Language of document : ECLI:EU:C:2014:2189

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

10 september 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen – Consumentenkredietovereenkomst – Artikel 1, lid 2 – Beding waarin een dwingende wettelijke bepaling is overgenomen – Werkingssfeer van de richtlijn – Artikelen 3, lid 1, 4, 6, lid 1, en 7, lid 1 – Door een zekerheidsrecht op een onroerend goed gedekte schuldvordering – Mogelijkheid dat zekerheidsrecht te executeren door middel van openbare verkoop – Rechterlijke toetsing”

In zaak C‑34/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (Slowakije) bij beslissing van 20 december 2012, ingekomen bij het Hof op 23 januari 2013, in de procedure

Monika Kušionová

tegen

SMART Capital a.s.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2014,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Tokár en M. van Beek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de richtlijnen 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) en 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149, blz. 22) in het licht van artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het arrest Simmenthal (106/77, EU:C:1978:49).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. Kušionová en SMART Capital a.s. (hierna: „SMART Capital”) over de wijze van executie van een recht dat gevestigd is tot zekerheid van een hypothecaire lening en de rechtmatigheid van de in die overeenkomst opgenomen bedingen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 7 van het Handvest bepaalt dat „[e]enieder [...] recht [heeft] op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie‑ en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie”.

4        Volgens artikel 38 van het Handvest wordt in het beleid van de Unie zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.

5        Artikel 47, eerste alinea, van het Handvest luidt:

„Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.”

6        De twaalfde tot en met de veertiende en de vierentwintigste overweging van de considerans van richtlijn 93/13 luiden als volgt:

„Overwegende evenwel dat bij de huidige stand van de nationale wetgevingen slechts een gedeeltelijke harmonisatie in aanmerking komt; dat met name alleen de bedingen in overeenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld onder deze richtlijn vallen; dat het van belang is de lidstaten de mogelijkheid te geven met inachtneming van het [EG-Verdrag] in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van deze richtlijn;

Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, worden geacht geen oneerlijke bedingen te bevatten; dat het bijgevolg niet nodig blijkt bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen [...] aan de bepalingen van deze richtlijn te onderwerpen; dat in dat verband onder de term ‚dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen’ [in artikel 1, lid 2,] tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen;

Overwegende evenwel dat de lidstaten erop moeten toezien dat zulke oneerlijke bedingen er niet in voorkomen [...]

[...]

Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

7        Artikel 1 van richtlijn 93/13 bepaalt:

„1.      Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.

2.      Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen [...] zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.”

8        Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

„Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

9        Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden [...].”

10      Artikel 7, lid 1, van dezelfde richtlijn bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

 Slowaaks recht

11      § 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt:

„Indien het door een goederenrechtelijk zekerheidsrecht gegarandeerde krediet niet naar behoren en tijdig wordt afgelost, kan de zekerheidnemer de executie van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de executie van het zekerheidsrecht kan de zekerheidnemer zich voldoen op de contractueel overeengekomen wijze of door middel van openbare verkoop van het verbonden goed krachtens een bijzondere wet [...], ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het verbonden goed krachtens de bijzondere wetten [...], tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.”

12      De verwijzende rechter zet uiteen dat in dat lid 1 na de woorden „krachtens een bijzondere wet” een eerste voetnoot is opgenomen, die verwijst naar wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, waarbij wet nr. 323/1992 van de Slowaakse nationale raad op het notarisambt en de notariële werkzaamheden (wetboek notariaat), zoals gewijzigd, is aangevuld (hierna: „wet inzake vrijwillige openbare verkoop”), en na de woorden „bijzondere wetten” een tweede voetnoot is ingevoegd, die verwijst naar het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en het wetboek van executierecht.

13      § 151m van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:

„1)      De zekerheidnemer kan het verbonden goed niet eerder dan 30 dagen na de datum van betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht aan de zekerheidgever en de schuldenaar, indien deze niet dezelfde persoon zijn, op de wijze die in de overeenkomst tot zekerheidstelling is bedongen of in het openbaar verkopen, tenzij bij een bijzondere wet anders is bepaald [...]

