Language of document :

Beroep ingesteld op 23 mei 2017 – Europese Commissie / Roemenië

(Zaak C-301/17)

Procestaal: Roemeens

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Nicolae, E. Sanfrutos Cano, gemachtigden)

Verwerende partij: Roemenië

Conclusies

vaststellen, overeenkomstig artikel 258 VWEU, dat Roemenië, door met betrekking tot 68 stortplaatsen niet te voldoen aan de verplichting om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 14, onder b), juncto artikel 13 van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen;

Roemenië verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het door de Europese Commissie tegen Roemenië ingestelde beroep betreft de niet-nakoming door Roemenië van de krachtens artikel 14, onder b), juncto artikel 13 van richtlijn 1999/31 op hem rustende verplichtingen met betrekking tot 68 stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend en die derhalve overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van de richtlijn moesten worden gesloten.

De Commissie betoogt dat artikel 14 van richtlijn 1999/31 voorziet in een afwijkende overgangsregeling voor stortplaatsen waarvoor een vergunning was verleend of die op het tijdstip van de omzetting van de richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik waren, om die stortplaatsen uiterlijk op 16 juli 2009 in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van dezelfde richtlijn vastgestelde nieuwe milieueisen. Volgens artikel 14, onder b), beslissen de bevoegde autoriteiten na de presentatie van het aanpassingsplan, op basis van dat aanpassingsplan en deze richtlijn, definitief of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13.

Volgens artikel 13 wordt een stortplaats of een gedeelte daarvan pas als definitief gesloten beschouwd, wanneer de bevoegde autoriteit ter plaatse een eindinspectie heeft uitgevoerd, alle verslagen van de exploitant heeft beoordeeld en aan de exploitant heeft meegedeeld dat zij de sluiting goedkeurt.

Wat de in het beroep nader omschreven 68 stortplaatsen betreft, is de Commissie van mening dat Roemenië geen gegevens heeft verstrekt aan de hand waarvan zij kan nagaan of die stortplaatsen niet langer in gebruik zijn en bovendien daadwerkelijk zijn gesloten overeenkomstig de eisen van richtlijn 1999/31. De Commissie betoogt in dit verband dat Roemenië zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet kan beroepen op zuiver interne situaties, zoals de insolventie van de exploitanten, geschillen omtrent eigendomsrechten, het verloop van administratieve procedures of de verantwoordelijkheid van de plaatselijke autoriteiten.

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 16 juli 2009 verstreken.

____________