Language of document : ECLI:EU:C:2017:458

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

14 juni 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten – Verordening (EU) nr. 1308/2013 – Artikel 78 en bijlage VII, deel III – Besluit 2010/791/EU – Definities, aanduidingen en verkoopbenamingen – ‚Melk’ en ‚Zuivelproducten’ – Benamingen gebruikt voor de afzetbevordering en de afzet van zuiver plantaardige levensmiddelen”

In zaak C‑422/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Trier (rechter in eerste aanleg Trier, Duitsland) bij beslissing van 28 juli 2016, ingekomen bij het Hof op 1 augustus 2016, in de procedure

Verband Sozialer Wettbewerb eV

tegen

TofuTown.com GmbH,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, A. Rosas en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        TofuTown.com GmbH, vertegenwoordigd door M. Beuger, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door K. Stranz en T. Henze als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos en O. Tsirkinidou als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. X. P. Lewis en D. Triantafyllou als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 78, lid 2, van en bijlage VII, deel III, punten 1 en 2, bij verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Verband Sozialer Wettbewerb eV (hierna: „VSW”) en TofuTown.com GmbH (hierna: „TofuTown”) over een door VSW ingediende vordering tot staking.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 1308/2013

3        Overwegingen 64 en 76 van verordening nr. 1308/2013 luiden als volgt:

„(64)            De toepassing van normen voor de afzet van landbouwproducten kan helpen de economische voorwaarden voor de productie en afzet van deze producten en de kwaliteit van de producten te verbeteren. De toepassing van dergelijke normen is dan ook in het belang van producenten, handelaren en consumenten.

[...]

(76)      Van bepaalde sectoren en/of producten zijn definities, aanduidingen en verkoopbenamingen een belangrijk element voor de vaststelling van de mededingingsvoorwaarden. Het is dan ook dienstig voor die sectoren en producten definities, aanduidingen en verkoopbenamingen vast te stellen die in de Unie uitsluitend mogen worden gebruikt voor de afzet van producten die aan de overeenkomstige eisen voldoen.”

4        In deel II van die verordening, dat de interne markt betreft, is er een titel II welke betrekking heeft op de voorschriften betreffende de afzet en de producentenorganisaties. Hoofdstuk I, afdeling 1, onderafdeling 2, van die titel draagt als opschrift „Sector- of productspecifieke handelsnormen” en bevat de artikelen 74 tot en met 83.

5        Artikel 78 van verordening nr. 1308/2013, met als opschrift „Definities, aanduidingen en verkoopbenamingen voor bepaalde sectoren en producten”, bepaalt:

„1.      Naast de toepasselijke handelsnormen, in voorkomend geval, gelden de in bijlage VII opgenomen definities, aanduidingen en verkoopbenamingen voor de volgende sectoren of producten:

[...]

c)      melk en zuivelproducten voor menselijke consumptie;

[...]

2.      De in bijlage VII opgenomen definitie, aanduiding of verkoopbenaming mag in de Unie uitsluitend worden gebruikt voor het afzetten van een product dat voldoet aan de overeenkomstige in die bijlage vastgestelde eisen.

3.      De Commissie is bevoegd om [...] gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijzigingen, afwijkingen of vrijstellingen van de in bijlage VII opgenomen definities en verkoopbenamingen. Die gedelegeerde handelingen hebben uitsluitend betrekking op de aangetoonde behoeften die voortvloeien uit de evoluerende vraag van de consument, technische vooruitgang of de behoeften aan productinnovatie.

[...]

5.      Teneinde rekening te houden met de verwachtingen van de consumenten en met de ontwikkeling van de zuivelsector, is de Commissie bevoegd om [...] gedelegeerde handelingen vast te stellen om de zuivelproducten te bepalen waarvoor moet worden vermeld van welke diersoort de melk afkomstig is, indien zij niet afkomstig is van runderen, en om de nodige voorschriften vast te stellen.”