2)      Na betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht kunnen de zekerheidgever en de zekerheidnemer overeenkomen dat de zekerheidnemer het verbonden goed ook vóór verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze of in het openbaar kan verkopen.

3)      De zekerheidnemer die de executie van het zekerheidsrecht heeft ingeleid om zich op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze te voldoen, kan de executiewijze op elk gewenst moment tijdens de executie wijzigen en het verbonden goed in het openbaar verkopen of voldoening [van het krediet] eisen door middel van verkoop van het verbonden goed krachtens bijzondere wetten. De zekerheidnemer stelt de zekerheidgever in kennis van de wijziging van de wijze van executie van het zekerheidsrecht.”

14      Overeenkomstig § 74, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de rechter voorlopige maatregelen gelasten, indien de verhoudingen tussen de partijen tijdelijk dienen te worden geregeld of wanneer er een risico bestaat dat de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar komt. Overeenkomstig § 76, lid 1, van dat wetboek kan de rechter met name voorlopige maatregelen gelasten ten aanzien van een partij „teneinde te verkrijgen dat zij een bepaalde handeling verricht, van een bepaalde handeling afziet of een bepaalde handeling duldt”.

15      § 6 van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop omschrijft de veilingmeester als „de persoon die de openbare verkoop houdt. Hij voldoet aan de criteria die bij deze bijzondere wet zijn neergelegd en is bevoegd het betrokken beroep uit te oefenen”. § 7, lid 1, ervan omschrijft de aanvrager van de openbare verkoop als de eigenaar van het in het openbaar te verkopen goed, de zekerheidnemer of de persoon die gerechtigd is de openbare verkoop op grond van een bijzondere wet aan te vragen.

16      Aangaande met name de zekerheidnemer bepaalt § 7, lid 2, van die wet dat hij schriftelijk dient te verklaren dat het te verkopen goed in het openbaar kan worden verkocht, en dat het krediet ter voldoening waarvan de executie van het verbonden goed in de zin van deze wet wordt ingeleid, daadwerkelijk bestaat, hoe hoog het is en wanneer het opeisbaar is.

17      Overeenkomstig § 16, lid 1, van die wet kan een goed slechts openbaar worden verkocht op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de aanvrager van de verkoop en de veilingmeester.

18      Overeenkomstig § 17 van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop is de veilingmeester gehouden de openbare verkoop aan te kondigen door publicatie van een bericht. Wanneer het ter openbare verkoop aangeboden goed een appartement, een woning, een ander gebouw, een onderneming of een unit daarvan is, of wanneer het laagste bod hoger is dan 16 550 EUR, publiceert de veilingmeester het bericht ten minste 30 dagen vóór de aanvang van de openbare verkoop in het register van openbare verkopingen, en zendt hij dat bericht onverwijld aan het ministerie ter bekendmaking in het Officiële handelsblad. Het bericht van openbare verkoop wordt ook gezonden aan de persoon die de openbare verkoop heeft ingeleid, de schuldenaar van de zekerheidnemer en de eigenaar van het bij openbare verkoop te verkopen goed, indien dit niet dezelfde persoon als de schuldenaar is.

19      Voor het geval dat het ter openbare verkoop aangeboden goed een appartement, een woning of een ander gebouw is, bepaalt § 20, lid 13, van deze wet dat de afwikkeling van de verkoop daarvan wordt vastgelegd bij notariële akte, waarin de notaris tevens melding maakt van de verplichting die krachtens § 29, lid 2, eerste volzin, van die wet op de vorige eigenaar rust.

20      § 21, lid 2, van dezelfde wet bepaalt dat in geval van schending van een bepaling daarvan eenieder die stelt dat hij door die schending in zijn rechten is gekort, de rechter kan verzoeken de openbare verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de vorige eigenaar officieel verblijf hield.

21      § 21, lid 4, van de voormelde wet bepaalt dat de partijen bij de procedure tot nietigverklaring van een openbare verkoop volgens lid 2 van dit artikel de volgende personen zijn: degene die de verkoop heeft ingeleid, de veilingmeester, de koper, de vorige eigenaar en degene die overeenkomstig datzelfde lid 2 stelt dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten.

