Language of document : ECLI:EU:C:2017:941

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

6 december 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Mededingingsregelingen – Artikel 101, lid 1, VWEU – Selectieve distributie van luxecosmetica – Beding op grond waarvan het detailhandelaren verboden is bij internetverkoop een niet-erkende derde in te schakelen – Verordening (EU) nr. 330/2010 – Artikel 4, onder b) en c)”

In zaak C‑230/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hogere regionale rechter Frankfurt am Main, Duitsland) bij beslissing van 19 april 2016, ingekomen bij het Hof op 25 april 2016, in de procedure

Coty Germany GmbH

tegen

Parfümerie Akzente GmbH,


wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, S. Rodin en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 maart 2017,

gelet op de opmerkingen van:

–        Coty Germany GmbH, vertegenwoordigd door A. Lubberger en B. Weichhaus, Rechtsanwälte,

–        Parfümerie Akzente GmbH, vertegenwoordigd door O. Spieker en M. Alber, Rechtsanwälte,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en A. Lippstreu als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en J. Bousin als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato,

–        de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door A. Germeaux, bijgestaan door P. E. Partsch en T. Evans, avocats,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman, M. de Ree en J. Langer als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Eberhard als gemachtigde,

–        de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, H. Shev en L. Swedenborg als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meessen, H. Leupold en T. Christoforou als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juli 2017,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU en van artikel 4, onder b) en c), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2010, L 102, blz. 1).

2        Dat verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Coty Germany GmbH, een leverancier van luxecosmetica, gevestigd in Duitsland, en Parfümerie Akzente GmbH, een erkende wederverkoper van die producten, betreffende het aan deze laatste in het kader van een selectievedistributieovereenkomst tussen Coty Germany en haar erkende wederverkopers opgelegde verbod om bij de verkoop via internet van de contractproducten naar buiten toe kenbaar niet-erkende derde ondernemingen in te schakelen.

 Toepasselijke bepalingen

3        Volgens overweging 10 van verordening nr. 330/2010 „[dient] [d]eze verordening [...] geen vrijstelling te verlenen voor verticale overeenkomsten welke beperkingen bevatten die waarschijnlijk de mededinging beperken en de consumenten schaden of die niet onmisbaar zijn om de voornoemde efficiëntie verhogende uitwerking te bereiken. In het bijzonder verticale overeenkomsten welke bepaalde soorten ernstige beperkingen van de mededinging bevatten, zoals de oplegging van minimumwederverkoopprijzen of vaste wederverkoopprijzen, alsmede bepaalde vormen van gebiedsbescherming, dienen, ongeacht het marktaandeel van de betrokken ondernemingen, van het voordeel van de in deze verordening vervatte groepsvrijstelling te worden uitgesloten.”

4        Artikel 1, lid 1, onder e), van die verordening definieert „selectief distributiestelsel” als „een distributiestelsel waarbij de leverancier zich ertoe verbindt, de contractgoederen of -diensten, direct of indirect, slechts aan de distributeurs te verkopen die op grond van vastgestelde criteria zijn geselecteerd, en waarbij deze distributeurs zich ertoe verbinden, deze goederen of diensten niet aan niet-erkende distributeurs te verkopen binnen het grondgebied waarop de leverancier heeft besloten dat systeem toe te passen”.

5        Artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalt het volgende:

„Overeenkomstig artikel 101, lid 3, [VWEU] en onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt artikel 101, lid 1, [VWEU] buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten.

Deze vrijstelling is van toepassing, voor zover deze overeenkomsten verticale beperkingen bevatten.”

6        Artikel 3, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt:

„De in artikel 2 bepaalde vrijstelling is van toepassing, op voorwaarde dat het marktaandeel van de leverancier niet meer bedraagt dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten verkoopt en het marktaandeel van de afnemer niet meer bedraagt dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten koopt.”