6        Onderafdeling 5 van deel II, titel II, hoofdstuk I, van verordening nr. 1308/2013 heeft als opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen”. Artikel 91 van die verordening, dat is opgenomen in deze onderafdeling 5, luidt:

„De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin:

a)      de lijst wordt opgesteld van de melk- en zuivelproducten, bedoeld in bijlage VII, deel III, punt 5, tweede alinea, [...] op basis van de door de lidstaten aan de Commissie toe te sturen indicatieve lijsten van producten die volgens de lidstaten, op hun grondgebied, overeenstemmen met deze bepalin[g];

[...]”

7        Bijlage VII bij die verordening draagt als opschrift „Definities, aanduidingen en verkoopbenamingen van producten, bedoeld in artikel 78”. In de aanhef ervan preciseert die bijlage dat met het oog op de toepassing van deze bijlage de bewoording „verkoopbenaming” met name verwijst naar „de naam van het levensmiddel in de zin van artikel 17 van verordening (EU) nr. 1169/2011 [van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, richtlijn 90/496/EEG van de Raad, richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB 2011, L 304, blz. 18)]”.

8        Deel III van die bijlage VII heeft als opschrift „Melk en zuivelproducten” en bepaalt:

„1.      Onder ‚melk’ wordt uitsluitend verstaan: het product dat normaal door de melkklieren wordt afgescheiden en bij één of meer melkbeurten is verkregen, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken.

De benaming ‚melk’ mag evenwel tevens worden gebruikt:

a)      voor melk die een behandeling heeft ondergaan waardoor de samenstelling niet wordt gewijzigd of voor melk waarvan het vetgehalte [...] is gestandaardiseerd;

b)      samen met één of meer woorden, om het type, de kwaliteitsklasse, de oorsprong en/of het voorgenomen gebruik van de melk aan te geven, of om de fysieke behandeling te omschrijven waaraan de melk is onderworpen of de wijzigingen in de samenstelling die de melk heeft ondergaan, mits deze wijzigingen beperkt blijven tot het toevoegen en/of het onttrekken van natuurlijke melkbestanddelen aan de melk.

2.      Met het oog op de toepassing van dit deel wordt onder ‚zuivelproducten’ verstaan: producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk.

Voor zuivelproducten mogen uitsluitend de onderstaande benamingen worden gebruikt:

a)      de volgende benamingen, die in alle handelsstadia worden gebruikt:

i)      wei,

ii)      room,

iii)      boter,

iv)      karnemelk of botermelk,

[...]

viii)      kaas,

ix)      yoghurt,

[...]

b)      benamingen in de zin van [...] artikel 17 van [verordening nr. 1169/2011] die daadwerkelijk voor zuivelproducten worden gebruikt.

3.      De benaming ‚melk’ en de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen mogen eveneens worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product.

4.      Wat melk betreft, moet worden vermeld van welke diersoort de melk afkomstig is, indien zij niet afkomstig is van runderen.

5.      De in de punten 1, 2 en 3 bedoelde benamingen mogen niet voor andere dan de in die punten bedoelde producten worden gebruikt.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de benaming van producten waarvan de precieze aard op grond van traditioneel gebruik duidelijk is, en/of wanneer duidelijk is dat de benamingen bedoeld zijn om een kenmerkende eigenschap van het product te omschrijven.

6.      Voor andere dan de in de punten 1, 2 en 3 van dit deel bedoelde producten mogen geen etiketten, handelsdocumenten, reclamemateriaal of enige vorm van reclame [...] of enige vorm van presentatie worden gebruikt waarmee wordt aangegeven, geïmpliceerd of gesuggereerd dat het betrokken product een zuivelproduct is.

[...]”

9        De bepalingen van bijlage VII, deel III, bij verordening nr. 1308/2013 herhalen, zonder inhoudelijke wijziging, de bepalingen die eerder waren opgenomen in bijlage XII bij verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (PB 2007, L 299, blz. 1), welke, zonder inhoudelijke wijziging, de bepalingen had overgenomen van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (PB 1987, L 182, blz. 36).

 Besluit 2010/791/EU

10      Volgens artikel 1 van besluit 2010/791/EU van de Commissie van 20 december 2010 tot vaststelling van de lijst van producten bedoeld in punt III.1, tweede alinea, van bijlage XII bij verordening nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2010, L 336, blz. 55), zijn in bijlage I bij dit besluit de producten opgenomen die op het grondgebied van de Unie overeenkomen met de in die bepaling bedoelde producten.