22      Bij verzuim van de koper of indien de rechter de verkoop nietig verklaart, wordt de veiling volgens § 21, lid 5, van deze wet geacht zonder rechtsgevolg te zijn vanaf het vallen van de hamer.

23      Bij openbare verkoop van een goed krachtens § 20, lid 13, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, dient overeenkomstig § 29, lid 2, daarvan om te beginnen de vorige eigenaar het bij openbare verkoop verkochte goed onverwijld over te dragen op vertoon door de koper van een gewaarmerkt afschrift van de notariële akte en een identiteitsbewijs, overeenkomstig de in het bericht van openbare verkoop vastgestelde voorwaarden. Voorts is de veilingmeester gehouden ter plaatse een proces-verbaal van toewijzing van het verkochte goed op te stellen. Daarin wordt met name een gedetailleerde beschrijving gegeven van de staat van het goed en van de omstandigheden waarin de rechten en verplichtingen met betrekking tot dat goed en in voorkomend geval het toebehoren daarbij zijn overgedragen.

24      § 32, lid 1, van deze wet bepaalt dat de opbrengst van de openbare verkoop, behoudens andersluidende bepalingen, na vergoeding van de kosten, voldoening van de zekerheidnemer en betaling van de veilingprijs, door de veilingmeester onverwijld worden overgemaakt aan de voormalige eigenaar.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

25      Op 26 februari 2009 heeft Kušionová met SMART Capital een consumentenkredietovereenkomst voor een bedrag van 10 000 EUR gesloten. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de schuld werd een goederenrechtelijk zekerheidsrecht gevestigd op het onroerend goed waarin verzoekster in het hoofdgeding woont, de gezinswoning.

26      Verzoekster in het hoofdgeding heeft SMART Capital voor de Okresný súd Humenné (districtsrechtbank Humenné) gedaagd, die zij heeft verzocht om nietigverklaring van de kredietovereenkomst en de overeenkomst tot zekerheidstelling op grond dat de contractuele bedingen die haar aan die onderneming binden, oneerlijk zijn. Die rechter van eerste aanleg heeft de kredietovereenkomst gedeeltelijk nietig verklaard op grond van de vaststelling dat bepaalde contractuele bedingen oneerlijk zijn. De overeenkomst tot zekerheidstelling heeft de rechter in haar geheel nietig verklaard. Beide partijen hebben tegen dit vonnis hogere voorziening ingesteld bij de Krajský súd v Prešove (regionaal hof Prešov).

27      De verwijzende rechter vraagt zich af of een van de bedingen in de overeenkomst tot zekerheidstelling, te weten het beding inzake de buitengerechtelijke executie van het zekerheidsrecht op het onroerend goed van de consument, oneerlijk is. Hij brengt daarbij in herinnering dat het betrokken beding de schuldeiser de mogelijkheid biedt het gevestigde zekerheidsrecht te executeren zonder rechterlijke toetsing.

28      In het kader van die beoordeling vestigt de verwijzende rechter de aandacht op een bijkomende moeilijkheid, namelijk het feit dat het betrokken beding berust op een wettelijke bepaling, te weten § 151j van het burgerlijk wetboek.

29      Aangezien de door hem te toetsen contractuele bedingen als oneerlijk kunnen worden aangemerkt in de zin van richtlijn 93/13 en aan één daarvan een wettelijke bepaling ten grondslag ligt, is de verwijzende rechter van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van het Unierecht.

30      Daarop heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten [richtlijn 93/13] en richtlijn [2005/29] in het licht van artikel 38 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat daarmee in strijd is een bepaling van een lidstaat zoals § 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek, in samenhang met de nadere bepalingen van de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de schuldeiser, zonder toetsing van de contractuele bedingen door een rechter, de prestatie uit oneerlijke bedingen kan opeisen door een zekerheidsrecht op een onroerend goed dat eigendom is van een consument ten uitvoer te leggen, hoewel partijen twisten over de vraag of de bedingen in kwestie oneerlijk zijn?

