Language of document : ECLI:EU:C:2018:95

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 22 februari 2018 (1)

Zaak C632/16

Dyson Ltd,

Dyson BV

tegen

BSH Home Appliances NV

[verzoek van de rechtbank van koophandel Antwerpen (België) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2010/30/EU – Gedelegeerde verordening (EU) nr. 665/2013 – Verkoop van stofzuigers – Energie-etiket – Vermelding van de omstandigheden waaronder de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger, zijn uitgevoerd – Verbod om het formaat of de inhoud van het energie-etiket te wijzigen – Verbod om aanvullende etiketten te gebruiken waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken – Bescherming van de consument – Artikel 2, onder d) – Begrip handelspraktijk – Gebruik van het energie-etiket – Artikel 3, lid 4 – Voorschriften van de Unie betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken – Begrip strijdigheid – Bestaan daarvan – Niet-toepasselijkheid van de richtlijn – Artikel 7 – Misleidende omissie – Essentiële informatie – Geen – Informatie waarvan de verstrekking niet wordt voorgeschreven door verordening nr. 665/2013”






I.      Inleiding

1.        Bij vonnis van 6 juli 2016, ingekomen bij het Hof op 7 december 2016, heeft de rechtbank van koophandel Antwerpen (België) het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2005/29/EG(2) en van gedelegeerde verordening (EU) nr. 665/2013(3).

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Dyson Ltd en Dyson BV (hierna tezamen: „Dyson”), enerzijds, en BSH Home Appliances NV (hierna: „BSH”), anderzijds, over een aantal etiketten die het energieverbruik van door BSH onder de merken Siemens en Bosch verkochte stofzuigers aangeven, waaronder het energie-etiket waarvan het gebruik door verordening nr. 665/2013 wordt voorgeschreven (hierna: „energie-etiket”). Dyson is van mening dat het gebruik door BSH van die etiketten zonder aan te geven dat daarop de resultaten worden weergegeven van tests die met een lege stofzak zijn uitgevoerd, een oneerlijke handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29 oplevert. Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of het gebruik door BSH van etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen, verenigbaar is met die verordening.

3.        Ik geef het Hof in overweging om die vragen aldus te beantwoorden dat de leveranciers en handelaars ingevolge verordening nr. 665/2013 uitsluitend het energie-etiket mogen gebruiken, zonder de inhoud of het formaat ervan te wijzigen. Deze benadering is volgens mij ingegeven door de noodzaak om tegemoet te komen aan het doel, de aan de eindgebruikers verstrekte informatie betreffende het energieverbruik te standaardiseren teneinde de betrokken producten gemakkelijk te kunnen vergelijken, zoals aan die doelstelling uitvoering is gegeven door de bepalingen van richtlijn 2010/30/EU(4) en van die verordening.

4.        Gelet op de door mij in overweging gegeven uitlegging van die verordening, moet artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 volgens mij aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is in de omstandigheden van het hoofdgeding, aangezien de betrokken handelaars niet beschikken over handelingsvrijheid ter zake van het gebruik van het energie-etiket en van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.

II.    Rechtskader

A.      Unierecht

1.      Richtlijn 2005/29

5.        Overweging 10 van richtlijn 2005/29 luidt als volgt:

„Deze richtlijn moet in overeenstemming zijn met de bestaande [...] wetgeving [van de Unie], met name ten aanzien van de gedetailleerde bepalingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die op die specifieke sectoren van toepassing zijn. [...] Deze richtlijn is bijgevolg slechts van toepassing voor zover er geen specifieke [...] wetsbepalingen [van de Unie] bestaan betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, zoals de informatieverplichtingen en regels voor de wijze waarop de informatie aan de consument wordt gepresenteerd. Deze richtlijn beschermt de consument in gevallen waarvoor op [het] niveau [van de Unie] geen specifieke, sectorale wetgeving bestaat, en verbiedt handelaren een verkeerde indruk te geven van de aard van producten. Dit is met name van belang voor complexe producten die veel risico’s voor consumenten inhouden, zoals bepaalde financiële diensten. De richtlijn vormt bijgevolg een aanvulling op het ‚acquis [van de Unie]’ dat van toepassing is op handelspraktijken die de economische belangen van consumenten schaden.”

6.        Artikel 2, onder d), van die richtlijn geeft de volgende definitie van het begrip „handelspraktijken”: „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”.

7.        Artikel 3 heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 4:

„In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere [...] voorschriften [van de Unie] betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, prevaleren laatstgenoemde voorschriften en zijn deze van toepassing op deze specifieke aspecten.”

8.        Artikel 7 van richtlijn 2005/29, met als opschrift „Misleidende omissies”, bepaalt:

„1.      Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

2.      Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

[...]

5.      Overeenkomstig de [...] wetgeving [van de Unie] vereiste informatie met betrekking tot commerciële communicatie, inclusief reclame en marketing, wordt als essentieel beschouwd (een niet-limitatieve lijst staat in bijlage II).”

2.      Richtlijn 2010/30

9.        In de overwegingen 5 en 8 van richtlijn 2010/30 staat te lezen:

„(5)      De verstrekking van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten moet de eindgebruiker ertoe aanzetten te kiezen voor producten die tijdens hun gebruik minder energie of andere essentiële hulpbronnen verbruiken of het energieverbruik indirect doen dalen, zodat fabrikanten ertoe worden gebracht maatregelen te nemen om het energieverbruik en het verbruik van andere essentiële hulpbronnen van de producten die zij vervaardigen, te verminderen; hierdoor moet indirect ook een efficiënt gebruik van deze producten worden gestimuleerd, teneinde bij te dragen tot het EU-streefcijfer van 20 % energie-efficiëntie. De werking van de markt alleen, zonder deze informatie, kan het rationele gebruik van energie en van andere essentiële hulpbronnen voor deze producten niet afdoende bevorderen.

[...]

(8)      Informatie speelt een sleutelrol bij de werking van de markt en het is derhalve nodig voor alle producten van hetzelfde type een uniform etiket in te voeren, potentiële klanten gestandaardiseerde aanvullende informatie te verschaffen over de kosten inzake energie en het verbruik van andere essentiële hulpbronnen van deze producten en maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat ook potentiële eindgebruikers die het product niet uitgestald zien en dus geen gelegenheid hebben het etiket te bekijken, deze informatie krijgen; om efficiënt en doeltreffend te zijn, moet het etiket voor de eindgebruiker gemakkelijk herkenbaar, eenvoudig en beknopt zijn. Hiertoe moet de bestaande lay-out van het etiket worden gehandhaafd als basis om de eindgebruikers te informeren over de energie-efficiëntie van producten. Informatie over het energieverbruik en andere informatie over de producten moet worden verkregen door metingen volgens geharmoniseerde normen en methoden.”

10.      Artikel 1 van die richtlijn heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1:

„Deze richtlijn biedt een kader voor de harmonisatie van nationale voorschriften met betrekking tot eindgebruikersinformatie, met name door middel van etikettering en verstrekking van standaard productinformatie over het energieverbruik en, waar van toepassing, het verbruik van andere essentiële hulpbronnen tijdens het gebruik, alsmede aanvullende informatie op dat gebied voor energiegerelateerde producten, zodat de eindgebruiker kan kiezen voor efficiëntere producten.”