7        Onder het opschrift „Beperkingen die het voordeel van de groepsvrijstelling tenietdoen – hardcorebeperkingen” bevat artikel 4 van verordening nr. 330/2010 de volgende bepalingen:

„De in artikel 2 bepaalde vrijstelling is niet van toepassing op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben:

[...]

b)      de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen, met uitzondering van:

[...]

c)      de beperking van de actieve of passieve verkoop aan eindgebruikers door de op het detailhandelsniveau werkzame leden van een selectief distributiestelsel [...];

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Coty Germany verkoopt luxecosmetica in Duitsland. Zij verkoopt bepaalde merken in dit segment op basis van een selectief distributienetwerk waaraan een selectievedistributieovereenkomst ten grondslag ligt die ook door de met haar verbonden vennootschappen wordt toegepast. Die overeenkomst wordt aangevuld met verschillende specifieke overeenkomsten die tot doel hebben dat netwerk te organiseren.

9        Parfümerie Akzente distribueert al vele jaren de producten van Coty Germany als erkende detailhandelaar, zowel in fysieke verkooppunten als op internet. De internetverkoop vindt ten dele plaats via haar eigen webshop en ten dele via het platform „amazon.de”.

10      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Coty Germany haar selectief distributiestelsel in de aanhef van de selectievedistributieovereenkomst als volgt rechtvaardigt: „Het karakter van de Coty Prestige-merken vereist een selectievedistributiestrategie ter ondersteuning van het luxe-imago van de betrokken merken”.

11      Wat de fysieke handel betreft, bepaalt de selectievedistributieovereenkomst in dit verband dat elk verkooppunt van de distributeur door Coty Germany moet zijn erkend en dat voor die erkenning aan bepaalde, in artikel 2 van de overeenkomst nader omschreven eisen inzake omgeving, voorzieningen en inrichting van die verkooppunten moet worden voldaan.

12      Meer in het bijzonder dienen volgens artikel 2, lid 1, punt 3, van de distributieovereenkomst „[d]e voorzieningen en de inrichting van het verkooppunt, het productaanbod, de reclame en de verkooppresentatie [...] het luxekarakter van de Coty Prestige-merken te onderstrepen en te ondersteunen. Bij de beoordeling van dit criterium wordt met name aandacht besteed aan de gevel en de inrichting van het verkooppunt, de vloeren, wanden en plafonds, het meubilair, het verkoopoppervlak en de verlichting en voorts aan een algemene indruk van netheid en orde.”

13      Volgens artikel 2, lid 1, punt 6, van de distributieovereenkomst „[mag de] aanduiding van het verkooppunt, hetzij met de naam van de onderneming, hetzij door aanvullende aanduidingen of ondernemingsslogans, [...] niet de indruk doen ontstaan van een beperkt productaanbod, voorzieningen van matige kwaliteit of gebrekkige advisering en moet [zij] voor het overige aldus worden aangebracht dat de decoraties en de uitstallingen van de depositair niet worden afgedekt”.

14      Tot de tussen de partijen gesloten overeenkomsten behoort voorts een aanvullende overeenkomst inzake internetverkoop, die in artikel 1, lid 3, bepaalt dat „[h]et [...] de depositair niet [is] toegestaan een andere naam te gebruiken of een derde, niet-erkende, onderneming in te schakelen”.

15      Nadat verordening nr. 330/2010 in werking was getreden heeft Coty Germany de overeenkomsten inzake het selectieve distributienetwerk en bovengenoemde aanvullende overeenkomst gewijzigd en in beding I.1, eerste alinea, van deze laatste overeenkomst vastgelegd dat „de depositair het recht [heeft] de producten via internet aan te bieden en te verkopen. Voorwaarde is echter dat de internetactiviteiten van de depositair als ‚elektronische etalage’ van de erkende winkel plaatsvinden en dat het luxekarakter van de producten onaangetast blijft.” Voorts zijn volgens beding I.1, punt 3, van voornoemde aanvullende overeenkomst het gebruik van een andere handelsnaam en de naar buiten toe kenbare inschakeling van een derde onderneming die geen erkende depositair van Coty Prestige is, uitdrukkelijk verboden.

