Language of document : ECLI:EU:C:2002:434

ARREST VAN HET HOF

11 juli 2002 (1)

„Vrij verrichten van diensten - Artikel 49 EG - Richtlijn 73/148/EEG - Onderdaan van lidstaat, die in die staat is gevestigd en diensten verricht ten behoeve van personen die in andere lidstaten zijn gevestigd - Recht van verblijf in die staat, van echtgenoot die onderdaan is van derde land”

In zaak C-60/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Immigration Appeal Tribunal (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen

Mary Carpenter

en

Secretary of State for the Home Department,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 49 EG en richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB L 172, blz. 14),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, N. Colneric en S. von Bahr, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, M. Wathelet, R. Schintgen en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,


griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

-    M. Carpenter, vertegenwoordigd door J. Walsh, barrister, geïnstrueerd door J. Wyman, solicitor,

-     de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, bijgestaan door D. Wyatt, QC,

-    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Yerrell als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van M. Carpenter, vertegenwoordigd door J. Walsh; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Magrill als gemachtigde, bijgestaan door D. Wyatt, en de Commissie, vertegenwoordigd door N. Yerrell en door H. Michard als gemachtigde, ter terechtzitting van 29 mei 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 september 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 16 december 1999, ingekomen bij het Hof op 21 februari 2000, heeft het Immigration Appeal Tribunal krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 49 EG en richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB L 172, blz. 14; hierna: „richtlijn”).

2.
    Deze vraag is gerezen in een geding tussen M. Carpenter, van Filippijnse nationaliteit, en de Secretary of State for the Home Department (hierna: „Secretary of State”), betreffende het recht van verzoekster om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven.

Het rechtskader

De gemeenschapsregeling

3.
    Artikel 49, eerste alinea, EG bepaalt:

„In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.”

4.
    De eerste overweging van de considerans van de richtlijn luidt:

„Overwegende dat het in het Verdrag en in Titel II van de Algemene Programma's voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten genoemde vrije verkeer van personen met zich meebrengt, dat de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf binnen de Gemeenschap voor onderdanen van de lidstaten die zich op het grondgebied van een der lidstaten willen vestigen of aldaar diensten willen verrichten worden opgeheven.”

5.
    Artikel 1, lid 1, van de richtlijn bepaalt:

„De lidstaten heffen, onder de in deze richtlijn omschreven voorwaarden, de beperkingen op van de verplaatsing en het verblijf van:

a)    onderdanen van een lidstaat die zijn gevestigd of zich willen vestigen in een andere lidstaat teneinde daar een werkzaamheid, anders dan in loondienst, uit te oefenen of die er een dienst willen verrichten;

b)    onderdanen van lidstaten die zich naar een andere lidstaat willen begeven in de hoedanigheid van personen te wier behoeve een dienst wordt verricht;

c)    de echtgenoot en de kinderen beneden de 21 jaar van bovengenoemde onderdanen, ongeacht hun nationaliteit;

d)    de verwanten in opgaande of neergaande lijn van deze onderdanen en van hun echtgenoot, die te hunnen laste komen, ongeacht hun nationaliteit.”

6.
    Artikel 4, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn preciseert:

„Voor de personen die diensten verrichten en degenen te wier behoeve de dienst wordt verricht, komt het verblijfsrecht overeen met de duur van de dienstverrichting.”

De nationale wetgeving

7.
    Uit de Immigration Act 1971 en de United Kingdom Immigration Rules (House of Commons Paper 395) (in 1994 door het Parlement van het Verenigd Koninkrijk vastgestelde immigratieregels; hierna: „Immigration Rules”) volgt dat een persoon die geen Brits onderdaan is, in de regel slechts het Verenigd Koninkrijk mag binnenkomen of er mag verblijven wanneer hij daartoe een vergunning heeft gekregen. Dergelijke vergunningen worden „vergunning tot binnenkomst” respectievelijk „vergunning tot verblijf” genoemd.

