Language of document : ECLI:EU:C:2011:286

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

10 mei 2011 (*)

„Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Algemene beginselen van Unierecht – Artikel 157 VWEU – Richtlijn 2000/78/EG – Werkingssfeer – Begrip ‚beloning’ – Uitsluitingen – Beroepspensioenregeling in vorm van aanvullend ouderdomspensioen voor voormalige werknemers van territoriaal lichaam en hun nabestaanden – Pensioenberekeningsmethode die gehuwde pensioenontvangers bevoordeelt ten opzichte van degenen die geregistreerd partnerschap zijn aangegaan – Discriminatie op grond van seksuele geaardheid”

In zaak C‑147/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Arbeitsgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissingen van 4 april 2008 en 23 januari 2009, ingekomen bij het Hof op 10 april 2008 en 28 januari 2009, in de procedure

Jürgen Römer

tegen

Freie und Hansestadt Hamburg,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, D. Šváby (rapporteur), kamerpresidenten, E. Juhász, G. Arestis, A. Borg Barthet en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de opmerkingen van:

–        J. Römer, vertegenwoordigd door H. Graupner, Rechtsanwalt,

–        de Freie und Hansestadt Hamburg, vertegenwoordigd door Härtel, als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en J. Enegren als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 2010,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16), alsook van de algemene beginselen van het Unierecht en van artikel 141 EG (dat thans overeenkomt met artikel 157 VWEU), met betrekking tot discriminatie in arbeid en beroep op grond van de seksuele geaardheid.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J. Römer en de Freie und Hansestadt Hamburg over de hoogte van het hem toekomende aanvullende ouderdomspensioen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De punten 13 en 22 van de considerans van richtlijn 2000/78 luiden:

„(13) Deze richtlijn is niet van toepassing op regelingen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming waarvan de voordelen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die aan dat woord wordt gegeven bij de toepassing van artikel 141 [EG] [...]

[...]

(22)      Deze richtlijn laat de nationale wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen onverlet.”

4        Artikel 1 van richtlijn 2000/78 bepaalt:

„Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

5        In artikel 2 van die richtlijn heet het:

„1.      Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2.      Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)      ‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

b)      ‚indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,

i)      tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, [...]

[...]”

6        In artikel 3 van die richtlijn staat te lezen:

„1.       Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

[...]

c)      werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;

[...]

3.      Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.

[...]”

7        Overeenkomstig artikel 18, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 dienden de lidstaten in beginsel de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 2 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen, of konden zij de sociale partners met de uitvoering van deze richtlijn belasten wat de onder collectieve overeenkomsten vallende bepalingen betrof, waarbij zij ervoor dienden te zorgen dat bedoelde overeenkomsten eveneens vóór die datum ten uitvoer waren gelegd.

 Nationaal recht

 Grondwet

8        Artikel 6, lid 1, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland; hierna: „GG”) bepaalt dat „[h]et huwelijk en het gezin bijzondere bescherming door de overheid [genieten]”.

 Wet inzake het geregistreerd partnerschap

9        §1, lid 1, van het Gesetz über die Eingetragene Lebenspartnerschaft (wet inzake het geregistreerd partnerschap; hierna: „LPartG”) van 16 februari 2001 bepaalt met betrekking tot de vorm en de voorwaarden van een dergelijk partnerschap het volgende:

„Twee personen van hetzelfde geslacht vormen een levenspartnerschap, wanneer zij over en weer, in persoon en in elkaars bijzijn, verklaren dat zij met elkaar een partnerschap voor het leven wensen aan te gaan (levenspartners). De verklaringen kunnen niet worden afgelegd onder voorwaarde of voor bepaalde tijd. De verklaringen krijgen rechtsgevolg wanneer zij worden afgelegd ten overstaan van de bevoegde autoriteit. [...]”

10      § 2 van het LPartG luidt:

„Levenspartners zijn onderling tot verzorging en ondersteuning verplicht, alsook tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Zij dragen verantwoordelijkheid voor elkaar.”

11      In § 5 van die wet heet het:

„Levenspartners zijn verplicht elkaar op passende wijze te onderhouden. § 1360 bis, § 1360 ter en § 1609 van het Bürgerliche Gesetzbuch zijn van overeenkomstige toepassing.”

12      § 11, lid 1, van het LPartG, waarin het gaat over de andere gevolgen van het levenspartnerschap, luidt:

„Een levenspartner geldt als familielid van de andere levenspartner, voor zover niet anders is bepaald.”

13      Ingevolge het op 1 januari 2005 in werking getreden Gesetz zur Überarbeitung des Lebenspartnerschaftsrechts van 15 december 2004 (Duitse wet inzake de hervorming van het partnerschapsrecht; hierna: „wet van 15 december 2004), is het LPartG gewijzigd en is de status van het geregistreerd levenspartnerschap nog meer gaan lijken op de status van het huwelijk. In het bijzonder geldt thans bij ontbinding van het partnerschap een regeling betreffende de verdeling van de pensioenrechten tussen de partners (artikel 20 van het LPartG), zoals dit ook het geval is voor echtgenoten in geval van een echtscheiding. Voorts is de wettelijke regeling inzake de pensioenverzekering in die zin gewijzigd dat geregistreerde partners, net zoals gehuwden, nabestaandenpensioenen ontvangen, en dit zelfs indien de partner vóór 1 januari 2005 is overleden [§ 46, lid 4, van boek VI van het Sozialgesetzbuch (Duits socialezekerheidswetboek)].

