Language of document : ECLI:EU:C:2017:795

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 24 oktober 2017 (1)

Zaak C353/16

MP

tegen

Secretary of State for the Home Department

[verzoek van de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie, Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Minimumnormen voor toekenning van de vluchtelingenstatus – Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidiairebeschermingsstatus – Nawerkingen van eerdere foltering in het land van herkomst – Risico op ernstige schade aan de geestelijke gezondheid van verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst – Ontbreken van een passende behandeling van aandoeningen in het land van herkomst”






I.      Inleiding

1.        Komt de onderdaan van een derde land die nawerkingen overhoudt van een eerdere foltering in zijn land van herkomst, maar die niet meer het risico loopt op een dergelijke behandeling indien hij terugkeert naar dat land, in aanmerking voor de subsidiairebeschermingsstatus op grond dat het gezondheidsstelsel in dat derde land zijn psychische aandoeningen niet passend kan behandelen?

2.        Dat is in wezen de vraag waarop het Hof in casu wordt verzocht een antwoord te geven. Het Hof heeft in dit verband de gelegenheid om opnieuw uitspraak te doen over artikel 2, onder e), en artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83/EG(2), alsook subsidiair over artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(3) en over artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(4).

3.        Op het einde van mijn analyse geef ik het Hof in overweging te oordelen dat artikel 2, onder e), en artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83 de lidstaten niet verplichten de subsidiairebeschermingsregeling uit te breiden tot een geval zoals aan de orde in het hoofdgeding, los van artikel 3 van het EVRM en artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Internationaal recht

4.        Artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering bepaalt:

„Iedere staat die partij is, waarborgt in zijn rechtsstelsel dat het slachtoffer van foltering genoegdoening krijgt en een rechtens afdwingbaar recht op een billijke en toereikende schadevergoeding, met inbegrip van de middelen voor een zo volledig mogelijk herstel. In geval van overlijden van het slachtoffer ten gevolge van foltering hebben zijn nabestaanden aanspraak op schadevergoeding.”

5.        Artikel 3 van het EVRM bepaalt het volgende:

„Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”

B.      Unierecht

6.        In de overwegingen 9, 25 en 26 van richtlijn 2004/83 wordt het volgende gepreciseerd:

„(9)      Onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar, op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, vallen niet onder deze richtlijn.

[...]

(25)      Er dienen criteria te worden vastgesteld om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Deze criteria dienen in overeenstemming te zijn met de internationale verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van instrumenten op het gebied van de mensenrechten en met de bestaande praktijken in de lidstaten.

(26)      Gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, vormen normaliter op zich geen individuele bedreiging die als ernstige schade kan worden aangemerkt.”

7.        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

e)      ‚persoon die voor de subsidiairebeschermingsstatus in aanmerking komt’, een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

[...]”

8.        Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt het volgende:

„De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.”

9.        Artikel 4, lid 4, van richtlijn 2004/83 luidt:

„Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.”

10.      Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt:

„Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn:

a)      de staat;

b)      partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;

c)      niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in de punten a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 7 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.”

11.      Artikel 15 van deze richtlijn bepaalt het volgende:

„Ernstige schade bestaat uit:

a)      doodstraf of executie; of

b)      foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c)      ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.”

12.      Artikel 16 van richtlijn 2004/83 bepaalt:

„1.      Een onderdaan van een derde land of staatloze komt niet meer in aanmerking voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, niet langer bestaan, of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is.

2.      Bij de toepassing van lid 1, nemen de lidstaten in aanmerking of de wijziging van de omstandigheden zo ingrijpend en niet-voorbijgaand is dat de persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt.”

III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

13.      MP, een Sri Lankaans onderdaan die in januari 2005 in het Verenigd Koninkrijk was aangekomen, had toestemming gekregen om er als student te verblijven. De verlenging van deze machtiging tot verblijf is hem op 11 december 2008 geweigerd.

14.      Op 5 januari 2009 heeft de betrokkene een asielverzoek ingediend op grond dat hij lid was geweest van de organisatie „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam” (hierna: „LTTE”), was vastgehouden en gefolterd door de veiligheidsdiensten in zijn land van herkomst, en het risico liep opnieuw te worden mishandeld in geval van terugkeer naar dat derde land.

15.      Op 23 februari 2009 is dat verzoek afgewezen op grond dat niet was aangetoond dat verzoeker opnieuw zou worden bedreigd in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst.

