat de duur van de nachtarbeid per periode van vierentwintig uur niet meer dan acht uur bedraagt of, in geval van overschrijding daarvan, dat hun gelijkwaardige inhaalrustperiodes worden toegekend;

-    of, subsidiair, dat hun arbeidstijd, overuren inbegrepen, gedurende elke periode van zeven dagen (op een totaal van vier maanden) niet meer bedraagt dan achtenveertig uur en dat de duur van de nachtarbeid per periode van vierentwintig uur niet meer dan acht uur bedraagt of, in geval van overschrijding daarvan, dat hun gelijkwaardige inhaalrustperiodes worden toegekend;

-    dat hun de hoedanigheid van nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst wordt toegekend en dat de bij de artikelen 9 tot en met 13 van richtlijn 93/104 vastgestelde speciale beschermingsmaatregelen worden genomen alvorens zij met dergelijk werk periodiek worden belast.

23.
    Volgens de verwijzende rechter steunt het beroep op de zienswijze dat krachtens artikel 17, lid 3, van de regeling, waarin artikel 6 van koninklijk besluit nr. 137/84 is opgenomen, de artsen die hun werkzaamheden in de ploegen voor eerstelijnszorg verrichten, verplicht zijn zonder tijdsbeperking te werken en zonder dat voor de arbeidsduur een dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse of jaarlijkse grens geldt; bovendien wordt de normale arbeidstijd gevolgd door de wachtdienst, die zelf wordt gevolgd door de normale arbeidstijd van de daaropvolgende dag, en wel in het doorConselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana gewenst ritme, volgens eenzijdig vastgestelde eisen. Simap betoogt eveneens dat „in feite een arts van een ploeg voor eerstelijnszorg eenendertig uur ononderbroken moet werken, zonder nachtrust, telkens wanneer het week- of maandprogramma dat voorziet, en dit soms één dag op twee; hij moet zelf voor zijn voedsel zorgen; hij moet met eigen middelen, alleen en zonder enige veiligheid, huisbezoeken afleggen 's nachts wanneer er geen openbaar vervoer is”.

24.
    De verwijzende rechter wijst erop, dat de artsen van de ploegen voor eerstelijnszorg van Puerto de Sagunto en Burjassot 8 tot 15 uur werken, waarbij om de 11 dagen nog een wachtdienst komt die loopt vanaf het einde van de werkdag tot 8 uur de volgende ochtend, behoudens uitzonderlijke gevallen, zoals met name vervanging van een zieke collega. De wekelijkse arbeidstijd van de betrokken artsen bedraagt veertig uur per week, in voorkomend geval vermeerderd met de wachtdienst, die volgens de nationale gebruiken inzake de uitlegging van hun statuut en van de toepasselijke interne regeling deel uitmaakt van de wettelijke arbeidstijd.

25.
    Bovendien wijst de verwijzende rechter erop, dat volgens het nationale gebruik voor artsen wier betrekkingen met de overheid bij statutaire regels zijn geregeld, de wachtdienst een bijzondere arbeidstijd is die niet onder de regeling voor overuren valt en die forfaitair wordt beloond, ongeacht de werkelijk verrichte hoeveelheid arbeid.

26.
    Verder zou, wanneer de wachtdiensten worden verricht volgens de regeling die vereist dat de arts bereikbaar is, bij de vaststelling van de maximale arbeidstijd enkele rekening worden gehouden met de werkelijke arbeidsuren. Volgens de verwijzende rechter moet de wachtdienst in de gezondheidsinstellingen nooit worden beschouwd als overuren; zij vormen een verlenging van de normale arbeidstijd, met dezelfde werklast, hoewel de wachtdienst wordt verricht in andere omstandigheden dan die van het werk tijdens de gewone arbeidstijd.

27.
    De verwijzende rechter wijst er eveneens op, dat richtlijn 93/104 niet naar behoren in het Spaanse recht is omgezet. Deze omzetting blijft namelijk beperkt tot koninklijk besluit nr. 1561/95, dat alleen geldt voor gewone privaatrechtelijke arbeidsverhoudingen, terwijl geen enkele bepaling van dat besluit de gezondheidssector betreft.