          Toepasselijke pensioenbepalingen van de deelstaat Hamburg

14      Het Hamburgische Zusatzversorgungsgesetz (wet van de deelstaat Hamburg inzake aanvullend pensioen; hierna: „HmbZVG”) van 7 maart 1995 is ingevolge § 1 ervan van toepassing op personen die in dienst zijn van de Freie und Hansestadt Hamburg of aan wie de Freie und Hansestadt Hamburg een pensioen moet uitkeren in de zin van § 2 van deze wet (pensioengerechtigden). § 2 van het HmbZVG bepaalt dat het pensioen wordt uitgekeerd in de vorm van een ouderdomspensioen, dat wordt geregeld in § 3 tot en met § 10 van deze wet, of een nabestaandenpensioen, dat wordt geregeld in § 11 tot en met § 19 ervan. Ingevolge § 2 bis en § 2 quater, van het HmbZVG dragen werknemers in dienst van de Freie und Hansestadt Hamburg bij aan de pensioenuitgaven door de afdracht van een premie, waarvan het aanvangspercentage 1,25 % van de belastbare beloning bedraagt en wordt ingehouden op de beloning. § 2 ter van die wet bepaalt dat de verplichting tot premiebetaling begint bij de aanvang van de arbeidsverhouding en eindigt bij de beëindiging ervan.

15      § 6 van het HmbZVG bepaalt dat het maandelijks pensioenbedrag voor elk volledig jaar van arbeid waarin pensioenrechten worden opgebouwd, overeenkomt met een pensioen van 0,5 % van de bij de pensioenberekening in aanmerking te nemen loonbetalingen.

16      § 7 van het HmbZVG bevat nadere details met betrekking tot de beloningen die bij de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen, terwijl § 8 van deze wet een definitie geeft van de tijdvakken van arbeid die recht op een pensioenuitkering geven alsmede de tijdvakken die hiervan zijn uitgesloten.

17      § 29 van het HmbZVG bevat de overgangsbepalingen met betrekking tot de in § 1, lid 1, tweede volzin, van deze wet bedoelde pensioengerechtigden die onder de vroeger geldende wetgeving vielen. § 29, lid 1, punt 1, juncto punt 5, van die wet bepaalt dat deze pensioengerechtigden in afwijking van met name § 6, leden 1 en 2, ervan, een pensioen blijven ontvangen dat overeenkomt met het pensioen dat zij in juli 2003 ontvingen of waarop zij krachtens § 29, lid 1, punten 2 en 4, van die wet in december 2003 recht zouden hebben gehad.

18      Voordien werd deze materie geregeld door het door de deelstaat Hamburg vastgestelde Gesetz über die zusätzliche Alters- und Hinterbliebenenversorgung für Angestellte und Arbeiter der Freien und Hansestadt Hamburg (Erstes Ruhegeldgesetz der Freien und Hansestadt Hamburg – 1. RGG) [wet inzake het aanvullend ouderdoms‑ en nabestaandenpensioen voor werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg (eerste pensioenwet van de Freie und Hansestadt Hamburg); hierna: „1. RGG”]. § 10, lid 6, van die wet bepaalde:

„Het fictieve netto-inkomen dat de grondslag vormt voor de berekening van het pensioen wordt bepaald door de voor de berekening van het pensioen in aanmerking te nemen loonbetalingen (§ 8) te verminderen met

1.      het bedrag dat zou moeten worden betaald uit hoofde van de loonbelasting [met aftrek van het aan de Kerk afgedragen deel (Kirchenlohnsteuer)] met toepassing van belastinggroep III/0, in het geval van een gehuwde pensioenontvanger die niet duurzaam gescheiden leeft op de dag waarop de uitkering van het ouderdomspensioen aanvangt (§ 12, lid 1), of een pensioengerechtigde die, op dezelfde dag, recht heeft op gezinstoeslagen of gelijksoortige uitkeringen, [of]

2.      het bedrag dat zou moeten worden betaald, op de dag waarop de uitkering van het ouderdomspensioen aanvangt, uit hoofde van de loonbelasting (met aftrek van het aan de Kerk afgedragen deel) met toepassing van belastinggroep I, in het geval van de overige pensioengerechtigden. [...]”

19      § 8, lid 10, laatste volzin, van het 1. RGG bepaalt dat wanneer pas na aanvang van de uitkering van het ouderdomspensioen is voldaan aan de voorwaarden van § 10, lid 6, punt 1, van deze wet, deze laatste bepaling vanaf dat tijdstip dient te worden toegepast, wanneer de betrokkene hierom verzoekt.

20      Het bedrag dat uit hoofde van de loonbelasting bij toepassing van belastinggroep III/0 dient te worden afgetrokken is aanzienlijk kleiner dan het uit hoofde van de loonbelasting bij toepassing van belastinggroep I af te trekken bedrag.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21      Partijen in het hoofdgeding verschillen van mening over de hoogte van het pensioen waarop verzoeker in het hoofdgeding, Römer, vanaf november 2001 aanspraak kan maken.