16.      MP heeft die beslissing betwist bij de Upper Tribunal (rechter in tweede aanleg in immigratie- en asielzaken, Verenigd Koninkrijk) aan de hand van medische bewijzen waaruit bleek dat hij nawerkingen had van foltering, aan een posttraumatisch stresssyndroom leed alsook aan een depressie, zelfmoordneigingen had en vastbesloten leek te zijn zelfmoord te plegen in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst. Deze rechter heeft het beroep van de betrokkene echter afgewezen omdat, ten eerste, het was gebaseerd op het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen(5), alsook op richtlijn 2004/83, en, ten tweede, niet was bewezen dat MP nog steeds werd bedreigd in zijn land van herkomst.

17.      De Upper Tribunal heeft het beroep van MP echter aanvaard voor zover het op de bepalingen van artikel 3 van het EVRM steunde, in wezen op grond dat wanneer verzoeker naar zijn land van herkomst zou worden teruggestuurd, hij in strijd met dit artikel niet de passende zorg kon genieten voor de behandeling van zijn psychische aandoening.

18.      Die beslissing werd bevestigd door de Court of Appeal (England and Wales) [rechter in hoger beroep (Engeland en Wales), Verenigd Koninkrijk] op grond dat de tot de werkingssfeer van artikel 3 van het EVRM behorende gevallen waarin het risico betrekking heeft op de gezondheid of zelfmoord en niet op vervolging, niet tot de werkingssfeer van richtlijn 2004/83 behoren.

19.      MP heeft tegen die beslissing hogere voorziening ingesteld bij de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie, Verenigd Koninkrijk), de verwijzende rechterlijke instantie. Hij voert aan dat richtlijn 2004/83 niet de enge werkingssfeer kan hebben die de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep eraan hebben toegeschreven, en dat hij subsidiaire bescherming had moeten genieten gelet op de eerdere mishandelingen in zijn land van herkomst die zijn aandoening hadden veroorzaakt, en verder wijst hij op het ontbreken van infrastructuur voor een aangepaste behandeling van zijn nawerkingen in zijn land van herkomst. Volgens verzoeker in het hoofdgeding moet bij de beoordeling of hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, geen rekening worden gehouden met het feit dat hij in de toekomst geen risico loopt op mishandeling indien hij terugkeert naar zijn land van herkomst.

20.      De verwijzende rechterlijke instantie meent dat deze vraag nog niet precies is behandeld in de rechtspraak van het Hof, noch in die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

21.      Daarom heeft de Supreme Court of the United Kingdom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Valt onder de definitie die is opgenomen in artikel 2, onder e), juncto artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83 een reëel risico op ernstige schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, als gevolg van eerdere foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, waarvoor het herkomstland verantwoordelijk was?”

IV.    Analyse

22.      Vooraf zij erop gewezen dat het Hof twee opties heeft om dit verzoek om een prejudiciële beslissing te behandelen. Het Hof kan uitspraak doen binnen de grenzen van de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vraag, dit wil zeggen alleen over de uitlegging van artikel 2, onder e), en van artikel 15, onder b) van richtlijn 2004/83, maar het kan in zijn antwoord deze bepalingen ook beoordelen in het licht van artikel 3 van het EVRM en van artikel 14 van het Verdrag tegen foltering.

23.      In de eerste plaats, wanneer het Hof zijn antwoord beperkt tot de bepalingen van richtlijn 2004/83, moet erop worden gewezen dat bij een zuiver letterlijke uitlegging van artikel 15 van deze richtlijn, dat ernstige schade uitputtend definieert, het ontbreken van passende zorg voor de behandeling van een aandoening in het land van herkomst waarnaar de betrokkene mogelijk wordt teruggestuurd, is uitgesloten van de werkingssfeer van de subsidiaire bescherming.

24.      De bewoordingen van artikel 15, onder b), van die richtlijn zijn immers duidelijk. Zij staan de toekenning van de subsidiairebeschermingsstatus slechts toe in geval van het risico op ernstige schade ten gevolge van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in de toekomst wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst.

25.      Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat van de drie soorten ernstige schade die in artikel 15 van richtlijn 2004/83 zijn gedefinieerd, sprake moet zijn opdat een persoon kan worden geacht in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming wanneer er overeenkomstig artikel 2, onder e), van deze richtlijn zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico loopt op dergelijke schade.(6)

26.      Deze lezing betekent in casu dat MP geen aanspraak kan maken op subsidiaire bescherming aangezien vaststaat dat hij niet meer het risico loopt te worden blootgesteld aan foltering in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst, zelfs als hij waarschijnlijk niet de nodige behandelingen kan krijgen voor zijn posttraumatische stresssyndroom wegens de tekortkomingen van het gezondheidsstelsel, en mogelijk zelfmoord zal plegen in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst.