8.
    Section 7(1) van de Immigration Act 1988 bepaalt:

„Een persoon zal niet overeenkomstig de [Immigration Act 1971] een vergunning moeten aanvragen om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen of er te verblijven, wanneer hij daartoe gerechtigd is krachtens een afdwingbaar communautair recht of enige bepaling die is vastgesteld krachtens section 2(2) van de European Communities Act 1972.”

9.
    Punt 281 van de Immigration Rules noemt de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning tot binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk als echtgenoot van een persoon die zich in het Verenigd Koninkrijk bevindt en er is gevestigd. Het bepaalt in de eerste alinea, sub vi, dat de aanvrager in het bezit moet zijn van een door het Verenigd Koninkrijk afgegeven geldig certificaat van toegang („entry clearance”) als echtgenoot. Een persoon die zich in het Verenigd Koninkrijk bevindt en uit anderen hoofde over een recht van binnenkomst of verblijf beschikt, kan echter naar de categorie van de echtgenoten overgaan indien hij aan de vereisten van punt 284 van de Immigration Rules voldoet.

10.
    Punt 284 van de Immigration Rules bepaalt de voorwaarden waaronder de echtgenoot van een persoon die zich in het Verenigd Koninkrijk bevindt en er is gevestigd, verlenging van het recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk kan verkrijgen. Het bepaalt sub i, dat de aanvrager moet beschikken over een beperkte vergunning tot verblijf in het Verenigd Koninkrijk - die een vergunning tot binnenkomst omvat - en sub iv, dat de aanvrager er niet in strijd met de immigratiewetgeving mag hebben verbleven.

11.
    Section 3(5)(a) van de Immigration Act 1971 bevat de algemene regels op het gebied van de uitzetting („deportation”) uit het Verenigd Koninkrijk. Zij bepaalt:

„Een persoon die geen Brits onderdaan is, kan uit het Verenigd Koninkrijk worden gezet

a)    indien hij slechts over een beperkte vergunning tot binnenkomst of verblijf beschikt en een aan de vergunning verbonden voorwaarde niet nakomt of blijft na de in de vergunning gestelde termijn [...]”

12.
    Wat, meer bepaald, de uitzetting van echtgenoten van Britse onderdanen betreft, is de Secretary of State overeenkomstig punt 364 van de Immigration Rules verplicht, alvorens hij besluit om al dan niet de uitzetting te bevelen, de bijzondere omstandigheden van ieder geval in aanmerking te nemen. Een beleidsverklaring (DP 3/96) bepaalt echter de omstandigheden waaronder de Secretary of State het verblijf van echtgenoten die voor uitzetting in aanmerking komen of onwettig in het land verblijven, in beginsel zal toestaan. Punt 5 van die verklaring poneert als algemene regel, dat normaliter niet tot uitzetting wordt overgegaan wanneer de betrokken persoon een authentiek en duurzaam huwelijk heeft aangegaan met een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde persoon, en de echtelieden sedert het huwelijk gedurende ten minste twee jaar continu in het Verenigd Koninkrijk hebben samengewoond, alvorens de uitzettingsprocedure begint. Die verklaring voegt daaraan toe, dat het niet redelijk is te verwachten dat de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde persoon in geval van uitzetting zijn echtgenoot vergezelt.

Het hoofdgeding

13.
    Mevrouw M. Carpenter, van Filipijnse nationaliteit, heeft op 18 september 1994 toestemming gekregen om voor een periode van zes maanden als bezoeker („visitor”) het Verenigd Koninkrijk binnen te komen. Zij is na het einde van die periode in het Verenigd Koninkrijk gebleven en heeft verzuimd een verlenging van haar vergunning tot verblijf aan te vragen. Op 22 mei 1996 is zij gehuwd met de heer P. Carpenter, een Brits onderdaan.

14.
    Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de heer Carpenter een bedrijf leidt dat advertentieruimte in medische en wetenschappelijke tijdschriften verkoopt en de uitgevers van deze tijdschriften allerlei diensten op het gebied van administratie en publicatie aanbiedt. Dat bedrijf is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, waar ook de uitgevers van de tijdschriften waarin hij advertentieruimte verkoopt, hun hoofdkwartier hebben. Een belangrijk deel van zijn omzet wordt gerealiseerd met adverteerders die in andere lidstaten van de Europese Gemeenschap zijn gevestigd. De heer Carpenter begeeft zich naar andere lidstaten voor de behoeften van zijn bedrijf.

