Language of document : ECLI:EU:C:2008:179

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

1 april 2008 (*)

„Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78/EG – Nabestaandenuitkering uit hoofde van verplichte beroepspensioenregeling – Begrip ‚beloning’ – Weigering wegens ontbreken van huwelijk – Partners van gelijk geslacht – Discriminatie op grond van seksuele geaardheid”

In zaak C‑267/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bayerische Verwaltungsgericht München (Duitsland) bij beslissing van 1 juni 2006, ingekomen bij het Hof op 20 juni 2006, in de procedure

Tadao Maruko

tegen

Versorgungsanstalt der deutschen Bühnen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts en L. Bay Larsen, kamerpresidenten, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris, J. Klučka (rapporteur), A. Ó Caoimh, P. Lindh en J.‑C. Bonichot, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: J. Swedenborg, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 juni 2007,

gelet op de opmerkingen van:

–        T. Maruko, vertegenwoordigd door H. Graupner, R. Wintemute en M. Bruns, Rechtsanwälte,

–        de Versorgungsanstalt der deutschen Bühnen, vertegenwoordigd door C. Draws en P. Rammert als gemachtigden, bijgestaan door A. Bartosch en T. Grupp, Rechtsanwälte,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels als gemachtigde,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Jackson als gemachtigde, bijgestaan door T. Ward, barrister,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Enegren en I. Kaufmann-Bühler als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, artikel 2, lid 2, sub a en b‑i, en artikel 3, leden 1, sub c, en 3, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen T. Maruko en de Versorgungsanstalt der deutschen Bühnen (uitkeringsinstantie voor de Duitse theaters; hierna: „VddB”) over de weigering van deze instantie om Maruko een weduwnaarspensioen toe te kennen uit hoofde van de nabestaandenuitkeringen als voorzien in de verplichte beroepspensioenregeling waarvoor zijn overleden levenspartner was verzekerd.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        In de punten 13 en 22 van de considerans van richtlijn 2000/78 wordt het volgende overwogen:

„(13) Deze richtlijn is niet van toepassing op regelingen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming waarvan de voordelen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die aan dat woord wordt gegeven bij de toepassing van artikel 141 van het EG-Verdrag noch op enige vorm van uitkering, door de staat verstrekt ter bevordering van de toegang tot of het behoud van de arbeid.

[...]

(22)      Deze richtlijn laat de nationale wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen onverlet.”

4        Artikel 1 van richtlijn 2000/78 bepaalt:

„Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

5        Artikel 2 van deze richtlijn luidt:

„1.      Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2.      Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)      ‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

b)      ‚indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt:

i)      tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, [...]

[...]”

6        Artikel 3 van de richtlijn is geformuleerd als volgt:

„1.       Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

[...]

c)      werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;

[...]

3.      Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.

[...]”

7        Overeenkomstig artikel 18, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 2 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen, of zij konden de sociale partners, indien deze daarom gezamenlijk verzochten, met de uitvoering van deze richtlijn belasten wat de onder collectieve overeenkomsten vallende bepalingen betreft. In dat geval moesten de lidstaten er echter voor zorgen dat de sociale partners uiterlijk op 2 december 2003 bij overeenkomst de nodige maatregelen hadden ingevoerd; de lidstaten waren verplicht, zelf alle maatregelen te treffen om de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. Voorts moesten zij de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan onverwijld in kennis stellen.

 Nationale regeling

 De wet inzake geregistreerd partnerschap

8        In § 1 van de wet inzake geregistreerd partnerschap (Gesetz über die Eingetragene Lebenspartnerschaft) van 16 februari 2001 (BGBl. 2001 I, blz. 266), zoals gewijzigd bij wet van 15 december 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 3396; hierna: „LPartG”), is het volgende bepaald:

„(1)      Twee personen van hetzelfde geslacht vormen een levenspartnerschap, wanneer zij over en weer, in persoon en in elkaars bijzijn, verklaren dat zij met elkaar een partnerschap voor het leven wensen aan te gaan (levenspartners). De verklaringen kunnen niet worden afgelegd onder voorwaarde of voor bepaalde tijd. De verklaringen krijgen rechtsgevolg wanneer zij worden afgelegd ten overstaan van de bevoegde autoriteit.

(2)      Een levenspartnerschap kan niet rechtsgeldig worden aangegaan

1.      met een persoon die minderjarig of gehuwd is, of reeds met een andere persoon een levenspartnerschap voert;

2.      tussen personen die in rechte lijn met elkaar verwant zijn;

3.      tussen volle of halfbroers of ‑zusters;

4.      wanneer de levenspartners bij de totstandkoming van het levenspartnerschap overeenkomen dat zij geen verplichtingen uit hoofde van § 2 wensen aan te gaan.

[...]”

9        § 2 LPartG luidt:

„Levenspartners zijn onderling tot verzorging en ondersteuning verplicht, alsook tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Zij dragen verantwoordelijkheid voor elkaar.”