22      Römer was vanaf 1950 totdat hij op 31 mei 1990 arbeidsongeschikt werd, bij de Freie und Hansestadt Hamburg als administratief medewerker in dienst. Hij woont sinds 1969 onafgebroken samen met de heer U. Op 15 oktober 2001 zijn beiden een geregistreerd partnerschap aangegaan overeenkomstig het LPartG. Römer heeft dit bij brief van 16 oktober 2001 aan zijn vroegere werkgever medegedeeld. In een daaropvolgende brief van 28 november 2001 heeft hij verzocht om het aan hem uitgekeerde aanvullende ouderdomspensioen te herberekenen met toepassing van de gunstigere loonbelastingaftrek volgens belastinggroep III/0. Volgens de inlichtingen van de verwijzende rechter is om herberekening vanaf 1 augustus 2001 verzocht. Verzoeker in het hoofdgeding laat in zijn opmerkingen evenwel weten pas met ingang van 1 november 2001 om deze aanpassing van zijn pensioen te hebben verzocht.

23      Bij brief van 10 december 2001 heeft de Freie und Hansestadt Hamburg Römer meegedeeld dat zij de berekening van zijn pensioen niet zou wijzigen, aangezien volgens § 10, lid 6, punt 1, van het 1. RGG alleen niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvangers alsmede pensioenontvangers die aanspraak konden maken op gezinsbijslag of op een overeenkomstige uitkering, aanspraak konden maken op een pensioenberekening met toepassing van belastinggroep III/0.

24      Volgens het op 2 september 2001 door de Freie und Hansestadt Hamburg opgestelde „overzicht van de pensioenrechten” bedroeg het aan Römer uitgekeerde maandelijkse pensioen vanaf september 2001 – op basis van een beloning waarop het bedrag in mindering was gebracht dat had moeten worden betaald uit hoofde van de loonbelasting met toepassing van belastinggroep I – 1 204,55 DEM (615,88 EUR). Volgens de door zijn voormalige werkgever onweersproken berekening van verzoeker in het hoofdgeding zou het maandelijkse ouderdomspensioen in september 2001 590,87 DEM (302,11 EUR) méér hebben bedragen indien bedoeld pensioen met inaanmerkingneming van belastinggroep III/0 was berekend.

25      Het geding is aanhangig gemaakt bij de verwijzende rechter. Römer is van mening dat hij bij de berekening van zijn pensioen krachtens § 10, lid 6, punt 1, van het 1. RGG moet worden behandeld als een niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvanger. Volgens hem moet het in deze bepaling opgenomen criterium „niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvanger” aldus worden uitgelegd dat hieronder ook pensioengerechtigden vallen die een geregistreerd partnerschap overeenkomstig het LPartG zijn aangegaan.

26      Römer neemt het standpunt in dat zijn recht om gelijk te worden behandeld als niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvangers hoe dan ook voortvloeit uit richtlijn 2000/78. Verder wijst hij erop dat vanwege het feit dat deze richtlijn niet binnen de in artikel 18 ervan gestelde termijn, dat wil zeggen uiterlijk op 2 december 2003, in Duits recht is omgezet, deze rechtstreeks op verweerster in het hoofdgeding van toepassing is.

27      De Freie und Hansestadt Hamburg voert aan dat het begrip „gehuwd”, als bedoeld in § 10, lid 6, punt 1, van het 1. RGG, niet in de door Römer gewenste zin kan worden uitgelegd. Zij betoogt, kort gezegd, dat het huwelijk en het gezin ingevolge artikel 6, lid 1, GG bijzondere bescherming door de overheid genieten. Voorts bestaat er volgens de Freie und Hansestadt Hamburg een parallel tussen de kwestie van de gemeenschappelijke aanslag en de vraag, of bij de berekening van het op basis van het 1. RGG uitgekeerde aanvullende ouderdomspensioen fictief belastinggroep III/0 kan worden toegepast. Zowel de gemeenschappelijke aanslag tijdens hun beroepsleven, als daarna de fictieve toepassing van belastinggroep III/0 bij de pensioenberekening zijn bepalend voor de financiële middelen waarover de betrokkenen maandelijks beschikken om de gewone kosten van het levensonderhoud te dekken. Met het voordeel dat wordt toegekend aan personen die een gezin hebben gesticht of dit hadden kunnen doen, wordt beoogd de met hun situatie verbonden bijkomende financiële last te compenseren.

28      In die omstandigheden heeft het Arbeitsgericht Hamburg bij beslissing van 4 april 2008, aangevuld bij beslissing van 28 januari 2009, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Gaat het bij het krachtens het [1. RGG] geregelde aanvullend pensioen voor voormalige werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg alsmede hun nabestaanden, om ‚uitkeringen [...] die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming’ in de zin van artikel 3, lid 3, van [richtlijn 2000/78], met als gevolg dat het 1. RGG buiten de werkingssfeer van de voornoemde richtlijn valt?

2)      a)     Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord[, zijn dan] de regelingen van het 1. RGG, die wat de berekening van de hoogte van het pensioen betreft in die zin onderscheid maken tussen gehuwde pensioenontvangers enerzijds en alle overige pensioenontvangers anderzijds, dat gehuwde pensioenontvangers worden bevoordeeld, in het bijzonder ten opzichte van personen die met iemand van hetzelfde geslacht een partnerschap zijn aangegaan overeenkomstig [het LPartG], ‚wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen’ in de zin van punt 22 van de considerans van de richtlijn?

b)      Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord[, leidt dit dan] ertoe dat de richtlijn met betrekking tot de genoemde regelingen van het 1. RGG niet van toepassing is, hoewel de richtlijn zelf geen met punt 22 van de considerans overeenkomende beperking van haar werkingssfeer bevat?