16      Daar Parfümerie Akzente weigerde om met deze wijzigingen van de selectievedistributieovereenkomst in te stemmen, heeft Coty Germany bij de nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg beroep ingesteld ertoe strekkende dat het Parfümerie Akzente op grond van beding I.1, punt 3, van de aanvullende overeenkomst zou worden verboden, de artikelen van het litigieuze merk via het platform „amazon.de” aan te bieden.

17      Die rechterlijke instantie heeft bij vonnis van 31 juli 2014 dat beroep verworpen op grond dat het betrokken contractueel beding in strijd was met § 1 van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen (Duitse wet tegen beperkingen van de mededinging) of met artikel 101, lid 1, VWEU. Zij heeft verklaard dat het doel, een prestigieus merkimago in stand te houden, volgens het arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C‑439/09, EU:C:2011:649), de invoering van een – in beginsel mededingingsbeperkend – selectief distributiestelsel niet kan rechtvaardigen. Het litigieuze contractuele beding moest volgens die rechterlijke instantie tevens als een hardcorebeperking in de zin van artikel 4, onder c), van verordening nr. 330/2010 worden aangemerkt.

18      Voorts heeft de nationale rechterlijke instantie in eerste aanleg overwogen dat bedoeld beding niet voldeed aan de voorwaarden voor een individuele vrijstelling, daar niet was aangetoond dat de algemene uitsluiting van internetverkoop via platforms van derden efficiencyvoordelen opleverde die zwaarder wogen dan de uit het litigieuze beding voortvloeiende nadelen voor de mededinging. Een dergelijk algemeen verbod is volgens die rechterlijke instantie hoe dan ook niet noodzakelijk, aangezien even geschikte maatregelen met voor de mededinging minder beperkende gevolgen mogelijk waren, zoals het toepassen van specifieke kwaliteitsnormen voor platforms van derden.

19      Coty Germany heeft tegen de uitspraak van de nationale rechterlijke instantie in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hogere regionale rechter Frankfurt am Main, Duitsland). In het kader van dat hoger beroep vraagt die rechterlijke instantie zich af of de contractuele bedingen die partijen zijn overeengekomen verenigbaar zijn met het recht van de Unie op mededingingsgebied.

20      In die omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Frankfurt am Main de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:

„1)      Kunnen selectieve distributiestelsels voor de verkoop van luxe- en prestigieuze artikelen die primair tot doel hebben het ‚luxe-imago’ van de artikelen in stand te houden, worden beschouwd als een mededingingsfactor die verenigbaar is met artikel 101, lid 1, VWEU?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan een algemeen verbod voor leden van een selectief distributiestelsel die actief zijn op detailhandelniveau om bij onlineverkoop naar buiten toe kenbaar derde ondernemingen in te schakelen, ongeacht of in het concrete geval de legitieme kwaliteitseisen van de producent worden geschonden, een mededingingsfactor vormen die verenigbaar is met artikel 101, lid 1, VWEU?

3)      Dient artikel 4, onder b), van verordening nr. 330/2010 aldus te worden uitgelegd dat een verbod voor leden van een selectief distributiestelsel die actief zijn op detailhandelniveau om bij onlineverkoop naar buiten toe kenbaar derde ondernemingen in te schakelen, moet worden beschouwd als een beperking naar strekking van de klantenkring van de detailhandelaar?

4)      Dient artikel 4, onder c), van verordening nr. 330/2010 aldus te worden uitgelegd dat een verbod voor leden van een selectief distributiestelsel die actief zijn op detailhandelniveau om bij onlineverkoop naar buiten toe kenbaar derde ondernemingen in te schakelen, moet worden beschouwd als een beperking naar strekking van de passieve verkopen aan de eindgebruiker?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Met haar eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een stelsel van selectieve distributie van luxecosmetica dat primair tot doel heeft, het ‚luxe-imago’ van die producten in stand te houden, verenigbaar kan zijn met die bepaling.