27.      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de risico’s die onderdanen van derde landen lopen op verslechtering van hun gezondheidstoestand om andere redenen dan het hun opzettelijk weigeren van medische zorg, niet onder artikel 15 van richtlijn 2004/83 vallen. Artikel 15, onder b), van deze richtlijn omschrijft ernstige schade die verband houdt met foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een onderdaan van een derde land in zijn land van herkomst.(7)

28.      Volgens deze rechtspraak blijkt uit de uitlegging van artikel 6 van deze richtlijn dat de ernstige schade waarvan sprake is, moet voortvloeien uit gedragingen van derden en dat het dus niet volstaat dat die schade louter het gevolg is van de algemene tekortkomingen van het gezondheidsstelsel in het land van herkomst.(8)

29.      Ik herinner eraan dat, hoewel het lijden ten gevolge van een ziekte in bepaalde bijzondere omstandigheden een onmenselijke of vernederende behandeling kan vormen(9), dit niet wegneemt dat een van de essentiële criteria voor het verlenen van de subsidiaire bescherming, namelijk de identificatie van een actor die de schade heeft veroorzaakt en tegen wie de betrokkene moet worden beschermd, in casu ontbreekt.

30.      Om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming volstaat het immers niet dat de verzoeker bewijst dat hij het risico loopt te worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert. Hij moet eveneens bewijzen dat dit risico wordt veroorzaakt door factoren die direct of indirect, maar steeds intentioneel, kunnen worden toegeschreven aan de autoriteiten van dat land omdat de bedreigingen ten aanzien van zijn persoon uitgaan van de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit heeft of door die autoriteiten worden geduld, of uitgaan van onafhankelijke groepen waartegen die autoriteiten hun onderdanen niet daadwerkelijk kunnen beschermen.

31.      In het geval van een persoon wiens gezondheidstoestand medische behandeling vereist en in wiens land van herkomst geen adequate behandeling beschikbaar is, wordt de onmenselijke of vernederende behandeling waarmee hij dreigt te worden geconfronteerd in geval van terugkeer naar dat land, niet veroorzaakt door een opzettelijk handelen of nalaten van de autoriteiten of van van de staat onafhankelijke organen en is zij niet gericht tegen een bepaalde persoon.

32.      In casu blijkt niet uit de feiten dat voldaan is aan een van de essentiële criteria voor de toekenning van de subsidiaire bescherming, namelijk dat de overheidsinstanties van het land van herkomst direct of indirect verantwoordelijk zijn voor het teweegbrengen van de ernstige schade waartegen bescherming moet wordt geboden.

33.      In een situatie zoals in het hoofdgeding beantwoordt de door de lidstaat verleende bescherming niet aan een behoefte aan internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder e), van richtlijn 2004/83 en kan zij dus niet onder het gemeenschappelijke Europese asielstelsel vallen.

34.      De omstandigheid dat een onderdaan van een derde land met een psychische aandoening risico loopt op verslechtering van zijn gezondheidstoestand omdat in zijn land van herkomst geen passende behandeling voorhanden is, maar hem niet opzettelijk medische zorg wordt geweigerd, volstaat dan ook niet om hem subsidiaire bescherming te verlenen(10), zelfs al is de aandoening van de verzoeker het gevolg van een eerdere foltering in zijn land van herkomst.

35.      Aldus kan niet worden aangenomen, zoals verzoeker in het hoofdgeding en de Republiek Polen suggereren, dat het enige verschil met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 december 2014, M’Bodj(11), te weten het feit dat de aandoeningen van MP het gevolg zijn van nawerkingen die verband houden met eerdere foltering van de betrokkene in zijn land van herkomst en niet met een ziekte die hij op natuurlijke wijze heeft gekregen, het mogelijk maakt af te wijken van de voorwaarden voor de toekenning van subsidiaire bescherming, zoals deze voortvloeien uit de bepalingen van richtlijn 2004/83 en reeds door het Hof zijn uitgelegd(12).

36.      Bijgevolg moet aan het Hof in overweging worden gegeven voor recht te verklaren dat het reële risico op ernstige schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, als gevolg van een eerdere foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, waarvoor het herkomstland verantwoordelijk is, niet onder de definitie van artikel 2, onder e), gelezen in samenhang met artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83 valt.

