Language of document : ECLI:EU:C:2013:833

Zaak C‑443/12

Actavis Group PTC EHF

en

Actavis UK Ltd

tegen

Sanofi

[verzoek van de High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division (Patents Court) om een prejudiciële beslissing]

„Geneesmiddelen voor menselijk gebruik – Aanvullend beschermingscertificaat – Verordening (EG) nr. 469/2009 – Artikel 3 – Voorwaarden voor verkrijging van dit certificaat – Opeenvolgend in de handel brengen van twee geneesmiddelen die, gedeeltelijk of volledig, dezelfde werkzame stof bevatten – Samenstelling van werkzame stoffen waarvan één reeds op de markt is gebracht in de vorm van geneesmiddel met één enkele werkzame stof – Mogelijkheid om meerdere certificaten te verkrijgen op basis van eenzelfde octrooi en van twee vergunningen voor het in de handel brengen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 december 2013

1.        Harmonisatie van wetgevingen – Eenvormige wettelijke regelingen – Industriële en commerciële eigendom – Octrooirecht – Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen – Voorwaarden voor toekenning – Octrooi dat één vernieuwende werkzame stof beschermt – Opeenvolgend in de handel brengen van twee geneesmiddelen die, gedeeltelijk of volledig, deze werkzame stof bevatten – Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddel dat alleen deze werkzame stof bevat – Aanvraag voor certificaat voor geneesmiddel dat deze werkzame stof bevat in samenstelling met andere, door octrooi niet beschermde werkzame stof – Ontoelaatbaarheid

(Verordening nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, sub c]

2.        Harmonisatie van wetgevingen – Eenvormige wettelijke regelingen – Industriële en commerciële eigendom – Octrooirecht – Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen – Doel

(Verordening nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad)

1.        Artikel 3, sub c, van verordening nr. 469/2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de houder van een octrooi dat een vernieuwende werkzame stof beschermt en van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel dat deze stof als enige werkzame stof bevat, die reeds een aanvullend beschermingscertificaat voor deze werkzame stof heeft verkregen, zodat hij zich kon verzetten tegen het gebruik van deze werkzame stof alleen of in combinatie met andere werkzame stoffen, op basis van hetzelfde octrooi, maar van een latere vergunning voor het in de handel brengen van een ander geneesmiddel dat deze werkzame stof in samenstelling met een andere, als zodanig door dit octrooi niet beschermde werkzame stof bevat, een tweede aanvullend beschermingscertificaat voor deze samenstelling van werkzame stoffen verkrijgt.

Voor de toepassing van artikel 3, sub c, van deze verordening kan immers niet worden aanvaard dat de houder van een van kracht zijnd basisoctrooi een nieuw aanvullend beschermingscertificaat, eventueel met een langere geldigheidsduur, kan verkrijgen telkens wanneer hij in een lidstaat een geneesmiddel in de handel brengt dat, ten eerste, de als zodanig door zijn basisoctrooi beschermde werkzame stof, die de belangrijkste uitvinderswerkzaamheid van dit octrooi vormt, en, ten tweede, een andere, als zodanig door dit octrooi niet beschermde werkzame stof bevat.

(cf. punten 30, 43 en dictum)

2.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 31, 40, 41)