10      In § 5 van deze wet is bepaald:

„Levenspartners zijn onderling verplicht, door hun arbeid en met hun vermogen de leefgemeenschap van de partners op passende wijze te onderhouden. § 1360, lid 2, § 1360a en §1360b van het Bürgerliche Gesetzbuch en § 16, tweede alinea, zijn van overeenkomstige toepassing.”

11      § 11, lid 1, van deze wet luidt:

„Een levenspartner geldt als familielid van de andere levenspartner, voor zover niet anders is bepaald.”

 De wetgeving inzake weduwen‑ en weduwnaarspensioenen

12      Bij het LpartG heeft de Duitse wetgever wijzigingen aangebracht in boek VI van het wetboek sociale zekerheid – wettelijke ouderdomsverzekering (Sozialgesetzbuch VI – Gesetzliche Rentenversicherung).

13      § 46 van boek VI van dit Sozialgesetzbuch, in de sinds 1 januari 2005 geldende versie (hierna: „Sozialgesetzbuch”), bepaalt:

„(1)      Weduwen of weduwnaars die niet opnieuw zijn gehuwd, hebben na het overlijden van hun verzekerde echtgenoot aanspraak op een klein weduwen‑ of weduwnaarspensioen, wanneer de verzekerde echtgenoot de algemene wachttijd heeft vervuld. De aanspraak bestaat over ten hoogste 24 kalendermaanden na het einde van de maand waarin de verzekerde is overleden.

[...]

(4)      Voor een aanspraak op weduwen‑ of weduwnaarspensioen wordt als huwelijkssluiting tevens beschouwd het aangaan van een levenspartnerschap, als huwelijk tevens een levenspartnerschap, als weduwe en weduwnaar tevens een nabestaande levenspartner, en als echtgenoot tevens een levenspartner. De ontbinding of nietigheid van een nieuw huwelijk wordt gelijkgesteld met de ontbinding of nietigheid van een nieuw levenspartnerschap.”

14      Boek VI bevat nog enkele vergelijkbare bepalingen betreffende de gelijkstelling van levenspartnerschap met huwelijk, met name § 47, lid 4, § 90, lid 3, § 107, lid 3, en § 120d, lid 1.

 De collectieve overeenkomst voor de Duitse theaters

15      In § 1 van de collectieve overeenkomst voor de Duitse theaters (Tarifordnung für die deutschen Theater) van 27 oktober 1937 (Reichsarbeitsblatt 1937 VI, blz. 1080; hierna: „de collectieve overeenkomst”) is bepaald:

„(1)      Iedere rechthebbende van een theater (theaterondernemer) binnen het Reich is verplicht, voor het in zijn theater werkzame podiumpersoneel een ouderdoms‑ en nabestaandenverzekering af te sluiten overeenkomstig de navolgende bepalingen en iedere theatermedewerker individueel van de afgesloten verzekering schriftelijk in kennis te stellen.

(2)      In overleg met de betrokken ministers wijst de Reichsminister van Volksinformatie en Propaganda de verzekeringsinstantie aan en stelt hij de verzekeringsvoorwaarden (reglement) vast. Hij bepaalt tevens het tijdstip waarop de verzekering op grond van deze collectieve overeenkomst moet ingaan.

(3)      Onder podiumpersoneel in de zin van deze collectieve overeenkomst worden personen verstaan die in de culturele sector werkzaam zijn en krachtens het Reichskulturkammergesetz en de uitvoeringsbepalingen daarvan, verplicht lid zijn van de Reichstheaterkammer (sector theater), in het bijzonder: podiumdirecteuren, acteurs, orkestleiders, regisseurs, dramaturgen, koordirigenten, repetitoren, inspiciënten, souffleurs en personen in een vergelijkbare functie, technisch leidinggevenden (zoals hoofden machinepark, decorbouw en kostumering en personen in een vergelijkbare functie, voor zover zij in hun sector leiding geven en verantwoording dragen), alsmede artistiek adviseurs, koorleden, dansers en theaterkappers.”

16      In § 4 van de collectieve overeenkomst is bepaald:

„De verzekeringspremies worden voor de helft door de theaterondernemer en voor de helft door het podiumpersoneel voldaan. De theaterondernemer is verplicht, de verzekeringspremies af te dragen aan de verzekeringsinstantie.”

 Het reglement van de VddB

17      De §§ 27, 32 en 34 van het reglement van de VddB bepalen het volgende:

„§ 27 – Aard van de uitkering en algemene voorwaarden

(1)      Verzekerde gebeurtenissen zijn intreding van arbeidsongeschiktheid of invaliditeit, vervroegde pensionering, het bereiken van de reguliere pensioenleeftijd en overlijden.

(2)      De instantie verstrekt op aanvraag [...] als nabestaandenuitkering [...] weduwenpensioen (§§ 32 en 33), weduwnaarspensioen (§ 34) [...], wanneer de verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis verplicht verzekerd, vrijwillig verzekerd, dan wel voortgezet verzekerd was en wanneer de wachttijd is vervuld [...].