11      Overweging 3 van dat besluit preciseert:

„De lidstaten moeten de Commissie de indicatieve lijst meedelen van de producten die naar hun oordeel, op hun grondgebied, aan de criteria van de [...] uitzondering beantwoorden [...] In die lijst moeten de benamingen van de betrokken producten worden opgenomen zoals zij traditioneel in de onderscheiden talen van de Unie worden gebruikt, zodat die benamingen in alle lidstaten kunnen worden gebruikt [...]”

12      Overeenkomstig artikel 230, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van verordening nr. 1308/2013 werd verordening nr. 1234/2007 ingetrokken door die eerste verordening, en verwijzingen naar verordening nr. 1234/2007 gelden als verwijzingen naar verordening nr. 1308/2013. In besluit 2010/791 zijn dus de producten opgenomen bedoeld in bijlage VII, deel III, punt 5, tweede alinea, bij die laatste verordening.

 Verordening nr. 1169/2011

13      Artikel 17 van verordening nr. 1169/2011, met als opschrift „Benaming van het levensmiddel”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De benaming van het levensmiddel is zijn wettelijke benaming. Bij ontstentenis van een dergelijke benaming is de benaming van het levensmiddel zijn gebruikelijke benaming of, als er geen gebruikelijke benaming bestaat of de gebruikelijke benaming niet wordt gebruikt, wordt een beschrijvende benaming van het levensmiddel gegeven.”

 Duits recht

14      Het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (Duitse wet inzake oneerlijke mededinging), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt in § 3a:

„Eenieder die handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren, maakt zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk voor zover de inbreuk de belangen van consumenten, andere marktdeelnemers of concurrenten wezenlijk kan aantasten.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      VSW is een Duitse vereniging die als taak onder meer de bestrijding van de oneerlijke mededinging heeft. TofuTown is een vennootschap actief in de vervaardiging en distributie van vegetarische/veganistische levensmiddelen. Zij promoot en distribueert met name zuiver plantaardige producten onder de benamingen „Soyatoo Tofubutter”, „Pflanzenkäse”, „Veggie-Cheese”, „Cream” en andere gelijkaardige benamingen.

16      Omdat VSW meent dat TofuTowns afzetbevordering inzake deze zuiver plantaardige producten in strijd is met de mededingingsregels, heeft zij voor het Landgericht Trier (rechter in eerste aanleg Trier, Duitsland) tegen die vennootschap een vordering tot staking ingesteld, waarbij zij zich beriep op een schending van §3a van de wet inzake oneerlijke mededinging, gelezen in samenhang met bijlage VII, deel III, punten 1 en 2, bij en artikel 78 van verordening nr. 1308/2013.

17      TofuTown betoogt daarentegen dat de door haar gevoerde reclame voor de plantaardige producten met de betrokken benamingen geen inbreuk vormt op die bepalingen van Unierecht, gelet op het feit dat de wijze waarop de consument deze benamingen begrijpt de laatste jaren aanzienlijk is gewijzigd, en zij bovendien de benamingen zoals „boter” of „cream” niet afzonderlijk gebruikt, maar steeds in verbinding met termen die verwijzen naar de plantaardige herkomst van de betrokken producten, zoals „tofuboter” of „rice spray cream”.

18      De verwijzende rechter verwijst naar het arrest van 16 december 1999, UDL (C‑101/98, EU:C:1999:615), waarin het Hof in wezen heeft geoordeeld dat verordening nr. 1898/87 zich verzette tegen het gebruik van de benaming „kaas” voor een zuivelproduct waarin het melkvet door plantaardig vet is vervangen, zelfs wanneer deze benaming is aangevuld met beschrijvingen. Desondanks twijfelt hij nog over de uitlegging die aan artikel 78 van verordening nr. 1308/2013, gelezen in samenhang met bijlage VII, deel III, punten 1 en 2, bij die verordening, moet worden gegeven om het aan hem voorgelegde geding te kunnen beslechten.

