Language of document : ECLI:EU:C:2010:45

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

28 januari 2010 (*)

„Richtlijn 89/665/EEG – Beroepsprocedures inzake plaatsen van overheidsopdrachten – Beroepstermijn – Datum waarop beroepstermijn begint te lopen”

In zaak C‑406/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 30 juli 2008, ingekomen bij het Hof op 18 september 2008, in de procedure

Uniplex (UK) Ltd

tegen

NHS Business Services Authority,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, P. Lindh, A. Rosas, U. Lõhmus en A. Ó Caoimh, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 september 2009,

gelet op de opmerkingen van:

–        Uniplex (UK) Ltd, vertegenwoordigd door M. Sheridan, barrister, en A Stanic, solicitor,

–        NHS Business Services Authority, vertegenwoordigd door R. Williams, barrister,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door I. Rao als gemachtigde, bijgestaan door K. Smith, barrister,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Möller als gemachtigden,

–        Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door A. Collins, SC,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White en M. Konstantinidis als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2009,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 (PB L 209, blz. 1; hierna: „richtlijn 89/665”), wat betreft de datum waarop de beroepstermijn op het gebied van het plaatsen van overheidsopdrachten begint te lopen.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Uniplex (UK) Ltd (hierna: „Uniplex”) en NHS Business Services Authority (hierna: „NHS”) betreffende het sluiten van een raamovereenkomst.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        Artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 bepaalt:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, voor wat betreft de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die vallen onder de werkingssfeer van de richtlijnen 71/305/EEG [van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 185, blz. 5)], 77/62/EEG [van de Raad van 21 december 1976 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB 1977, L 13, blz. 1)] en 92/50/EEG, tegen de door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen, met name artikel 2, lid 7, op grond van het feit dat door die besluiten het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn.”

4        Artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/665 luidt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen betreffende het in artikel 1 bedoelde beroep de nodige bevoegdheden behelzen om:

a) zo snel mogelijk in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde schending ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, met inbegrip van maatregelen om de aanbestedingsprocedure of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit, op te schorten c.q. te doen opschorten;

b) onwettige besluiten nietig te verklaren c.q. nietig te doen verklaren, met inbegrip van het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in oproepen tot inschrijving, bestekken dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de aanbestedingsprocedure;

c) schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een schending zijn gelaedeerd.”

5        Artikel 41, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114), bepaalt:

„1. De aanbestedende diensten stellen de gegadigden en inschrijvers ten spoedigste in kennis van de besluiten die zijn genomen inzake de sluiting van een raamovereenkomst, de gunning van een opdracht of de toelating tot een dynamisch aankoopsysteem, met inbegrip van de redenen waarom zij hebben besloten geen raamovereenkomst te sluiten, een opdracht waarvoor een oproep tot mededinging was gedaan niet te plaatsen en de procedure opnieuw te beginnen of een dynamisch aankoopsysteem in te stellen; deze informatie wordt desgevraagd schriftelijk verstrekt.

2. De aanbestedende dienst stelt, ten spoedigste, op verzoek van de betrokken partij:

–        iedere afgewezen gegadigde in kennis van de redenen voor de afwijzing,

–        iedere afgewezen inschrijver in kennis van de redenen voor de afwijzing, inclusief, voor de gevallen bedoeld in artikel 23, leden 4 en 5, de redenen voor zijn besluit dat er geen gelijkwaardigheid voorhanden is of dat de werken, leveringen of diensten niet aan de functionele en prestatie-eisen voldoen,

–        iedere inschrijver die een aan de eisen beantwoordende inschrijving heeft gedaan, in kennis van de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving, alsmede van de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst.

De aanbestedende dienst verstrekt deze informatie zo spoedig mogelijk, doch binnen een termijn die in geen geval langer zijn dan 15 dagen na ontvangst van het schriftelijk verzoek.”