[...]

§ 32 – Weduwenpensioen

(1)      Recht op weduwenpensioen heeft de echtgenote van een verzekerde of pensioengerechtigde, indien het huwelijk heeft voortgeduurd tot de dag van zijn overlijden.

[...]

§ 34 – Weduwnaarspensioen

(1)      Recht op weduwnaarspensioen heeft de echtgenoot van de verzekerde of pensioengerechtigde, indien het huwelijk heeft voortgeduurd tot de dag van haar overlijden.

[...]”

18      § 30, lid 5, van dit reglement stelt de voorwaarden vast voor de bepaling van de hoogte van het ouderdomspensioen dat als basis dient voor de berekening van het nabestaandenpensioen.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      Op 8 november 2001 is Maruko krachtens § 1 LpartG, in de oorspronkelijke versie, een levenspartnerschap aangegaan met een theatercostumier.

20      Deze was sinds 1 september 1959 verzekerd bij de VddB en heeft over de tijdvakken waarin hij niet verplicht verzekerd was, steeds vrijwillig premie betaald aan dit fonds.

21      Maruko’s levenspartner overleed op 12 januari 2005.

22      Bij brief van 17 februari 2005 vroeg Maruko weduwnaarspensioen aan bij de VddB. Deze wees bij beschikking van 28 februari 2005 de aanvraag af op grond dat zijn reglement niet in deze uitkeringsmogelijkheid voor nabestaande partners voorzag.

23      Maruko stelde beroep in bij de verwijzende rechter. Hij was van mening dat de weigering van de VddB in strijd was met het beginsel van gelijke behandeling, daar de Duitse wetgever sinds 1 januari 2005 gelijkheid tussen het levenspartnerschap en het huwelijk had gecreëerd, met name door de invoering van § 46, lid 4, in het Sozialgesetzbuch. Wanneer aan iemand na het overlijden van zijn partner niet een nabestaandenuitkering wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als aan een nabestaande echtgenoot, is dit discriminatie op grond van de seksuele geaardheid van de betrokkene. Volgens Maruko worden levenspartners minder gunstig behandeld dan echtgenoten, terwijl zij elkaar evenzeer hulp en bijstand verschuldigd zijn, zich verbinden tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en voor elkaar verantwoordelijkheid dragen. Het regime inzake goederen van levenspartners is in Duitsland gelijkwaardig aan het huwelijksgoederenregime.

24      De verwijzende rechter, die zich ten eerste afvraagt of de uitkeringsregeling van de VddB gelijk te stellen is met een wettelijk stelsel van sociale zekerheid in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78, en of deze regeling buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt, wijst erop dat het feit dat de verzekering bij de VddB wettelijk verplicht is en er betreffende deze verzekering in de theaterwereld niets anders is overeengekomen, pleit vóór gelijkstelling. Hij merkt evenwel ook op dat podiumpersoneel buiten de gewerkte tijdvakken de verzekering voor deze uitkering vrijwillig kan voortzetten, dat de regeling gebaseerd is op het kapitalisatiebeginsel, dat de premie voor de helft door de theaters en voor de helft door de verzekerden wordt opgebracht, en dat de VddB zijn activiteiten zelfstandig verricht, zonder inmenging van de federale wetgever.

25      Gezien de structuur van de VddB en de zeggenschap van de theaters en de verzekerden in het functioneren ervan, verklaart de verwijzende rechter geneigd te zijn, dit fonds niet te beschouwen als een met een wettelijk stelsel van sociale zekerheid gelijk te stellen regeling in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78.

26      De verwijzende rechter vraagt zich ten tweede af of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nabestaandenuitkering kan worden beschouwd als een „beloning” in de zin van artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78, wat toepassing van deze richtlijn zou rechtvaardigen. Hij wijst erop dat nabestaandenuitkeringen in beginsel, gelet op de rechtspraak van het Hof, onder dit begrip „beloning” vallen. Aan deze uitlegging doet niet af dat de onderhavige nabestaandenuitkering niet aan de werknemer wordt betaald maar aan zijn nabestaande echtgenoot, daar het recht op de uitkering een voordeel is dat voortvloeit uit de verzekering van de werknemer voor de uitkeringsregeling van de VddB, zodat de uitkering door de nabestaande echtgenoot van de werknemer wordt verworven in het kader van de arbeidsverhouding tussen de werkgever en die werknemer.

27      De verwijzende rechter wil ten derde weten of artikel 1 juncto artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78 in de weg staat aan bepalingen als die van het reglement van de VddB, op grond waarvan iemand na het overlijden van zijn partner geen nabestaandenuitkering ontvangt die gelijkwaardig is aan die welke aan een nabestaande echtgenoot wordt geboden, terwijl levenspartners, evenals echtgenoten, in een formeel en voor het leven aangegane samenlevingsvorm van onderlinge hulp en bijstand hebben geleefd.