19      Daarom heeft het Landgericht Trier beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Kan artikel 78, lid 2, van verordening nr. 1308/2003 aldus worden uitgelegd dat de in bijlage VII opgenomen definities, aanduidingen en verkoopbenamingen niet moeten voldoen aan de overeenkomstige in die bijlage vastgestelde eisen, wanneer de betrokken definities, aanduidingen of verkoopbenamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen (zoals ‚tofuboter’ voor een zuiver plantaardig product)?

2)      Dient bijlage VII, deel III, punt 1, bij verordening nr. 1308/2013 aldus te worden uitgelegd dat de benaming ‚melk’ uitsluitend is voorbehouden aan het product dat normaal door de melkklieren wordt afgescheiden en bij één of meer melkbeurten is verkregen, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken, of mag de benaming ‚melk’ – in voorkomend geval met toevoeging van toelichtende begrippen zoals ‚sojamelk’ – ook voor plantaardige (veganistische) producten worden gebruikt bij de afzet ervan?

3)      Dient bijlage VII, deel III, punt 2, met betrekking tot artikel 78 van verordening nr. 1308/2013 aldus te worden uitgelegd dat de aldaar onder punt 2, a), vermelde benamingen, zoals met name ‚wei’, ‚room’ [‚Rahm’ in het Duits], ‚boter’, ‚karnemelk’ of ‚kaas’, ‚yoghurt’, of het begrip ‚slagroom’ [‚Sahne’ in het Duits] enz., uitsluitend aan zuivelproducten zijn voorbehouden, of kunnen ook zuiver plantaardige/veganistische producten, die zonder melk (van dierlijke oorsprong) zijn geproduceerd, binnen de werkingssfeer van bijlage VII, deel III, punt 2, bij verordening nr. 1308/2013 vallen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

20      Met zijn drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 78, lid 2, van en bijlage VII, deel III, bij verordening nr. 1308/2013 aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de benaming „melk” en de door deze verordening uitsluitend aan zuivelproducten voorbehouden benamingen, worden gebruikt om bij de afzet of in reclame een zuiver plantaardig product aan te duiden, zelfs wanneer deze benamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product.

21      Volgens artikel 78, lid 2, van die verordening mag de in bijlage VII bij deze verordening opgenomen definitie, aanduiding of verkoopbenaming in de Unie uitsluitend worden gebruikt voor het afzetten van een product dat voldoet aan de overeenkomstige in die bijlage vastgestelde eisen.

22      Deel III van die bijlage VII heeft betrekking op melk en zuivelproducten. Wat melk betreft, bepaalt dit deel III, in punt 1, eerste alinea, ervan, dat onder „melk” uitsluitend wordt verstaan: „het product dat normaal door de melkklieren wordt afgescheiden en bij één of meer melkbeurten is verkregen, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken”. De tweede alinea van dit punt preciseert echter onder a) dat de benaming „melk” tevens mag worden gebruikt voor „melk die een behandeling heeft ondergaan waardoor de samenstelling niet wordt gewijzigd of voor melk waarvan het vetgehalte [...] is gestandaardiseerd”, en, onder b), dat deze benaming mag worden gebruikt „samen met één of meer woorden, om het type, de kwaliteitsklasse, de oorsprong en/of het voorgenomen gebruik van de melk aan te geven, of om de fysieke behandeling te omschrijven waaraan de melk is onderworpen of de wijzigingen in de samenstelling die de melk heeft ondergaan, mits deze wijzigingen beperkt blijven tot het toevoegen en/of het onttrekken van natuurlijke melkbestanddelen aan de melk”.

23      Uit de bewoordingen van dit punt 1 blijkt dus duidelijk dat de benaming „melk” in beginsel niet wettelijk kan worden gebruikt om een zuiver plantaardig product aan te duiden, nu melk in de zin van deze bepaling een product van dierlijke oorsprong is, zoals ook blijkt uit bijlage VII, deel III, punt 4, bij verordening nr. 1308/2013, waarin is bepaald dat wat melk betreft moet worden vermeld van welke diersoort de melk afkomstig is indien zij niet van runderen afkomstig is, en uit artikel 78, lid 5, van die verordening, waarin de Commissie de bevoegdheid wordt toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om de zuivelproducten te bepalen waarvoor moet worden vermeld van welke diersoort de melk afkomstig is, indien zij niet afkomstig is van runderen.