2)      Staan de in de eerste vraag genoemde bepalingen van de Europese Unie in de weg aan een voorschrift van nationaal recht zoals § 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek, in samenhang met de nadere bepalingen van de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de schuldeiser, zonder toetsing van de contractuele bedingen door een rechter, de prestatie uit oneerlijke bedingen kan opeisen door een zekerheidsrecht op een onroerend goed dat eigendom is van de consument ten uitvoer te leggen, hoewel partijen twisten over de vraag of de bedingen in kwestie oneerlijk zijn?

3)      Moet het arrest van het Hof [Simmenthal, EU:C:1978:49] aldus worden opgevat dat de nationale rechter in het belang van de verwezenlijking van de doelstelling van de in de eerste vraag genoemde richtlijnen, in het licht van artikel 38 van het [Handvest], buiten toepassing moet laten bepalingen van nationaal recht zoals § 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek, in samenhang met de nadere bepalingen van de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de schuldeiser, zonder toetsing van de contractuele bedingen door een rechter, een prestatie uit oneerlijke bedingen kan opeisen door, ondanks betwisting, een zekerheidsrecht op een onroerend goed dat eigendom is van de consument ten uitvoer te leggen, en zodoende de ambtshalve toetsing van de bedingen in de overeenkomst door een rechter kan vermijden?

4)      Moet artikel 4 van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat een beding in een consumentenovereenkomst, die een consument heeft gesloten zonder de bijstand van een advocaat, op grond waarvan een schuldeiser het zekerheidsrecht buitengerechtelijk, zonder toetsing door een rechter, ten uitvoer kan leggen, het fundamentele beginsel van Unierecht omzeilt dat contractuele bedingen ambtshalve door de rechter worden getoetst en derhalve een oneerlijk beding is, ook in een context waarin de bewoordingen van het beding in kwestie afkomstig zijn uit het nationale recht?”

 Ontwikkelingen die zich na de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing hebben voorgedaan

31      Ter pleitzitting van 5 juni 2014 heeft de Slowaakse regering het Hof in kennis gesteld van het feit dat de procedureregels voor de executie van zekerheidsrechten zijn gewijzigd bij wet nr. 106/2014 Z.z. van 1 april 2014, die van toepassing is op alle overeenkomsten die lopen vanaf 1 juni 2014.

32      In het bijzonder is bij § V, lid 7, van die wet § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop aangevuld. Deze bepaling is thans geredigeerd als volgt:

„Bij betwisting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tot zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet kan eenieder die stelt dat hij door die schending in zijn rechten is gekort, de rechter verzoeken de verkoop nietig te verklaren [...]”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

33      De Duitse regering is primair van mening dat de eerste twee prejudiciële vragen van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk zijn.

34      Om te beginnen verstrekt de verwijzende rechter niet de gegevens, feitelijk en rechtens, die het Hof nodig heeft om die vragen op zinvolle wijze te kunnen beantwoorden. Enerzijds is de mogelijkheid om een zekerheidsrecht zonder rechterlijke toetsing te executeren geen kwestie die verband houdt met een oneerlijke handelspraktijk. Anderzijds vermeldt de verwijzende rechter niet concreet de bepalingen van richtlijn 2005/29.

35      Voorts gaat het om theoretische vragen voor de beantwoording waarvan het Hof niet bevoegd is. Aangezien het zekerheidsrecht nog niet ten uitvoer is gelegd door SMART Capital, is de door de verwijzende rechter beschreven situatie namelijk geen reële situatie.

36      Ten slotte betreft het hoofdgeding de nietigheid van de kredietovereenkomst en de overeenkomst tot zekerheidstelling. Met zijn eerste twee vragen beoogt de verwijzende rechter echter veeleer een beoordeling van de verenigbaarheid van nationale procedurevoorschriften met richtlijn 93/13 te verkrijgen. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft, de wetgeving van de lidstaten inzake oneerlijke bedingen te harmoniseren, ziet zij dus slechts op contractuele bedingen en niet op de door het nationale recht gestelde voorwaarden voor de executie van een dergelijk zekerheidsrecht.