15.
    Op 15 juli 1996 heeft mevrouw Carpenter bij de Secretary of State een vergunning aangevraagd om als echtgenoot van een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk in deze lidstaat te verblijven. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van de Secretary of State van 21 juli 1997.

16.
    De Secretary of State heeft bovendien een besluit tot uitzetting van mevrouw Carpenter naar de Filipijnen genomen. Dit besluit biedt mevrouw Carpenter de mogelijkheid het Verenigd Koninkrijk vrijwillig te verlaten. Doet zij dit niet, dan zal de Secretary of State een uitzettingsbevel geven, waarvan mevrouw Carpenter herroeping zal moeten verkrijgen alvorens de vergunning te kunnen aanvragen om als echtgenote van een Brits onderdaan het Verenigd Koninkrijk binnen te komen.

17.
    Mevrouw Carpenter heeft tegen het besluit tot uitzetting beroep ingesteld bij de Immigration Adjudicator (Verenigd Koninkrijk) en betoogd dat de Secretary of State niet bevoegd was om haar uit te zetten, omdat zij krachtens het gemeenschapsrecht een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk had. Zij stelde namelijk dat, aangezien haar echtgenoot zich voor de behoeften van zijn bedrijf naar andere lidstaten moest begeven om diensten te verrichten en te zijnen behoeve diensten te laten verrichten, hij dat makkelijker kon doen sinds zij voor zijn kinderen uit een eerste huwelijk zorgde, zodat haar uitzetting het recht van haar echtgenoot om diensten te verrichten en te zijnen behoeve diensten te laten verrichten, zou beperken.

18.
    De Immigration Adjudicator heeft erkend dat het huwelijk van mevrouw Carpenter authentiek was en dat zij een belangrijke rol speelde bij de opvoeding van haar stiefkinderen. Hij heeft ook toegegeven dat zij onrechtstreeks verantwoordelijk kon zijn voor het toenemende succes van het bedrijf van haar echtgenoot, en dat deze een dienstverrichter in de zin van het gemeenschapsrecht was. Volgens de Immigration Adjudicator heeft de heer Carpenter het recht om zich naar andere lidstaten te begeven teneinde er diensten te verrichten, en daarbij door zijn echtgenote te worden vergezeld. Hij kan echter niet worden geacht gebruik te maken van enige vrijheid van verkeer in de zin van het gemeenschapsrecht wanneer hij in het Verenigd Koninkrijk verblijft. De Immigration Adjudicator heeft dus bij beschikking van 10 juni 1998 het beroep van mevrouw Carpenter verworpen.

19.
    Het door mevrouw Carpenter in hoger beroep geadieerde Immigration Appeal Tribunal is van oordeel dat de voor hem opgeworpen vraag van gemeenschapsrecht erop is gericht te vernemen of het in strijd is met het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 49 EG en/of de richtlijn, dat de Secretary of State weigert mevrouw Carpenter een recht van verblijf toe te kennen en besluit haar uit te zetten, terwijl enerzijds de heer Carpenter zijn recht op het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten uitoefent, en anderzijds de door mevrouw Carpenter op zich genomen zorg voor de kinderen en huishoudelijke werkzaamheden, de heer Carpenter onrechtstreeks kunnen helpen en bijstaan bij de uitoefening van de rechten die hij aan artikel 49 EG ontleent, door hem economische bijstand te verlenen die hem in staat stelt, meer tijd aan zijn bedrijf te besteden.

20.
    Van oordeel dat voor de beslechting van het geschil uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is, heeft het Immigration Appeal Tribunal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:

„In een situatie waarin:

a)    een onderdaan van een lidstaat die in die lidstaat is gevestigd en diensten verricht ten behoeve van personen in andere lidstaten, en

b)    een echtgenoot heeft die geen onderdaan is van een lidstaat,

kan de echtgenoot die geen onderdaan van een lidstaat is, dan aan

    i)    artikel 49 EG en/of

    ii)    richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten,

het recht ontlenen om met zijn of haar echtgenoot in de lidstaat van herkomst van zijn of haar echtgenoot te verblijven?