24      Bovendien volgt uit deze bewoordingen dat verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product, zoals in het onderhavige geval „soja-” of „tofu-”, niet behoren tot de termen die op grond van dat punt 1, tweede alinea, onder b), samen met de benaming „melk” kunnen worden gebruikt, gelet op het feit dat de wijzigingen van de samenstelling van de melk waarop deze aanvullende bewoordingen kunnen wijzen, op grond van deze bepaling beperkt zijn tot de toevoeging en/of onttrekking van de natuurlijke bestanddelen ervan. De volledige vervanging van de melk door een zuiver plantaardig product behoort daar niet toe.

25      Wat zuivelproducten betreft, bepaalt bijlage VII, deel III, punt 2, bij verordening nr. 1308/2013 in de eerste alinea dat onder „zuivelproducten” wordt verstaan: „producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk”. De tweede alinea van dat punt preciseert bovendien dat „voor zuivelproducten uitsluitend” mogen worden gebruikt, om te beginnen de benamingen die in alle handelsstadia worden gebruikt en die in deze bepaling zijn opgesomd onder a), waarbij deze opsomming de benamingen „wei”, „room”, „boter”, „karnemelk of botermelk”, „kaas” en „yoghurt” bevat, en voorts onder meer de benamingen in de zin van artikel 17 van verordening nr. 1169/2011 „die daadwerkelijk voor zuivelproducten worden gebruikt”.

26      Uit de bewoordingen van dit punt 2 blijkt dus dat een „zuivelproduct”, dat uitsluitend uit melk wordt verkregen, de bestanddelen ervan moet bevatten. In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een zuivelproduct waarvan een bestanddeel van de melk, zij het slechts gedeeltelijk, is vervangen, niet mag worden aangeduid met een van de benamingen genoemd in bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea, onder a), bij verordening nr. 1308/2013 (zie in deze zin arrest van 16 december 1999, UDL, C‑101/98, EU:C:1999:615, punten 20‑22). A fortiori geldt dit in beginsel voor een zuiver plantaardig product, nu een dergelijk product per definitie geen enkel bestanddeel van melk bevat.

27      Bijgevolg kunnen de in bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea, onder a), bij die verordening opgesomde benamingen, zoals „wei”, „room”, „boter”, „kaas” en „yoghurt”, die door de verwijzende rechter worden vermeld, in beginsel niet wettelijk worden gebruikt om een zuiver plantaardig product aan te duiden.

28      Ingevolge bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea, onder b), bij diezelfde verordening dringt eenzelfde verbod zich op voor de benamingen in de zin van artikel 17 van verordening nr. 1169/2011 die daadwerkelijk voor zuivelproducten worden gebruikt. In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat overeenkomstig dit artikel 17, lid 1, de benaming van het levensmiddel zijn wettelijke benaming is of, bij ontstentenis van een dergelijke benaming, zijn gebruikelijke benaming of nog, als er geen gebruikelijke benaming bestaat of de gebruikelijke benaming niet wordt gebruikt, een beschrijvende benaming.

29      Hoewel de Duitse term „Sahne” – die door de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing werd onderscheiden van de term „Rahm”, die is opgenomen in bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea, onder a), ii), bij verordening nr. 1308/2013 – net zoals de Franse term „chantilly” niet is vermeld onder de benamingen van zuivelproducten die in bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea, onder a), bij verordening nr. 1308/2013 zijn opgenomen, staat het vast dat deze term duidt op room die geklutst of opgeklopt kan zijn.

30      Het betreft dus een benaming in de zin van artikel 17 van verordening nr. 1169/2011 die daadwerkelijk voor een zuivelproduct wordt gebruikt. Bijgevolg kan ook die term in beginsel niet wettelijk worden gebruikt om een zuiver plantaardig product aan te duiden.