37      De Slowaakse regering erkent dat het verzoek om een prejudiciële beslissing bepaalde leemtes vertoont, maar meent niettemin dat de eerste twee vragen van de verwijzende rechter ontvankelijk zijn. De Europese Commissie heeft ter terechtzitting betoogd dat de voorwaarden voor niet-ontvankelijkheid, zoals die door het Hof zijn vastgesteld in de beschikking in de zaak SKP (C‑433/11, EU:C:2012:702), niet zijn vervuld in het onderhavige geval, zodat die twee vragen volgens haar ontvankelijk zijn.

38      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Derhalve kan het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het probleem hypothetisch is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest Pohotovosť, C‑470/12, EU:C:2014:101, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat de eerste prejudiciële vraag niet alleen betrekking heeft op richtlijn 93/13, maar ook op richtlijn 2005/29. Zoals door de Duitse regering terecht is betoogd, doet de verwijzende rechter echter niet meer dan laatstgenoemde richtlijn citeren en geeft hij niet aan waarom het hoofdgeding niet zonder uitlegging daarvan kan worden beslecht. De verwijzende rechter licht evenmin toe in hoeverre de door verzoekster in het hoofdgeding betwiste procedure van executie van het zekerheidsrecht een oneerlijke handelspraktijk kan vormen.

40      In verband met het voorwerp van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing zij voorts opgemerkt dat dit verzoek betrekking heeft op de draagwijdte van de artikelen 1, lid 2, 3, lid 1, 4, 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13. Krachtens die bepalingen heeft de Uniewetgever respectievelijk voorzien in een uitzondering op de werkingssfeer van deze richtlijn, omschreven wat een oneerlijk beding is, bepaald dat oneerlijke bedingen de consumenten niet binden, en dat de lidstaten erop toezien dat doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen.

41      Derhalve zullen de vragen van de verwijzende rechter uitsluitend worden beantwoord in het licht van richtlijn 93/13.

42      In de tweede plaats betekent het feit dat het zekerheidsrecht nog niet volledig ten uitvoer is gelegd niet dat die vragen hypothetisch zijn. Ten eerste onderstreept de verwijzende rechter dat SMART Capital ten aanzien van de consument daadwerkelijk stappen heeft gezet met het oog op de verkoop van het onroerend goed waarop het zekerheidsrecht is gevestigd. Ten tweede moet erop worden gewezen dat, zelfs al is het zekerheidsrecht nog niet volledig ten uitvoer gelegd, de vragen er niet zozeer op zijn gericht te vernemen of de verkoop is afgerond, als wel te beoordelen of de schuldeiser de jure tot een dergelijke verkoop kan overgaan en of de schuldenaar de mogelijkheid heeft om zich in rechte tegen die executie te verzetten.

43      In die zin zijn de prejudiciële vragen niet hypothetisch en is de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding.

44      Gelet op een en ander dient het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk te worden verklaard.

 Ten gronde

 Eerste tot en met derde vraag

45      Hoewel de eerste vraag slechts gewag maakt van artikel 38 van het Handvest, zij erop gewezen dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing in wezen tevens betrekking heeft op artikel 47 van het Handvest als een van de relevante bepalingen van Unierecht, en met name dat artikel ook citeert. Aangezien de verwijzende rechter met zijn eerste drie vragen wenst te vernemen welk beschermingsniveau de consument toekomt en welke mogelijkheden van beroep in rechte voor hem openstaan, moet ook dat artikel 47 worden geacht te behoren tot de bepalingen van Unierecht waarvan de verwijzende rechter het Hof om uitlegging verzoekt.

46      De eerste drie vragen van de verwijzende rechter, die samen moeten worden onderzocht, zijn er in wezen op gericht te vernemen of richtlijn 93/13 in het licht van de artikelen 38 en 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een schuldvordering die is gebaseerd op mogelijkerwijs oneerlijke contractuele bedingen kan worden geïnd door middel van buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht op het onroerend goed van de consument. Voor het geval dat het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, wenst de verwijzende rechter te vernemen of die nationale bepalingen overeenkomstig de in het arrest Simmenthal (EU:C:1978:49) ontwikkelde rechtspraak buiten toepassing moeten worden gelaten.