28      Volgens de verwijzende rechter kan Maruko zich op de bepalingen van richtlijn 2000/78 beroepen, mits de onderhavige zaak binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt en er sprake is van discriminatie.

29      Anders dan heteroseksuele paren, die kunnen trouwen en eventueel voor een nabestaandenuitkering in aanmerking kunnen komen, konden de verzekerde en verzoeker in het hoofdgeding in geen geval voldoen aan de in de VddB-regeling gestelde uitkeringsvoorwaarde dat een huwelijk was gesloten. Volgens de verwijzende rechter kan artikel 1 juncto artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78 eraan in de weg staan dat bepalingen als die van het VddB-reglement deze uitkering uitsluitend toekennen aan nabestaande echtgenoten.

30      Voor het geval artikel 1 juncto artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78 inderdaad in de weg staat aan bepalingen als die van het VddB-reglement, vraagt de verwijzende rechter zich ten vierde af of discriminatie op grond van seksuele geaardheid toegestaan is, gelet op punt 22 van de considerans van deze richtlijn.

31      De verwijzende rechter merkt op dat deze overweging niet in de tekst van de richtlijn terugkomt, en vraagt zich af of een overweging als deze de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 beperkt. Gelet op het belang van het communautaire beginsel van gelijke behandeling, dienen de overwegingen van deze richtlijn niet ruim te worden uitgelegd. De verwijzende rechter vraagt in dit verband of in het hoofdgeding de weigering van de VddB om een nabestaandenuitkering toe te kennen aan iemand wiens levenspartner overleden is, een toegestane vorm van discriminatie is, ook al is deze gebaseerd op seksuele geaardheid.

32      Ten vijfde wenst de verwijzende rechter te vernemen of het recht op nabestaandenuitkering ingevolge het arrest van 17 mei 1990, Barber (C‑262/88, Jurispr. blz. I‑1889), beperkt is tot tijdvakken na 17 mei 1990. De in geding zijnde nationale bepalingen vallen onder artikel 141 EG en de rechtstreekse werking van dat artikel kan alleen worden ingeroepen voor uitkeringen die verschuldigd zijn voor tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990. De verwijzende rechter citeert in dit verband het arrest van 28 september 1994, Coloroll Pension Trustees (C‑200/91, Jurispr. blz. I‑4389).

33      Het Bayerische Verwaltungsgericht München heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is een verplichte beroepspensioenverzekering – zoals in casu [de VddB] – een met een wettelijk stelsel gelijkgesteld stelsel in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78 [...]?

2)      Zijn uitkeringen aan nabestaanden in de vorm van een weduwen- respectievelijk weduwnaarspensioen van een verplichte beroepspensioenverzekering, een beloning in de zin van artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 [...]?

3)      Staat artikel 1, juncto artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78 [...] in de weg aan de toepassing van bepalingen in het reglement van een aanvullende pensioenregeling als die welke in casu in geding is, op grond waarvan een geregistreerd levenspartner na het overlijden van zijn partner niet een nabestaandenuitkering ontvangt zoals een echtgenoot die zou ontvangen, ofschoon hij evenzeer als een echtgenoot in een formeel en voor het leven aangegane samenlevingsvorm van onderlinge hulp en bijstand leeft?

4)      Bij een bevestigend antwoord op de vorige vragen: is discriminatie op grond van seksuele geaardheid toegestaan op grond van de tweeëntwintigste overweging van de considerans van richtlijn 2000/78 [...]?

5)      Dient op grond van de Barber-rechtspraak [reeds aangehaald] het recht op nabestaandenpensioen te worden beperkt tot tijdvakken na 17 mei 1990?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste, tweede en vierde vraag

34      Met zijn eerste, tweede en vierde vraag, die tezamen moeten worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een nabestaandenuitkering, toegekend in het kader van een beroepspensioenregeling als die van de VddB, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

35      Wat de eerste en de tweede vraag betreft, is de VddB van mening dat de door hem uitgevoerde regeling een wettelijke socialezekerheidsregeling is en dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nabestaandenuitkering niet kan worden beschouwd als een „beloning” in de zin van artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78. Deze uitkering valt dus buiten de werkingssfeer van de richtlijn.

36      Voor dit standpunt pleit met name dat de VddB een publiekrechtelijk lichaam is dat deel uitmaakt van het federaal bestuur en dat de onderhavige pensioenregeling een wettelijk verplichte regeling is. De collectieve overeenkomst heeft wetgevingsstatus en is samen met het VddB-reglement opgenomen in het Einigungsvertrag van 31 augustus 1990, en de verzekeringsplicht betreft een in algemene termen omschreven categorie werknemers. De litigieuze nabestaandenuitkering houdt niet rechtstreeks verband met een bepaalde dienstbetrekking, maar met algemene overwegingen van sociale aard. De uitkering is niet rechtstreeks verbonden aan vervulde tijdvakken van arbeid en de uitkeringshoogte wordt niet berekend aan de hand van het laatstverdiende salaris.