22      Volgens artikel 101, lid 1, VWEU zijn onverenigbaar met de interne markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

23      Aangaande overeenkomsten die een selectief distributiestelsel vormen heeft het Hof verklaard dat dergelijke overeenkomsten noodzakelijkerwijs de mededinging binnen de interne markt beïnvloeden.

24      Het Hof heeft echter geoordeeld dat de organisatie van een netwerk voor selectieve distributie niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt wanneer de wederverkopers worden gekozen op grond van objectieve criteria van kwalitatieve aard die uniform worden vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en zonder discriminatie worden toegepast, de eigenschappen van het betrokken product een dergelijk distributienetwerk noodzakelijk maken teneinde de kwaliteit ervan te behouden en het goed gebruik ervan te verzekeren en, tot slot, de vastgestelde criteria niet verder gaan dan noodzakelijk is (arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, C‑439/09, EU:C:2011:649, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Wat inzonderheid de vraag betreft of selectieve distributie noodzakelijk kan zijn met betrekking tot luxeproducten, heeft het Hof reeds geconstateerd dat de kwaliteit van dergelijke producten niet alleen voortvloeit uit de materiële kenmerken ervan, maar ook uit de allure en het prestigieuze imago, die er een luxueuze uitstraling aan geven, dat die uitstraling een essentiële eigenschap van die producten is opdat de consument ze kan onderscheiden van andere soortgelijke producten, en dat bijgevolg aantasting van die luxueuze uitstraling afbreuk kan doen aan de kwaliteit zelf van deze producten (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Copad, C‑59/08, EU:C:2009:260, punten 24‑26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Dienaangaande heeft het Hof overwogen dat de kenmerken en de modaliteiten van een selectief distributiestelsel op zichzelf het behoud van de kwaliteit en het juiste gebruik van dergelijke producten kunnen waarborgen (arrest van 23 april 2009, Copad, C‑59/08, EU:C:2009:260, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      In die context heeft het Hof inzonderheid geoordeeld dat de organisatie van een selectief distributiestelsel waarmee wordt beoogd, een valoriserende aanbieding van de producten in het verkooppunt te waarborgen, bijdraagt tot de reputatie van de betrokken producten en dus tot het behoud van de luxueuze uitstraling ervan (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Copad, C‑59/08, EU:C:2009:260, punt 29).

28      Uit deze rechtspraak volgt dat luxeproducten, gelet op de kenmerken en de aard ervan, de toepassing van een selectief distributiestelsel noodzakelijk kunnen maken om het behoud van de kwaliteit en het juiste gebruik van die producten te verzekeren.

29      Een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten dat primair tot doel heeft, het luxe-imago van die producten in stand te houden, is dan ook in overeenstemming met artikel 101, lid 1, VWEU mits de in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden worden geëerbiedigd.

30      Anders dan Parfümerie Akzente en de Duitse en de Luxemburgse regering betogen, wordt aan die conclusie niet afgedaan door de vaststelling in punt 46 van het arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C‑439/09, EU:C:2011:649).

31      Die vaststelling moet namelijk worden gelezen en uitgelegd in de context van dat arrest.

32      In dat verband moet worden opgemerkt dat in de zaak waarin genoemd arrest is gewezen de verwijzende rechterlijke instantie de verenigbaarheid met artikel 101, lid 1, VWEU niet aan de orde had gesteld met betrekking tot een selectief distributiestelsel als geheel, maar met betrekking tot een in het kader van een dergelijk stelsel aan erkende distributeurs opgelegd contractueel beding houdende een absoluut verbod om contractproducten op internet te verkopen. Ook moet worden gepreciseerd dat de producten waarop het in die zaak aan de orde zijnde selectief distributiestelsel betrekking had geen luxeproducten waren, maar cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten.

33      De vaststelling in punt 46 van het arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C‑439/09, EU:C:2011:649), moet worden gezien in de context van de overwegingen waarmee het Hof de verwijzende rechterlijke instantie in die zaak de noodzakelijke uitleggingsgegevens heeft willen verschaffen opdat deze zich kon uitspreken over de vraag of de uit dat contractuele beding voortvloeiende mededingingsbeperking haar rechtvaardiging vond in een legitieme doelstelling en die doelstelling op evenredige wijze nastreefde.