31      Wat de vraag betreft, of het voor de beoordeling of de benaming „melk” of de benamingen die uitsluitend voor zuivelproducten mogen worden gebruikt volgens verordening nr. 1308/2013, wettelijk kunnen worden gebruikt om een zuiver plantaardig product aan te duiden, eventueel relevant is dat verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen worden toegevoegd die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product, zoals de door de verwijzende rechter vermelde „soja-” of „tofu-”, zij opgemerkt dat bijlage VII, deel III, punt 3, bij die verordening bepaalt dat „[d]e benaming ‚melk’ en de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen [...] eveneens [mogen] worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product”.

32      Aan deze voorwaarden wordt echter niet voldaan door zuiver plantaardige producten, aangezien dergelijke producten geen melk of zuivelproducten bevatten. Dat punt 3 kan bij de aanduiding van een zuiver plantaardig product dus niet dienen als basis voor een wettelijk gebruik van de benaming „melk” of de benamingen die uitsluitend zijn voorbehouden aan zuivelproducten, samen met één of meerdere verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product.

33      Bovendien, hoewel volgens bijlage VII, deel III, punt 5, eerste alinea, bij verordening nr. 1308/2013 de in de punten 1, 2 en 3 van dat deel III bedoelde benamingen niet voor andere dan de in die punten bedoelde producten mogen worden gebruikt, bepaalt de tweede alinea van dat punt 5 echter dat „die eerste alinea niet van toepassing [is] op de benaming van producten waarvan de precieze aard op grond van traditioneel gebruik duidelijk is, en/of wanneer duidelijk is dat de benamingen bedoeld zijn om een kenmerkende eigenschap van het product te omschrijven”.

34      De door deze laatste bepaling bedoelde lijst producten werd, in toepassing van artikel 121, onder b), i), van verordening nr. 1234/2007, dat in wezen artikel 91, eerste alinea, onder a), van verordening nr. 1308/2013 is geworden, vastgesteld in bijlage I bij besluit 2010/791. Derhalve vallen alleen de in die bijlage opgesomde producten onder de in die tweede alinea bepaalde uitzondering.

35      In het onderhavige geval dient te worden opgemerkt dat die lijst geen verwijzing naar soja of tofu bevat.

36      Bovendien, ofschoon die lijst in de Franse taalversie het product „crème de riz” vermeldt, is dit niet het geval in de Engelse taalversie voor het product „rice spray cream”, dat door de verwijzende rechter wordt genoemd als een van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten, en zelfs niet voor het product „rice cream”. In dat verband dient te worden benadrukt dat uit overweging 3 van besluit 2010/791 in wezen blijkt dat in de bij dit besluit vastgestelde lijst de producten zijn opgenomen waarvan de lidstaten menen dat zij op hun respectieve grondgebieden beantwoorden aan de criteria neergelegd in bijlage VII, deel III, punt 5, tweede alinea, bij verordening nr. 1308/2013, en dat de benamingen van de betrokken producten zijn opgesomd volgens hun traditionele gebruik in de verschillende talen van de Unie. Derhalve impliceert het feit dat de benaming „crème de riz” in de Franse taalversie werd geacht aan die criteria te voldoen, niet dat de benaming „rice cream” er eveneens aan voldoet.

37      Daarenboven dient te worden opgemerkt dat, ofschoon uit die lijst voortvloeit dat het gebruik van de term „cream” samen met een aanvullende term onder bepaalde voorwaarden is toegelaten voor de benaming van een product, met name om gedistilleerde dranken of soepen aan te duiden, aan geen enkele van deze voorwaarden blijkt voldaan te zijn door een benaming als die van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde „rice spray cream”. In dezelfde zin is het gebruik van de term „creamed” bij de benaming van een plantaardig product slechts toegelaten wanneer „‚creamed’ verwijst naar de kenmerkende textuur van het product”.

38      Aldus blijkt dat geen enkele van de door de verwijzende rechter als voorbeeld genoemde producten op die lijst is opgenomen, en dat bijgevolg geen enkele van de door hem vermelde benamingen valt onder de uitzondering van bijlage VII, deel III, punt 5, tweede alinea, bij verordening nr. 1308/2013, wat hij desalniettemin dient na te gaan voor elk in het hoofdgeding aan de orde zijnde product.