37.      In de tweede plaats, als het Hof een meer omvattend antwoord wil geven, in het kader waarvan de bepalingen van richtlijn 2004/83 in samenhang kunnen worden gelezen met artikel 3 van het EVRM en artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering, moeten de volgende opmerkingen worden gemaakt.

38.      Wat artikel 3 van het EVRM betreft, bevat de rechtspraak reeds belangrijke aanwijzingen.

39.      Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het Hof al heeft geoordeeld dat het in artikel 3 van het EVRM verankerde grondrecht deel uitmaakt van de algemene beginselen van Unierecht waarvan het Hof de naleving waarborgt en dat bij de uitlegging van de draagwijdte van dit recht in de rechtsorde van de Unie rekening moet worden gehouden met de rechtspraak van het EHRM. In dit verband kan worden opgemerkt dat artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83 in wezen overeenstemt met artikel 3 van het EVRM.(13)

40.      Het Hof heeft echter geoordeeld dat uit de overwegingen 5, 6, 9 en 24 van richtlijn 2004/83 bleek dat, hoewel die richtlijn met de subsidiaire bescherming de in het Verdrag van Genève vastgelegde vluchtelingenbescherming wil aanvullen door te bepalen welke personen werkelijk internationale bescherming behoeven, de werkingssfeer van deze richtlijn zich niet uitstrekt tot personen die om andere redenen gemachtigd zijn tot verblijf op het grondgebied van de lidstaten, dat wil zeggen op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden. Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door de verplichting om artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83 uit te leggen met inachtneming van artikel 3 EVRM, waarmee het in wezen overeenstemt.(14)

41.      Het Hof heeft echter ook geoordeeld(15), in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM(16), dat de uitlegging van artikel 15 van richtlijn 2004/83 in het licht van artikel 3 van het EVRM de toekenning van subsidiaire bescherming mogelijk kan maken, maar enkel in zeer uitzonderlijke gevallen en wanneer dwingende humanitaire overwegingen zich tegen de verwijdering verzetten.

42.      In dit verband heeft het EHRM geoordeeld dat het feit dat een onderdaan van een derde land die aan een ernstige ziekte lijdt, in zeer uitzonderlijke gevallen niet kan worden verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voor zijn ziekte beschikbaar is, niet noodzakelijk betekent dat de betrokkene moet worden gemachtigd in een verdragsluitende staat te verblijven.(17)

43.      Die rechtspraak kan worden toegepast op het hoofdgeding en betekent dat de lidstaten personen met aandoeningen ten gevolge van eerdere folteringen in hun land van herkomst niet automatisch subsidiaire bescherming hoeven te verlenen. Er kan immers niet worden geoordeeld dat MP zich in een uitzonderlijk geval bevindt waarin dwingende humanitaire redenen gelden.

44.      In casu is niet bewezen dat de tekortkomingen van het gezondheidsstelsel op zich een schending vormen van de bepalingen van artikel 3 van het EVRM. Als die tekortkomingen er echter toe leiden dat de gezondheidstoestand van de betrokkene achteruitgaat, is er mogelijk sprake van schending van die bepaling. Het staat uitsluitend aan de nationale rechter om het bestaan van een dergelijke schending te beoordelen, ook al lijkt het waarschijnlijk dat het in casu een dergelijk geval betreft, gelet op de posttraumatische stress waaraan MP lijdt en het risico dat hij loopt om zelfmoord te plegen wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst. Overigens zijn de nationale rechters in eerste aanleg en in beroep tot de slotsom gekomen dat die bepalingen waren geschonden, en uit de stukken van het dossier blijkt en het wordt niet betwist dat MP niet naar zijn land van herkomst zal worden teruggestuurd.

45.      Ik herinner er ook aan dat de subsidiairebeschermingsregeling moet worden losgekoppeld van de overwegingen in het hoofdgeding, waarin vaststaat dat de verzoeker niet meer het risico loopt te worden blootgesteld aan foltering in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst.