11.      In artikel 3 van die richtlijn, dat als opschrift „Verantwoordelijkheden van de lidstaten” heeft, heet het in lid 1:

„Elke lidstaat zorgt ervoor dat:

a)       [...] alle op hun grondgebied gevestigde leveranciers en handelaren aan hun verplichtingen als bedoeld in de artikelen 5 en 6 voldoen;

b)       [...] met betrekking tot de producten die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, indien dit tot misleiding of verwarring bij de eindgebruikers over het verbruik van energie of, waar van toepassing, andere essentiële hulpbronnen tijdens het gebruik kan leiden, het aanbrengen van andere etiketten, merktekens, symbolen of opschriften die niet voldoen aan de eisen van deze richtlijn en van de desbetreffende gedelegeerde handelingen, verboden wordt;

[...]”

12.      Artikel 4 van richtlijn 2010/30, met als opschrift „Informatievereisten”, bepaalt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)       de informatie over het verbruik van elektrische energie, van andere vormen van energie en, waar van toepassing, van andere belangrijke hulpbronnen tijdens het gebruik, alsmede de aanvullende informatie, overeenkomstig de gedelegeerde handelingen uit hoofde van deze richtlijn, onder de aandacht van de eindgebruikers worden gebracht door middel van een fiche en een etiket dat betrekking heeft op producten die aan eindgebruikers direct of indirect via enige vorm van verkoop op afstand, inclusief via het internet, te koop, te huur of in huurkoop worden aangeboden, dan wel voor hen worden uitgestald;

[...]”

13.      Artikel 10 van richtlijn 2010/30 verleent de Europese Commissie de bevoegdheid om voor ieder soort product details betreffende het etiket en het fiche vast te stellen in gedelegeerde handelingen.

3.      Verordening nr. 665/2013

14.      Verordening nr. 665/2013 is vastgesteld op de grondslag van met name de artikelen 10 en 11 van richtlijn 2010/30, en legt volgens overweging 5 ervan een uniform ontwerp en een uniforme inhoud voor het energie-etiket voor stofzuigers vast.

15.      Artikel 1 van die verordening heeft als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1:

„In deze verordening worden de eisen inzake de etikettering en de voorziening van aanvullende productinformatie vastgesteld voor op het elektriciteitsnet aan te sluiten stofzuigers, met inbegrip van hybride stofzuigers.”

16.      Artikel 3 van die verordening heeft als opschrift „Verantwoordelijkheden van leveranciers en tijdschema” en bepaalt in lid 1:

„De leveranciers garanderen dat met ingang van 1 september 2014:

a)       elke stofzuiger wordt geleverd met een gedrukt etiket in het formaat en met vermelding van de informatie zoals beschreven in bijlage II;

[...]”

17.      Artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Verantwoordelijkheden van handelaars”, bepaalt:

„De handelaars garanderen dat met ingang van 1 september 2014:

a)       elk model stofzuiger dat in het verkooppunt wordt uitgestald, het etiket vertoont dat door de leveranciers overeenkomstig artikel 3 is verstrekt, welk etiket hetzij aan de buitenzijde van het apparaat is aangebracht of op een zodanige wijze eraan is gehangen, dat het duidelijk zichtbaar is;

[...]”

18.      Bijlage II bij die verordening, met als opschrift „Etiket”, legt het ontwerp van het op stofzuigers aan te brengen energie-etiket vast en geeft aan welke informatie op dit etiket moet worden vermeld.

B.      Belgisch recht

19.      Artikel VI.97, 2°, van het Wetboek van economisch recht (Belgisch Staatsblad van 30 december 2013, blz. 103506) strekt tot omzetting van artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2005/29 in nationaal recht en bepaalt dat als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van de voornaamste kenmerken van het product, zoals de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

20.      Artikel VI.105, 1°, onder a), van dat wetboek verbiedt elke reclame van een onderneming die, alle bestanddelen in acht genomen, op enigerlei wijze, met inbegrip van haar voorstellingswijze of de weglating van informatie, de persoon tot wie zij zich richt of die zij bereikt, misleidt of kan misleiden omtrent onder meer de kenmerken van de goederen, zoals de resultaten en wezenlijke kenmerken van op de goederen of diensten verrichte tests of controles.

21.      Krachtens artikel VI.99, § 1, van dat wetboek, dat ertoe strekt artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29 in nationaal recht om te zetten, wordt als misleidende omissie beschouwd, een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die bijgevolg de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22.      Dyson verkoopt stofzuigers die werken zonder stofzak. BSH verkoopt onder de merken Siemens en Bosch stofzuigers die op klassieke wijze functioneren, met een stofzak.

23.      Dyson heeft de energie-etikettering van de door BSH verkochte stofzuigers om de volgende redenen betwist. Die etikettering geeft de resultaten weer van energie-efficiëntietests die met een lege zak zijn uitgevoerd. Volgens Dyson raken onder normale gebruiksomstandigheden de poriën van de zak echter dicht wanneer deze zich vult met stof, waardoor de motor een hoger vermogen moet ontwikkelen wil de stofzuiger dezelfde zuigkracht behouden. Bijgevolg is Dyson van mening dat de energie-etikettering van die stofzuigers de consument misleidt. De door Dyson verkochte stofzuigers, die werken zonder stofzak, hebben onder normale gebruiksomstandigheden daarentegen niet te kampen met dit verlies van energie-efficiëntie.

24.      Om die redenen heeft Dyson op 20 oktober 2015 bij de rechtbank van koophandel Antwerpen tegen BSH een vordering ingesteld die bestaat uit twee delen.

25.      Ten eerste is Dyson van mening dat de hieronder vermelde reclame-uitingen onjuist zijn en de consument misleiden inzake de efficiëntie van de Siemens stofzuiger VSQ8POWER4 en alle andere modellen van BSH met dezelfde technische kenmerken. Bijgevolg heeft BSH inbreuk gemaakt op artikel VI.97, 2°, van het Wetboek van economisch recht en zich schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel VI.105, 1°, a), van dat wetboek.

26.      De reclame-uitingen waarop dit eerste deel betrekking heeft, zijn de volgende:

–        het energielabel met aanduiding van klasse A voor energie-efficiëntie en voor schoonmaakprestaties op tapijt,

–        het groene energielabel met aanduiding van klasse A voor energie-efficiëntie,

–        het tapijtlabel met aanduiding van klasse A voor schoonmaakprestaties op tapijt,

–        het AAAA-label op de verpakkingsdoos en op de stofzuiger zelf,

–        het oranje AAAA-label op de verpakkingsdoos,

–        het ecolabel op de verpakkingsdoos,

–        de vermelding „HEPA-filter”.

27.      Ten tweede meent Dyson dat BSH de consument misleidt door omissie in de zin van artikel VI.99, § 1, van het Wetboek van economisch recht door te verzwijgen dat die reclame-uitingen zijn gebaseerd op tests die met een lege stofzak zijn uitgevoerd.

28.      De verwijzende rechter merkt op dat het VDE Prüf- und Zertifizierungsinstitut (test- en certificeringsinstelling VDE) op verzoek van BSH een aantal tests heeft uitgevoerd op 15 januari 2015, 29 oktober 2015 en 2 november 2015 waaruit blijkt dat de Siemens stofzuiger VSQ8POWER4 wel degelijk behoort tot energie-efficiëntieklasse A. Hieraan voegt hij toe dat Dyson dan ook niet kan worden gevolgd waar zij argumenteert dat BSH ten onrechte aanspraak maakt op A-labels voor die stofzuiger.