Luidt het antwoord op die vraag anders wanneer de echtgenoot die geen onderdaan van een lidstaat is, de onderdaan van een lidstaat indirect bijstaat bij de dienstverrichting in andere lidstaten door voor de kinderen te zorgen?”

De prejudiciële vraag

Bij het Hof ingediende opmerkingen

21.
    Mevrouw Carpenter erkent dat zij zelf over geen enkel recht van verblijf in welke lidstaat ook beschikt, maar betoogt dat haar rechten voortvloeien uit die welke haar echtgenoot geniet om diensten te verrichten en zich binnen de Europese Unie te verplaatsen. Haar echtgenoot heeft het recht om zijn activiteit in de gehele interne markt uit te oefenen zonder dat hem onwettige beperkingen worden opgelegd. Ingeval mevrouw Carpenter zou worden uitgezet, zou haar echtgenoot verplicht zijn met haar op de Filippijnen te gaan wonen, of zouden de leden van het gezin worden gescheiden indien hij in het Verenigd Koninkrijk zou blijven. In beide gevallen zou de beroepsactiviteit van haar echtgenoot eronder lijden. Bovendien kan niet worden gesteld dat de beperking van het vrij verrichten van diensten die de heer Carpenter zou ondervinden indien zijn echtgenote zou worden uitgezet, louter nationaal zou zijn, aangezien hij diensten verricht in de gehele interne markt.

22.
    Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk houden de bepalingen van de richtlijn bijvoorbeeld in dat een Britse onderdaan die in een andere lidstaat diensten wenst te verrichten, het recht heeft om voor de duur van de dienstverrichting in die lidstaat te verblijven, en dat zijn echtgenoot het recht heeft om er gedurende dezelfde periode te verblijven. Die bepalingen verlenen echter geen recht van verblijf op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk aan de Britse onderdanen, die in ieder geval krachtens het nationale recht over een dergelijk recht beschikken, noch aan hun echtgenoten. Het Hof heeft deze uitlegging bevestigd in het arrest van 7 juli 1992, Singh (C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punten 17 en 18).

23.
    De regering van het Verenigd Koninkrijk herinnert eraan dat het Hof in het arrest van 27 juni 1996, Asscher (C-107/94, Jurispr. blz. I-3089), heeft onderzocht, of een onderdaan van een lidstaat die in een andere lidstaat, waar hij verblijft, een werkzaamheid anders dan in loondienst verricht, zich jegens zijn lidstaat van herkomst, op het grondgebied waarvan hij ook een werkzaamheid anders dan in loondienst verricht, kan beroepen op artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG). In punt 32 van dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat, ofschoon de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging niet kunnen worden toegepast op zuiver interne aangelegenheden van een lidstaat, de draagwijdte van artikel 52 van het Verdrag niet aldus kan worden uitgelegd dat de eigen onderdanen van een bepaalde lidstaat van de toepassing van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten wanneer zij zich, door hun handelwijze, ten opzichte van hun staat van herkomst in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten.

24.
    Aangezien de heer Carpenter zijn recht op vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, kan zijn echtgenote zich niet op bovengenoemde arresten Singh en Asscher beroepen. Bijgevolg kan een persoon die zich in de situatie van mevrouw Carpenter bevindt, aan het gemeenschapsrecht geen recht van binnenkomst of verblijf in het Verenigd Koninkrijk ontlenen.

25.
    Volgens de Commissie moet onderscheid worden gemaakt tussen de situatie van mevrouw Carpenter en die van de echtgenoot van een onderdaan van een lidstaat die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en zijn lidstaat van herkomst heeft verlaten om zich in een andere lidstaat te vestigen of er te werken.