 Nationale regeling

6        Regulation 47, lid 7, sub b, van de Public Contracts Regulations 2006 (hierna: „Regulations 2006”), vastgesteld ter omzetting van richtlijn 89/665 in nationaal recht, bepaalt:

„Beroep krachtens deze Regulation is slechts mogelijk, indien [...] dit beroep onverwijld en in elk geval binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de gronden hiervoor zijn opgekomen aanhangig is gemaakt, tenzij de High Court van oordeel is dat er goede redenen zijn om de hiervoor geldende termijn te verlengen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7        Uniplex, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, is alleenverkoper in deze lidstaat van de hemostatica die door Gelita Medical BV, een in Nederland gevestigde vennootschap, worden geproduceerd.

8        NHS maakt deel uit van de National Health Service, een openbare gezondheidsdienst in het Verenigd Koninkrijk, die afhangt van en beheerd wordt door de staat. NHS is een aanbestedende dienst in de zin van richtlijn 2004/18.

9        Op 26 maart 2007 leidde NHS een niet-openbare aanbestedingsprocedure in voor het sluiten van een raamovereenkomsten voor de levering van hemostatica. Een aankondiging van opdracht werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 28 maart 2007.

10      Op 13 juni 2007 zond NHS een uitnodiging tot inschrijving aan vijf van de leveranciers die hun belangstelling voor de opdracht kenbaar hadden gemaakt, waaronder Uniplex. De aanbiedingen moesten uiterlijk op 19 juli 2007 worden ingediend.

11      De gunningscriteria en hun gewicht, uiteengezet in het aan de inschrijvers toegezonden aanbestedingsdossier, waren de volgende: prijs en andere rentabiliteitsfactoren, 30 %, kwaliteit en klinische acceptatie, 30 %, productondersteuning en opleiding, 20 %, leveringsprestaties en ‑capaciteit, 10 %, productassortiment en ‑ontwikkeling, 5 %, milieu en duurzaamheid, 5 %.

12      Uniplex diende haar inschrijving in op 18 juli 2007.

13      Bij brief van 22 november 2007 liet NHS aan Uniplex weten dat zij had besloten met drie inschrijvers een raamovereenkomst te sluiten. Uniplex werd ervan op de hoogte gesteld dat zij niet voor de raamovereenkomst in aanmerking kwam, aangezien zij van de vijf inschrijvers die na de uitnodiging hadden geboden, de laagste cijfers had gekregen. Die brief herinnerde aan de gunningscriteria met hun respectieve gewicht en vermeldde de naam van de uitgekozen inschrijvers, de spreiding van de cijfers voor de uitgekozen inschrijvingen en het cijfer dat de inschrijving van Uniplex had gekregen.

14      Volgens diezelfde brief lagen de cijfers van de uitgekozen inschrijvingen tussen 905,5 en 971,5, terwijl het cijfer van Uniplex 568 bedroeg.

15      De brief van 22 november 2007 lichtte Uniplex ook in over haar recht om op te komen tegen het besluit de betrokken raamovereenkomst te sluiten, over de verplichte standstillperiode van 10 dagen vóór het sluiten daarvan, die zou ingaan op de dag van bekendmaking van dat besluit, en over haar recht op een aanvullend verslag.

16      Bij e‑mail van 23 november 2007 verzocht Uniplex om een dergelijk verslag.

17      Bij brief van 13 december 2007 verstrekte NHS nadere inlichtingen over de wijze waarop zij de gunningscriteria had beoordeeld, wat de kenmerken en de relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijvingen in vergelijking met de inschrijving van Uniplex betreft.

18      Uit deze brief bleek met name dat, enerzijds, Uniplex voor het criterium prijs en andere rentabiliteitsfactoren het cijfer nul heeft gekregen, aangezien zij de prijzen uit haar catalogus had geboden. Alle andere inschrijvers hadden kortingen op hun catalogusprijzen voorgesteld. Anderzijds hebben, in het kader van het criterium leveringsprestaties en ‑capaciteit, alle inschrijvers die nog niet op de markt voor hemostatica in het Verenigd Koninkrijk actief waren, het cijfer nul gekregen voor het subcriterium betreffende de klantenkring in het Verenigd Koninkrijk.

19      Op 28 januari 2008 zond Uniplex aan NHS een aanmaningsbrief waarin verschillende schendingen van de bepalingen van de Regulation 2006 werden aangevoerd. In die brief stelde Uniplex dat de termijn voor het instellen van beroep eerst op 13 december 2007 begon te lopen. Uniplex verzocht NHS om uiterlijk op 13 februari 2008 te antwoorden, maar voegde hieraan toe dat indien NHS van mening was dat die termijn niet vanaf deze datum begon te lopen, zij uiterlijk op 6 februari 2008 zou moeten antwoorden.