29.      Gelet op de resultaten van die tests stelt de verwijzende rechter dat zich bij de oplossing van het geschil in het hoofdgeding twee problemen voordoen waarvan het eerste betrekking heeft op het energie-etiket, waarvan het gebruik wordt voorgeschreven door verordening nr. 665/2013, en het tweede op de andere etiketten die BSH aanvullend aanbrengt.

30.      Wat het energie-etiket betreft, rijst de vraag of BSH de consument misleidt in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29, door niet te vermelden dat de tests met een lege stofzak zijn uitgevoerd. Volgens de verwijzende rechter stelt Dyson terecht dat dergelijke tests het niet mogelijk maken de energie-efficiëntie van stofzuigers met stofzak te vergelijken met die van stofzuigers zonder stofzak. De verwijzende rechter merkt echter op dat BSH de bepalingen van verordening nr. 665/2013 nauwgezet heeft nageleefd. Hij vraagt zich bovendien af of de toevoeging van een dergelijke vermelding verenigbaar zou zijn met de bepalingen van deze verordening die het formaat en de inhoud van dat etiket vaststellen.

31.      De verwijzende rechter stelt voorts vast dat BSH een aantal symbolen heeft gebruikt waarin niet is voorzien bij verordening nr. 665/2013, zoals met name:

–        een groen label met vermelding „Energy A”, dat aangeeft dat de stofzuiger qua energie-efficiëntie globaal in klasse A heeft gescoord;

–        een oranje label met vermelding „AAAA Best rated: A in all classes”, dat aangeeft dat de stofzuiger in klasse A heeft gescoord wat betreft schoonmaakprestaties zowel op tapijt als op harde vloeren, voor energie-efficiëntie en voor stofheruitstoot;

–        een zwart label met de afbeelding van een tapijt en de vermelding „Class A Performance”, dat aangeeft dat de stofzuiger in klasse A heeft gescoord wat betreft stofopname op tapijt.

32.      De verwijzende rechter stelt vast dat op die etiketten informatie is weergegeven die ook voortkomt op het energie-etiket. Bijgevolg vraagt hij zich af of het gebruik van dergelijke etiketten verenigbaar is met die verordening, gelet op het risico dat zij consumenten misleiden of verwarren wat het energieverbruik betreft.

33.      Daarop heeft de rechtbank van koophandel Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Kan het strikt naleven van [verordening nr. 665/2013] (zonder aanvulling van het etiket zoals gedefinieerd in bijlage II ervan met informatie omtrent de testomstandigheden die hebben geleid tot de indeling in een energie-efficiëntieklasse volgens bijlage I) worden beschouwd als een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van [richtlijn 2005/29]?

2)      Verzet [verordening nr. 665/2013] zich tegen de aanvulling van [het energie-etiket] met andere symbolen die dezelfde informatie meedelen?”

IV.    Procedure bij het Hof

34.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingeschreven ter griffie van het Hof op 7 december 2016.

35.      Dyson, BSH, de Belgische, de Duitse en de Italiaanse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

36.      Ter terechtzitting van 26 oktober 2017 zijn Dyson, BSH, de Belgische regering en de Commissie in hun mondelinge opmerkingen gehoord.

V.      Beoordeling

37.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het gebruik van het energie-etiket overeenkomstig verordening nr. 665/2013 zonder nader aan te geven onder welke omstandigheden de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger, zijn uitgevoerd, een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29 kan vormen.

38.      Volgens mij omvat deze eerste vraag twee afzonderlijke onderdelen. In een eerste fase moet worden vastgesteld of verordening nr. 665/2013 eraan in de weg staat dat de op het energie-etiket vermelde informatie nader wordt toegelicht, op dat etiket of op een aanvullend etiket, teneinde aan te geven onder welke omstandigheden de tests zijn uitgevoerd. Pas in een tweede fase, en rekening houdend met de uitlegging van die verordening, zal moeten worden onderzocht of het gebruik van het energie-etiket een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29 kan vormen.

39.      Voorts wordt met de tweede vraag beoogd te vernemen of verordening nr. 665/2013 eraan in de weg staat dat het energie-etiket vergezeld gaat van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen. Volgens mij is het dienstig deze tweede vraag en het eerste deel van de eerste vraag tezamen te onderzoeken, aangezien zij beide de uitlegging van die verordening betreffen.

40.      Gelet op het voorgaande zal het vervolg van mijn uiteenzetting uit twee delen bestaan, waarin het respectievelijk gaat over de uitlegging van verordening nr. 665/2013 en die van richtlijn 2005/29.

A.      Uitlegging van verordening nr. 665/2013

41.      Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag en met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 665/2013 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de inhoud of het formaat van het energie-etiket wordt gewijzigd en dat dit etiket vergezeld gaat van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht, met name om aan te geven onder welke omstandigheden de tests die hebben geleid tot de energie-classificatie van de stofzuiger, zijn uitgevoerd.

42.      Ik zal deze twee kwesties in het verdere verloop van mijn uiteenzetting afzonderlijk onderzoeken.

43.      Alvorens dat onderzoek aan te vatten, wijs ik erop dat rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie betreffende de regeling voor de energie-etikettering van producten betrekkelijk schaars is(5), hoewel deze regeling reeds geruime tijd bestaat.(6) Volgens mij kunnen in deze rechtspraak noch in de regeling betreffende de energieprestatie van gebouwen(7) relevante elementen worden gevonden om de in de onderhavige zaak gestelde vragen te beantwoorden.

44.      Wat in het bijzonder het door Dyson ingestelde beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 665/2013 betreft, breng ik in herinnering dat volgens vaste rechtspraak de handelingen van de instellingen van de Unie in beginsel worden vermoed rechtmatig te zijn en dus rechtsgevolgen in het leven te roepen, zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard.(8) In de onderhavige zaak dient het Hof echter niet te onderzoeken of die verordening geldig is, maar wel of die verordening en/of richtlijn 2005/29 in de weg staan aan het gebruik van het energie-etiket en/of van aanvullende etiketten in de omstandigheden van het hoofdgeding. Aangezien het door Dyson ingestelde beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht aanhangig is(9), moet het Hof in het kader van de onderhavige zaak ervan uitgaan dat verordening nr. 665/2013 geldig is.

1.      Verbod om de inhoud of het formaat van het energie-etiket te wijzigen

45.      Om de eerste vraag te kunnen beantwoorden, moet worden onderzocht of fabrikanten en handelaars van stofzuigers de inhoud of het formaat van het energie-etiket mogen wijzigen, met name om de omstandigheden te vermelden waaronder de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger zijn uitgevoerd. In de context van het hoofdgeding zou het bestaan van een dergelijke handelingsvrijheid kunnen meebrengen dat BSH op dit etiket kan vermelden dat de daarop vermelde informatie de resultaten van tests met een lege zak weergeeft, conform de wens van Dyson.

46.      Ik ben er echter van overtuigd dat deze verordening fabrikanten en handelaars geen handelingsvrijheid laat met betrekking tot de vorm en inhoud van het energie-etiket.