26.
    In dit laatste geval wordt de echtgenoot, ongeacht zijn nationaliteit, zeker door het gemeenschapsrecht gedekt, en heeft hij het recht om zich met de onderdaan van een lidstaat in de lidstaat van ontvangst te vestigen, aangezien die onderdaan anders ervan zou kunnen worden weerhouden, zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen. Bovendien moet, zoals het Hof in punt 23 van het bovengenoemde arrest Singh heeft geoordeeld, de echtgenoot van die onderdaan van een lidstaat, wanneer laatstgenoemde naar zijn land van herkomst terugkeert, ten minste dezelfde rechten van toegang en verblijf genieten als die welke het gemeenschapsrecht hem zou toekennen indien zijn echtgenoot zou besluiten om naar een andere lidstaat te gaan en daar te verblijven.

27.
    Daarentegen kan het in punt 23 van bovengenoemd arrest Singh geponeerde beginsel niet worden toegepast op een situatie als die in het hoofdgeding, waar de onderdaan van een lidstaat zich nooit met zijn echtgenoot in een andere lidstaat heeft willen vestigen, maar eenvoudigweg diensten verleent vanuit zijn lidstaat van herkomst. De Commissie geeft in overweging, dat een dergelijke situatie veeleer als een interne aangelegenheid in de zin van het arrest van 27 oktober 1982, Morson en Jhanjan (35/82 en 36/82, Jurispr. blz. 3723), moet worden beschouwd, zodat het recht van mevrouw Carpenter om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven, indien het bestaat, een kwestie is die uitsluitend door het nationale recht wordt beheerst.

Beoordeling door het Hof

28.
    Vooraf zij eraan herinnerd dat de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regeling niet kunnen worden toegepast op situaties die geen enkele aanknoping hebben met een van de door het gemeenschapsrecht beoogde situaties (zie, in die zin, onder meer arrest van 21 oktober 1999, Jägerskiöld, C-97/98, Jurispr. blz. I-7319, punten 42-45).

29.
    Vervolgens zij erop gewezen dat, zoals uit punt 14 van het onderhavige arrest blijkt, een belangrijk deel van de beroepsactiviteit van de heer Carpenter erin bestaat, tegen vergoeding diensten te verrichten ten behoeve van in andere lidstaten gevestigde adverteerders. Dergelijke activiteiten vallen onder het begrip diensten in de zin van artikel 49 EG, zowel wanneer de dienstverrichter zich te dien einde begeeft naar de lidstaat van de persoon te wiens behoeve de dienst wordt verricht, als wanneer hij de grensoverschrijdende diensten verleent zonder de lidstaat waar hij is gevestigd, te verlaten (zie, met betrekking tot het zogenoemde „cold calling”, arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments, C-384/93, Jurispr. blz. I-1141, punten 15 en 20-22).

30.
    De heer Carpenter maakt dus gebruik van het door artikel 49 EG gewaarborgde recht op het vrij verrichten van diensten. Bovendien kan dit recht, zoals het Hof bij herhaling heeft geoordeeld, door een dienstverrichter worden ingeroepen tegenover de staat waar hij is gevestigd, wanneer de diensten worden verricht ten behoeve van in een andere lidstaat gevestigde personen (zie onder meer arrest Alpine Investments, reeds aangehaald, punt 30).

31.
    Verder zij erop gewezen dat, op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, de richtlijn ertoe strekt de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap op te heffen.

32.
    Zowel uit het doel dat met de richtlijn wordt nagestreefd, als uit de bewoordingen van artikel 1, lid 1, sub a en b, ervan blijkt, dat zij van toepassing is in het geval waarin een onderdaan van een lidstaat zijn lidstaat van herkomst verlaat en zich naar een andere lidstaat begeeft om zich aldaar te vestigen, om er een dienst te verrichten of om er te zijnen behoeve een dienst te laten verrichten.