34      In die context heeft het Hof verklaard dat de noodzaak, het prestige-imago van de betrokken cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten in stand te houden, geen legitiem vereiste vormde dat een absoluut verbod om die producten op internet te verkopen rechtvaardigde. De beoordeling in punt 46 van dat arrest had dan ook enkel betrekking op de producten die aan de orde waren in de zaak waarin dat arrest is gewezen en op de contractuele bepaling die in die zaak in geding was.

35      Uit het arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C‑439/09, EU:C:2011:649), kan daarentegen niet worden afgeleid dat in punt 46 een beginselverklaring vervat zou zijn dat bescherming van het luxe-imago thans geen rechtvaardiging meer kan vormen voor een mededingingsbeperking, zoals die voortvloeiend uit het bestaan van een netwerk voor selectieve distributie, voor alle producten, waaronder in het bijzonder luxeproducten, en dat daarmee de vaste rechtspraak van het Hof zoals in herinnering gebracht in de punten 25 tot en met 27 van het onderhavige arrest zou zijn gewijzigd.

36      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een stelsel van selectieve distributie van luxeproducten dat primair tot doel heeft, het luxe-imago van die producten in stand te houden, verenigbaar is met die bepaling, mits de wederverkopers worden gekozen op grond van objectieve criteria van kwalitatieve aard die uniform worden vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en zonder discriminatie worden toegepast, en de vastgestelde criteria niet verder gaan dan noodzakelijk is.

 Tweede vraag

37      Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een contractueel beding zoals in het hoofdgeding, op grond waarvan het erkende wederverkopers van een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten dat primair tot doel heeft het luxe-imago van die producten in stand te houden, verboden is om voor de verkoop op internet van de contractproducten naar buiten toe kenbaar van platforms van derden gebruik te maken.

38      Deze vraag betreft de rechtmatigheid, gelet op artikel 101, lid 1, VWEU, van een bijzonder beding van een selectief distributiestelsel voor luxe- en prestigeproducten.

39      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit de beoordelingen in het kader van de eerste vraag, gelet op de aard en de kenmerkende eigenschappen van die producten de doelstelling, het luxe-imago ervan in stand te houden, de organisatie van een selectief distributiestelsel voor die producten rechtvaardigt.

40      In de context van een dergelijk stelsel is een bijzonder contractueel beding waarmee het luxe-imago van de betrokken producten in stand moet worden gehouden, verenigbaar met artikel 101, lid 1, VWEU, mits het voldoet aan de in punt 36 van het onderhavige arrest opgesomde voorwaarden.

41      Ofschoon het aan de verwijzende rechterlijke instantie is om na te gaan of een contractueel beding als dat in het hoofdgeding, dat verbiedt om voor de onlineverkoop van de contractproducten van platforms van derden gebruik te maken, aan die voorwaarden voldoet, staat het echter aan het Hof, haar daartoe de gegevens betreffende de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die haar in staat zullen stellen uitspraak te doen (zie in die zin arrest van 11 december 1980, L’Oréal, 31/80, EU:C:1980:289, punt 14).

42      In dat verband staat vast dat het contractuele beding in het hoofdgeding tot doel heeft, het luxe- en prestige-imago van de betrokken producten in stand te houden. Voor het overige volgt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de verwijzende rechterlijke instantie van oordeel is dat dat beding objectief en uniform is en zonder discriminatie voor alle erkende wederverkopers geldt.

43      Geverifieerd moet dus worden of in omstandigheden als in het hoofdgeding het door een leverancier aan zijn erkende wederverkopers opgelegde verbod, voor de internetverkoop van de betrokken luxeproducten naar buiten toe kenbaar gebruik te maken van platforms van derden, evenredig is gelet op het nagestreefde doel, dat wil zeggen of dat verbod geschikt is om het luxe-imago van die producten in stand te houden en niet verder gaat dan voor de bereiking van dat doel noodzakelijk is.