47.      Zoals de titel ervan aangeeft, vormt verordening nr. 665/2013 een aanvulling op richtlijn 2010/30 met betrekking tot de energie-etikettering van stofzuigers. Overeenkomstig artikel 4, onder a), van die verordening moeten de handelaars ervoor zorgen dat elk model stofzuiger „duidelijk zichtbaar” is voorzien van het door de leverancier verstrekte en overeenkomstig bijlage II bij die verordening opgestelde etiket.

48.      Bijlage II bij verordening nr. 665/2013 bevat drie afdelingen, met als opschrift respectievelijk „Etiket 1”, „Etiket 2” en „Ontwerp van het etiket”. Afdeling „Etiket 2” is niet relevant in het kader van het hoofdgeding, aangezien deze afdeling ingevolge artikel 3, lid 2, van die verordening pas vanaf 1 september 2017 van toepassing is.(10)

49.      Bovendien is elk van deze drie afdelingen onderverdeeld in drie onderafdelingen die respectievelijk betrekking hebben op „stofzuigers voor algemene doeleinden”, „hardevloerenstofzuigers” en „tapijtstofzuigers”. Bij gebrek aan nadere informatie betreffende de classificatie van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model, moet worden gezien naar de punten 1.1 en 3.1 van deze bijlage, die betrekking hebben op „stofzuigers voor algemeen gebruik”. In elk geval benadruk ik dat de kleine verschillen tussen deze onderafdelingen irrelevant zijn voor de doeleinden van de onderhavige zaak.(11)

50.      In punt 1.1 van bijlage II bij verordening nr. 665/2013 wordt aangegeven welke informatie op het energie-etiket moet worden vermeld, namelijk de naam van de leverancier of het handelsmerk, de typeaanduiding, de energie-efficiëntieklasse, het gemiddelde jaarlijkse energieverbruik, de stofheruitstootklasse, de tapijtreinigingsprestatieklasse, de hardevloerenreinigingsprestatieklasse en het geluidsvermogensniveau.

51.      Bovendien wordt daarin gespecificeerd dat het ontwerp van het energie-etiket moet voldoen aan punt 3.1 van deze bijlage.(12) Dit punt legt op nauwkeurige en gedetailleerde wijze het ontwerp vast van het energie-etiket dat door de leveranciers moet worden verstrekt en door de stofzuigerhandelaars moet worden getoond. In dit punt worden met name de minimumafmetingen van dit etiket, de elementen ervan en de voor elk van deze elementen te gebruiken kleuren en lettertypen vastgesteld.

52.      Volgens mij volgt uit het voorgaande dat stofzuigerleveranciers en ‑handelaars over geen handelingsvrijheid beschikken ter zake van het gebruik en het opstellen van het energie-etiket. Ten eerste is het gebruik ervan verplicht. Ten tweede moet dat etiket voldoen aan alle voorschriften van bijlage II bij die verordening, en dit zowel wat het formaat ervan als de daarop te vermelden informatie betreft. De enige twee afwijkingen in dit verband zijn de mogelijkheid om aanvullend gebruik te maken van een kopie van de krachtens verordening (EG) nr. 66/2010(13) (punt 1.1 van die bijlage) toegekende milieukeur en het gebruik van een energie-etiket dat groter is dan de vereiste minimumafmetingen (punt 1.3 van die bijlage).(14)

53.      Met andere woorden, bij de vaststelling van verordening nr. 665/2013 heeft de Uniewetgever bewust gekozen welke inlichtingen – noodzakelijkerwijs beperkt in aantal – via het energie-etiket aan de consument moeten worden verstrekt. De methode voor het meten van de energieprestatie van de stofzuigers behoort niet tot die inlichtingen.

54.      Uit het bovenstaande volgt dat verordening nr. 665/2013 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de inhoud of het formaat van het energie-etiket wordt gewijzigd, met name om nader aan te geven onder welke voorwaarden de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger, zijn uitgevoerd.

55.      Ik moet nog nagaan of dergelijke informatie kan worden verstrekt op een aanvullend etiket waarvan het energie-etiket vergezeld gaat.

2.      Verbod om gebruik te maken van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht

56.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of verordening nr. 665/2013 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat het energie-etiket vergezeld gaat van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen. In de omstandigheden van het hoofdgeding heeft deze vraag betrekking op verschillende symbolen die door BSH worden gebruikt hoewel de verordening daarin niet voorziet, namelijk een groen label met het opschrift „Energy A”, een oranje label met het opschrift „AAAA Best rated: A in all classes” en een zwart label met de afbeelding van een tapijt en de vermelding „Class A Performance”.(15)

57.      Voorts is het voor de beantwoording van de eerste vraag(16) ook noodzakelijk te bepalen of die verordening eraan in de weg staat dat het energie-etiket vergezeld gaat van een aanvullend etiket dat preciseert dat de vermelde informatie de resultaten weergeeft van tests die met een lege zak zijn uitgevoerd, conform de wens van Dyson. Het doel van een dergelijk aanvullend etiket zou niet erin bestaan dat daarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen, maar wel dat deze informatie nader toegelicht wordt.

58.      Naar mijn mening vragen deze twee kwesties om een gemeenschappelijk antwoord, namelijk dat verordening nr. 665/2013, gelezen in samenhang met richtlijn 2010/30, aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan het gebruik van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.

59.      Deze uitlegging vloeit in de eerste plaats voort uit het doel van de bij die richtlijn ingevoerde regeling, zoals uiteengezet in artikel 1, lid 1, van die richtlijn, namelijk de standaardisering van de aan eindgebruikers verstrekte informatie over het energieverbruik en het verbruik van andere essentiële hulpbronnen, teneinde een gemakkelijke vergelijking van de betrokken producten mogelijk te maken.(17) Zouden fabrikanten of handelaars aanvullende etiketten mogen gebruiken waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht, dan zou worden afgedaan aan deze standaardisering.(18)

60.      Dit zou des te meer het geval zijn omdat het toestaan van het gebruik van dergelijke etiketten zou kunnen leiden tot een wedloop tussen de stofzuigerfabrikanten, die hun modellen zouden kunnen voorzien van tal van verschillende aanvullende etiketten, waardoor de met richtlijn 2010/30 en verordening 665/2013 tot stand gebrachte standaardisering van de informatie volledig teniet zou worden gedaan.

61.      In de tweede plaats vloeit deze uitlegging ook voort uit artikel 3, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/30, dat de lidstaten verplicht het aanbrengen van andere etiketten die niet aan die richtlijn of de gedelegeerde handelingen voldoen, te verbieden wanneer dit de eindgebruiker kan misleiden of verwarren met betrekking tot het energieverbruik.

62.      Dit zou nu juist het geval zijn bij etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht. De eventuele aanwezigheid van dergelijke aanvullende etiketten zou volgens mij bij de eindgebruiker immers kunnen leiden tot verwarring over de respectieve energieprestaties van stofzuigers die van deze etiketten zijn voorzien en stofzuigers die dat niet zijn.