28.
    In die omstandigheden heeft het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)    Vragen betreffende de toepasselijkheid van de richtlijn in het algemeen:

    a)    Gelet op de tekst van artikel 118 A EG-Verdrag en de verwijzing in artikel 1, lid 3, van de richtlijn naar alle, particuliere of openbare,sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG, bepalende dat laatstbedoelde richtlijn niet geldt .wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst (...) de toepassing ervan in de weg staan‘: moet hieruit worden afgeleid dat de werkzaamheid van de artsen van de ploegen voor eerstelijnszorg die betrokken zijn bij het onderhavige geschil, onder de betrokken uitsluiting valt?

    b)    Artikel 1, lid 3, van de richtlijn stelt, dat deze van toepassing is .onverminderd‘ artikel 17. Moet de omstandigheid dat er, zoals gezegd, geen nationale of regionale harmonisatieregeling bestaat, worden uitgelegd als een afwijking van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8 en 16, wanneer de duur van de arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten en/of vooraf bepaald?

    c)    Betekent de omstandigheid, dat in artikel 1, lid 3, in fine, van de richtlijn .de activiteiten van artsen in opleiding‘ zijn uitgesloten, a contrario dat de activiteiten van de andere artsen wél onder de richtlijn vallen?

    d)    Betekent de omstandigheid dat in de richtlijn is gesteld, dat de bepalingen van richtlijn 89/391/EEG .ten volle‘ van toepassing zijn op de in lid 2 bedoelde gebieden, dat daaraan bijzondere gevolgen moeten worden verbonden inzake de mogelijkheid om zich daarop te beroepen en de toepasselijkheid daarvan?

2)    Vragen inzake de arbeidstijd:

    a)    Artikel 2, lid 1, van de richtlijn geeft de volgende definitie van arbeidstijd: .de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken‘. Gelet op de nationale praktijk zoals uiteengezet in punt 8 van de feiten, alsmede de omstandigheid dat er geen harmonisatieregeling bestaat, rijst de volgende vraag: moet de nationale praktijk die erin bestaat dat de tijd die aan wachtdiensten wordt besteed, niet wordt gerekend tot de arbeidstijd van 40 uur per week, worden voortgezet, of dienen bij analogie de algemene en bijzondere bepalingen van de Spaanse wettelijke regeling inzake de dagelijkse arbeidstijd voor privaatrechtelijke arbeidsverhoudingen te worden toegepast?

    b)    Wanneer de betrokken artsen tijdens de wachtdienst bereikbaar doch niet fysiek in het centrum aanwezig dienen te zijn, dient de volledige duur van de wachtdienst dan als arbeidstijd te worden beschouwd, danwel uitsluitend de tijd die is besteed aan hun activiteiten wanneer zij worden opgeroepen, overeenkomstig de nationale praktijk als bedoeld in punt 8 van de feiten?

    c)    Wanneer de betrokken artsen tijdens hun wachtdienst fysiek in het centrum aanwezig zijn, dient de aldaar doorgebrachte tijd dan te worden beschouwd als gewone arbeidstijd dan wel als bijzondere arbeidstijd overeenkomstig de nationale praktijk zoals uiteengezet in punt 8 van de feiten?

3)    Vragen inzake de gemiddelde arbeidstijd:

    a)    Moet de aan wachtdiensten bestede arbeidstijd worden meegeteld bij de vaststelling van de gemiddelde arbeidstijd voor elke periode van 7 dagen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 2, van de richtlijn?

    b)    Zijn de aan wachtdiensten bestede uren te beschouwen als overuren?

    c)    Geldt de referentieperiode als bedoeld in artikel 16, punt 2, van de richtlijn in weerwil van het ontbreken van een harmonisatieregeling, en gelden in voorkomend geval de afwijkingen van deze regel waarin is voorzien in artikel 17, leden 2 en 3, in samenhang met lid 4?

    d)    Gelet op de mogelijkheid om artikel 6 van de richtlijn ingevolge artikel 18, lid 1, sub b, daarvan buiten toepassing te laten, en in weerwil van de omstandigheid dat er geen harmonisatieregeling bestaat: kan artikel 6 van de richtlijn worden geacht niet van toepassing te zijn wanneer de betrokken werknemer ermee heeft ingestemd de betrokken activiteiten te verrichten? Is hiermee op één lijn te plaatsen de instemming van de vakbondsvertegenwoordigers in een collectieve arbeidsovereenkomst?