37      De Commissie is daarentegen van mening dat de onderhavige nabestaandenuitkering binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt, daar zij wordt toegekend uit hoofde van de arbeidsverhouding die iemand met zijn werkgever is aangegaan en die tot verplichte verzekering van de werknemer bij de VddB leidt. De uitkeringshoogte wordt bepaald aan de hand van de duur van de verzekeringsrelatie en de betaalde premies.

38      Wat de vierde vraag betreft, benadrukken zowel Maruko als de Commissie dat punt 22 van de considerans van richtlijn 2000/78 in geen van de artikelen van de richtlijn terugkomt. Volgens Maruko zou de gemeenschapswetgever, indien hij alle aan de burgerlijke staat gekoppelde uitkeringen buiten de werkingssfeer van de richtlijn had willen houden, de inhoud van die overweging in een specifieke bepaling in de richtlijn zelf hebben opgenomen. Volgens de Commissie wil deze overweging niet meer zeggen dan dat de Europese Unie niet bevoegd is op het gebied van de burgerlijke staat.

39      De VddB en de regering van het Verenigd Koninkrijk menen met name dat punt 22 van de considerans van richtlijn 2000/78 een duidelijke, algemene uitsluiting inhoudt, en de werkingssfeer van de richtlijn vastlegt. De richtlijn is niet van toepassing op nationaalrechtelijke bepalingen inzake de burgerlijke staat of op voordelen die daaraan verbonden zijn, hetgeen bij de in geding zijnde nabestaandenuitkering het geval is.

 Antwoord van het Hof

40      Blijkens artikel 3, leden 1, sub c, en 3, van richtlijn 2000/78 is de richtlijn van toepassing op alle personen, zowel in de overheids- als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, met betrekking tot onder meer beloningsvoorwaarden, en is zij niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.

41      De werkingssfeer van richtlijn 2000/78 moet, gelet op deze bepalingen, gelezen in samenhang met punt 13 van de considerans van de richtlijn, aldus worden begrepen dat daaronder niet de stelsels voor sociale zekerheid en voor sociale bescherming vallen waarvan de uitkeringen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die voor de toepassing van artikel 141 EG aan deze term wordt gegeven, en ook niet met uitkeringen van welke aard ook die door de staat worden verstrekt en die toegang tot arbeid of behoud van arbeid tot doel hebben.

42      Bepaald moet dus worden of een nabestaandenuitkering uit hoofde van een beroepspensioenregeling zoals die van de VddB, kan worden gelijkgesteld met een „beloning” in de zin van artikel 141 EG.

43      Volgens dit artikel moet onder beloning worden verstaan het gewone basis‑ of minimumloon of ‑salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

44      Zoals het Hof eerder reeds verklaarde (zie arresten van 6 oktober 1993, Ten Oever, C‑109/91, Jurispr. blz. I‑4879, punt 8, en 28 september 1994, Beune, C‑7/93, Jurispr. blz. I‑4471, punt 21), staat het feit dat bepaalde uitkeringen na beëindiging van de dienstbetrekking worden betaald, er niet aan in de weg dat zij naar hun aard een „beloning” kunnen zijn in de zin van artikel 141 EG.

45      Daarmee heeft het Hof erkend dat een nabestaandenpensioen dat wordt toegekend op grond van een bij collectieve overeenkomst vastgestelde beroepspensioenregeling, binnen de werkingssfeer van dit artikel valt. Het heeft dienaangaande gepreciseerd dat de omstandigheid dat dit pensioen per definitie niet aan de werknemer doch aan diens nabestaande wordt betaald, niet aan deze uitlegging afdoet, aangezien een dergelijke uitkering een voordeel is dat voortvloeit uit het feit dat de echtgenoot van de nabestaande voor de regeling verzekerd was, zodat het pensioen door de nabestaande wordt verworven in het kader van de arbeidsverhouding tussen de werkgever en de echtgenoot, en hem wordt betaald uit hoofde van de dienstbetrekking van de echtgenoot (zie reeds aangehaalde arresten Ten Oever, punten 12 en 13, en Coloroll Pension Trustees, punt 18, alsook arresten van 17 april 1997, Evrenopoulos, C‑147/95, Jurispr. blz. I‑2057, punt 22, en 9 oktober 2001, Menauer, C‑379/99, Jurispr. blz. I‑7275, punt 18).

46      Wat de vraag betreft of een ouderdomspensioen op basis waarvan eventueel, zoals in casu, de nabestaandenuitkering wordt berekend, binnen de werkingssfeer van artikel 141 EG valt, heeft het Hof overigens gepreciseerd dat van de criteria die het naargelang van de aan het Hof voorgelegde situatie had toegepast om een pensioenregeling te kwalificeren, enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en zijn voormalige werkgever, dat wil zeggen het aan de bewoordingen van artikel 141 EG ontleende criterium van de dienstbetrekking, beslissend kan zijn (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Beune, punt 43, en Evrenopoulos, punt 19, alsmede arresten van 29 november 2001, Griesmar, C‑366/99, Jurispr. blz. I‑9383, punt 28; 12 september 2002, Niemi, C‑351/00, Jurispr. blz. I‑7007, punten 44 en 45, en 23 oktober 2003, Schönheit en Becker, C‑4/02 en C‑5/02, Jurispr. blz. I‑12575, punt 56).