63.      Zo kan bijvoorbeeld het gebruik door BSH van een oranje etiket met de vermelding „AAAA Best rating: A in all classes” in de omstandigheden van het hoofdgeding(19) eindgebruikers doen geloven dat het betrokken model beter presteert dan een model zonder dit aanvullende etiket. Evenzo zou een aanvullend etiket waarop de omstandigheden worden gespecificeerd waaronder de tests die hebben geresulteerd in de energieclassificatie zijn uitgevoerd, en waarvan het gebruik krachtens artikel 7 van richtlijn 2005/29 verplicht zou zijn voor BSH, de eindgebruikers kunnen doen geloven dat het betrokken model minder goed presteert dan een model dat niet is voorzien van een dergelijk etiket.

64.      In de derde plaats vindt deze uitlegging ook steun in bijlage II bij verordening nr. 665/2013. De enige afwijking van de verplichting om het energie-etiket te gebruiken, is namelijk te vinden in punt 1.1 van die bijlage, volgens hetwelk bij wijze van afwijking een kopie van de krachtens verordening nr. 66/2010 toegekende milieukeur mag worden toegevoegd. A contrario leid ik daaruit af dat die verordening in de weg staat aan het gebruik van om het even welk ander aanvullend etiket waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.(20)

65.      Ik merk op dat de door mij voorgestane uitlegging uitsluitend betrekking heeft op de onder het toepassingsgebied van verordening nr. 665/2013 vallende informatie. Het moge duidelijk zijn dat deze verordening niet in de weg staat aan het verstrekken van informatie die buiten het toepassingsgebied ervan valt, zoals de verkoopprijs, de plaats van vervaardiging of de duur van de garantie. Daarentegen verzet de verordening zich volgens mij tegen de toevoeging van etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht, zoals een etiket waarop de omstandigheden zijn vermeld waaronder de tests die tot de energieclassificatie hebben geleid, zijn uitgevoerd.

66.      Volledigheidshalve voeg ik hieraan toe dat de hierboven ontwikkelde benadering niet inhoudt dat de tests die worden uitgevoerd voor de uniforme etikettering waarin verordening nr. 665/2013 voorziet, de normale gebruiksomstandigheden van de stofzuigers weergeven, ongeacht of zij met of zonder zak werken. In dit verband wil ik benadrukken dat elke standaardiseringsinspanning, zoals die welke met het oog op deze etikettering wordt geleverd, noodzakelijkerwijs een vereenvoudiging van de werkelijkheid impliceert, zoals BSH in wezen heeft aangevoerd.(21) Indien deze vereenvoudiging in strijd is met hogere normen van Unierecht, kan de geldigheid ervan worden aangevochten bij de rechterlijke instanties van de Unie, naar het voorbeeld van het door Dyson ingestelde beroep tot nietigverklaring van die verordening.(22)

67.      Daarentegen kan het bestaan van een dergelijke vereenvoudiging in geen enkel geval afbreuk doen aan de standaardisering van de energie-etikettering die is verwezenlijkt met richtlijn 2010/30 en, wat stofzuigers betreft, met verordening nr. 665/2013, door het de betrokken ondernemingen toe te staan het formaat van het energie-etiket te wijzigen of aanvullende etiketten te gebruiken waarop de op het etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.

68.      Om die redenen geef ik het Hof in overweging de tweede vraag als volgt te beantwoorden: verordening nr. 665/2013, gelezen tegen de achtergrond van richtlijn 2010/30, moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de inhoud of het formaat van het energie-etiket wordt gewijzigd en dat dit etiket vergezeld gaat van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht, met name om aan te geven onder welke omstandigheden de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger, zijn uitgevoerd.

69.      Thans moet ter beantwoording van de eerste vraag nog worden onderzocht of de bepalingen van richtlijn 2005/29 een grondslag kunnen bieden voor een verplichting om te vermelden dat de informatie op het energie-etiket de resultaten weergeeft van tests die met een lege zak zijn uitgevoerd.

B.      Uitlegging van richtlijn 2005/29

70.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het gebruik van het energie-etiket overeenkomstig verordening nr. 665/2013, zonder daarbij aan te geven onder welke omstandigheden de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger zijn uitgevoerd, een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29 kan vormen.

71.      Ofschoon het gebruik van dit etiket volgens mij een „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 (1) vormt, moet artikel 3, lid 4, van deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op de specifieke aspecten van de oneerlijke handelspraktijken die worden geregeld door verordening nr. 665/2013, aangezien deze verordening de betrokken handelaars geen handelingsvrijheid laat (2). Subsidiair ben ik van mening dat er geen sprake is van een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29, wanneer er geen melding wordt gemaakt van de omstandigheden waaronder de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger zijn uitgevoerd, aangezien de verordening niet voorschrijft dat deze informatie dient te worden verstrekt (3).

1.      Bestaan van een „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29

72.      BSH heeft op basis van het – in het vorige deel beschreven – ontbreken van handelingsvrijheid betreffende het gebruik en het opstellen van het energie-etiket, aangevoerd dat het gebruik van dit etiket geen „handelspraktijk” is in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29. Bijgevolg is deze richtlijn volgens haar niet van toepassing in het hoofdgeding.

73.      Volgens deze redenering zou de uitdrukking „van een handelaar”, die in deze bepaling wordt gebruikt, impliceren dat er een handelingsvrijheid bestaat die door de handelaar kan worden benut om de consument te beïnvloeden. Bovendien zou het gebruik van dit etiket niet „rechtstreeks verband [houden] met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten” in de zin van die bepaling, maar voortvloeien uit een verplichting voor de handelaar om informatie te verstrekken, ook wanneer de op het etiket vermelde informatie nadelig is voor zijn belangen vanwege de slechte score van de stofzuiger.

74.      Deze redenering overtuigt mij niet.

75.      Ik breng in herinnering dat richtlijn 2005/29 volgens vaste rechtspraak wordt gekenmerkt door een „bijzonder ruim toepassingsgebied”, dat zich uitstrekt tot elke handelspraktijk die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten.(23)

76.      In het licht van deze rechtspraak is het standpunt van BSH mijns inziens te formalistisch. Bij het verstrekken van informatie over met name de energie-efficiëntie en de reinigingsprestaties(24) van een stofzuiger die is uitgestald met het oog op de verkoop ervan aan de consument, is immers ontegenzeggelijk sprake van „commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met [...] verkoop of levering van een product aan consumenten” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29.

77.      Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat het begrip „commerciële communicatie” ruimer is dan het begrip „reclame”. Daarom zie ik geen reden om uit te sluiten dat dergelijke communicatie informatie zou kunnen bevatten die nadelig is voor de handelaar, anders dan BSH heeft aangevoerd.(25) Bovendien is het irrelevant dat deze communicatie verplicht is gesteld door verordening nr. 665/2013. Indien degene die een handelspraktijk verricht per definitie een handelaar moet zijn, doet het feit dat hij spontaan of met het oog op de naleving van de Uniewetgeving heeft gehandeld, immers niet ter zake.

78.      Uit het voorgaande leid ik af dat, anders dan BSH heeft aangevoerd, het gebruik van het energie-etiket een „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 vormt.

79.      Ik voeg hieraan toe dat het door BSH aangevoerde argument in wezen de kwestie van de verhouding tussen verordening nr. 665/2013 en richtlijn 2005/29 aan de orde stelt. Mijns inziens moet deze kwestie worden benaderd middels de uitlegging van artikel 3, lid 4, van die richtlijn, dat juist tot doel heeft de conflicten tussen deze richtlijn en de regels van de Unie betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken te regelen.