4)    Vragen inzake nachtarbeid:

    a)    Ervan uitgaand dat de normale arbeidsdag geen nachtarbeid omvat, en dat slechts een deel van de wachtdiensten die door sommige van de betrokken artsen regelmatig worden verricht, als zodanig kunnen worden beschouwd, en gelet op het ontbreken van een harmonisatieregeling: kan worden gesteld dat deze artsen zijn te beschouwen als nachtarbeiders in de zin van artikel 2, punt 4, sub b, van de richtlijn?

    b)    Wat de gevolgen betreft van de keuze als bedoeld in artikel 2, punt 4, sub b-i, van de richtlijn: kan de nationale wettelijke regeling inzake nachtarbeid van werknemers met een privaatrechtelijkearbeidsverhouding worden toegepast op de betrokken artsen met een publiekrechtelijke arbeidsverhouding?

    c)    Omvat de .normale‘ arbeidstijd in de zin van artikel 8, punt 1, van de richtlijn ook de wachtdiensten waarbij de betrokkene bereikbaar dan wel fysiek aanwezig is?

5)    Vraag inzake ploegenarbeid en ploegenarbeiders:

    Ervan uitgaand, dat van ploegenarbeid alleen sprake kan zijn in het geval van wachtdiensten, en gelet op het ontbreken van een harmonisatieregeling: kan worden gesteld dat de arbeid van de betrokken artsen ploegenarbeid is, en dat de betrokkenen als werknemers in ploegendienst zijn te beschouwen in de zin van artikel 2, punten 5 en 6, van de richtlijn?”

Bespreking van de prejudiciële vragen

Toepassingsgebied van richtlijn 93/104 (vragen 1 a, 1 c en 1 d)

29.
    Met zijn vragen 1 a, 1 c en 1 d wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de activiteit van artsen van ploegen voor eerstelijnszorg binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn en van richtlijn 93/104 valt.

30.
    Er zij op gewezen, dat artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 de werkingssfeer ervan in de eerste plaats omschrijft door uitdrukkelijk te verwijzen naar artikel 2 van de basisrichtlijn en in de tweede plaats door voor bepaalde bijzondere activiteiten een reeks uitzonderingen vast te stellen.

31.
    Om dus vast te stellen of een activiteit als die van artsen van ploegen voor eerstelijnszorg binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/104 valt, moet vooraf worden onderzocht of die activiteit binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn valt.

32.
    Volgens artikel 2, lid 1, van de basisrichtlijn is zij van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren (met name industriële, landbouw-, handels-, administratieve, dienstverlenende, educatieve, culturele, vrijetijdsactiviteiten, enz.). Uit lid 2 van deze bepaling volgt evenwel, dat de basisrichtlijn niet geldt wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde specifieke activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, aan de toepassing ervan dwingend in de weg staan.

33.
    Aangezien de artsen van ploegen voor eerstelijnszorg hun activiteiten uitoefenen in een kader dat hen met de openbare sector verbindt, moet dus worden onderzocht, of voor die activiteiten de in het vorige punt genoemde uitsluiting geldt.

34.
    In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat zowel uit het doel van de basisrichtlijn, te weten de bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk, als uit de bewoordingen van artikel 2, lid 1, volgt dat de werkingssfeer van de richtlijn ruim moet worden opgevat.

35.
    Daaruit volgt, dat de uitzonderingen op de werkingssfeer van de basisrichtlijn, daaronder begrepen die van artikel 2, lid 2, restrictief moeten worden uitgelegd.