47      Dit kan weliswaar geen exclusief criterium zijn, daar bij pensioenen die op grond van wettelijke socialezekerheidsregelingen worden uitgekeerd, geheel of gedeeltelijk rekening kan worden gehouden met het arbeidsloon (reeds aangehaalde arresten Beune, punt 44; Evrenopoulos, punt 20; Griesmar, punt 29; Niemi, punt 46, en Schönheit en Becker, punt 57).

48      Niettemin kunnen overwegingen van sociaal beleid, overwegingen betreffende de organisatie van de staat, overwegingen van ethische of zelfs van budgettaire aard, die een rol hebben of kunnen hebben gespeeld toen de nationale wetgever een regeling vaststelde, niet beslissend zijn indien het pensioen slechts geldt voor een bijzondere categorie werknemers, indien het rechtstreeks afhankelijk is van het aantal dienstjaren en indien het bedrag ervan wordt berekend op basis van het laatste loon (reeds aangehaalde arresten Beune, punt 45; Evrenopoulos, punt 21; Griesmar, punt 30; Niemi, punt 47, en Schönheit en Becker, punt 57).

49      Wat de verplichte beroepspensioenregeling van de VddB betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze voortspruit uit een collectieve arbeidsovereenkomst die volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens tot doel heeft, een aanvulling te bieden op de krachtens de algemeen toepasselijke nationale wetgeving verschuldigde sociale uitkeringen.

50      In de tweede plaats staat vast dat deze regeling uitsluitend wordt gefinancierd door de werknemers en werkgevers in de betrokken branche, zonder enige overheidsbijdrage.

51      In de derde plaats is de regeling blijkens de stukken volgens § 1 van de collectieve overeenkomst bedoeld voor het in Duitse theaters werkzame podiumpersoneel.

52      Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is voor erkenning van het recht op nabestaandenuitkering vereist dat de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde vóór zijn overlijden bij de VddB verzekerd was. Deze verzekering is verplicht voor het podiumpersoneel van de Duitse theaters. Ook geldt zij voor een aantal personen die zich vrijwillig bij de VddB besluiten te verzekeren, hetgeen mogelijk is wanneer zij kunnen aantonen, voorheen een aantal maanden in dienst te zijn geweest van een Duits theater.

53      Deze vrijwillig en verplicht verzekerden vormen derhalve een bijzondere categorie werknemers.

54      Voorts moet, ten aanzien van het criterium dat het pensioen rechtstreeks afhankelijk moet zijn van het aantal dienstjaren, worden opgemerkt dat ingevolge § 30, lid 5, van het VddB-reglement de hoogte van het ouderdomspensioen, op basis waarvan de nabestaandenuitkering wordt berekend, wordt bepaald aan de hand van de tijd gedurende welke de werknemer verzekerd is geweest, hetgeen een logisch gevolg is van de structuur van de onderhavige beroepspensioenregeling die, zoals in de punten 52 en 53 van dit arrest is benadrukt, twee soorten verzekering dekt.

55      Eveneens wat de hoogte van dit ouderdomspensioen betreft, deze wordt niet vastgesteld bij wet maar ingevolge § 30, lid 5, van het VddB-reglement berekend op basis van het totaalbedrag van de gedurende de gehele verzekeringstijd door de werknemer betaalde premies, waarop een indexering wordt toegepast.

56      Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de onderhavige nabestaandenuitkering haar oorsprong vindt in de arbeidsverhouding van de levenspartner van Maruko en derhalve moet worden gekwalificeerd als „beloning” in de zin van artikel 141 EG.

57      Aan deze gevolgtrekking doet niet af dat de VddB een publiekrechtelijke instantie is (zie in die zin reeds aangehaald arrest Evrenopoulos, punten 16 en 23), noch dat de verzekering voor de regeling die recht geeft op de in geding zijnde nabestaandenuitkering, een verplichte verzekering is (zie in die zin arrest van 25 mei 2000, Podesta, C‑50/99, Jurispr. blz. I‑4039, punt 32).

58      Wat de strekking van punt 22 van de considerans van richtlijn 2000/78 betreft, hierin wordt verklaard dat de richtlijn de nationale wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen onverlet laat.

59      Weliswaar behoren de burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen tot de bevoegdheid van de lidstaten en laat het gemeenschapsrecht deze bevoegdheid onverlet, maar er zij aan herinnerd dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht in acht moeten nemen, met name de bepalingen inzake het discriminatieverbod (zie mutatis mutandis arresten van 16 mei 2006, Watts, C‑372/04, Jurispr. blz. I‑4325, punt 92, en 19 april 2007, Stamatelaki, C‑444/05, Jurispr. blz. I‑3185, punt 23).