2.      Bestaan van „strijdigheid” in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29

80.      Op grond van de in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 neergelegde voorrangsregel hebben de andere voorschriften van de Unie betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken „in geval van strijdigheid” voorrang boven de bepalingen van voornoemde richtlijn.

81.      De uitlegging van deze bepaling is van groot strategisch belang. Die richtlijn is immers van toepassing op alle oneerlijke handelspraktijken, ongeacht de bedrijfssector waarin deze plaatsvinden, teneinde een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen.(26) Volgens de mededeling van de Commissie van 14 maart 2013 „voorziet [richtlijn 2005/29] in een hoog niveau van consumentenbescherming in alle sectoren. Zij fungeert als een vangnet om de lacunes op te vullen waarvoor geen andere sectorspecifieke EU-voorschriften bestaan.”(27)

82.      Elke situatie waarin richtlijn 2005/29 krachtens artikel 3, lid 4, ervan buiten toepassing wordt verklaard, brengt echter het risico met zich mee dat een gat ontstaat in het door die richtlijn ingestelde vangnet wanneer de andere voorschriften van de Unie – welke prevaleren – niet een even hoog niveau van consumentenbescherming bieden.

83.      Dit risico noopt mijns inziens tot een restrictieve, zelfs voorzichtige benadering bij de uitlegging van deze bepaling.

84.      Gelet op dit vereiste omtrent een restrictieve uitlegging, moet volgens mij uit de bewoordingen van deze bepaling worden afgeleid dat aan de niet-toepasselijkheid van richtlijn 2005/29 twee voorwaarden zijn verbonden. De eerste voorwaarde is het bestaan van „andere [...] voorschriften [van de Unie] betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken”. De tweede voorwaarde betreft het bestaan van „strijdigheid” tussen deze andere voorschriften en de bepalingen van deze richtlijn.(28)

85.      Bovendien zal de niet-toepasselijkheid van deze richtlijn, indien aan beide voorwaarden is voldaan, overeenkomstig de bewoordingen van artikel 3, lid 4, van die richtlijn beperkt zijn tot uitsluitend de specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken welke door die andere regels worden geregeld. In de omstandigheden van het hoofdgeding blijft deze richtlijn, en met name de artikelen 6 en 7 daarvan, dus volledig van toepassing op alle aspecten die niet door verordening nr. 665/2013(29) worden geregeld, zelfs in geval van strijdigheid met deze verordening.

86.      In de onderhavige zaak moet in de eerste plaats worden nagegaan of verordening nr. 665/2013 specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken regelt.

87.      Dienaangaande moet ik erop wijzen dat het hoofddoel van de uniforme etikettering waarin richtlijn 2010/30 voorziet en waarop voormelde verordening is gebaseerd, niet is om de consumenten tegen dergelijke praktijken te beschermen, maar om het milieu te beschermen door het verbruik van energie en van andere essentiële hulpbronnen in de Unie te verminderen.(30)

88.      Het door die richtlijn gekozen middel om dit doel te bereiken, bestaat echter in een verplichting om de consument door middel van een uniform etiket te informeren overeenkomstig artikel 1, artikel 4, onder a), artikel 5, onder a), en artikel 6 van die richtlijn. Voor stofzuigers zijn het formaat en de inhoud van het energie-etiket nauwkeurig vastgelegd in bijlage II bij verordening nr. 665/2013.(31)

89.      Zoals ik reeds heb opgemerkt, vormt het gebruik van het energie-etiket evenwel een „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29.(32) Door leveranciers en handelaars te verplichten een etiket te gebruiken dat de informatie over met name de energie-efficiëntie van stofzuigers uniform weergeeft, regelt deze verordening dus specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29, ook al is dit niet het hoofddoel ervan.

90.      In de tweede plaats moet ik nog nagaan of er sprake is van „strijdigheid” tussen de bepalingen van verordening nr. 665/2013 en die van richtlijn 2005/29. Gelet op de restrictieve benadering die moet worden gevolgd bij de uitlegging van artikel 3, lid 4, van de richtlijn(33), vereist deze voorwaarde mijns inziens dat wordt nagegaan of de uit deze instrumenten voortvloeiende verplichtingen voor de betrokken handelaars onverenigbaar zijn of, anders gezegd, dat deze verplichtingen niet tegelijkertijd kunnen worden nagekomen. Ik ben dan ook van mening dat louter een „overlapping” tussen het toepassingsgebied van de genoemde richtlijn en dat van andere Unierechtelijke voorschriften niet kan volstaan om de toepasselijkheid van die richtlijn op aspecten van oneerlijke handelspraktijken die door deze voorschriften worden geregeld, uit te sluiten.(34)

91.      Het bestaan van een dergelijke strijdigheid moet evenwel noodzakelijkerwijs worden vastgesteld wanneer de „andere [...] voorschriften [van de Unie]" de betrokken handelaars geen handelingsvrijheid laten. In een dergelijk geval zou welke aanvullende verplichting dan ook die uit de bepalingen van richtlijn 2005/29 voortvloeit, immers noodzakelijkerwijs strijdig zijn met de door die andere voorschriften vastgestelde verplichtingen.

92.      In de onderhavige zaak heb ik uiteengezet waarom ik van mening ben dat verordening nr. 665/2013 fabrikanten en handelaars geen handelingsvrijheid laat betreffende het gebruik van energie-etiketten of van aanvullende etiketten.(35) In de hypothetische veronderstelling dat het achterwege blijven van nadere informatie over de omstandigheden waaronder de tests zijn uitgevoerd, inderdaad een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29 zou zijn, zoals Dyson betoogt, zou noodzakelijkerwijs moeten worden vastgesteld dat er sprake is van strijdigheid in de zin van artikel 3, lid 4, van die richtlijn, aangezien verordening nr. 665/2013 niet toestaat dat een dergelijke vermelding op het energie-etiket of op een aanvullend etiket wordt aangebracht.

93.      Bijgevolg dient, zonder dat moet worden nagegaan of er sprake is van een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29, artikel 3, lid 4, van deze richtlijn aldus te worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op de specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken die worden geregeld door voorschriften van de Unie die de betrokken handelaars geen handelingsvrijheid laten, zoals de verplichting om het energie-etiket te gebruiken en het verbod op het gebruik van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.

94.      Volledigheidshalve wil ik nog ingaan op een tijdens de hoorzitting naar voren gebracht argument, namelijk dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het niet ziet op conflicten tussen deze richtlijn en een handeling van niet-wetgevende aard,zoals verordening nr. 665/2013. Dat argument overtuigt mij niet. Deze bepaling ziet immers op alle „andere voorschriften” van het recht van de Unie, zonder beperking wat betreft de aard van de handeling die deze voorschriften bevat. Zou dit de bedoeling van de Uniewetgever zijn geweest, dan had hij zonder meer kunnen aangeven dat deze andere voorschriften „van wetgevende aard” moeten zijn, waarbij de bewoordingen van artikel 290 VWEU als leidraad hadden kunnen dienen.(36)

3.      Geen „misleidende omissie” in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29

95.      Subsidiair, indien het Hof zou oordelen dat richtlijn 2005/29 van toepassing is op de aspecten van handelspraktijken die door verordening nr. 665/2013 worden geregeld, ben ik van mening dat het feit dat de omstandigheden waaronder de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger zijn uitgevoerd, niet zijn vermeld, geen misleidende omissie in de zin van artikel 7 van deze richtlijn vormt, aangezien deze verordening het verstrekken van die informatie niet voorschrijft.