36.
    Verder moet er op worden gewezen, dat artikel 2, lid 2, van de basisrichtlijn verwijst naar bepaalde specifieke activiteiten in overheidsdienst ter verzekering van de openbare orde en veiligheid, die onmisbaar zijn voor een goed verloop van het maatschappelijk leven.

37.
    Vastgesteld moet worden, dat onder normale omstandigheden de activiteit van het personeel van de ploegen voor eerstelijnszorg niet met dergelijke activiteiten kan worden gelijkgesteld.

38.
    De conclusie dient dus te luiden, dat de activiteit van het personeel van de ploegen voor eerstelijnszorg binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn valt.

39.
    In die omstandigheden moet worden onderzocht, of een dergelijke activiteit niet onder een van de uitzonderingen van artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/104 valt.

40.
    Dat is niet het geval. Immers, volgens die bepaling vallen enkel de activiteiten van artsen in opleiding onder de uitzonderingen op de werkingssfeer van die richtlijn.

41.
    In die omstandigheden moet op de vragen 1 a, 1 c en 1 d worden geantwoord, dat een activiteit als die van artsen van ploegen voor eerstelijnszorg binnen de werkingssfeer van de basisrichtlijn en van richtlijn 93/104 valt.

De toepassing van artikel 17 van richtlijn 93/104 (vraag 1 b)

42.
    Met vraag 1 b wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de nationale rechter bij gebreke van uitdrukkelijke maatregelen ter omzetting van richtlijn 93/104 zijn nationale recht kan toepassen, op grond dat de activiteit van artsen van ploegen voor eerstelijnszorg wegens de bijzondere kenmerken ervan onder de in artikel 17 van die richtlijn genoemde afwijkingen zou vallen.

43.
    Dienaangaande zij erop gewezen, dat artikel 17 van richtlijn 93/104 toestaat om langs wettelijke of bestuursrechtelijke weg, of ook bij collectieve arbeidsovereenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen sociale partners af te wijken van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8 en 16 ervan, wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Wat de in artikel 17, lid 1, bedoelde afwijkingen betreft, zijn enkel wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen toegestaan.

44.
    Hieruit volgt, dat wanneer, ook bij gebreke van uitdrukkelijke maatregelen ter omzetting van richtlijn 93/104, de in artikel 17 genoemde voorwaarden in het op een bepaalde activiteit toepasselijke nationale recht in acht zijn genomen, dat recht in overeenstemming is met de richtlijn en niets aan de toepassing ervan door de nationale rechterlijke instanties in de weg staat.

45.
    Bijgevolg moet op vraag 1 b worden geantwoord, dat de nationale rechter, bij gebreke van uitdrukkelijke maatregelen ter omzetting van richtlijn 93/104, zijn nationale recht kan toepassen, voor zover het, gelet op de kenmerken van de activiteit van artsen van ploegen voor eerstelijnszorg, voldoet aan de in artikel 17 van die richtlijn vastgestelde voorwaarden.

Het begrip arbeidstijd (vragen 2 a tot en met 2 c, 3 a, 3 b en 4 c)

46.
    Met de vragen 2 a tot en met 2 c, 3 a, 3 b en 4 c, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de tijd die aan wachtdiensten is besteed door artsen van ploegen voor eerstelijnszorg die fysiek aanwezig dienen te zijn in de gezondheidsinstellingen, dan wel „bereikbaar” dienen te zijn, moet worden beschouwd als arbeidstijd dan wel als overuren in de zin van richtlijn 93/104.

47.
    Er zij aan herinnerd, dat die richtlijn het begrip arbeidstijd definieert als de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken. Bovendien staat dat begrip in het systeem van richtlijn 93/104 tegenover de rusttijd, welke twee begrippen elkaar uitsluiten.