60      Daar een nabestaandenuitkering als de onderhavige is gekwalificeerd als „beloning” in de zin van artikel 141 EG, en deze om de in de punten 49 tot en met 57 uiteengezette redenen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt, kan de toepassing van deze richtlijn niet door punt 22 van de considerans op losse schroeven worden gezet.

61      Op de eerste, de tweede en de vierde vraag moet derhalve worden geantwoord dat een nabestaandenuitkering, toegekend in het kader van een beroepspensioenregeling als die van de VddB, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt.

 De derde vraag

62      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 1 juncto artikel 2 van richtlijn 2000/78 in de weg staat aan een reglement als in casu in geding, op grond waarvan de nabestaande partner na het overlijden van zijn levenspartner niet een nabestaandenuitkering ontvangt zoals een nabestaande echtgenoot die zou ontvangen, ofschoon levenspartners evenzeer als echtgenoten in een formeel en voor het leven aangegane samenlevingsvorm van onderlinge hulp en bijstand hebben geleefd.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

63      Maruko en de Commissie zijn van mening dat de weigering om de in geding zijnde nabestaandenuitkering toe te kennen aan nabestaande levenspartners, indirecte discriminatie is in de zin van richtlijn 2000/78, aangezien twee personen van hetzelfde geslacht in Duitsland niet met elkaar kunnen huwen en dus niet in aanmerking kunnen komen voor deze uitkering, die enkel aan nabestaande echtgenoten wordt verstrekt. Echtgenoten en levenspartners verkeren in een vergelijkbare juridische situatie, die toekenning van deze uitkering aan nabestaande partners rechtvaardigt.

64      Volgens de VddB bestaat er geen grondwettelijke verplichting om het huwelijk en het levenspartnerschap uit sociaalrechtelijk of uitkeringsrechtelijk oogpunt identiek te behandelen. Het levenspartnerschap is een instituut sui generis en een nieuwe burgerlijke staat. Uit de Duitse wetgeving valt geen verplichting af te leiden om levenspartners en echtgenoten gelijk te behandelen.

 Antwoord van het Hof

65      Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 2000/78 heeft deze richtlijn tot doel, op het gebied van arbeid en beroep bepaalde soorten discriminatie te bestrijden, onder meer discriminatie op grond van seksuele geaardheid, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.

66      Volgens artikel 2 van de richtlijn wordt onder „beginsel van gelijke behandeling” verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden. Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78 is er directe discriminatie, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden. In artikel 2, lid 2, sub b‑i, wordt bepaald dat er indirecte discriminatie is, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

67      Blijkens de informatie in de verwijzingsbeslissing heeft de Bondsrepubliek Duitsland met ingang van 2001, het jaar van inwerkingtreding van het LPartG in zijn oorspronkelijke versie, haar rechtsorde gewijzigd om personen van hetzelfde geslacht in staat te stellen, in een formeel en voor het leven aangegane samenlevingsvorm van onderlinge hulp en bijstand te leven. Deze lidstaat heeft besloten, die personen niet de mogelijkheid te geven om in het huwelijk te treden, hetgeen nog steeds aan personen van verschillend geslacht is voorbehouden, maar heeft voor personen van hetzelfde geslacht een apart regime in het leven geroepen, het levenspartnerschap, waarvan de voorwaarden geleidelijk aan zijn gelijkgesteld met de voor het huwelijk geldende voorwaarden.

68      De verwijzende rechter merkt dienaangaande op dat de wet van 15 december 2004 ertoe heeft bijgedragen dat de levenspartnerschapsregeling steeds meer is gaan lijken op de regels voor het huwelijk. Bij deze wet heeft de Duitse wetgever wijzigingen aangebracht in boek VI van het wetboek sociale zekerheid – wettelijke ouderdomsverzekering, met name door aan § 46 van dit boek een lid 4 toe te voegen, dat bepaalt dat het levenspartnerschap wordt gelijkgesteld met het huwelijk, wat het in die bepaling geregelde weduwen‑ of weduwnaarspensioen betreft. Vergelijkbare wijzigingen zijn aangebracht in andere bepalingen van boek VI.

69      Nu huwelijk en partnerschap steeds meer op elkaar zijn gaan lijken, hetgeen de verwijzende rechter beschouwt als een geleidelijke gelijkstelling die volgt uit het bij het LPartG in het leven geroepen regime, met name uit de bij wet van 15 december 2004 aangebrachte wijzigingen, meent de verwijzende rechter dat het levenspartnerschap, zonder identiek te zijn aan het huwelijk, personen van hetzelfde geslacht op het gebied van de onderhavige nabestaandenuitkering in een situatie brengt die vergelijkbaar is met die van echtgenoten.

70      De verwijzende rechter stelt echter vast dat ingevolge het VddB-reglement alleen nabestaande echtgenoten voor deze nabestaandenuitkering in aanmerking komen en dat zij aan nabestaande levenspartners wordt geweigerd.