44      Aangaande in de eerste plaats de vraag of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod geschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel, moet om te beginnen worden opgemerkt dat het aan de wederverkopers opgelegde gebod, de contractproducten op internet alleen via hun eigen webshops te verkopen, en het verbod voor die wederverkopers om een andere handelsnaam te gebruiken en naar buiten toe kenbaar van platforms van derden gebruik te maken, de leverancier vanaf het begin waarborgen dat die producten in het kader van de elektronische handel uitsluitend aan de erkende wederverkopers gebonden zijn.

45      Daar een dergelijke binding juist een van de doeleinden is die met de toepassing van een dergelijk systeem worden nagestreefd, vormt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod een gelet op de kenmerkende eigenschappen van het selectieve distributiestelsel coherente beperking.

46      Daar volgens de rechtspraak van het Hof die kenmerkende eigenschappen het selectieve distributiestelsel tot een geschikt middel maken om het luxe-imago van de luxeproducten in stand te houden, en dus bijdragen tot het behoud van de kwaliteit van die producten (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Copad, C‑59/08, EU:C:2009:260, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet bijgevolg ook een beperking zoals die voortvloeit uit het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod, waarvan het resultaat inherent is aan die eigenschappen, worden geacht de kwaliteit en het luxe-imago van die producten in stand te houden.

47      In de tweede plaats stelt het verbod in het hoofdgeding de leverancier van luxeproducten in staat, erop toe te zien dat zijn producten online zullen worden verkocht in een omgeving die beantwoordt aan de met zijn erkende wederverkopers overeengekomen kwaliteitseisen.

48      Wanneer een wederverkoper de door de leverancier vastgestelde kwaliteitseisen niet in acht neemt, kan deze laatste immers die wederverkoper aanspreken op basis van de contractuele band tussen die twee partijen. Daar een contractuele band tussen de leverancier en de platforms van derden ontbreekt, kan de leverancier daarentegen niet op een dergelijke grondslag van die platforms verlangen dat zij zich houden aan de kwaliteitseisen die hij aan zijn erkende wederverkopers heeft opgelegd.

49      Onlineverkoop van luxeproducten door platforms die geen deel uitmaken van het stelsel van selectieve distributie voor die producten, waarbij de leverancier niet de mogelijkheid heeft, toe te zien op de voorwaarden waaronder zijn producten worden verkocht, brengt het gevaar mee van verslechtering van de presentatie van bedoelde producten op internet, wat kan afdoen aan het luxe-imago en daarmee aan de aard zelf ervan.

50      Gelet op het feit in de derde plaats dat die platforms een verkoopkanaal voor allerlei soorten producten vormen, draagt het feit dat luxeproducten niet via dergelijke platforms worden verkocht en dat onlineverkoop van die producten alleen plaatsvindt in de webshops van de erkende wederverkopers, bij tot dat luxe-imago bij de consument en daarmee tot het in stand houden van een van de door de consument gewaardeerde voornaamste eigenschappen van die producten.

51      Het door een leverancier van luxeproducten aan zijn erkende wederverkopers opgelegde verbod, voor de verkoop op internet van die producten naar buiten toe kenbaar platforms van derden in te schakelen, is dan ook een geschikte manier om het luxe-imago van bedoelde producten te behouden.

52      Aangaande in de tweede plaats de vraag of het verbod in het hoofdgeding verder gaat dan voor de bereiking van het gestelde doel noodzakelijk is, is het om te beginnen zo dat, anders dan het beding dat aan de orde was in de zaak waarin het arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C‑439/09, EU:C:2011:649), is gewezen, het beding in het hoofdgeding de erkende wederverkopers niet absoluut verbiedt om de contractproducten op internet te verkopen. Krachtens dat beding is het immers alleen verboden, contractproducten online te verkopen met tussenkomst van platforms die daarbij voor de consument kenbaar zijn.