48.
    In de hoofdzaak vertonen de wachtdiensten van artsen van ploegen voor eerstelijnszorg die fysiek aanwezig moeten zijn in de gezondheidscentra, de kenmerken van het begrip arbeidstijd. Onomstreden is, dat tijdens de perioden van wachtdienst volgens die regeling, aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Bovendien, en al varieert de daadwerkelijk ontplooide activiteit naargelang de omstandigheden, moet de aan die artsen opgelegde verplichting om met het oog op het verrichten van hun beroepswerkzaamheden op de werkplek aanwezig en beschikbaar te zijn, worden geacht onder de uitoefening van hun functies te vallen.

49.
    Die uitlegging is overigens in overeenstemming met het doel van richtlijn 93/104, namelijk het verzekeren van de veiligheid en de gezondheid van werknemers, door hen minimumrusttijden en voldoende pauzes te gunnen (achtste overweging van de considerans van de richtlijn). Vastgesteld moet worden dat, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie opmerkt, wanneer de wachtdienst met verplichte fysieke aanwezigheid wordt uitgesloten van het begrip arbeidstijd, zulks de verwezenlijking van die doelstelling ernstig in gevaar brengt.

50.
    Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de situatie anders wanneer de artsen van ploegen voor eerstelijnszorg wachtdiensten verrichten waarbij zij permanent bereikbaar moeten zijn, doch zonder dat hun aanwezigheid in het gezondheidscentrum vereist is. Hoewel zij ter beschikking van hun werkgever staan, in die zin dat zij bereikbaar moeten zijn, kunnen zij in die situatie hun tijd vrijer besteden en zich met hun eigen zaken bezighouden. In die omstandigheden moet enkel de tijd die is verbonden met het werkelijk verrichten van diensten voor de eerstelijnszorg worden beschouwd als arbeidstijd in de zin van richtlijn 93/104.

51.
    Wat de vraag betreft of de aan wachtdiensten bestede tijd als overuren kan worden beschouwd, neemt het feit dat richtlijn 93/104 geen definitie bevat van het begrip overuren, dat alleen in artikel 6 betreffende de maximale wekelijkse arbeidstijd is genoemd, niet weg, dat gewerkte overuren onder het begrip arbeidstijd in de zin van de richtlijn vallen. De richtlijn maakt immers geen onderscheid naargelang die arbeidstijd al dan niet in het kader van de normale arbeidsuren wordt volbracht.

52.
    Op de vragen 2 a tot en met 2 c, 3 a, 3 b en 4 c, moet dus worden geantwoord, dat de wachtdiensten die artsen van ploegen voor eerstelijnszorg verrichten, wanneer hun fysieke aanwezigheid in het gezondheidscentrum vereist is, in hun geheel als arbeidstijd moeten worden beschouwd en eventueel als overuren in de zin van richtlijn 93/104. Wanneer die artsen tijdens de wachtdiensten permanent bereikbaar moeten zijn, moet enkel de tijd die is verbonden aan het werkelijk verrichten van prestaties van eerstelijnszorg als arbeidstijd worden beschouwd.

De vraag of sprake is van nachtarbeid (vragen 4 a en 4 b)

53.
    Met zijn vragen 4 a en 4 b wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of bepaalde artsen die regelmatig 's nachts wachtdiensten verrichten, moeten worden beschouwd als nachtarbeiders in de zin van artikel 2, punt 4, sub b, van richtlijn 93/104 en of, met het oog op de door die bepaling aan de lidstaat gelaten keus, de voor privaatrechtelijke arbeidsverhoudingen geldende nationale wetgeving kan worden toegepast op artsen met een publiekrechtelijke betrekking.

54.
    Uit de verwijzingsbeschikking volgt, dat de artsen van de ploegen voor eerstelijnszorg van Puerto de Sagunto en Burjassot 8 tot 15 uur per dag werken, waarbij om de 11 dagen nog een wachtdienst komt die loopt van het einde van de werkdag tot 8 uur de volgende ochtend, behoudens uitzonderlijke gevallen, zoals met name de vervanging van een zieke collega. De arbeidstijd van andere ploegen voor eerstelijnszorg in de regio Valencia is niet in het dossier vermeld, maar de nationale rechter gaat uit van het beginsel dat de wachtdienst in dat geval slechts met regelmatige tussenpozen wordt verricht.