96.      Een omissie kan immers alleen misleidend zijn in de zin van die bepaling indien zij betrekking heeft op „essentiële” informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.

97.      Overeenkomstig artikel 7, lid 5, van richtlijn 2005/29 moet de krachtens verordening nr. 665/2013 vereiste informatie, namelijk die op het energie-etiket, worden geacht „essentieel” te zijn. Artikel 7, lid 5, van die richtlijn biedt echter geen antwoord op de vraag die in dit stadium rijst, aangezien het daarbij gaat om informatie die niet door die verordening wordt vereist, namelijk de vermelding van de omstandigheden waaronder de energieprestatietests zijn uitgevoerd.

98.      In dat verband ben ik van oordeel dat de Uniewetgever, zoals BSH en de Duitse regering naar voren hebben gebracht, bij de vaststelling van verordening nr. 665/2013 een uitputtende lijst heeft opgesteld van de informatie die binnen het toepassingsgebied van deze verordening als essentieel moet worden beschouwd en die daarom aan de consumenten moet worden verstrekt via het energie-etiket. Ik ben van mening dat het de nationale rechters niet vrij staat om deze beleidskeuze van de Uniewetgever ter discussie te stellen door per geval te oordelen dat informatie die niet vereist is op grond van genoemde verordening „essentieel” is in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29. Elke andere uitlegging zou volledig afbreuk kunnen doen aan de inspanningen om de informatie over het energieverbruik te standaardiseren teneinde een eenvoudige vergelijking van de betrokken producten mogelijk te maken.(37)

99.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste vraag als volgt te beantwoorden: artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op de specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken die worden geregeld door voorschriften van de Unie die de betrokken handelaars geen handelingsvrijheid laten, zoals de verplichting om het energie-etiket te gebruiken en het verbod op het gebruik van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.

VI.    Conclusie

100. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de rechtbank van koophandel Antwerpen als volgt te beantwoorden:

„1)      Artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op de specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken die worden geregeld door voorschriften van de Unie die de betrokken handelaars geen handelingsvrijheid laten, zoals de verplichting om het energie-etiket te gebruiken die is neergelegd in gedelegeerde verordening (EU) nr. 665/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 houdende aanvulling van richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van stofzuigers, en het verbod op het gebruik van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht.

2)      Verordening nr. 665/2013, gelezen in samenhang met richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten, moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de inhoud of het formaat van het door deze verordening voorgeschreven energie-etiket wordt gewijzigd, en dat dit etiket vergezeld gaat van aanvullende etiketten waarop de op het energie-etiket vermelde informatie wordt overgenomen of nader toegelicht, met name om aan te geven onder welke omstandigheden de tests die hebben geleid tot de energieclassificatie van de stofzuiger, zijn uitgevoerd.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2005, L 149, blz. 22).


3      Verordening van de Commissie van 3 mei 2013 houdende aanvulling van richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van stofzuigers (PB 2013, L 192, blz. 1, met rectificatie in PB 2017, L 59, blz. 40).


4      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten (PB 2010, L 153, blz. 1). Deze richtlijn is per 1 augustus 2017 ingetrokken bij verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van richtlijn 2010/30/EU (PB 2017, L 198, blz. 1), ingevolge artikel 20 van deze verordening.


5      Arresten van 12 februari 1998, Commissie/Italië (C‑139/97, EU:C:1998:58); 12 december 2002, Commissie/Raad (C‑281/01, EU:C:2002:761); 18 november 2004, Commissie/Luxemburg (C‑79/04, niet gepubliceerd, EU:C:2004:736); 3 april 2014, Rätzke (C‑319/13, EU:C:2014:210); 11 november 2015, Dyson/Commissie (T‑544/13, EU:T:2015:836), en 11 mei 2017, Dyson/Commissie (C‑44/16 P, EU:C:2017:357).


6      Het basisstelsel werd aanvankelijk ingevoerd bij richtlijn 79/530/EEG van de Raad van 14 mei 1979 betreffende de informatie, door middel van etikettering, over het energieverbruik van in de huishouding gebruikte apparaten (PB 1979, L 145, blz. 1), die achtereenvolgens is vervangen bij richtlijn 92/75/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van huishoudelijke apparaten (PB 1992, L 297, blz. 16), richtlijn 2010/30 en verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van richtlijn 2010/30/EU (PB 2017, L 198, blz. 1).


7      Deze regeling is ingevoerd bij richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB 2003, PB L 1, blz. 65), die is vervangen bij richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB 2010, L 153, blz. 13). Zie arresten van 17 januari 2008, Commissie/Griekenland (C‑342/07, niet gepubliceerd, EU:C:2008:25); 29 oktober 2009, Commissie/Luxemburg (C‑22/09, niet gepubliceerd, EU:C:2009:684); 13 juni 2013, Commissie/Italië (C‑345/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:396); 16 januari 2014, Commissie/Spanje (C‑67/12, EU:C:2014:5), en 2 maart 2017, Commissie/Griekenland (C‑160/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:161).


8      Arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


9      Het Hof heeft, nadat het het arrest van het Gerecht van 11 november 2015, Dyson/Commissie (T‑544/13, EU:T:2015:836), had vernietigd, de zaak terugverwezen naar het Gerecht. Zie arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie (C‑44/16 P, EU:C:2017:357).


10      De vordering van Dyson in het hoofdgeding is ingesteld op 20 oktober 2015. Zie punt 24 van de onderhavige conclusie.


11      Op het energie-etiket voor „stofzuigers voor algemeen gebruik” moet zowel de tapijtreinigingsprestatieklasse als de hardevloerenreinigingsprestatieklasse (punt 1.1, VI en VII) worden vermeld. Het energie-etiket voor „hardevloerenstofzuigers” moet de hardevloerenreinigingsprestatieklasse bevatten alsmede een uitsluitingsteken in plaats van de tapijtreinigingsprestatieklasse (punt 1.2, VI en VII). Omgekeerd moet het energie-etiket voor „tapijtstofzuigers” de tapijtreinigingsprestatieklasse bevatten alsmede een uitsluitingsteken in plaats van de hardevloerenreinigingsprestatieklasse (punt 1.3, VI en VII). Zie ook de punten 3.2 en 3.3, waarin het formaat van deze uitsluitingstekens wordt gespecificeerd.


12      Ik wil erop wijzen dat de verwijzingen naar de ontwerpen in afdeling 3 van bijlage II bij verordening nr. 665/2013 in de afdelingen 1 en 2 van die bijlage dienden te worden gerectificeerd (PB 2017, L 59, blz. 40) aangezien zij ten onrechte verwezen naar een – niet-bestaande – afdeling 4 van die bijlage.


13      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB 2010, L 27, blz. 1).


14      Zie punt 64 van de onderhavige conclusie.


15      Zie de punten 31 en 32 van de onderhavige conclusie.


16      Het verbod om dergelijke aanvullende etiketten te gebruiken, zal immers noodzakelijkerwijs tot gevolg hebben dat er sprake is van „strijdigheid” in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29. Zie de punten 90‑93 van de onderhavige conclusie.