3)      Indien de tweede vraag, sub [a], of de tweede vraag, sub [b], ontkennend wordt beantwoord[, is dan] § 10, lid 6, van het 1. RGG, volgens hetwelk het pensioen van niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvangers wordt berekend op de fictieve basis van de (voor belastingplichtigen voordeligere) belastinggroep III/0, het pensioen van alle overige pensioenontvangers daarentegen op de fictieve basis van de (voor belastingplichtigen nadeligere) belastinggroep I, in strijd met artikel 1, junctis de artikelen 2 en 3, lid 1, sub c, van de richtlijn wat betreft een pensioenontvanger die [geregistreerd levens]partner is van een persoon van hetzelfde geslacht en niet duurzaam gescheiden van deze leeft?

4)      Indien de eerste vraag of de tweede vraag, sub [b], bevestigend, of de derde vraag ontkennend wordt beantwoord[, is dan] § 10, lid 6, van het 1. RGG op grond van de in de derde vraag weergegeven regeling respectievelijk rechtsgevolgen in strijd met artikel 141 EG of met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht?

5)      a)     Indien de derde of de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord[, heeft dit dan] tot gevolg dat, zolang § 10, lid 6, van het 1. RGG niet in de zin van de opheffing van de gelaakte ongelijke behandeling is gewijzigd, de niet duurzaam gescheiden levende pensioenontvanger die een partnerschap is aangegaan, kan eisen dat hij voor de berekening van het [aanvullende] pensioen wordt behandeld als een niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvanger?

         b)     Zo ja, geldt dit – wanneer de richtlijn van toepassing is en de derde vraag bevestigend wordt beantwoord – ook reeds vóór het einde van de omzettingstermijn van artikel 18, lid 1, van de richtlijn?

6)      Indien de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord[, is] dan de in de motivering van het arrest van het Hof [van 17 mei 1990,] Barber (C‑262/88[, Jurispr. blz. I‑1889]) aangegeven beperking toepasselijk, dat de gelijke behandeling bij de berekening van het pensioen enkel moet plaatsvinden voor dat deel van het pensioen waarvoor de pensioenontvanger vanaf 17 mei 1990 tijdvakken van arbeid heeft vervuld?

7)      Indien het Hof van Justitie tot de slotsom komt dat sprake is van directe discriminatie:

a)      Welke betekenis heeft in dit verband de bijzondere omstandigheid dat enerzijds volgens zowel de grondwet [...] als het gemeenschapsrecht het beginsel van gelijke behandeling in acht moet worden genomen, maar anderzijds volgens het recht van de Bondsrepubliek Duitsland krachtens de uitdrukkelijke grondwettelijke bepaling van artikel 6, lid 1, GG, het huwelijk en het gezin bijzondere bescherming door de overheid genieten?

b)      Kan in weerwil van de bewoordingen van richtlijn [2000/78] een direct discriminerende wettelijke regeling gerechtvaardigd zijn, omdat zij bijdraagt aan een andere doelstelling die wel deel uitmaakt van de nationale rechtsorde van de [betrokken] lidstaat, maar niet van het gemeenschapsrecht? Heeft in een dergelijk geval die door de nationale rechtsorde van [die] lidstaat nagestreefde andere doelstelling zonder meer voorrang boven het beginsel van gelijke behandeling?

c)      Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord[, w]elk rechtscriterium is [dan] doorslaggevend bij de vraag hoe in een dergelijk geval de afweging moet plaatsvinden tussen het gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling en dat andere rechtsdoel van de nationale rechtsorde van de lidstaat? Geldt wellicht ook in zoverre, analoog aan de in artikel 2, lid [2], sub b, punt i, van richtlijn [2000/78] opgenomen criteria voor de erkenning rechtens van indirecte discriminatie, dat in de eerste plaats de discriminerende regeling objectief moet worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en in de tweede plaats de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk moeten zijn?

d)      Beantwoordt een regeling zoals § 10, lid 6, van het 1. RGG aan de met inachtneming van het antwoord op de voorafgaande vragen geldende rechtmatigheidsvereisten van het gemeenschapsrecht? Kan het zijn dat zij enkel hieraan beantwoordt wegens de bijzondere bepaling van het nationale recht, dat wil zeggen artikel 6, lid 1, GG, dat geen tegenhanger kent in het gemeenschapsrecht?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste twee vragen

29      Met zijn eerste twee vragen, die tezamen moeten worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of aanvullende ouderdomspensioenen zoals die welke uit hoofde van het 1. RGG aan de voormalige werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg en aan hun nabestaanden worden uitgekeerd, buiten de materiële werkingssfeer van richtlijn 2000/78 vallen als gevolg van artikel 3, lid 3, of van punt 22 van de considerans van deze richtlijn.