55.
    Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 2, punt 4, sub a, van de richtlijn 93/104 als nachtarbeider wordt beschouwd „een werknemer die normaal gedurende ten minste drie uren van zijn dagelijkse arbeidstijd werkzaam is binnen de nachttijd”.Krachtens artikel 2, punt 4, sub b, van die richtlijn wordt bovendien aan de nationale wetgever of naar keuze van de betrokken lidstaat aan de sociale partners op nationaal of regionaal niveau de mogelijkheid gelaten om andere werknemers die gedurende een bepaald gedeelte van hun jaarlijkse arbeidstijd 's nachts werkzaam zijn, als nachtarbeider te beschouwen.

56.
    Aangezien het Koninkrijk Spanje geen enkele maatregel overeenkomstig artikel 2, punt 4, sub b, van richtlijn 93/104 heeft genomen met betrekking tot werknemers met een publiekrechtelijke betrekking, kunnen artsen van ploegen voor eerstelijnszorg die met regelmatige tussenpozen 's nachts wachtdiensten verrichten niet op grond van die enkele bepaling als nachtarbeiders worden beschouwd.

57.
    De vraag of de nationale wettelijke regeling betreffende nachtarbeid van werknemers met een privaatrechtelijke arbeidsverhouding, gelet op de in artikel 2, punt 4, sub b-i, van de richtlijn bedoelde keuze, kan worden toegepast op artsen van ploegen voor eerstelijnszorg met een publiekrechtelijke betrekking, is een probleem dat de nationale rechter overeenkomstig de regels van het nationale recht moet oplossen.

58.
    Op de vragen 4 a en 4 b moet dus worden geantwoord, dat artsen van ploegen voor eerstelijnszorg die met regelmatige tussenpozen 's nachts wachtdiensten verrichten, niet louter op grond van artikel 2, punt 4, sub b, van de richtlijn als nachtarbeiders kunnen worden beschouwd. De vraag of de nationale wettelijke regeling betreffende nachtarbeid van werknemers met een privaatrechtelijke arbeidsverhouding kan worden toegepast op artsen van ploegen voor eerstelijnszorg met een publiekrechtelijke betrekking, is een probleem dat de nationale rechter dient op te lossen overeenkomstig het nationale recht.

De begrippen ploegenarbeid en werknemer in ploegendienst (vijfde vraag)

59.
    Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het werk dat artsen van ploegen voor eerstelijnszorg tijdens wachtdiensten verrichten, ploegenarbeid is en of die artsen werknemers in ploegendienst zijn in de zin van artikel 2, punten 5 en 6, van richtlijn 93/104.

60.
    Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de artsen van de ploegen voor eerstelijnszorg van Puerto de Sagunto en Burjassot 8 tot 15 uur per dag werken, waarbij om de 11 dagen een wachtdienst komt die loopt vanaf het einde van de werkdag tot 8 uur de volgende ochtend, behoudens uitzonderlijke gevallen, en dat met betrekking tot de arbeidstijd van andere ploegen voor eerstelijnszorg in de regio Valencia de nationale rechter uitgaat van het beginsel, dat wachtdiensten slechts met regelmatige tussenpozen worden verricht.

61.
    Welnu, zowel de arbeidstijd die wordt volbracht in het kader van wachtdiensten waarbij de fysieke aanwezigheid van de artsen van de ploegen voor eerstelijnszorgin de gezondheidscentra is vereist, als het werkelijk verrichten van prestaties voor eerstelijnszorg door artsen met nachtdienst die permanent bereikbaar moeten zijn, voldoet aan alle voorwaarden van het begrip ploegenarbeid in de zin van artikel 2, punt 5.

62.
    De artsen van de ploegen voor eerstelijnszorg worden namelijk tewerkgesteld volgens een arbeidsregeling waarbij de werknemers bij toerbeurt op dezelfde plaats werken volgens een bepaald rooster, wat meebrengt dat zij over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijden moeten werken.

