Language of document : ECLI:EU:C:2015:640

Zaak C‑290/14

Strafprocedure

tegen

Skerdjan Celaj

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Tribunale di Firenze)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2008/115/EG – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een voor een periode van drie jaar geldend inreisverbod – Overtreding van het inreisverbod – Voorheen verwijderde derdelander – Gevangenisstraf in geval van een nieuwe illegale binnenkomst van het nationale grondgebied – Verenigbaarheid”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 oktober 2015

Grenscontroles, asiel en immigratie – Immigratiebeleid – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Richtlijn 2008/115 – Terugkeerbesluit vastgesteld ten aanzien van een dergelijke derdelander, dat gepaard gaat met een voor een periode van drie jaar geldend inreisverbod – Overtreding van het inreisverbod door die derdelander – Nationale regeling die voor een dergelijke derdelander voorziet in een gevangenisstraf – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Verificatie door de nationale rechterlijke instantie

(Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad, art. 11)

Richtlijn 2008/115 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn zich in beginsel niet verzet tegen een regeling van een lidstaat volgens welke een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een illegaal verblijvende derdelander die, nadat hij in het kader van een eerdere terugkeerprocedure naar zijn land van herkomst was teruggekeerd, in weerwil van een inreisverbod opnieuw illegaal het grondgebied van die staat binnenkomt.

Aangezien de situatie van de betrokken derdelander die aanleiding heeft gegeven tot de verwijdering die voorafging aan de nieuwe binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt, kan een strafrechtelijke sanctie echter slechts worden opgelegd indien het tegen die derdelander uitgevaardigde inreisverbod in overeenstemming is met artikel 11 van die richtlijn. Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie dit na te gaan.

Ten slotte moeten bij het opleggen van een dergelijke strafrechtelijke sanctie ook de grondrechten volledig worden geëerbiedigd, met name die welke zijn gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, alsmede, in voorkomend geval, het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, met name artikel 31, lid 1, daarvan.

(cf. punten 31‑33 en dictum)