39      Bovendien bepaalt artikel 78, lid 3, van verordening nr. 1308/2013 dat, om te voorzien in de aangetoonde behoeften die voortvloeien uit de evoluerende vraag van de consument, technische vooruitgang of de behoeften aan productinnovatie, de Commissie bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijzigingen, afwijkingen of vrijstellingen van de in bijlage VII bij die verordening opgenomen definities en verkoopbenamingen. Een dergelijke handeling werd met betrekking tot definities en verkoopbenamingen van melk en zuivelproducten tot op heden door de Commissie echter nog niet vastgesteld.

40      Uit het voorgaande volgt dat de benaming „melk” en de benamingen die uitsluitend aan zuivelproducten zijn voorbehouden, niet wettelijk mogen worden gebruikt om een zuiver plantaardig product aan te duiden, tenzij dat product is vermeld op de lijst in bijlage I bij besluit 2010/791. De vermelding van verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product, zoals die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, heeft geen invloed op een dergelijk verbod (zie in deze zin arrest van 16 december 1999, UDL, C‑101/98, EU:C:1999:615, punten 25‑28).

41      Bovendien blijkt uit een gezamenlijke lezing van artikel 78, lid 2, van en bijlage VII, deel III, punt 6, eerste alinea, bij verordening nr. 1308/2013 dat dit verbod zowel geldt voor de afzet als voor de reclame.

42      In tegenstelling tot wat TofuTown beweert, wordt de in de punten 40 en 41 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging gestaafd door de doelstellingen van die verordening, en druist zij niet in tegen het evenredigheidsbeginsel of het beginsel van gelijke behandeling.

43      Zoals blijkt uit de overwegingen 64 en 76 van dezelfde verordening, bestaan de door de betrokken bepalingen nagestreefde doelstellingen met name in het verbeteren van de economische voorwaarden voor de productie en afzet van de producten en de kwaliteit van de producten in het belang van producenten, handelaren en consumenten, het beschermen van de consument, en het bewaren van de mededingingsvoorwaarden. Die bepalingen, voor zover zij bepalen dat alleen de producten die beantwoorden aan de daarin gestelde vereisten met de benaming „melk” en de uitsluitend aan zuivelproducten voorbehouden benamingen kunnen worden aangeduid, zelfs wanneer deze benamingen door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen als in het hoofdgeding worden vervolledigd, dragen bij aan de verwezenlijking van deze doelstellingen.

44      Bij gebrek van een dergelijke beperking, zouden deze benamingen het immers niet meer mogelijk maken om op een sluitende manier de producten te identificeren die de bijzondere kenmerken bezitten welke met de natuurlijke samenstelling van dierlijke melk verband houden, wat in tegenspraak zou zijn met de bescherming van de consument gelet op het verwarringsgevaar dat zou worden gecreëerd. Dit zou tevens indruisen tegen de doelstelling de economische voorwaarden voor de productie en de afzet, alsook de kwaliteit van „melk” en „zuivelproducten” te helpen verbeteren.

45      Het evenredigheidsbeginsel vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie passend zijn om de met de betrokken regeling nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken, en niet buiten de grenzen treden van wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die doelstellingen, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelen (zie in die zin arresten van 16 december 1999, UDL, C‑101/98, EU:C:1999:615, punt 30, en 17 maart 2011, AJD Tuna, C‑221/09, EU:C:2011:153, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Aangezien de Uniewetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid die in overeenstemming is met de hem bij de artikelen 40 tot en met 43 VWEU toegekende politieke verantwoordelijkheden, kan een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onregelmatig zijn wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter verwezenlijking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie in deze zin arresten van 16 december 1999, UDL, C‑101/98, EU:C:1999:615, punt 31, en 17 oktober 2013, Schaible, C‑101/12, EU:C:2013:661, punt 48).

47      Zoals reeds is opgemerkt in punt 43 van het onderhavige arrest, hebben in casu de bepalingen waarvan de verwijzende rechter om uitlegging vraagt, tot doel de economische voorwaarden voor de productie en de afzet, alsook de kwaliteit van de betrokken producten te helpen verbeteren, de consument te beschermen, en de mededingingsvoorwaarden te bewaren.