63.
    In het bijzonder met betrekking tot deze laatste voorwaarde moet erop worden gewezen, dat de betrokken artsen, ondanks het feit dat de wachtdiensten met regelmatige tussenpozen worden verricht, hun werk over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijden moeten verrichten.

64.
    Op de vijfde vraag moet dus worden geantwoord, dat de door artsen van ploegen voor eerstelijnszorg tijdens wachtdiensten verrichte prestaties ploegenarbeid zijn, en dat die artsen werknemers in ploegendienst zijn in de zin van artikel 2, punten 5 en 6, van richtlijn 93/104.

De toepasselijkheid van de in artikel 17, leden 2, 3 en 4, van richtlijn 93/104 vastgestelde afwijkingen (vraag 3 c)

65.
    Met vraag 3 c wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of bij gebreke van nationale bepalingen tot omzetting van artikel 16, punt 2, van richtlijn 93/104 of in voorkomend geval tot uitdrukkelijke vaststelling van een van de in artikel 17, leden 2, 3 en 4, bedoelde afwijkingen, die bepalingen kunnen worden geacht rechtstreekse werking te hebben.

66.
    Er zij aan herinnerd, dat artikel 16, punt 2, van de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om voor de toepassing van artikel 6, dat de maximale wekelijkse arbeidstijd betreft, een referentieperiode vast te stellen die niet langer is dan vier maanden.

67.
    Artikel 17, lid 2, punt 2.1, sub c-i, van richtlijn 93/104 bepaalt evenwel, dat de lidstaten van artikel 16, punt 2, mogen afwijken voor werkzaamheden waarbij de continuïteit van de dienst of de productie moet worden gewaarborgd, met name wanneer het gaat om opvang, behandeling en/of verzorging in ziekenhuizen of soortgelijke instellingen.

68.
    Die bepalingen van richtlijn 93/104 laten de lidstaten een zekere beoordelingsmarge met betrekking tot de voor de toepassing van artikel 6 van die richtlijn vast te stellen referentieperiode, wat evenwel niet afdoet aan het nauwkeurige en onvoorwaardelijke karakter van de bepalingen van de richtlijn die in het hoofdgeding aan de orde zijn. Een dergelijke beoordelingsmarge sluit immers nietuit, dat minimumrechten kunnen worden vastgesteld (zie, in die zin, arrest van 14 juli 1994, Faccini Dori, C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 17).

69.
    Dienaangaande volgt uit artikel 17, lid 4, van die richtlijn, dat de referentieperiode in geen geval langer dan twaalf maanden mag zijn. De minimale bescherming die hoe dan ook moet worden geboden, kan dus precies worden vastgesteld.

70.
    Bijgevolg moet op vraag 3 c worden geantwoord dat, bij gebreke van nationale bepalingen tot omzetting van artikel 16, punt 2, van richtlijn 93/104, of eventueel tot uitdrukkelijke vaststelling van een van de in artikel 17, leden 2, 3 en 4, bedoelde afwijkingen, die bepalingen moeten worden geacht rechtstreekse werking te hebben, zodat zij aan particulieren een recht verlenen op grond waarvan de referentieperiode voor de toepassing van de maximale wekelijkse arbeidstijd niet langer is dan twaalf maanden.

De toepasselijkheid van artikel 18, lid 1, sub b, van richtlijn 93/104 (vraag 3 d)

71.
    Met vraag 3 d wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de instemming van de vakbondsvertegenwoordigers in het kader van een overeenkomst of een collectieve overeenkomst dezelfde waarde heeft als die van de werknemer zelf, in de zin van artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104.

72.
    Er zij aan herinnerd, dat die bepaling de lidstaten toestaat om artikel 6 van die richtlijn met betrekking tot de maximale wekelijkse arbeidstijd niet toe te passen, binnen de perken van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, en mits de arbeidstijd niet meer bedraagt dan achtenveertig uur tijdens een periode van zeven dagen, berekend als gemiddelde van de in artikel 16, punt 2, bedoelde referentieperiode. De werknemer kan evenwel instemmen met het verrichten van arbeid van een langere duur.