47      Ten eerste moet in herinnering worden geroepen dat volgens artikel 38 van het Handvest in het beleid van de Unie zorg moet worden gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming. Artikel 47 van het Handvest betreft het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Deze eisen gelden voor de uitvoering van richtlijn 93/13 (zie in die zin arrest Pohotovosť, EU:C:2014:101, punt 52).

48      Ten tweede heeft het Hof reeds geoordeeld dat het door richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arresten Pohotovosť, EU:C:2014:101, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak; Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook Sánchez Morcillo en Abril García, C‑169/14, EU:C:2014:2099, punt 22).

49      Aangaande de executie van garanties die worden gesteld in het kader van consumentenkredietovereenkomsten, zij vastgesteld dat richtlijn 93/13 niets vermeldt over de executie van zekerheidsrechten.

50      Het is echter vaste rechtspraak dat bij gebreke van harmonisatie van de nationale regelingen inzake gedwongen executie in het Unierecht, het krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde is dergelijke regels vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arresten Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Pohotovosť, EU:C:2014:101, punt 46).

51      Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over gegevens die twijfel doen ontstaan over de overeenstemming van de regeling in het hoofdgeding met dit beginsel.

52      Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat elk geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure voor de verschillende nationale instanties (arrest Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, C‑413/12, EU:C:2013:800, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Voorts kunnen de specifieke kenmerken van procedures waar in een nationaalrechtelijke context handelaars en consumenten tegenover elkaar staan, geen factor vormen die de rechtsbescherming die laatstbedoelden op grond van richtlijn 93/13 dient toe te komen, mag doorkruisen (zie in die zin arrest Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Aziz, EU:C:2013:164, punt 62).

54      Uitgemaakt moet dus worden in hoeverre het in een situatie als die in het hoofdgeding praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk is de door die richtlijn geboden bescherming daadwerkelijk te verlenen.

55      In het onderhavige geval blijkt uit het dossier dat § 151m, lid 1, van het burgerlijk wetboek juncto § 17, lid 3, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, enerzijds bepaalt dat een openbare verkoop kan worden betwist binnen 30 dagen na de datum van betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht, en anderzijds dat degene die het oneens is met de wijze waarop die verkoop plaatsvindt overeenkomstig § 21, lid 2, van dezelfde wet na de openbare verkoop beschikt over een termijn van drie maanden om actie te ondernemen.

56      Hoewel richtlijn 93/13 in geschillen tussen een verkoper en een consument verlangt dat de nationale rechter die van dergelijke geschillen kennisneemt, positief en buiten de partijen bij de overeenkomst om ingrijpt (arrest Asbeek Brusse en de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Pohotovosť, EU:C:2014:101, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak), kan de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet zodanig ver worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (zie in die zin arrest Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 47).

57      Onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten controles kan het samenstel van de in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering geroepen termijnen waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling voorziet, niet worden vergeleken met de termijn van 20 dagen die aan de orde was in het arrest Banco Español de Crédito (EU:C:2012:349) en evenmin met de omstandigheden van de zaak Aziz (EU:C:2013:164, punten 57‑59), waarin het beroep van de consument tegen dergelijke maatregelen geen soelaas had kunnen bieden.

58      Voorts dienen de lidstaten, ter vrijwaring van de rechten die de consument ontleent aan richtlijn 93/13, krachtens artikel 7, lid 1, daarvan met name beschermingsmaatregelen vast te stellen om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen. Dat wordt overigens bevestigd door de vierentwintigste overweging van de considerans van die richtlijn waarin het heet dat te dien einde de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken.

59      In het bijzonder zijn de lidstaten volgens vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot het beginsel van loyale samenwerking, dat thans in artikel 4, lid 3, VEU is neergelegd, weliswaar vrij in de keuze van de sancties op inbreuken op het Unierecht, maar moeten zij er met name op toezien dat die sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (zie in die zin arrest LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60      Aangaande de doeltreffendheid en de afschrikkende werking van de sanctie zet de Slowaakse regering in haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen uiteen dat de bevoegde nationale rechter in een dergelijke procedure van buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht de voortzetting van de executieverkoop overeenkomstig de §§ 74, lid 1, en 76, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bij voorlopige maatregel kan verbieden.