20      Bij brief van 11 februari 2008 liet NHS Uniplex weten dat de omstandigheden waren gewijzigd. Er was gebleken dat de inschrijving van Assut (UK) Ltd niet aan de regels voldeed en dat B. Braun UK Ltd, die bij de beoordeling van de inschrijvingen op de vierde plaats was gekomen, in plaats van Assut (UK) Ltd tot de raamovereenkomst was toegelaten.

21      NHS antwoordde op de aanmaningsbrief van Uniplex bij brief van 13 februari 2008, waarin zij de verschillende aantijgingen van Uniplex weerlegde. In die brief stelde NHS ook om te beginnen, dat de gebeurtenissen die tot de klacht van Uniplex hadden geleid, niet later hadden plaatsgevonden dan op 22 november 2007, de datum waarop het besluit om haar niet tot de raamovereenkomst toe te laten, aan Uniplex was meegedeeld. NHS betoogde dat de beroepstermijn ten behoeve van Regulation 47, lid 7, sub b, van de Regulations 2006 op 22 november 2007 begon te lopen.

22      Uniplex antwoordde bij brief van 26 februari 2008. In deze brief handhaafde zij haar standpunt dat de beroepstermijn van de Regulations 2006 eerst op 13 december 2007 was ingegaan.

23      Op 12 maart 2008 stelde Uniplex bij de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, een beroep in dat met name strekte tot vaststelling dat NHS de toepasselijke regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten had geschonden en tot vergoeding van de schade.

24      De High Court of Justice of England and Wales heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„Wanneer een marktdeelnemer in een nationale beroepsprocedure opkomt tegen de gunning van een raamovereenkomst door een aanbestedende dienst na een openbare aanbesteding waarop hij had ingeschreven en die zou verlopen volgens richtlijn 2004/18/EG (en de toepasselijke nationale omzettingsbepalingen), en in die beroepsprocedure een verklaring voor recht en schadevergoeding vordert wegens schending van de toepasselijke aanbestedingsregelingen tijdens de aanbestedingsprocedure en bij de gunning:

1)      moet dan een nationale bepaling als Regulation 47, lid 7, sub b, van de Public Contracts Regulations 2006, volgens welke een dergelijk beroep onverwijld moeten worden ingesteld, maar in elk geval binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de gronden voor het instellen van het beroep zich voor het eerst voordeden, tenzij er naar het oordeel van de High Court goede gronden zijn voor verlenging van de termijn, in die zin worden uitgelegd in het licht van de artikelen 1 en 2 van richtlijn 89/665/EEG, de communautaire rechtsbeginselen van gelijkwaardigheid, effectieve rechtsbescherming en/of doeltreffendheid, en gelet op elk ander relevant gemeenschapsrechtelijk beginsel, dat zij de inschrijver jegens de aanbestedende dienst een individueel en onvoorwaardelijk recht verleent, inhoudend dat de termijn voor de betwisting van een dergelijke aanbestedingsprocedure en gunning begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de inschrijver wist of behoorde te weten dat de aanbestedingsprocedure en de gunning in strijd was met het communautaire aanbestedingsrecht, dan wel vanaf de datum waarop de schending van de toepasselijke aanbestedingsregels heeft plaatsgevonden?

2)      op welke wijze moet een nationale rechterlijk instantie in beide gevallen omgaan met i) een bepaling volgens welke het beroep onverwijld moet worden ingesteld, en ii) zijn discretionaire bevoegdheid om de nationale termijn voor het instellen van beroep te verlengen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 De eerste vraag

25      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1 van richtlijn 89/665 vereist dat de termijn voor het instellen van een beroep strekkende tot vaststelling dat de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten zijn geschonden of tot verkrijging van vergoeding voor de schending van die regels, loopt vanaf de datum van de schending van die regels, dan wel vanaf de datum waarop de verzoeker van die schending kennis had of kennis had moeten hebben.