30      Blijkens de verwijzingsbeslissing vormen die prestaties beloningen in de zin van artikel 157 VWEU.

31      Wat om te beginnen artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78 betreft, vraagt de verwijzende rechter zich meer bepaald af, of de omstandigheid dat voormelde richtlijn volgens deze bepaling „niet van toepassing is op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke [...] stelsels”, betekent dat het in geding zijnde stelsel, aangezien het daarbij gaat om een wettelijk stelsel, moet worden geacht buiten de werkingssfeer van de richtlijn te vallen.

32      In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het Hof heeft geoordeeld dat de werkingssfeer van richtlijn 2000/78, gelet op artikel 3, leden 1, sub c, en 3, gelezen in samenhang met punt 13 van de considerans ervan, aldus moet worden begrepen dat daaronder niet de stelsels voor sociale zekerheid en voor sociale bescherming vallen waarvan de uitkeringen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die voor de toepassing van artikel 157 VWEU aan deze term wordt gegeven, en evenmin de uitkeringen van welke aard ook die door de staat worden verstrekt en die de toegang tot arbeid of behoud van arbeid tot doel hebben (arrest van 1 april 2008, Maruko, C‑267/06, Jurispr. blz. I‑1757, punt 41).

33      Hieruit volgt dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78 niet in die zin kan worden uitgelegd dat een aanvullend ouderdomspensioen dat door een wettelijk stelsel wordt uitgekeerd en een beloning in de zin van artikel 157 VWEU vormt, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

34      Wat vervolgens punt 22 van de considerans van richtlijn 2000/78 betreft, waarin het heet dat „[d]eze richtlijn de nationale wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen onverlet [laat]”, kan worden volstaan met eraan te herinneren dat het Hof zich in de punten 58 tot en met 60 van het hierboven aangehaalde arrest Maruko, reeds heeft uitgesproken over de draagwijdte van bedoeld punt.

35      Blijkens dat arrest kan de toepassing van richtlijn 2000/78 niet door punt 22 van de considerans op losse schroeven worden gezet, aangezien een aanvullend ouderdomspensioen als dat in het hoofdgeding als „beloning” in de zin van artikel 157 VWEU is gekwalificeerd, en deze binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt (zie in die zin arrest Maruko, reeds aangehaald, punt 60).

36      Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat aanvullende ouderdomspensioenen zoals die welke uit hoofde van het 1. RGG aan de voormalige werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg en hun nabestaanden worden uitgekeerd, niet op grond van artikel 3, lid 3, van deze richtlijn en evenmin op grond van punt 22 van de considerans ervan, buiten de materiële werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen, wanneer zij beloningen in de zin van artikel 157 VWEU zijn.

 Derde en zevende vraag

37      Met zijn derde en zevende vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende rechter in wezen of de gecombineerde bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 in de weg staan aan een bepaling zoals § 10, lid 6, van het 1. RGG, op grond waarvan het aan een gehuwde pensioenontvanger uitgekeerde aanvullende pensioen voordeliger is dan hetwelk wordt uitgekeerd aan een pensioenontvanger die een geregistreerd levenspartnerschap is aangegaan met een persoon van hetzelfde geslacht, voor zover een dergelijke bepaling een directe of indirecte discriminatie op grond van de seksuele geaardheid vormt. Anderzijds wenst hij te vernemen of, en onder welke voorwaarden, een door een lidstaat nagestreefde doelstelling zoals de in artikel 6, lid 1, van het Grundgesetz vermelde bescherming van het huwelijk, een directe discriminatie op grond van de seksuele geaardheid kan rechtvaardigen.

38      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in de huidige stand van het Unierecht de wetgeving betreffende de burgerlijke staat van personen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Volgens artikel 1 ervan heeft richtlijn 2000/78 evenwel tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een aantal types discriminatie te bestrijden, waaronder discriminatie op grond van de seksuele geaardheid, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling kan worden toegepast.

39      Volgens van artikel 2 van voornoemde richtlijn wordt onder het „beginsel van gelijke behandeling” verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden.

40      Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/78, is er directe discriminatie, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt behandeld op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden.

41      Hieruit volgt dat het bestaan van een directe discriminatie in de zin van voornoemde richtlijn in de eerste plaats vooronderstelt dat de af te wegen situaties vergelijkbaar zijn.

42      Dienaangaande zij erop gewezen, zoals uit het reeds aangehaalde arrest Maruko (punten 67‑73) blijkt, dat enerzijds niet is vereist dat de situaties identiek zijn, maar alleen dat zij vergelijkbaar zijn, en anderzijds de vergelijkbaarheid niet algemeen en abstract, maar specifiek en concreet dient te worden onderzocht voor de betrokken prestatie. In dat arrest, dat betrekking had op de weigering om een nabestaandenpensioen toe te kennen aan de levenspartner van een overleden verzekerde in een beroepspensioenregeling, heeft het Hof de Duitse regelingen inzake het huwelijk en het geregistreerd partnerschap namelijk niet algemeen vergeleken, maar heeft het, op basis van de door de verwijzende rechter verschafte analyse van het Duitse recht, volgens welke in het Duitse recht deze partnerschapsregeling steeds meer was gaan lijken op de voor het huwelijk geldende regeling, erop gewezen dat bedoeld partnerschap met betrekking tot het weduwen- of weduwnaarspensioen wordt gelijkgesteld met het huwelijk.