61      Zoals in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest is uiteengezet, zijn voorts de procedureregels die gelden voor een beding als dat in het hoofdgeding kennelijk gewijzigd bij wet nr. 106/2004 van 1 april 2014, die in werking is getreden op 1 juni 2014 en toepassing vindt op alle op die datum lopende overeenkomsten tot zekerheidstelling. In het bijzonder stelt § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, in de geldende versie, de rechter bij betwisting van de rechtsgeldigheid van het beding tot zekerheidstelling in staat om de verkoop nietig te verklaren, waardoor de consument achteraf in een situatie wordt gebracht die nagenoeg overeenkomt met zijn uitgangssituatie en het herstel van de schade die hij in geval van onrechtmatige verkoop heeft geleden dus niet wordt beperkt tot een zuiver financiële vergoeding.

62      Wat de evenredigheid van de sanctie betreft, moet bijzondere aandacht worden besteed aan het feit dat het onroerend goed waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure van buitengerechtelijke executie van het zekerheidsrecht betrekking heeft, de gezinswoning van de consument is.

63      Door het verlies van de gezinswoning wordt het recht van de consument namelijk niet alleen ernstig geschaad (arrest Aziz, EU:C:2013:164, punt 61), maar het gezin van de betrokken consument komt daardoor bovendien in een bijzonder kwetsbare situatie te verkeren (zie in die zin beschikking van de president van het Hof Sánchez Morcillo en Abril García, EU:C:2014:1388, punt 11).

64      Dienaangaande heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat het verlies van huisvesting een van de zwaarste inbreuken op het recht op respect voor de woning is, en dat eenieder die daar risico op loopt, de evenredigheid van een dergelijke maatregel in beginsel moet kunnen laten toetsen (zie arresten EHRM, McCann/Verenigd Koninkrijk, nr. 19009/04, § 50, 2008, en Rousk/Zweden, nr. 27183/04, § 137).

65      In het Unierecht is de eerbiediging van de woning een door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd grondrecht waarmee de verwijzende rechter bij de uitvoering van richtlijn 93/13 rekening moet houden.

66      Aangaande met name de gevolgen van de uitzetting van de consument en zijn gezin uit de woning waarin zij hun hoofdverblijf hebben, heeft het Hof reeds onderstreept dat het belangrijk is dat de bevoegde nationale rechter voorlopige maatregelen kan gelasten om een onrechtmatige procedure van hypothecaire uitwinning te schorsen of te vertragen wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk blijken ter verzekering van de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming (zie in die zin arrest Aziz, EU:C:2013:164, punt 59).

67      In casu lijkt de mogelijkheid waarover de bevoegde nationale rechter beschikt om voorlopige maatregelen te gelasten, zoals de maatregel die in punt 60 van het onderhavige arrest is beschreven, een doeltreffend en geschikt middel te kunnen vormen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen. Het staat aan de verwijzende rechter om te verifiëren of dat inderdaad het geval is.

68      Uit het voorgaande volgt dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een schuldvordering die is gebaseerd op mogelijkerwijs oneerlijke contractuele bedingen kan worden geïnd door middel van buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht op het onroerend goed van de consument, voor zover die regeling de bescherming van de door die richtlijn aan de consument verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

69      Gelet op het antwoord op het eerste deel van de eerste drie vragen, behoeft niet te worden geantwoord op het tweede deel daarvan, dat ziet op de impact van de in het arrest Simmenthal (EU:C:1978:49) ontwikkelde rechtspraak op een nationale regeling op grond waarvan een zekerheidsrecht langs buitengerechtelijke weg ten uitvoer kan worden gelegd.

 Vierde vraag

70      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument, ook al wordt in dat beding een wettelijke bepaling wordt overgenomen.