26      Richtlijn 89/665 heeft tot doel te garanderen dat er doeltreffende beroepsmogelijkheden bestaan in geval van schending van het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of van nationale voorschriften waarin dit recht is omgezet, opdat een daadwerkelijke naleving van de richtlijnen inzake de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten kan worden gewaarborgd. Zij bevat echter geen specifieke bepaling betreffende de termijnen voor de beroepen die zij beoogt in te voeren. Het staat dus aan de nationale rechtsorde van elke lidstaat om deze termijnen vast te stellen (arrest van 12 december 2002, Universale‑Bau e.a., C‑470/99, Jurispr. blz. I‑11617, punt 71.

27      De procedurele regels voor beroepen in rechte ter bescherming van de rechten die het gemeenschapsrecht aan de door besluiten van aanbestedende diensten gelaedeerde gegadigden en inschrijvers verleent, mogen geen inbreuk maken op de nuttige werking van richtlijn 89/665 (arrest Universale‑Bau e.a., reeds aangehaald, punt 72).

28      Gelet op de doelstelling van deze richtlijn, moet dus worden getoetst of een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geen inbreuk maakt op de door het gemeenschapsrecht aan particulieren verleende rechten (arrest Universale‑Bau e.a., reeds aangehaald, punt 73).

29      Er zij aan herinnerd dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 de lidstaten verplicht te waarborgen dat tegen de door de aanbestedende diensten genomen onwettige besluiten doeltreffend en zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld (arrest Universale‑Bau e.a., reeds aangehaald, punt 74).

30      Het feit dat een gegadigde of een inschrijver verneemt dat zijn aanmelding of zijn aanbieding is afgewezen, stelt hem echter niet in staat om effectief beroep in te stellen. Die informatie volstaat niet om het de gegadigde of de inschrijver mogelijk te maken, het eventuele bestaan te ontdekken van een onwettigheid waartegen beroep kan worden ingesteld.

31      Pas nadat een betrokken gegadigde of inschrijver kennis heeft gekregen van de redenen waarom hij van de procedure voor het plaatsen van een opdracht is uitgesloten, kan hij een weloverwogen mening vormen over het eventuele bestaan van een schending van de toepasselijke bepalingen en over de opportuniteit van het instellen van een beroep.

32      Daaruit volgt dat het in artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 gestelde doel, het bestaan van doeltreffende beroepen tegen schendingen van de toepasselijke bepalingen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten te waarborgen, slechts kan worden bereikt indien de termijnen voor het instellen van die beroepen pas beginnen te lopen vanaf de datum waarop de verzoeker kennis had of kennis had moeten hebben van de gestelde schending van die bepalingen (zie in die zin arrest Universale‑Bau e.a., reeds aangehaald, punt 78).

33      Deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat artikel 41, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/18, die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding van kracht was, de aanbestedende diensten verplicht de afgewezen gegadigden en inschrijvers in kennis te stellen van de redenen voor het hen betreffende besluit. Dergelijke bepalingen zijn verenigbaar met een regeling voor vervaltermijnen krachtens welke die termijnen lopen vanaf de datum waarop de verzoeker kennis had of kennis had moeten hebben van de gestelde schending van de toepasselijke bepalingen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.

34      Diezelfde conclusie vindt ook steun in de wijzigingen die aan richtlijn 89/665 zijn aangebracht door richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (PB L 335, blz. 31), ofschoon de termijn voor de omzetting van deze richtlijn eerst na de feiten van het hoofdgeding is verstreken. Artikel 2 quater van richtlijn 89/665, toegevoegd bij richtlijn 2007/66, bepaalt immers dat het besluit van de aanbestedende dienst, vergezeld van een samenvattende beschrijving van de relevante redenen, aan iedere inschrijver of gegadigde wordt meegedeeld, en dat de termijnen voor het instellen van beroep pas een bepaald aantal dagen na die mededeling verstrijken.

35      Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 vereist dat de termijn voor het instellen van een beroep strekkende tot vaststelling dat de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten zijn geschonden of tot verkrijging van vergoeding voor de schending van die regels, begint te lopen vanaf de datum waarop de verzoeker van die schending kennis had of kennis had moeten hebben.