17      Zie eveneens de overwegingen 5 en 8 van richtlijn 2010/30.


18      Zie eveneens overweging 5 van verordening nr. 665/2013.


19      Zie punt 31 van de onderhavige conclusie.


20      In de omstandigheden van het hoofdgeding heeft BSH een ecolabel op de verpakking aangebracht (zie punt 26 van de onderhavige conclusie).


21      In dit verband lijkt de verwijzende rechter aan te nemen dat de tests die met lege zakken worden uitgevoerd, het niet mogelijk maken rekening te houden met het prestatieverlies waarmee stofzuigers die met een zak werken, zoals die welke door BSH worden verkocht, te kampen hebben wanneer de zak zich met stof vult. Zie punt 30 van de onderhavige conclusie. BSH heeft echter aangevoerd dat de tests die werden uitgevoerd op stofzuigers die zonder zak werken, zoals die welke door Dyson worden verkocht, het evenmin mogelijk maken rekening te houden met het prestatieverlies van deze stofzuigers wanneer zij zich met stof vullen.


22      Zie arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie (C‑44/16 P, EU:C:2017:357), waarbij het arrest van 11 november 2015, Dyson/Commissie (T‑544/13, EU:T:2015:836), is vernietigd.


23      Volgens het Hof vallen binnen dit „bijzonder ruime materiële toepassingsgebied” gezamenlijke aanbiedingen (arrest van 23 april 2009, VTB-VAB en Galatea, C‑261/07 en C‑299/07, EU:C:2009:244, punten 49 e.v.); promotiecampagnes waarbij de gratis deelname aan een spel werd gekoppeld aan de aankoop van goederen of diensten (arresten van 14 januari 2010, Plus Warenhandelsgesellschaft, C‑304/08, EU:C:2010:12, punten 36 e.v., en 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag, C‑540/08, EU:C:2010:660, punten 17 e.v.); de vermelding in een kredietovereenkomst van een jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan het werkelijke jaarlijkse kostenpercentage (arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punten 38 e.v.); de publicatie van informatie over de totale uitverkoop van de producten van een winkel (arrest van 17 januari 2013, Köck, C‑206/11, EU:C:2013:14, punten 26 e.v.); de publicatie van informatie over de exclusiviteit van een reisbureau (arrest van 19 september 2013, CHS Tour Services, C‑435/11, EU:C:2013:574, punten 27 e.v.); reclame voor geneesmiddelen (arrest van 16 juli 2015, Abcur, C‑544/13 en C‑545/13, EU:C:2015:481, punten 74 e.v.); reclame voor diensten inzake mond- en tandverzorging (arrest van 4 mei 2017, Vanderborght, C‑339/15, EU:C:2017:335, punten 23 e.v.), en incassoactiviteiten (arrest van 20 juli 2017, Gelvora, C‑357/16, EU:C:2017:573, punten 19 e.v.). Daarentegen heeft het Hof de publicatie van persartikels die niet-publicitair van aard zijn, uitgesloten van bedoeld toepassingsgebied (arrest van 17 oktober 2013, RLvS, C‑391/12, EU:C:2013:669, punten 37 e.v.).


24      Zie punt 50 van de onderhavige conclusie.


25      Ik voeg hieraan toe dat het besluit van een handelaar om bepaalde informatie over een voor verkoop aan consumenten aangeboden product niet te verstrekken, ook een handelspraktijk in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 kan zijn.


26      Zie dienaangaande het in artikel 1 van richtlijn 2005/29 omschreven doel, de bijzonder ruime definities in artikel 2, onder a) tot en met d), van die richtlijn alsook het uit artikel 3, lid 1, van die richtlijn voortvloeiende toepassingsgebied.


27      Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, COM(2013) 138 final.


28      Ik merk op dat het Hof uitdrukkelijk heeft gewezen op die twee voorwaarden in het arrest van 16 juli 2015, Abcur (C‑544/13 en C‑545/13, EU:C:2015:481, punten 79‑81). Daarentegen is het Hof niet uitdrukkelijk nagegaan of er sprake was van strijdigheid in het arrest van 7 juli 2016, Citroën Commerce (C‑476/14, EU:C:2016:527, punten 42‑46). Ter wille van de rechtszekerheid verdient het mijns inziens evenwel de voorkeur die twee voorwaarden afzonderlijk en expliciet te onderzoeken.


29      Zie punt 65 van de onderhavige conclusie.


30      Zie de overwegingen 5 en 8 van richtlijn 2010/30.


31      Zie de punten 47 tot en met 52 van de onderhavige conclusie.


32      Zie de punten 75 tot en met 78 van de onderhavige conclusie.


33      Zie de punten 81 tot en met 84 van de onderhavige conclusie.


34      Dit vereiste van „strijdigheid” moet met name worden onderscheiden van de vaste rechtspraak volgens welke elke nationale maatregel op een gebied dat op het niveau van de Europese Unie volledig is geharmoniseerd, moet worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van die harmonisatiemaatregel en niet in het licht van die van het primaire recht. In dat geval is louter een „overlapping” voldoende om de toepasselijkheid van de bepalingen van primair recht uit te sluiten. Zie met name de arresten van 5 oktober 1977, Tedeschi (5/77, EU:C:1977:144, punten 33‑35); 12 november 2015, Visnapuu (C‑198/14, EU:C:2015:751, punt 40), en 7 september 2017, Eqiom en Enka (C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 15). Die rechtspraak is echter irrelevant voor de uitlegging van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29. Aan de ene kant is de reikwijdte van voormelde rechtspraak beperkt tot één specifiek geval, namelijk dat van voorschriften van primair recht waarvan de reikwijdte door een instrument van afgeleid recht nader wordt toegelicht. Aan de andere kant vereist de formulering van bovengenoemde bepaling dat er sprake is van „strijdigheid” en niet louter van een overlapping.


35      Zie de punten 54 en 68 van de onderhavige conclusie.


36      Ik merk op dat overweging 10 van richtlijn 2005/29 niet kan afdoen aan mijn overtuiging ter zake. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof kan de considerans van een Uniehandeling de inhoud daarvan weliswaar preciseren, maar kan deze niet worden aangevoerd om van de bepalingen zelf van die handeling af te wijken (zie met name arrest van 20 december 2017, Acacia en D'Amato, C‑397/16 en C‑435/16, EU:C:2017:992, punt 40). Voorts kunnen geen conclusies worden getrokken uit de in die overweging gebruikte terminologie, die zonder onderscheid verwijst naar „wetsbepalingen [van de Unie]” (zonder de aard van de handeling te specificeren) en „wetgeving [van de Unie]”.


37      Zie de punten 59 en 60 van deze conclusie. Ik merk op dat deze poging tot standaardisering op twee manieren ter discussie zou worden gesteld: ten eerste wegens het risico van verschillen tussen de lidstaten bij de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2005/29, en met name bij de kwalificatie van informatie als „essentieel”, en ten tweede wegens het risico van verschillen in de informatie die wordt verstrekt door handelaars in de lidstaten waar deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat zij verplicht tot het verstrekken van niet door verordening nr. 665/2013 voorgeschreven informatie.