53      Bijgevolg mogen de erkende wederverkopers online contractproducten verkopen zowel via hun eigen websites – wanneer zij over een elektronische etalage van de erkende winkel beschikken en de luxe-aard van de producten behouden blijft – als via niet-erkende platforms van derden, wanneer de tussenkomst van deze laatste voor de consument niet kenbaar is.

54      Vervolgens is het zo dat, zoals blijkt uit de voorlopige resultaten van 15 september 2016 van het door de Commissie krachtens artikel 17 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), gedane sectorale onderzoek naar de elektronische handel, de eigen webshops van de wederverkopers, die door meer dan 90 % van de ondervraagde wederverkopers worden gebruikt, ondanks de toenemende betekenis van platforms van derden bij het op de markt brengen van producten door wederverkopers, het voornaamste distributiekanaal in het kader van de distributie op internet vormen. Dit wordt bevestigd in het eindverslag van 10 mei 2017 betreffende dat onderzoek.

55      Het voorgaande wettigt de conclusie dat een verbod, zoals door verzoekster in het hoofdgeding opgelegd aan haar erkende wederverkopers, om voor de verkoop op internet van luxeproducten naar buiten toe kenbaar van platforms van derden gebruik te maken, niet verder gaat dan voor het in stand houden van het luxe-imago van die producten noodzakelijk is.

56      Inzonderheid kan een beding waarbij de wederverkopers wordt toegestaan, dergelijke platforms in te schakelen onder de voorwaarde dat deze aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen voldoen, niet even doeltreffend als het verbod in het hoofdgeding worden geacht, zulks bij gebreke van een contractuele verhouding tussen de leverancier en de platforms van derden die hem in staat zou stellen, van de platforms te verlangen dat zij de kwaliteitseisen eerbiedigen die hij aan zijn erkende wederverkopers heeft opgelegd.

57      Hieruit volgt dat, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, een dergelijk verbod verenigbaar is met artikel 101, lid 1, VWEU.

58      Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een contractueel beding als in het hoofdgeding, dat de erkende wederverkopers van een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten dat primair tot doel heeft, het luxe-imago van die producten in stand te houden, verbiedt om naar buiten toe kenbaar van platforms van derden voor de verkoop op internet van de contractproducten gebruik te maken, wanneer dat beding – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit te verifiëren – ertoe strekt het luxe-imago van bedoelde producten in stand te houden, uniform wordt vastgesteld en zonder discriminatie wordt toegepast alsook evenredig is gelet op het nagestreefde doel.

 Derde en vierde vraag

 Opmerkingen vooraf

59      Slechts in het geval waarin de verwijzende rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat een beding als aan de orde in het hoofdgeding de mededinging beperkt in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, zou de vraag zich kunnen opdringen of dat beding overeenkomstig artikel 101, lid 3, VWEU in aanmerking komt voor een vrijstelling krachtens verordening nr. 330/2010. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de in artikel 3 van die verordening vastgelegde marktaandeeldrempels niet zijn overschreden. Bedoeld beding zou dan ook in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling van artikel 2 van diezelfde verordening.

60      Verordening nr. 330/2010 sluit echter bepaalde soorten beperkingen die, ongeacht het marktaandeel van de betrokken ondernemingen, tot ernstige verstoringen van de mededinging kunnen leiden, van de groepsvrijstelling uit. Het gaat daarbij om de hardcorebeperkingen bedoeld in artikel 4 van die verordening.

61      De in artikel 2 van verordening nr. 330/2010 neergelegde groepsvrijstelling kan dus geen toepassing vinden op een verbod als in het hoofdgeding indien dit een van bedoelde hardcorebeperkingen vormt.

 Uitlegging van artikel 4, onder b) en c), van verordening nr. 330/2010

62      Met haar derde en haar vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 4 van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding het aan de leden van een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten, die als wederverkoper op die markt actief zijn, opgelegde verbod om voor de verkopen op internet naar buiten toe kenbaar derde ondernemingen in te schakelen, een beperking van de klantenkring in de zin van artikel 4, onder b), of een beperking van de passieve verkoop aan de eindgebruiker in de zin van artikel 4, onder c), van genoemde verordening vormt.