 De tweede vraag

36      De tweede vraag omvat twee onderdelen. Het eerste betreft de uitlegging van richtlijn 89/665 met betrekking tot een bepaling in de nationale regeling, volgens welke het beroep onverwijld moet worden ingesteld. Het tweede betreft de gevolgen die uit deze richtlijn voortvloeien ten aanzien van een aan de nationale rechter verleende bevoegdheid om de beroepstermijnen te verlengen.

 Het eerste onderdeel van de tweede vraag

37      Met het eerste onderdeel van de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 89/665 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een bepaling, zoals Regulation 47, lid 7, sub b, van de Regulations 2006, volgens welke een beroep onverwijld moet worden ingesteld.

38      Zoals in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering wordt gebracht, verplicht artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 de lidstaten te waarborgen dat tegen de door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld. Om de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling van voortvarendheid te verwezenlijken, staat het de lidstaten vrij beroepstermijnen op te leggen teneinde de marktdeelnemers te verplichten, in het kader van een aanbestedingsprocedure genomen voorbereidende maatregelen en tussentijdse besluiten binnen korte termijnen te betwisten (zie in die zin arrest Universale‑Bau e.a., reeds aangehaald, punten 75‑79; arresten van 12 februari 2004, Grossmann Air Service, C‑230/02, Jurispr. blz. I‑1829, punten 30 en 36‑39, en 11 oktober 2007, Lämmerzahl, C‑241/06, Jurispr. blz. I‑8415, punten 50 en 51).

39      De door richtlijn 89/665 nagestreefde doelstelling van voortvarendheid moet in het nationale recht worden verwezenlijkt met inachtneming van de vereisten van rechtszekerheid. Te dien einde zijn de lidstaten verplicht, een termijnregeling in te voeren die zo nauwkeurig, duidelijk en voorzienbaar is, dat de particulier zijn rechten en plichten kan kennen (zie in die zin arresten van 30 mei 1991, Commissie/Duitsland, C‑361/88, Jurispr. blz. I‑2567, punt 24, en 7 november 1996, Commissie/Luxemburg, C‑221/94, Jurispr. blz. 5669, punt 22).

40      Bovendien staat de door richtlijn 89/665 nagestreefde doelstelling van voortvarendheid de lidstaten niet toe, af te wijken van het effectiviteitsbeginsel, volgens hetwelk de wijze van toepassing van de nationale vervaltermijnen de uitoefening van de rechten die de betrokkenen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken, welk beginsel ten grondslag ligt aan de in artikel 1, lid 1, van die richtlijn uitdrukkelijk geformuleerde doelstelling van de doeltreffendheid van het beroep.

41      Een nationale bepaling, zoals Regulation 47, lid 7, sub b, van de Regulation 2006, volgens welke beroep slechts mogelijk is, indien „dit beroep onverwijld en in elk geval binnen drie maanden [...] aanhangig is gemaakt”, houdt een onzekerheid in. Het valt immers niet uit te sluiten dat een dergelijke bepaling de nationale rechterlijke instanties machtigt, een beroep nog vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden vervallen te verklaren, indien zij van oordeel zijn dat het beroep niet „onverwijld” in de zin van die bepaling aanhangig is gemaakt.

42      Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van haar conclusie heeft opgemerkt, zijn de gevolgen van een vervaltermijn waarvan de bevoegde rechter de duur naar eigen inzicht vaststelt, niet voorzienbaar. Een nationale bepaling die in een dergelijke termijn voorziet, verzekert dus geen doeltreffende uitvoering van richtlijn 89/665.

43      Uit het voorgaande volgt dat op het eerste onderdeel van de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 zich verzet tegen een nationale regeling, zoals die in het hoofdgeding, die een nationale rechter toestaat, een beroep strekkende tot vaststelling dat de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten zijn geschonden of tot verkrijging van vergoeding voor de schending van die regels, vervallen te verklaren op grond van het discretionair gehanteerde criterium dat dergelijke beroepen onverwijld moeten worden ingesteld.

 Het tweede onderdeel van de tweede vraag

44      Met het tweede onderdeel van de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke gevolgen uit richtlijn 89/665 voortvloeien ten aanzien van een aan de nationale rechter verleende bevoegdheid om de beroepstermijnen te verlengen.

