Language of document : ECLI:EU:C:2016:127

Gevoegde zaken C‑443/14 en C‑444/14

Kreis Warendorf

tegen

Ibrahim Alo

en

Amira Osso

tegen

Region Hannover

(verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht)

„Prejudiciële verwijzing – Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 – Artikelen 23 en 26 – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2011/95/EU – Normen voor de inhoud van de internationale bescherming – Subsidiairebeschermingsstatus – Artikel 29 – Sociale voorzieningen – Toegangsvoorwaarden – Artikel 33 – Vrij verkeer binnen de gastlidstaat – Begrip – Beperking – Woonverplichting in een bepaalde plaats – Ongelijke behandeling – Vergelijkbaarheid van de situaties – Evenwichtige spreiding van de budgettaire lasten over de regionale overheden – Redenen in verband met het immigratie- en integratiebeleid”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 1 maart 2016

1.        Recht van de Europese Unie – Uitlegging – Meertalige teksten – Eenvormige uitlegging – Divergentie tussen de verschillende taalversies – Inaanmerkingneming van de algemene opzet en van de doelstelling van de betrokken regeling

(Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 33)

2.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Richtlijn 2011/95 – Vrij verkeer binnen de lidstaat – Draagwijdte – Bewegingsvrijheid en vrije keuze van de verblijfplaats – Nationale regeling houdende oplegging van een woonverplichting aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus – Ontoelaatbaarheid

(Art. 78, lid 1, VWEU; Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, art. 26; richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, overwegingen 3, 4, 8, 9, 23, 24 en 39 en art. 20, lid 2, en 33

3.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Richtlijn 2011/95 – Vrij verkeer binnen de lidstaat – Draagwijdte – Bewegingsvrijheid en vrije keuze van de verblijfplaats – Nationale regeling houdende oplegging van een woonverplichting aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus die bepaalde specifieke sociale uitkeringen ontvangen – Maatregel tot redelijke spreiding van de last die voortvloeit uit de betaling van deze uitkeringen – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 29 en 33)

4.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Richtlijn 2011/95 – Vrij verkeer binnen de gastlidstaat – Nationale regeling houdende oplegging van een woonverplichting aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus die bepaalde specifieke sociale uitkeringen ontvangen – Rechtvaardiging – Integratie van de staatsburgers van derde landen in de betrokken lidstaat – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Gelijkwaardige behandeling van de staatsburgers van derde landen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden

(Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 33)

1.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 23‑27)

2.        Artikel 33 van richtlijn 2011/95 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moet aldus worden uitgelegd dat een woonverplichting voor een persoon met de subsidiairebeschermingsstatus een beperking vormt van het door dit artikel gewaarborgde vrije verkeer, zelfs wanneer deze maatregel de betrokkene niet verbiedt om zich vrij te verplaatsen op het grondgebied van de lidstaat die deze bescherming heeft verleend, en om tijdelijk op dat grondgebied te verblijven op een andere plaats dan die welke is aangewezen door de woonverplichting.

Dienaangaande geven de overwegingen 8, 9 en 39 van de genoemde richtlijn aan dat de Uniewetgever, bij het beantwoorden van de oproep in het programma van Stockholm, een uniforme status heeft willen invoeren voor alle personen die internationale bescherming genieten, en bijgevolg ervoor heeft gekozen om aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen toe te kennen als die welke vluchtelingen genieten, behalve in noodzakelijke en objectief gerechtvaardigde gevallen. Artikel 33 van richtlijn 2011/95 verduidelijkt dat het daarin bedoelde vrije verkeer wordt gewaarborgd aan personen die internationale bescherming genieten, wat betekent dat vluchtelingen en personen met de subsidiairebeschermingsstatus in dit opzicht onderworpen zijn aan dezelfde regeling.

Artikel 26 van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen waarvan de toepassing door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op basis van gemeenschappelijke begrippen en criteria wordt begunstigd door de bepalingen van de richtlijn, waarborgt aan vluchtelingen het recht op vrij verkeer, met de uitdrukkelijke bepaling dat deze vrijheid niet enkel het recht omvat zich vrij te bewegen op het grondgebied van de staat die de vluchtelingenstatus heeft toegekend, maar ook het recht van vrije keuze van de verblijfplaats op dit grondgebied. Niets wijst erop dat de Uniewetgever de keuze zou hebben gemaakt om in richtlijn 2011/95 alleen het eerste van deze rechten over te nemen, en niet het tweede. Een andere uitlegging zou inhouden dat dit recht enkel wordt gegarandeerd aan vluchtelingen en op die manier, ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling in die zin in de genoemde richtlijn, in strijd met de doelstelling een uniforme status in te voeren voor alle personen die internationale bescherming genieten, een onderscheid doet ontstaan tussen de inhoud van de bescherming die dienaangaande wordt verleend aan enerzijds vluchtelingen en anderzijds personen met de subsidiairebeschermingsstatus.