63      Overeenkomstig artikel 4, onder b) en c), van verordening nr. 330/2010 is de vrijstelling van artikel 2 van die verordening niet van toepassing op verticale overeenkomsten die tot doel hebben hetzij de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst contractgoederen of -diensten mag verkopen, hetzij de beperking van de actieve of passieve verkoop aan de eindgebruiker door de op het detailhandelsniveau werkzame leden van een selectief distributiestelsel.

64      Geverifieerd moet dus worden of een contractueel beding als in het hoofdgeding een beperking vormt van de klanten aan wie de erkende wederverkopers de betrokken luxeproducten mogen verkopen of dat het de passieve verkoop door de erkende wederverkopers aan de eindgebruiker beperkt.

65      In dit verband moet er allereerst aan worden herinnerd dat, anders dan het beding in de zaak waarin het arrest van 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C‑439/09, EU:C:2011:649), is gewezen, het beding dat in het onderhavige geval aan de orde is het gebruik van internet als vorm om de contractproducten op de markt te brengen niet verbiedt, zoals in de punten 52 en 53 van het onderhavige arrest uiteen is gezet.

66      Vervolgens blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het kennelijk niet mogelijk is om binnen de groep van onlinekopers de klanten van platforms van derden te bepalen.

67      Tot slot volgt uit het dossier waarover het Hof beschikt ook dat de selectievedistributieovereenkomst in het hoofdgeding de erkende wederverkopers onder bepaalde voorwaarden toestaat, via internet op platforms van derden en door het gebruik van onlinezoekmachines reclame te maken, zodat de klant, zoals de advocaat-generaal in punt 147 van zijn conclusie opmerkt, met behulp van dergelijke machines normalerwijs toegang tot het internetaanbod van de erkende wederverkopers kan hebben.

68      Ook indien een verbod als in het hoofdgeding een bijzondere vorm van internetverkoop verbiedt, vormt het in die omstandigheden geen beperking van de klantenkring van de wederverkopers in de zin van artikel 4, onder b), van verordening nr. 330/2010, noch een beperking van de passieve verkoop van de erkende wederverkopers aan de eindgebruiker in de zin van artikel 4, onder c), van die verordening.

69      Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 4 van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding het aan de leden van een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten, die als wederverkoper op die markt actief zijn, opgelegde verbod om voor de verkopen op internet naar buiten toe kenbaar derde ondernemingen in te schakelen, geen beperking van de klantenkring in de zin van artikel 4, onder b), of een beperking van de passieve verkoop aan de eindgebruiker in de zin van artikel 4, onder c), van genoemde verordening vormt.

 Kosten

70      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten dat primair tot doel heeft, het luxe-imago van die producten in stand te houden, verenigbaar is met die bepaling, mits de wederverkopers worden gekozen op grond van objectieve criteria van kwalitatieve aard die uniform worden vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en zonder discriminatie worden toegepast, en de vastgestelde criteria niet verder gaan dan noodzakelijk is.

2)      Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een contractueel beding als in het hoofdgeding, dat de erkende wederverkopers van een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten dat primair tot doel heeft, het luxe-imago van die producten in stand te houden, verbiedt om naar buiten toe kenbaar van platforms van derden voor de verkoop op internet van de contractproducten gebruik te maken, wanneer dat beding – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit te verifiëren – ertoe strekt het luxe-imago van bedoelde producten in stand te houden, uniform wordt vastgesteld en zonder discriminatie wordt toegepast alsook evenredig is gelet op het nagestreefde doel.

3)      Artikel 4 van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding het aan de leden van een stelsel van selectieve distributie voor luxeproducten, die als wederverkoper op die markt actief zijn, opgelegde verbod om voor de verkopen op internet naar buiten toe kenbaar derde ondernemingen in te schakelen, geen beperking van de klantenkring in de zin van artikel 4, onder b), of een beperking van de passieve verkoop aan de eindgebruiker in de zin van artikel 4, onder c), van genoemde verordening vormt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.