45      In het kader van nationale bepalingen ter uitvoering van een richtlijn, moeten de nationale rechters die nationale bepalingen zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken (zie arresten van 10 april 1984, von Colson en Kamann, 14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26, en 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punt 113.

46      In de onderhavige zaak staat het aan de nationale rechter om de nationale bepalingen tot instelling van de vervaltermijn zoveel mogelijk in overeenstemming met het doel van richtlijn 89/665 uit te leggen (zie in die zin arrest van 27 februari 2003, Santex, C‑327/00, Jurispr. blz. I‑1877, punt 63, en arrest Lämmerzahl, reeds aangehaald, punt 62).

47      Teneinde te voldoen aan de in het antwoord op de eerste vraag vervatte vereisten, moet de aangezochte nationale rechter de nationale bepalingen betreffende de beroepstermijn zoveel mogelijk uitleggen op een wijze die verzekert dat die termijn pas loopt vanaf de datum waarop de verzoeker kennis had of kennis had moeten hebben van de schending van de regels voor het plaatsen van de betrokken overheidsopdracht.

48      Indien de betrokken nationale bepalingen zich niet voor een dergelijke uitlegging zouden lenen, zou die rechter, met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid, de beroepstermijn moeten verlengen op een wijze die verzekert dat de verzoeker beschikt over een termijn die gelijkwaardig is aan die waarover hij zou hebben beschikt indien de door de toepasselijke nationale regeling voorgeschreven termijn zou hebben gelopen vanaf de datum waarop hij kennis had of kennis had moeten hebben van de schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.

49      In ieder geval zou de nationale rechter, indien de nationale bepalingen betreffende de beroepstermijnen niet in overeenstemming met richtlijn 89/665 zouden kunnen worden uitgelegd, ze buiten toepassing moeten laten, teneinde het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de rechten te beschermen die het aan particulieren toekent (zie in die zin de reeds aangehaalde arresten Santex, punt 64, en Lämmerzahl, punt 63).

50      Mitsdien moet op het tweede onderdeel van de tweede vraag worden geantwoord dat richtlijn 89/665 de nationale rechter gebiedt, met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid de beroepstermijn te verlengen op een wijze die verzekert dat de verzoeker beschikt over een termijn die gelijkwaardig is aan die waarover hij zou hebben beschikt indien de door de toepasselijke nationale regeling voorgeschreven termijn zou hebben gelopen vanaf de datum waarop hij kennis had of kennis had moeten hebben van de schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. Indien de nationale bepalingen betreffende de beroepstermijnen niet in overeenstemming met richtlijn 89/665 zouden kunnen worden uitgelegd, zou de nationale rechter ze buiten toepassing moeten laten, teneinde het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de rechten te beschermen die het aan particulieren toekent.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992, vereist dat de termijn voor het instellen van een beroep strekkende tot vaststelling dat de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten zijn geschonden of tot verkrijging van vergoeding voor de schending van die regels, begint te lopen vanaf de datum waarop de verzoeker van die schending kennis had of kennis had moeten hebben.

2)      Artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50, verzet zich tegen een nationale bepaling, zoals die in het hoofdgeding, die een nationale rechter toestaat een beroep strekkende tot vaststelling dat de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten zijn geschonden of tot verkrijging van vergoeding voor de schending van die regels, vervallen te verklaren op grond van het discretionair gehanteerde criterium dat dergelijke beroepen onverwijld moeten worden ingesteld.

3)      Richtlijn 89/665, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50, gebiedt de nationale rechter, met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid de beroepstermijn te verlengen op een wijze die verzekert dat de verzoeker beschikt over een termijn die gelijkwaardig is aan die waarover hij zou hebben beschikt indien de door de toepasselijke nationale regeling voorgeschreven termijn zou hebben gelopen vanaf de datum waarop hij kennis had of kennis had moeten hebben van de schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. Indien de nationale bepalingen betreffende de beroepstermijnen niet in overeenstemming met richtlijn 89/665, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50, zouden kunnen worden uitgelegd, zou de nationale rechter ze buiten toepassing moeten laten, teneinde het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de rechten te beschermen die het aan particulieren toekent.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.