Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 28 augustus 2017 – Milkiyas Addis / Bundesrepublik Deutschland

(Zaak C-517/17)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesverwaltungsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Milkiyas Addis

Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland

Prejudiciële vragen

Verzet het Unierecht zich ertegen dat een lidstaat (in casu Duitsland), in het kader van de uitvoering van de machtiging die is verleend bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU1 en de voordien geldende regeling van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85/EG2 , een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart op grond dat in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus is toegekend, wanneer de wijze waarop de internationale bescherming in de andere lidstaat (in casu Italië), waar de verzoeker reeds subsidiaire bescherming heeft verkregen, is georganiseerd – te weten de levensomstandigheden voor erkende vluchtelingen – niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU, zonder evenwel in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 EVRM?

Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: geldt dit ook wanneer erkende vluchtelingen in de lidstaat waar zij als vluchteling zijn erkend (in casu Italië),

a)    geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat?

b)    weliswaar de door de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU gewaarborgde rechten genieten maar in de praktijk moeilijk toegang krijgen tot de daaraan verbonden uitkeringen of tot prestaties van familie- of middenveldnetwerken die in de plaats komen van de overheidsuitkeringen of deze aanvullen?

Verzetten artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2013/32/EU en de voordien geldende regeling van artikel 12, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2005/85/EG zich tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan het feit dat de asielzoeker niet persoonlijk is gehoord in een geval waarin de beslissingsautoriteit het asielverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard in het kader van de uitvoering van de machtiging die is verleend bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU en de voordien geldende regeling van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85/EG, niet leidt tot de nietigverklaring van die beslissing op grond dat geen gehoor heeft plaatsgevonden, ingeval de asielzoeker in de beroepsprocedure de mogelijkheid heeft om alle omstandigheden aan te voeren die tegen de niet-ontvankelijkheidsbeslissing pleiten, maar er in de betrokken zaak – ook wanneer die omstandigheden in aanmerking worden genomen – niet tot een andere beslissing kan worden gekomen?

____________

1 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 6).

2 Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13).