73.
    Uit de bewoordingen van artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104 volgt duidelijk, dat die bepaling de individuele instemming van de werknemer vereist. Overigens, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht opmerkt, zou indien het de bedoeling van de gemeenschapswetgever was geweest om in de plaats van de instemming van de werknemer die van een vakbond in het kader van een overeenkomst of een collectieve overeenkomst te stellen, artikel 6 van die richtlijn zijn vermeld in de lijst van de artikelen waarvan mag worden afgeweken bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen sociale partners, welke lijst is opgenomen in artikel 17, lid 3, van de richtlijn.

74.
    Bijgevolg moet op vraag 3 d worden geantwoord, dat de instemming van de vakbondsvertegenwoordigers in het kader van een overeenkomst of een collectieve overeenkomst niet in de plaats kan komen van die van de werknemer zelf, in de zin van artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104.

Kosten

75.
    De kosten door de Spaanse en de Finse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana bij beschikking 10 juli 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)    Een activiteit als die van de artsen van ploegen voor eerstelijnszorg valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, en richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.

2)    De nationale rechter kan bij gebreke van uitdrukkelijke maatregelen ter omzetting van richtlijn 93/104 zijn nationale recht toepassen, voor zover het, gelet op de kenmerken van de activiteit van de artsen van ploegen voor eerstelijnszorg, voldoet aan de voorwaarden van artikel 17 van die richtlijn.

3)    De wachtdiensten verricht door artsen van ploegen voor eerstelijnszorg moeten, wanneer de fysieke aanwezigheid van die artsen in het gezondheidscentrum vereist is, in hun geheel als arbeidstijd worden beschouwd en eventueel als overuren in de zin van richtlijn 93/104. Wanneer die artsen tijdens de wachtdiensten permanent bereikbaar moeten zijn, moet enkel de tijd die is verbonden aan het werkelijk verrichten van prestaties van eerstelijnszorg als arbeidstijd worden beschouwd.

4)    De artsen van ploegen voor eerstelijnszorg, die met regelmatige tussenpozen 's nachts wachtdiensten verrichten, kunnen niet louter op grond van artikel 2, punt 4, sub b, van de richtlijn als nachtarbeiders worden beschouwd. De vraag of de nationale wettelijke regeling betreffende nachtarbeid van werknemers met een privaatrechtelijke arbeidsverhouding kan worden toegepast op artsen van ploegen voor eerstelijnszorg met een publiekrechtelijke betrekking, is een probleem dat de nationale rechter dient op te lossen overeenkomstig het nationale recht.

5)    De door artsen van ploegen voor eerstelijnszorg tijdens wachtdiensten verrichte prestaties zijn ploegenarbeid, en die artsen zijn werknemers in ploegendienst in de zin van artikel 2, punten 5 en 6, van richtlijn 93/104.

6)    Bij gebreke van nationale bepalingen tot omzetting van artikel 16, punt 2, van richtlijn 93/104, of eventueel tot uitdrukkelijke vaststelling van een van de in artikel 17, leden 2, 3 en 4, bedoelde afwijkingen, moeten die bepalingen worden geacht rechtstreekse werking te hebben, zodat zij aan particulieren een recht verlenen op grond waarvan de referentieperiode voor de toepassing van de maximale wekelijkse arbeidstijd niet langer is dan twaalf maanden.

7)    De instemming van de vakbondsvertegenwoordigers in het kader van een overeenkomst of een collectieve overeenkomst kan niet in de plaats komen van die van de werknemer zelf, in de zin van artikel 18, lid 1, sub b-i, eerste streepje, van richtlijn 93/104.

Rodríguez Iglesias
Moitinho de Almeida
Edward

Sevón

Schintgen Kapteyn
Gulmann

Puissochet

Jann Ragnemalm
Wathelet

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 oktober 2000.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Spaans.