71      In dat geval worden deze levenspartners dus wat deze nabestaandenuitkering betreft ongunstiger behandeld dan nabestaande echtgenoten.

72      Gesteld dat de verwijzende rechter beslist dat nabestaande echtgenoten en nabestaande levenspartners wat deze nabestaandenuitkering betreft in een vergelijkbare situatie verkeren, moet een regeling als de in geding zijnde bijgevolg worden beschouwd als rechtstreekse discriminatie op grond van seksuele geaardheid in de zin van de artikelen 1 en 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78.

73      Op de derde vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 1 juncto artikel 2 van richtlijn 2000/78 in de weg staat aan een regeling als in het hoofdgeding aan de orde, op grond waarvan de nabestaande partner na het overlijden van zijn levenspartner niet een nabestaandenuitkering ontvangt zoals een nabestaande echtgenoot die zou ontvangen, terwijl naar nationaal recht het levenspartnerschap personen van hetzelfde geslacht in een situatie brengt die wat deze nabestaandenuitkering betreft vergelijkbaar is met die van echtgenoten. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of een nabestaande levenspartner in een situatie verkeert die vergelijkbaar is met die van een echtgenoot die de nabestaandenuitkering op grond van de beroepspensioenregeling van de VddB ontvangt.

 De vijfde vraag

74      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval het Hof oordeelt dat richtlijn 2000/78 in de weg staat aan een regeling als die van het hoofdgeding, de in geding zijnde nabestaandenuitkering in de tijd moet worden beperkt en wel, op grond van de Barber-rechtspraak, tot tijdvakken na 17 mei 1990.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

75      De VddB meent dat de zaak die tot het arrest Barber heeft geleid, feitelijk en rechtens verschilt van de onderhavige zaak, en dat richtlijn 2000/78 geen terugwerkende kracht kan worden verleend tot een tijdstip gelegen vóór het verstrijken van de aan de lidstaten gegeven omzettingstermijn.

76      De Commissie is van mening dat de vijfde vraag niet behoeft te worden beantwoord. De zaak die heeft geleid tot het arrest Barber is feitelijk en rechtens verschillend van de onderhavige zaak en richtlijn 2000/78 bevat geen uitzonderingen op het verbod van discriminatie op grond van seksuele geaardheid. Anders dan in casu, was in de zaak die tot het arrest Barber heeft geleid de aandacht gevestigd op de financiële consequenties die een nieuwe uitlegging van artikel 141 EG zou kunnen hebben. Aangezien het LPartG pas op 1 augustus 2001 in werking is getreden en de Duitse wetgever per 1 januari 2005 op het gebied van het socialeverzekeringsstelsel gelijke behandeling heeft ingevoerd tussen levenspartnerschap en huwelijk, brengt de verrekening van deze gelijke behandeling in de beroepspensioenregelingen deze laatste niet in financiële moeilijkheden.

 Antwoord van het Hof

77      Volgens de rechtspraak kan het Hof, bij wijze van uitzondering en gelet op de ernstige verstoringen waartoe zijn arrest voor in het verleden ontstane situaties zou kunnen leiden, voor alle betrokkenen de mogelijkheid beperken om een beroep te doen op de uitlegging die het in een prejudiciële zaak aan een bepaling geeft. Een dergelijke beperking kan slechts door het Hof worden gesteld en enkel in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven (zie met name reeds aangehaald arrest Barber, punt 41, en arrest van 6 maart 2007, Meilicke e.a., C‑292/04, Jurispr. blz. I‑1835, punt 36).

78      Uit de stukken blijkt niet dat het financiële evenwicht van de regeling zoals die door de VddB wordt uitgevoerd, met terugwerkende kracht zou kunnen worden verstoord wanneer de gevolgen van het onderhavige arrest niet in de tijd worden beperkt.

79      Derhalve moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat er geen aanleiding is, de gevolgen van het onderhavige arrest in de tijd te beperken.

 Kosten

80      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Een nabestaandenuitkering, toegekend in het kader van een beroepspensioenregeling als die van de Versorgungsanstalt der deutschen Bühnen, valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

2)      Artikel 1 juncto artikel 2 van richtlijn 2000/78 staat in de weg aan een regeling als in het hoofdgeding aan de orde, op grond waarvan de nabestaande partner na het overlijden van zijn levenspartner niet een nabestaandenuitkering ontvangt zoals een nabestaande echtgenoot die zou ontvangen, terwijl naar nationaal recht het levenspartnerschap personen van hetzelfde geslacht in een situatie brengt die wat deze nabestaandenuitkering betreft vergelijkbaar is met die van echtgenoten. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of een nabestaande levenspartner in een situatie verkeert die vergelijkbaar is met die van een echtgenoot die de nabestaandenuitkering op grond van de beroepspensioenregeling van de Versorgungsanstalt der deutschen Bühnen ontvangt.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.