48      Het feit dat slechts voor de producten die in overeenstemming zijn met de vereisten van bijlage VII, deel III, bij verordening nr. 1308/2013, de mogelijkheid wordt geboden om bij de afzet of in reclame de benaming „melk” en de uitsluitend aan zuivelproducten voorbehouden benamingen te gebruiken, biedt met name aan de fabrikanten van die producten de garantie van onvervalste mededingingsvoorwaarden, en aan de consumenten van deze producten de garantie dat de met deze benamingen aangeduide producten allen beantwoorden aan dezelfde kwaliteitsnormen, waarbij de consumenten tegelijkertijd worden beschermd tegen iedere verwarring wat betreft de samenstelling van de producten die zij wensen te kopen. De betrokken bepalingen zijn dus geschikt om deze doelstellingen te verwezenlijken. Bovendien gaan zij niet verder dat wat noodzakelijk is om deze te verwezenlijken, aangezien de toevoeging van verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen voor de aanduiding van producten die niet beantwoorden aan deze vereisten, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, niet met zekerheid iedere verwarring bij de consument kan verhinderen Bijgevolg schenden de betrokken bepalingen het evenredigheidsbeginsel niet (zie in deze zin arrest van 16 december 1999, UDL, C‑101/98, EU:C:1999:615, punten 32‑34).

49      Het beginsel van gelijke behandeling vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 6 december 2005, ABNA e.a., C‑453/03, C‑11/04, C‑12/04 en C‑194/04, EU:C:2005:741, punt 63, en in die zin arrest van 30 juni 2016, Lidl, C‑134/15, EU:C:2016:498, punt 46).

50      Het feit dat, volgens TofuTown, producenten van vegetarische of veganistische vlees- of visvervangers inzake het gebruik van verkoopbenamingen in casu niet zijn onderworpen aan beperkingen die vergelijkbaar zijn met die waaraan de producenten van vegetarische of veganistische melk- of zuivelproductenvervangers krachtens bijlage VII, deel III, bij verordening nr. 1308/2013 zijn onderworpen, kan niet worden geacht in tegenspraak te zijn met het beginsel van gelijke behandeling.

51      Elke bij die verordening vastgestelde sector van de gemeenschappelijke ordening voor landbouwproducten heeft specificiteiten die hem eigen zijn. Hieruit volgt dat aan een vergelijking van de voor de regeling van de verschillende marktsectoren aangewende technieken geen deugdelijk argument kan worden ontleend ten betoge dat er sprake is van een ongelijke behandeling tussen uiteenlopende producten waarvoor verschillende regels gelden (zie in die zin arresten van 28 oktober 1982, Lion e.a., 292/81 en 293/81, EU:C:1982:375, punt 24, en 30 juni 2016, Lidl, C‑134/15, EU:C:2016:498, punt 49). Melk en zuivelproducten vallen binnen een andere sector dan die van de verschillende vleessoorten en de sector voor visserijproducten, welke zelfs vallen binnen een andere gemeenschappelijke marktordening.

52      Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 78, lid 2, van en bijlage VII, deel III, bij verordening nr. 1308/2013 aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de benaming „melk” en de door deze verordening uitsluitend aan zuivelproducten voorbehouden benamingen, worden gebruikt om bij de afzet of in reclame een zuiver plantaardig product aan te duiden, zelfs wanneer deze benamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product, tenzij dit product is vermeld in bijlage I bij besluit 2010/791.

 Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 78, lid 2, van en bijlage VII, deel III, bij verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de benaming „melk” en de door deze verordening uitsluitend aan zuivelproducten voorbehouden benamingen, worden gebruikt om bij de afzet of in reclame een zuiver plantaardig product aan te duiden, zelfs wanneer deze benamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product, tenzij dit product is vermeld in bijlage I bij besluit 2010/791/EU van de Commissie van 20 december 2010 tot vaststelling van de lijst van producten bedoeld in punt III.1, tweede alinea, van bijlage XII bij verordening nr. 1234/2007 van de Raad.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.