46.      Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat het in strijd zou zijn met de algemene opzet en de doelstellingen van richtlijn 2004/83 om de erin bepaalde bescherming toe te passen op onderdanen van derde landen die zich in situaties bevinden die geen enkel verband houden met de logica zelf van deze internationale bescherming.(18)

47.      Als een internationale bescherming was toegekend aan verzoeker, zou dat immers, mede gelet op de reeds geformuleerde overwegingen over de uitlegging van artikel 2, onder e), en artikel 15, onder b), van deze richtlijn, een andere soort bescherming zijn, in overeenstemming met artikel 2, onder g), in fine, van deze richtlijn. Deze bescherming zou zijn toegekend om een andere reden, op discretionaire basis en uit mededogen, of zijn ingegeven door humanitaire overwegingen die met name steunen op de naleving van artikel 3 EVRM.

48.      De wetgever heeft volgens overweging 9 van richtlijn 2004/83 de situaties die steunen op humanitaire redenen echter duidelijk willen uitsluiten van de werkingssfeer van deze richtlijn.(19)

49.      Uit het voorgaande volgt dus dat de lezing van de bepalingen van richtlijn 2004/83, in samenhang met artikel 3 van het EVRM, de lidstaten niet verhindert van de werkingssfeer van de subsidiaire bescherming de personen uit te sluiten die zich in een situatie zoals die van MP bevinden, die nawerkingen hebben in verband met eerdere folteringen, maar die niet meer het risico lopen op een dergelijke behandeling in geval van terugkeer naar hun land van herkomst, zelfs wanneer het risico bestaat dat zij zelfmoord zullen plegen en zij zeker geen passende behandeling kunnen krijgen voor hun aandoeningen. In deze context staat het uitsluitend aan de nationale rechter om, rekening houdend met de gegevens waarover hij beschikt, het bestaan van een schending van artikel 3 van het EVRM te beoordelen.

50.      Wat voorts artikel 14 van het Verdrag tegen foltering betreft, herinner ik er dadelijk aan dat de bepalingen van richtlijn 2004/83, alsook de andere teksten die de grondslag vormen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, zijn vastgesteld om de bevoegde overheden van de lidstaten te helpen het Verdrag van Genève, alsook de andere relevante verdragen ter zake toe te passen, in overeenstemming met artikel 78, lid 1, VWEU.(20) De bepalingen van deze richtlijn moeten dus worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene opzet en de doelstelling van deze teksten.(21)

51.      Het is echter vaste rechtspraak dat de toepassing van het Unierecht autonoom moet zijn ten aanzien van die van het internationale humanitaire recht.(22) Bovendien dient te worden benadrukt dat het Hof heeft geoordeeld dat het internationale humanitaire recht en de subsidiairebeschermingsregeling van richtlijn 2004/83 verschillende doelen nastreefden en duidelijk los van elkaar staande beschermingsmechanismen hebben ingesteld.(23)

52.      In dit verband wijs ik erop dat richtlijn 2004/83 geen enkele bepaling bevat die op een of andere wijze vergelijkbaar is met die van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering, dat de staten die partij zijn, verplicht in procedures en middelen te voorzien die slachtoffers van foltering in staat stellen genoegdoening te krijgen.

53.      Het is dus alleen in die context dat het Hof zich eventueel kan afvragen of de schending van artikel 14 van het Verdrag tegen foltering, door een derde land waarvan de verzoeker de nationaliteit heeft, invloed kan hebben op de verplichtingen van de lidstaten van de Unie op het gebied van de toekenning van subsidiaire bescherming, die voortvloeien uit richtlijn 2004/83 en die het mogelijk maken individuen te beschermen tegen elke ernstige schade.

54.      Uit een letterlijke uitlegging van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering vloeit immers voort dat het in beginsel de taak is van de staat die verantwoordelijk is voor foltering die op zijn grondgebied heeft plaatsgevonden, om te voorzien in de middelen en procedures op basis waarvan de betrokkenen genoegdoening kunnen krijgen of een zo volledig mogelijk herstel kunnen genieten.(24)

55.      Deze letterlijke uitlegging vindt daadwerkelijk steun in een algemene lezing van de bepalingen van dat verdrag, aangezien de artikelen 13 en volgende in wezen gericht zijn tot de staat die verantwoordelijk is voor de schending.(25) In dit verband moet de vraag worden gesteld of de omstandigheid dat Sri Lanka zijn verplichtingen op grond van het Verdrag tegen foltering, waarbij het partij is, niet naleeft, de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van subsidiaire bescherming kan uitbreiden.