71      In dat verband moet om te beginnen in herinnering worden geroepen dat de omstandigheid dat een nationale rechter bij de formulering van de prejudiciële vraag formeel heeft verwezen naar zekere bepalingen van het recht van de Unie er niet aan in de weg staat dat het Hof deze rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of deze in zijn vragen worden genoemd. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de aspecten van Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (arrest Vicoplus e.a., C‑307/09–C‑309/09, EU:C:2011:64, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      Voorts moet worden vastgesteld dat hoewel artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet wordt genoemd, deze bepaling impliciet doch noodzakelijk wordt bedoeld in de vierde prejudiciële vraag, aangezien de verwijzende rechter uitvoerig refereert aan het feit dat bedingen in een overeenkomst waarin nationaalrechtelijke bepalingen zijn overgenomen buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen. Bijgevolg moet dit verzoek om een prejudiciële beslissing aldus worden begrepen dat het betrekking heeft op artikel 1, lid 2, van deze richtlijn.

73      Ten slotte kan het Hof volgens zijn vaste rechtspraak in het kader van de hem bij artikel 267 VWEU toebedeelde bevoegdheid tot uitlegging van het recht van de Unie de door de wetgever van de Unie gebruikte algemene criteria uitleggen teneinde het begrip oneerlijk beding te omschrijven (zie in die zin beschikking Pohotovosť, C‑76/10, EU:C:2010:685, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat echter aan de verwijzende rechter om zich, rekening houdend met die criteria en in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval, uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding. Daaruit volgt dat het Hof zich in zijn antwoord dient te beperken tot het verschaffen van aanwijzingen waarmee de verwijzende rechter wordt geacht rekening te houden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van het betrokken beding (arresten Aziz, EU:C:2013:164, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak; Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 45, en beschikking Sebestyén, C‑342/13, EU:C:2014:1857, punt 25).

74      Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt de werkingssfeer van deze richtlijn; volgens lid 2 van dat artikel zijn bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen, van die werkingssfeer uitgesloten.

75      De Slowaakse en de Duitse regering geven het Hof dienaangaande in overweging te antwoorden dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele beding inzake vrijwillige openbare verkoop buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt. De Commissie is daarentegen van mening dat deze richtlijn haar nuttige werking verliest indien een situatie als die van het hoofdgeding niet onder de richtlijn zou vallen.

76      Het Hof heeft er reeds op gewezen dat overeenkomstig artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen, van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten (zie in die zin arrest RWE Vertrieb, C‑92/11, EU:C:2013:180, punt 25).

77      Zoals elke uitzondering en gelet op het doel van deze richtlijn, namelijk de consument beschermen tegen oneerlijke bedingen in een tussen hem en een verkoper gesloten overeenkomst, moet die uitsluiting eng worden uitgelegd.

78      Uit het arrest RWE Vertrieb (EU:C:2013:180) blijkt dat voor die uitsluiting twee voorwaarden moeten zijn vervuld. Ten eerste moet in het contractuele beding een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn overgenomen en ten tweede moet het daarbij om een dwingende bepaling gaan.

79      Dienaangaande moet erop worden gewezen dat de nationale rechter bij de beoordeling of een contractueel beding buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, dient na te gaan of in dat beding bepalingen van nationaal recht zijn opgenomen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn of bepalingen die bij gebreke van een andersluidende regeling van toepassing zijn, dat wil zeggen wanneer de partijen geen andere regeling zijn overeengekomen (zie in die zin arrest RWE Vertrieb, EU:C:2013:180, punt 26).

80      Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument slechts buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt wanneer in dat contractueel beding een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling inhoudelijk is overgenomen. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of dat het geval is.

 Werking van het onderhavige arrest in de tijd

81      Voor het geval dat het Hof tot de conclusie zou komen dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht als die in het hoofdgeding verplicht moet worden voorafgegaan door rechterlijke toetsing, vraagt de Slowaakse regering het Hof om de werking van zijn arrest in de tijd te beperken.

82      Gelet op het antwoord op de eerste drie vragen, behoeft niet te worden geantwoord op deze vraag van de Slowaakse regering.

 Kosten

83      De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een schuldvordering die is gebaseerd op mogelijkerwijs oneerlijke contractuele bedingen kan worden geïnd door middel van buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht op het onroerend goed van de consument, voor zover die regeling de bescherming van de door die richtlijn aan de consument verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

2)      Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument slechts buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt wanneer in dat contractueel beding een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling inhoudelijk is overgenomen. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of dat het geval is.

ondertekeningen


* Procestaal: Slowaaks.