43      De vergelijking van de situaties moet dus worden gebaseerd op een analyse die zich concentreert op de rechten en verplichtingen van echtgenoten en van geregistreerde levenspartners, zoals deze voortvloeien uit de toepasselijke nationale bepalingen die, gelet op het voorwerp en de voorwaarden voor de toekenning van de in geding zijnde prestatie, relevant zijn. Zij mag niet bestaan in het onderzoek, of het geregistreerde partnerschap en het huwelijk in het nationale recht vanuit juridisch oogpunt algemeen en volledig zijn gelijkgesteld.

44      In dat verband blijkt uit de informatie in de verwijzingsbeslissing dat de Bondsrepubliek Duitsland met ingang van 2001, het jaar van inwerkingtreding van het LPartG, haar rechtsorde heeft gewijzigd om personen van hetzelfde geslacht in staat te stellen, in een formeel en voor het leven aangegane samenlevingsvorm van onderlinge hulp en bijstand te leven. Deze lidstaat heeft besloten, die personen niet de mogelijkheid te geven om in het huwelijk te treden, hetgeen nog steeds aan personen van verschillend geslacht is voorbehouden, maar heeft voor personen van hetzelfde geslacht een apart regime in het leven geroepen, het geregistreerd levenspartnerschap, waarvan de regeling geleidelijk aan is gelijkgesteld met de voor het huwelijk geldende regeling.

45      De verwijzende rechter merkt in die context op dat de wijziging van het LPartG bij wet van 15 december 2004 ertoe heeft bijgedragen dat de levenspartnerschapsregeling steeds meer is gaan lijken op de regels voor het huwelijk. Volgens de verwijzende rechter bestaan er in de Duitse rechtsorde geen significante juridische verschillen meer tussen deze twee burgerlijke staten. Het belangrijkste overblijvende verschil bestaat hierin dat het huwelijk vooronderstelt dat de echtgenoten een verschillend geslacht hebben, terwijl het geregistreerd levenspartnerschap vooronderstelt dat de partners van hetzelfde geslacht zijn.

46      Anders dan de prestatie waarover het ging in de zaak die heeft geleid tot het arrest Maruko, te weten een nabestaandenpensioen, bestaat de in de onderhavige zaak in geding zijnde prestatie in het door de Freie und Hansestadt Hamburg aan een van haar voormalige werknemers uitgekeerde aanvullende ouderdomspensioen. Bovendien staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toepassing van de regeling van het Land Hamburg niet alleen vooronderstelt dat de pensioenontvanger gehuwd is, maar bovendien ook dat deze niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgen(o)t(e). Zij heeft tot doel, na de pensionering te voorzien in een vervangingsinkomen dat wordt geacht ten goede te komen aan de betrokkene, alsook, indirect, aan de met hem samenwonende personen.

47      In dat verband blijkt uit de informatie in de verwijzingsbeslissing dat, hoewel de wet van 15 december 2004 inderdaad het rechtsstatuut van het levenspartnerschap op een aantal welbepaalde punten, zoals het recht op een nabestaandenpensioen, verder in overeenstemming heeft gebracht met het rechtsstatuut van het huwelijk, het een feit blijft dat de oorspronkelijke versie van het LPartG reeds bepaalde – in de §§ 2 en 5 – dat de levenspartners onderling verplicht zijn om, ten eerste, elkaar te helpen en bij te staan en om, ten tweede, door hun arbeid en vermogen op geschikte wijze bij te dragen aan de behoeften van de binnen het geregistreerd partnerschap bestaande gemeenschap, zoals dit ook voor echtgenoten tijdens hun gemeenschappelijk samenleven het geval is.

48      Sinds de inwerkingtreding van het LPartG rusten dergelijke verplichtingen dus zowel op levenspartners als op gehuwden.

49      Wat in de tweede plaats het criterium van een minder gunstige behandeling op grond van de seksuele geaardheid betreft, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het aanvullende ouderdomspensioen van Römer ingevolge § 8, lid 10, laatste volzin, van het 1. RGG zou zijn verhoogd indien hij in oktober 2001 in het huwelijk zou zijn getreden in plaats van een geregistreerd levenspartnerschap aan te gaan met een man.

50      Zoals de advocaat-generaal in punt 99 van zijn conclusie heeft vastgesteld, zou deze gunstigere behandeling niet zijn gekoppeld aan het inkomen van de echtgenoten, noch aan de aanwezigheid van kinderen, noch aan andere factoren zoals de economische behoeften van de echtgeno(o)t(e).

51      Bovendien blijkt dat de bijdragen die de betrokkene tijdens zijn beroepsleven verschuldigd was voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde prestatie, op generlei wijze werden beïnvloed door zijn burgerlijke staat, aangezien de bijdragen die hij ten behoeve van de pensioenuitgaven moest betalen gelijk waren aan die van zijn gehuwde collega’s.