56.      Kunnen individuen zich op basis van het feit dat een derde staat buiten de Unie het Verdrag tegen foltering schendt, beroepen op een recht op subsidiaire bescherming in de Europese Unie? Kan deze schending worden uitgelegd als een bewijs dat er een risico op onmenselijke en onterende behandeling bestaat wanneer de betrokkene terugkeert naar zijn land van herkomst? Kan het feit dat er geen procedure bestaat die genoegdoening mogelijk maakt in het land van herkomst, worden beschouwd als een risico op ernstige schade? Het is op deze vragen dat het Hof mogelijk een antwoord wil geven.

57.      Bepaalde staten kunnen aanvaarden de verplichtingen die het Verdrag tegen foltering doet ontstaan, op zich te nemen, hoewel zij niet verantwoordelijk zijn voor de betrokken foltering. Een dergelijke universele bevoegdheid is aanvaard in strafzaken met betrekking tot de vervolging en de berechtiging van daders van foltering. Deze tekst aanvaardt immers dat het enige verband tussen de staat van de aangezochte rechter en het plegen van het strafbare feit, de aanwezigheid van de vermeende dader van foltering op het grondgebied van de staat is, die deze vermeende dader moet uitleveren of hem strafrechtelijk moet vervolgen en berechten.(26) Het is echter niet gebruikelijk dat deze universele bevoegdheid wordt erkend inzake civiele aansprakelijkheid en het recht op schadevergoeding van de slachtoffers van schadeverwekkende handelingen.(27) Het enige verband dat wordt geëist tussen het strafbare feit en de staat zou in die context de aanwezigheid zijn van het slachtoffer van foltering, die in het buitenland heeft plaatsgevonden, op het grondgebied van de staat die de vordering tot schadevergoeding in behandeling zal nemen. Deze uitbreiding van de rechterlijke bevoegdheid van de staten die partij zijn bij het Verdrag tegen foltering, zou, als zij door het Hof wordt aanvaard(28), slachtoffers van foltering in staat stellen om hun recht op schadevergoeding daadwerkelijk uit te oefenen en het jus cogens ten volle te doen eerbiedigen(29), waardoor de strijd tegen foltering op internationaal niveau zou worden versterkt(30).

58.      Het is enkel in dit verband dat kan worden aanvaard dat artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering op het hoofdgeding wordt toegepast als mogelijkheid om de verplichtingen van de lidstaten inzake subsidiaire bescherming uit te breiden. De erkenning van een dergelijke universele bevoegdheid gaat echter verder dan wat de rechtspraak van de Unie reeds heeft aanvaard en de zaak in het hoofdgeding lijkt niet de beste gelegenheid om deze stap te zetten, aangezien twee aspecten zich verzetten tegen de toepasbaarheid van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering.

59.      Om te beginnen blijkt uit geen enkel stuk van het dossier dat Sri Lanka de verplichtingen op grond van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering opzettelijk zou schenden ten aanzien van MP als hij ernaar was teruggestuurd. Uit het voorgaande blijkt immers dat MP Sri Lanka op geen enkele gegronde wijze een opzettelijke weigering van zorg kan verwijten en dat deze dus geen risico op ernstige schade kan vormen, zoals opgesomd in artikel 15 van richtlijn 2004/83 ten einde de toekenning van subsidiaire bescherming mogelijk te maken, zelfs al wordt niet betwist dat het gezondheidssysteem ontoereikend is. Bijgevolg is het niet mogelijk a priori te erkennen dat Sri Lanka de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag tegen foltering, ten aanzien van MP schendt.

60.      Verder is het voor de aanvaarding van het recht op schadeloosstelling vereist dat een klacht is neergelegd of een vordering in rechte is ingesteld. Volgens de bepalingen zelf van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering staat het immers aan de persoon die beweert het slachtoffer van foltering te zijn, om een vordering in te stellen teneinde genoegdoening te krijgen of de passende voorzieningen te genieten die een zo volledig mogelijk herstel mogelijk maken. In casu bewijst de verzoeker in het hoofdgeding echter niet, en beweert hij zelfs niet dat hij een vordering heeft ingesteld met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding of middelen voor een herstel, noch bij de autoriteiten van Sri Lanka noch bij die van een lidstaat, als deze laatsten zich bevoegd kunnen verklaren. Uit geen enkel stuk van het dossier blijkt dat MP heeft getracht enige vordering in te stellen op grond van de bepalingen van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering.