33.
    Deze uitlegging vindt onder meer steun in artikel 2, lid 1, volgens hetwelk „de lidstaten aan de in artikel 1 bedoelde personen het recht verlenen, hun grondgebied te verlaten”, artikel 3, lid 1, volgens hetwelk „de lidstaten de in artikel 1 bedoelde personen op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zonder meer op hun grondgebied toelaten”, artikel 4, lid 1, volgens hetwelk „iedere lidstaat een permanent verblijfsrecht verleent aan de onderdanen van de overige lidstaten die zich op zijn grondgebied vestigen”, en artikel 4, lid 2, van de richtlijn, volgens welke „voor de personen die diensten verrichten en degenen te wier behoeve de dienst wordt verricht, het verblijfsrecht overeenkomt met de duur van de dienstverrichting”.

34.
    In artikel 1, lid 1, sub c, van de richtlijn wordt het recht om zich naar een andere lidstaat te begeven en er te verblijven, uitgebreid tot de echtgenoten van de in dat artikel, sub a en b, bedoelde onderdanen van de lidstaten, ongeacht hun nationaliteit. Voorzover de richtlijn echter tot doel heeft, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten door de onderdanen van de lidstaten te vergemakkelijken, zijn de aan de echtgenoten van deze onderdanen toegekende rechten hun verleend opdat zij die onderdanen zouden kunnen vergezellen wanneer dezen zich naar een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst begeven of er verblijven en er onder de door de richtlijn bepaalde voorwaarden hun aan het Verdrag ontleende rechten uitoefenen.

35.
    Derhalve volgt zowel uit de doelstellingen van de richtlijn als uit haar inhoud, dat zij de voorwaarden regelt waaronder een onderdaan van een lidstaat, en de andere in artikel 1, lid 1, sub c en d, bedoelde personen, de lidstaat van herkomst van die onderdaan kunnen verlaten en een andere lidstaat kunnen binnenkomen en er verblijven met het oog op een van de in artikel 1, lid 1, sub a en b, genoemde doeleinden en zulks voor een in artikel 4, leden 1 of 2, gepreciseerde duur.

36.
    Aangezien de richtlijn niet het recht van verblijf van de gezinsleden van een dienstverrichter in zijn lidstaat van herkomst regelt, hangt het antwoord op de prejudiciële vraag er dus van af, of in een situatie als die in het hoofdgeding een recht van verblijf ten gunste van de echtgenoot kan worden afgeleid uit de beginselen of andere regels van het gemeenschapsrecht.

37.
    Zoals in de punten 29 en 30 van het onderhavige arrest is vastgesteld, oefent de heer Carpenter het in artikel 49 EG bedoelde recht op het vrij verrichten van diensten uit. De door hem verrichte diensten vormen een belangrijk deel van zijn economische activiteit, die zich zowel afspeelt op het grondgebied van zijn staat van herkomst ten behoeve van personen die op het grondgebied van andere lidstaten zijn gevestigd, als op het grondgebied van deze laatste.

38.
    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de gemeenschapswetgever heeft erkend dat het belangrijk is, het gezinsleven van de onderdanen van de lidstaten te beschermen teneinde de belemmeringen van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden op te heffen, zoals met name blijkt uit de bepalingen van de verordeningen en richtlijnen van de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Gemeenschap [zie, bijvoorbeeld, artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2); artikelen 1 en 4 van richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 13), en artikelen 1, lid 1, sub c, en 4 van richtlijn 73/148].

39.
    Vaststaat echter dat de scheiding van de echtelieden Carpenter schade zou berokkenen aan hun gezinsleven en, bijgevolg, aan de voorwaarden voor het gebruik van een fundamentele vrijheid door de heer Carpenter. Deze vrijheid zou immers haar volle werking niet kunnen ontplooien, indien de heer Carpenter door obstakels die in zijn land van herkomst aan de toegang en het verblijf van zijn echtgenoot in de weg worden gelegd, ervan zou worden weerhouden, van die vrijheid gebruik te maken (zie in die zin arrest Singh, reeds aangehaald, punt 23).

40.
    Dienaangaande zij erop gewezen dat een lidstaat zich ter rechtvaardiging van een nationale maatregel die het vrij verrichten van diensten kan belemmeren, slechts op redenen van algemeen belang kan beroepen wanneer die maatregel in overeenstemming is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (zie in die zin arresten van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jurispr. blz. I-2925, punt 43, en 26 juni 1997, Familiapress, C-368/95, Jurispr. blz. I-3689, punt 24).