52      Bijgevolg moet op de derde en de zevende vraag worden geantwoord dat de gecombineerde bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 in de weg staan aan een nationale bepaling zoals § 10, lid 6, van het 1. RGG, op grond waarvan een pensioenontvanger die een levenspartnerschap is aangegaan, een aanvullend ouderdomspensioen ontvangt dat lager is dan dat van een gehuwde pensioenontvanger die niet duurzaam gescheiden leeft, indien

–        in de betrokken lidstaat het huwelijk is voorbehouden aan personen van verschillend geslacht, terwijl daarnaast een levenspartnerschap zoals dat waarin is voorzien bij het LPartG, bestaat, dat is voorbehouden aan personen van hetzelfde geslacht, en

–        er een directe discriminatie is op grond van de seksuele geaardheid, doordat bedoelde levenspartner zich naar nationaal recht in een situatie bevindt die, wat bedoeld pensioen betreft, juridisch en feitelijk vergelijkbaar is met die van een gehuwde persoon. De beoordeling van de vergelijkbaarheid behoort tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter en moet worden toegespitst op de respectieve rechten en verplichtingen van gehuwden en personen die een levenspartnerschap hebben gesloten, zoals deze zijn geregeld in het kader van de desbetreffende instituten, die, gelet op het voorwerp en de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken prestatie, relevant zijn.

 Vijfde vraag

53      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen of, in het geval dat het Hof oordeelt dat het door een pensioenontvanger zoals verzoeker in het hoofdgeding geleden nadeel een schending van het Unierecht vormt, de betrokkene ook reeds vóór de wijziging van § 10, lid 6, van het 1. RGG om deze bepaling in overeenstemming met dat recht te brengen, kan eisen dat hij op dezelfde wijze wordt behandeld als een niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvanger, voor zover de Freie und Hansestadt Hamburg geen civielrechtelijke werkgever maar een territoriaal overheidslichaam is dat zowel werkgever als wetgever met betrekking tot die bepaling is.

54      Volgens vaste rechtspraak is de nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de unierechtelijke bepalingen, verplicht zorg te dragen voor de volle werking van deze normen, en moet hij daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten (arrest van 19 november 2009, Filipiak, C‑314/08, Jurispr. blz. I‑11049, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Bovendien kunnen particulieren, wanneer is voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zich voor de nationale rechter tegenover de staat kunnen beroepen op de bepalingen van een richtlijn, dit doen onverschillig de hoedanigheid waarin de staat handelt, als werkgever of als overheid (arrest van 18 november 2010, Georgiev, C‑250/09 en C‑268/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 70).

56      Hieruit volgt dat indien een bepaling zoals § 10, lid 6, van het 1. RGG een discriminatie vormt in de zin van artikel 2 van richtlijn 2000/78, een particulier jegens een territoriaal lichaam aanspraak kan maken op een gelijke behandeling, zonder dat moet worden gewacht tot deze bepaling door de nationale wetgever in overeenstemming met het Unierecht is gebracht, gelet op de voorrang van dit recht (zie in die zin arrest van 12 januari 2010, Petersen, C‑341/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 81, en arrest Georgiev, punt 73).

57      In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen vanaf wanneer de gelijke behandeling dient te worden gewaarborgd. Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat indien er sprake is van een discriminatie in de zin van richtlijn 2000/78, verzoeker in het hoofdgeding vóór het verstrijken van de aan de lidstaten gegeven omzettingstermijn aan deze richtlijn niet dezelfde rechten kan ontlenen betreffende het in geding zijnde aanvullende pensioen als gehuwde pensioenontvangers.

58      Betreffende die termijn moet worden opgemerkt dat, zoals met name is vastgesteld in het arrest van 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981, punt 13), de Bondsrepubliek Duitsland conform artikel 18, tweede alinea, van richtlijn 2000/78 heeft verzocht om een extra termijn van drie jaar vanaf 2 december 2003 voor de omzetting van voormelde richtlijn, maar volgens voormelde bepaling was een dergelijke verlenging slecht mogelijk voor discriminatie op grond van leeftijd en handicap. Bijgevolg is de omzettingstermijn voor de bepalingen van richtlijn 2000/78 inzake discriminatie op grond van seksuele geaardheid voor de Bondsrepubliek Duitsland en de andere lidstaten verstreken op 2 december 2003.

59      Wat ten slotte de periode betreft tussen de registratie van het levenspartnerschap van verzoeker in het hoofdgeding, op 15 oktober 2001, en het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 2000/78, zij eraan herinnerd dat de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 13 EG richtlijn 2000/78 heeft vastgesteld, waaromtrent het Hof heeft geoordeeld dat niet in die richtlijn zelf het beginsel is neergelegd van de gelijke behandeling in arbeid en beroep, dat zijn oorsprong vindt in diverse internationale instrumenten en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maar dat de richtlijn enkel beoogt inzake die materies een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van diverse redenen (zie arrest Mangold, reeds aangehaald, punt 74, en arrest van 19 januari 2010, Kücükdeveci, C‑555/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20), waaronder de seksuele geaardheid.

60      Het beginsel van non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid geldt in een situatie als in het hoofdgeding evenwel alleen als die situatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt (zie arrest Kücükdeveci, reeds aangehaald, punt 23).

61      Wat de periode vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 2000/78 betreft, kan een situatie zoals die van het hoofdgeding echter noch op basis van artikel 13 EG noch op basis van richtlijn 2000/78 onder de werkingssfeer van het Unierecht worden gebracht (zie naar analogie arrest van 23 september 2008, Bartsch, C‑427/06, Jurispr. blz. I‑7245, punten 16 en 18, en arrest Kücükdeveci, punt 25).