61.      Dientengevolge en zuiver hypothetisch zou de enige manier om de zaak in het hoofdgeding onder de werkingssfeer van die bepalingen te laten vallen, erin bestaan aan te nemen dat de tekortkomingen van het gezondheidsstelsel van Sri Lanka aan de basis liggen van een opzettelijke schending ten aanzien van MP van de verplichtingen van deze staat op grond van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering, en verder dat de indiening van een verzoek tot subsidiaire bescherming in een lidstaat van de Unie zou gelijkstaan met een verzoek om het recht op schadevergoeding of de middelen voor een zo volledig mogelijk herstel te genieten.

62.      Deze uitlegging lijkt echter de werkingssfeer van de bepalingen van richtlijn 2004/83 en de bepalingen van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering buitensporig uit te breiden.

63.      Bovendien moet worden nagegaan wat de praktische gevolgen van een dergelijke ruime uitlegging zijn. Als deze ertoe leidt dat elke persoon die in het verleden is mishandeld, een recht op subsidiaire bescherming kan krijgen, zolang zijn land van herkomst niet in de middelen en procedures voorziet op basis waarvan de slachtoffers een schadevergoeding of herstel kunnen krijgen, onder meer door de ontwikkeling van een toereikend gezondheidsstelsel, zou zij de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van subsidiaire bescherming aanzienlijk uitbreiden en procedurele en materiële problemen meebrengen. Een dergelijke uitlegging gaat veel verder dan wat de Uniewetgever met de vaststelling van richtlijn 2004/83 en het gemeenschappelijk Europees asielstelsel heeft beoogd en kan leiden tot een toename van het aantal verzoeken om internationale bescherming, alsook van de moeilijkheden om deze beschermingsstelsels, in geval van posttraumatische stress of een zelfmoordrisico, overeenkomstig artikel 16 van richtlijn 2004/83 te beëindigen. Bovendien is de rechtspraak van het Hof van toepassing onverminderd de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om personen die lijden aan dergelijke aandoeningen toe te staan op hun grondgebied te verblijven om humanitaire redenen.

64.      Uit het voorgaande volgt dat aan het Hof in overweging moet worden gegeven te oordelen dat de bepalingen van artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering er niet aan in de weg staan dat de subsidiaire bescherming niet wordt toegekend aan een verzoeker die zich in een situatie bevindt zoals in het hoofdgeding.

65.      Dientengevolge dient aan het Hof in overweging te worden geven voor recht te verklaren dat een reëel risico op ernstige schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, als gevolg van eerdere foltering waarvoor het herkomstland verantwoordelijk was, niet onder de definitie valt die is opgenomen in artikel 2, onder e), juncto artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83, zonder dat artikel 3 van het EVRM en artikel 14, lid 1, van het Verdrag tegen foltering zich daartegen verzetten.

V.      Conclusie

66.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door de Supreme Court of the United Kingdom gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

„Het reële risico op ernstige schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, als gevolg van een eerdere foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, waarvoor het herkomstland verantwoordelijk is, valt niet onder de definitie die is opgenomen in artikel 2, onder e), juncto artikel 15, onder b), van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Richtlijn van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12).


3      Ondertekend te Rome op 4 november 1950; hierna „EVRM”.


4      Aangenomen te New York op 10 december 1984; hierna „Verdrag tegen foltering”.


5      Ondertekend te Genève op 28 juli 1951; hierna: „Verdrag van Genève”.


6      Arresten van 17 februari 2009, Elgafaji (C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 31); 30 januari 2014, Diakité (C‑285/12, EU:C:2014:39, punt 18), en 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punt 30).


7      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punten 31 en 32).


8      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punt 35).


9      Zie mijn conclusie in de zaak M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2113, punten 44‑46) en aldaar aangehaalde rechtspraak van het EHRM. Zie ook EHRM, 29 april 2002, Pretty tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2002:0429JUD000234602, § 52).


10      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punt 36).


11      C‑542/13, EU:C:2014:2452.


12      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452).


13      Arrest van 17 februari 2009, Elgafaji (C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 28). Zie voor een samenvatting van de uitlegging van artikel 3 van het EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM, 28 februari 2008, Saadi tegen Italië (CE:ECHR:2008:0228JUD003720106, §§ 134 en 135), alsook 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, §§ 219 e.v.). In dat arrest herinnert het EHRM eraan dat de in artikel 3 van het EVRM verboden behandeling met name een minimale graad van ernst moet hebben, met voorbedachten rade moet zijn verricht, en vernederend en onterend moet zijn.


14      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punten 37 en 38).


15      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punten 39 en 40).