(cf. punten 28, 32, 34‑36, 40, dictum 1)

3.        Artikelen 29 en 33 van richtlijn 2011/95 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een woonverplichting voor een persoon met de subsidiairebeschermingsstatus die bepaalde specifieke sociale uitkeringen ontvangt, wanneer deze verplichting is opgelegd omwille van een redelijke spreiding van de uit de betaling van deze uitkeringen voortvloeiende last over de verschillende bevoegde instanties, indien de toepasselijke nationale regeling een dergelijke maatregel niet oplegt aan vluchtelingen, aan staatsburgers van derde landen die legaal verblijven in de betrokken lidstaat op andere dan humanitaire, politieke, of volkenrechtelijke gronden, en aan staatsburgers van deze lidstaat die de bedoelde uitkeringen ontvangen.

Enerzijds mogen, overeenkomstig artikel 33 van richtlijn 2011/95 en artikel 26 van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, dat relevant is voor de vaststelling van de reikwijdte van het vrije verkeer van personen met de subsidiairebeschermingsstatus, dergelijke begunstigden ter zake van hun verblijfplaatskeuze in beginsel immers niet worden onderworpen aan een strengere regeling dan die welke geldt voor andere staatsburgers van derde landen die legaal verblijven in de lidstaat die deze bescherming heeft verleend.

Anderzijds moeten in de twee in artikel 29 van richtlijn 2011/95 bedoelde gevallen, de toegangsvoorwaarden voor de personen met de subsidiairebeschermingsstatus tot de sociale bijstand die hen wordt geboden door de lidstaat die deze bescherming heeft verleend, dezelfde zijn als die welke gelden voor de toekenning van deze bijstand aan staatsburgers van deze lidstaat.

Een nationale regeling zou uiteraard geldig kunnen toestaan een woonverplichting op te leggen aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus zonder een dergelijke maatregel op te leggen aan vluchtelingen, aan staatsburgers van derde landen die legaal verblijven op het grondgebied van de betrokken lidstaat op andere dan humanitaire, politieke of volkenrechtelijke gronden, en aan staatsburgers van deze lidstaat, wanneer deze groepen zich niet in een objectief vergelijkbare situatie bevinden uit het oogpunt van de doelstelling van deze regeling.

Dit neemt niet weg dat de verplaatsing van personen die de genoemde uitkeringen genieten, of hun ongelijke concentratie op het grondgebied van de betrokken lidstaat een onredelijke spreiding van deze last over de verschillende bevoegde instanties tot gevolg kan hebben, zonder dat de eventuele hoedanigheid van persoon met subsidiairebeschermingsstatus in dat verband bijzonder relevant is.

(cf. punten 42‑45, 50, 54, 55, dictum 2)

4.        Artikel 33 van richtlijn 2011/95 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een woonverplichting voor een persoon met de subsidiairebeschermingsstatus die bepaalde specifieke sociale uitkeringen ontvangt, om de integratie te vergemakkelijken van de staatsburgers van derde landen in de lidstaat die deze bescherming heeft verleend, wanneer de toepasselijke nationale regeling een dergelijke maatregel niet oplegt aan staatsburgers van derde landen die legaal in deze lidstaat verblijven op andere dan humanitaire, politieke, of volkenrechtelijke gronden en bedoelde uitkeringen ontvangen, indien de personen met de subsidiairebeschermingsstatus uit het oogpunt van deze doelstelling niet in een situatie verkeren die objectief vergelijkbaar is met die van de staatsburgers van derde landen die legaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijven op andere dan humanitaire, politieke en volkenrechtelijke gronden, waarbij het aan de verwijzende rechterlijke instantie staat om te onderzoeken of dit het geval is.

Een dergelijk verschil in situatie kan worden vastgesteld wanneer de omstandigheid dat een staatsburger van een derde land die sociale bijstand ontvangt, internationale subsidiaire bescherming geniet, tot gevolg heeft dat hij meer wordt geconfronteerd met integratieproblemen dan een andere staatsburger van een derde land die legaal in de lidstaat verblijft en er sociale bijstand ontvangt.

Dit kan in het bijzonder het geval zijn indien wegens een nationale regel die bepaalt dat het verblijf van staatsburgers van derde landen die legaal in deze lidstaat verblijven op andere dan humanitaire, politieke of volkenrechtelijke gronden in het algemeen onderworpen is aan de voorwaarde dat deze in staat moeten zijn in hun eigen onderhoud te voorzien, deze staatsburgers slechts in aanmerking komen voor sociale bijstand na een ononderbroken legaal verblijf van een bepaalde duur op het grondgebied van de gastlidstaat. Een dergelijk verblijf kan immers het vermoeden doen ontstaan dat de staatsburgers van de betrokken derde landen voldoende in deze lidstaat zijn geïntegreerd, waardoor zij niet in een vergelijkbare situatie verkeren als personen die internationale bescherming genieten, uit het oogpunt van de doelstelling die erin bestaat de integratie van onderdanen van derde landen te vergemakkelijken.

(cf. punten 62‑64, dictum 3)