62      Artikel 13 EG, op grond waarvan de Raad, binnen de grenzen van de door het EG-Verdrag verleende bevoegdheden, passende maatregelen kon nemen om discriminatie op grond van seksuele geaardheid te bestrijden, kon immers als zodanig situaties die, zoals in het hoofdgeding, niet vielen onder de op basis van dat artikel vastgestelde maatregelen, in het bijzonder, wat richtlijn 2000/78 betreft, vóór het verstrijken van de termijn die deze voor de uitvoering ervan stelde, niet onder de werkingssfeer van het Unierecht brengen voor de toepassing van het verbod van elke discriminatie van die aard (zie naar analogie arrest Bartsch, reeds aangehaald, punt 18).

63      Overigens wordt met § 10, lid 6, van het 1. RGG geen uitvoering gegeven aan richtlijn 2000/78 of aan andere unierechtelijke bepalingen, zodat deze richtlijn slechts bij het verstrijken van de omzettingstermijn ervan tot gevolg had dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die een onder deze richtlijn vallende materie betreft, te weten de beloningsvoorwaarden in de zin van artikel 157 VWEU, binnen de werkingssfeer van het Unierecht viel (zie naar analogie arrest Bartsch, punten 17, 24 en 25).

64      Gelet op het bovenstaande dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat in het geval dat § 10, lid 6, van het 1. RGG een discriminatie in de zin van artikel 2 van richtlijn 2000/78 vormt, een particulier zoals verzoeker in het hoofdgeding pas vanaf het verstrijken van de termijn voor de omzetting van deze richtlijn, dus vanaf 3 december 2003, aanspraak op een gelijke behandeling kan maken, zonder dat behoeft te worden gewacht totdat die bepaling door de nationale wetgever in overeenstemming met het Unierecht is gebracht.

 Vierde en zesde vraag

65      Gelet op de antwoorden op de derde en de vijfde vraag, behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

66      Wat de zesde vraag betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat het hoofdgeding betrekking heeft op aanspraken op een aanvullend ouderdomspensioen die dateren van na 1 november 2001, waarvoor de beperking van de gevolgen in de tijd van het arrest van 17 mei 1990, Barber (C‑262/88, Jurispr. blz. I‑1889) tot de periode van na 17 mei 1990 geen gevolgen heeft, niettegenstaande het feit dat de premies waarop die aanspraken zijn gebaseerd, vóór de uitspraak van dat arrest zijn afgedragen. Overigens hebben de Bondsrepubliek Duitsland noch de Freie und Hansestadt Hamburg gesteld dat de gevolgen in de tijd van het onderhavige arrest zouden moeten worden beperkt en uit de aan het Hof voorgelegde gegevens blijkt niet dat daartoe dient te worden overgegaan.

 Kosten

67      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat aanvullende ouderdomspensioenen zoals die welke aan de voormalige werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg en hun nabestaanden worden uitgekeerd uit hoofde van het Hamburgische Gesetz über die zusätzliche Alters- und Hinterbliebenenversorgung für Angestellte und Arbeiter der Freien und Hansestadt Hamburg (Erstes Ruhegeldgesetz der Freien und Hansestadt Hamburg), in de versie van 30 mei 1995, niet op grond van artikel 3, lid 3, van deze richtlijn en evenmin op grond van punt 22 van de considerans ervan buiten de materiële werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen, wanneer zij beloningen in de zin van artikel 157 VWEU zijn.

2)      De gecombineerde bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 staan in de weg aan een nationale bepaling zoals § 10, lid 6, van voormelde wet van de deelstaat Hamburg, op grond waarvan een pensioenontvanger die een levenspartnerschap is aangegaan, een aanvullend ouderdomspensioen ontvangt dat lager is dan dat van een gehuwde pensioenontvanger die niet duurzaam gescheiden leeft, indien

–        in de betrokken lidstaat het huwelijk is voorbehouden aan personen van verschillend geslacht, terwijl daarnaast een levenspartnerschap zoals dat waarin is voorzien bij het Gesetz über die Eingetragene Lebenspartnerschaft van 16 februari 2001, bestaat, dat is voorbehouden aan personen van hetzelfde geslacht, en

–        er een directe discriminatie is op grond van de seksuele geaardheid, doordat bedoelde levenspartner zich naar nationaal recht in een situatie bevindt die, wat bedoeld pensioen betreft, juridisch en feitelijk vergelijkbaar is met die van een gehuwde persoon. De beoordeling van de vergelijkbaarheid behoort tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter en moet worden toegespitst op de respectieve rechten en verplichtingen van gehuwden en personen die een levenspartnerschap hebben gesloten, zoals deze zijn geregeld in het kader van de desbetreffende instituten, die, gelet op het voorwerp en de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken prestatie, relevant zijn.

3)      In het geval dat § 10, lid 6, van het Hamburgische Gesetz über die zusätzliche Alters- und Hinterbliebenenversorgung für Angestellte und Arbeiter der Freien und Hansestadt Hamburg, in de versie van 30 mei 1995, een discriminatie in de zin van artikel 2 van richtlijn 2000/78 vormt, kan een particulier zoals verzoeker in het hoofdgeding pas vanaf het verstrijken van de termijn voor de omzetting van deze richtlijn, dus vanaf 3 december 2003, aanspraak maken op een gelijke behandeling, zonder dat behoeft te worden gewacht totdat die bepaling door de nationale wetgever in overeenstemming met het Unierecht is gebracht.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.