16      Zie met name EHRM, 27 mei 2008, N. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, §§ 42‑45). In dat arrest wijst het EHRM erop dat zijn rechtspraak hoofdzakelijk betrekking had op seropositieve personen, maar dat andere gevallen zeer uitzonderlijk de verwijdering van personen met een natuurlijk optredende lichamelijke of geestelijke ziekte kunnen verhinderen.


17      EHRM, 27 februari 2014, S.J. tegen België (CE:ECHR:2015:0319JUD007005510, §§ 118‑120). Het EHRM heeft er in dat arrest aan herinnerd dat volgens zijn rechtspraak onderdanen van derde landen waartegen een verwijderingsmaatregel is genomen, in principe geen aanspraak kunnen maken op een recht van verblijf op het grondgebied van een verdragsluitende staat teneinde er medische, sociale of andere hulp en diensten te blijven ontvangen van de staat die hen uitzet. Het feit dat de situatie van de verzoeker in geval van uitzetting uit de verdragsluitende staat ernstig achteruit kan gaan en met name zijn levensverwachting in belangrijke mate kan verminderen, is op zich niet voldoende om een schending van artikel 3 EVRM mee te brengen.


18      Arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452, punt 44).


19      Zie mijn conclusie in de zaak M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2113, punten 60‑63).


20      Zie met name mijn conclusie in de zaak Danqua (C‑429/15, EU:C:2016:485, punt 55).


21      Arrest van 7 november 2013, X e.a. (C‑199/12–C‑201/12, EU:C:2013:720, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


22      Arresten van 30 januari 2014, Diakité (C‑285/12, EU:C:2014:39, punten 24‑26), en 14 maart 2017, A e.a. (C‑158/14, EU:C:2017:202, punt 91).


23      Arrest van 30 januari 2014, Diakité (C‑285/12, EU:C:2014:39, punt 24).


24      Zie in die zin Chanet, C., „La Convention des Nations Unies contre la torture et autres peines ou traitements cruels, inhumains ou dégradants”, Annuaire français de droit international, boek 30, Persée, Parijs, 1984, blz. 625‑636.


25      Zie in die zin Ponroy, E., en Jacq, C., „Étude comparative des Conventions des Nations Unies et du Conseil de l'Europe relatives à la torture et aux peines ou traitements inhumains ou dégradants”, Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, Dalloz, Parijs, 1990, blz. 317.


26      Zie artikel 5, lid 2, van het Verdrag tegen foltering, volgens het beginsel aut dedere aut judicare. Zie in die zin Vandermeersch, D., „La compétence universelle”, Juridictions nationales et crimes internationaux, Presses universitaires de France, Parijs, 2002, blz. 590‑594.


27      EHRM, 21 juni 2016, Nait-Liman tegen Zwitserland (CE:ECHR:2016:0621JUD005135707, §§ 49 e.v., alsook §§ 115 e.v.). In dat arrest weigert het EHRM te oordelen dat artikel 6, lid 1, van het EVRM de verdragsluitende staten verplicht te voorzien in civiele schadeloosstellingsmechanismen voor foltering die heeft plaatsgevonden in derde staten. Het Hof wijst er in dat arrest op dat de aanvaarding van een universele bevoegdheid ter zake tot een massale toename van het aantal beroepen zou hebben geleid. Na een uitvoerig onderzoek van de Europese gerechtelijke stelsels (§ 49) concludeert het Hof dat, hoewel het verbod op foltering wel degelijk onder het jus cogens valt en universele bevoegdheid meebrengt, de civiele vorderingen die voortvloeien uit foltering, echter de regels inzake de territorialiteit van de rechterlijke bevoegdheid moeten naleven. Zie ook EHRM, 21 november 2001, Al-Adsani tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2001:1121JUD003576397, §§ 61 en 115 e.v.).


28      Over deze kwestie bestaat geenszins eensgezindheid binnen de Europese rechtsordes en de rechtsleer, zoals het EHRM in herinnering brengt in zijn arresten van 21 november 2001, Al-Adsani tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2001:1121JUD003576397, §§ 61 en 62), en 21 juni 2016, Nait-Liman tegen Zwitserland (CE:ECHR:2016:0621JUD005135707, §§ 115 e.v.).


29      Zie voor een definitie arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 87): „waaronder dient te worden begrepen een internationale publiekrechtelijke rechtsorde die geldt voor alle internationale rechtssubjecten [...] en waarvan niet kan worden afgeweken”.


30      Zie arrest van het Internationaal Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië, van 10 december 1998, Anto Furundzija (IT‑95‑17, § 156).