41.
    Het besluit tot uitzetting van mevrouw Carpenter vormt een inmenging in de wijze waarop haar echtgenoot gebruik maakt van zijn recht op eerbiediging van zijn gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), dat deel uitmaakt van de grondrechten die, volgens de - overigens door de preambule van de Europese Akte en artikel 6, lid 2, EU bevestigde - vaste rechtspraak van het Hof in de communautaire rechtsorde worden beschermd.

42.
    Ook al waarborgt het EVRM als zodanig een buitenlander geen enkel recht om een bepaald land binnen te komen of er te verblijven, het uitsluiten van een persoon uit een land waar zijn naaste verwanten wonen, kan een inmenging zijn in het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8, lid 1, van het EVRM. Een dergelijke inmenging is in strijd met het EVRM indien zij niet voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 2 ervan, namelijk indien zij niet „bij de wet is voorzien”, is ingegeven door een of meer met betrekking tot dat lid legitieme doelstellingen, en „in een democratische samenleving nodig” is, dat wil zeggen gerechtvaardigd door een dwingende maatschappelijke behoefte en met name evenredig aan het nagestreefde legitieme doel (zie onder meer Eur. Hof R.M., arrest van 2 augustus 2001, Boultif/Zwitserland, Recueil des arrêts et décisions 2001-IX, §§ 39, 41 en 46).

43.
    Een besluit tot uitzetting van mevrouw Carpenter, genomen in omstandigheden als die in het hoofdgeding, eerbiedigt niet het juiste evenwicht tussen de betrokken belangen, namelijk enerzijds het recht van haar echtgenoot op eerbiediging van zijn gezinsleven, en anderzijds de verdediging van de openbare orde en veiligheid.

44.
    Wat het hoofdgeding betreft, heeft de echtgenote van de heer Carpenter weliswaar de immigratiewetten van het Verenigd Koninkrijk overtreden door na het verstrijken van haar vergunning om er als bezoeker te verblijven, het nationale grondgebied niet te verlaten, maar op haar gedrag sedert haar aankomst in het Verenigd Koninkrijk in september 1994 zijn geen andere aanmerkingen gemaakt die doen vrezen dat zij in de toekomst een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Bovendien staat vast dat het in 1996 in het Verenigd Koninkrijk voltrokken huwelijk van de echtelieden Carpenter een authentiek huwelijk is en dat mevrouw Carpenter er nog steeds een werkelijk gezinsleven leidt en er met name zorgt voor de kinderen uit een eerste huwelijk van haar echtgenoot.

45.
    In die omstandigheden vormt het besluit tot uitzetting van mevrouw Carpenter een inmenging die niet evenredig is met het nagestreefde doel.

46.
    Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 49 EG, gelezen tegen de achtergrond van het fundamentele recht op eerbiediging van het gezinsleven, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat in een situatie als die in het hoofdgeding, de lidstaat van herkomst van een in diezelfde staat gevestigde dienstverrichter die diensten verricht ten behoeve van personen die in andere lidstaten zijn gevestigd, het verblijf op zijn grondgebied weigert aan de echtgenoot van die dienstverrichter, die onderdaan is van een derde land.

Kosten

47.
    De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Immigration Appeal Tribunal bij beschikking van 16 december 1999 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 49 EG, gelezen tegen de achtergrond van het fundamentele recht op eerbiediging van het gezinsleven, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat in een situatie als die in het hoofdgeding, de lidstaat van herkomst van een in diezelfde lidstaat gevestigde dienstverrichter die diensten verricht ten behoeve van personen die in andere lidstaten zijn gevestigd, het verblijf op zijn grondgebied weigert aan de echtgenoot van die dienstverrichter, die onderdaan is van een derde land.

Rodríguez Iglesias
Colneric
von Bahr

Gulmann

Edward
Puissochet

Wathelet

Schintgen
Cunha Rodrigues

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juli 2002.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Engels.