Language of document : ECLI:EU:C:2010:608

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 14 oktober 2010 (1)

Zaak C‑208/09

Ilonka Sayn-Wittgenstein

[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Europees burgerschap – Vrijheid om in lidstaten te reizen en te verblijven – Weigering door lidstaat waar adel is afgeschaft, om staatsburger in te schrijven onder familienaam die in andere lidstaat is verkregen en adellijke titel bevat”





1.        Na de Eerste Wereldoorlog werden zowel Oostenrijk als Duitsland republieken waar de adel en alle daaraan verbonden privileges en titels werden afgeschaft. Voor Oostenrijkse staatsburgers geldt sedertdien een grondwettelijk verbod op het voeren van adellijke titels, dat ook betrekking heeft op het gebruik van voorzetsels als „von” of „zu” als bestanddeel van een familienaam. In Duitsland werd daarentegen voor een andere benadering gekozen: bestaande titels mochten als zodanig weliswaar niet langer worden gevoerd, maar werden een bestanddeel van de familienaam, die aan alle kinderen wordt doorgegeven en enkel varieert naargelang van het geslacht van het kind wanneer het bestanddeel een mannelijke en een vrouwelijke vorm heeft – bijvoorbeeld Fürst (prins) en Fürstin (prinses).

2.        De onderhavige zaak betreft een Oostenrijks staatsburger die als volwassene in Duitsland is geadopteerd door een Duits staatsburger(2) wiens familienaam een dergelijke vroegere adellijke titel bevatte. Die familienaam werd voor haar vervolgens – in de vrouwelijke vorm ervan – in Oostenrijk in het register van de burgerlijke stand(3) ingeschreven. De door haar ingestelde vordering tegen een bestuursbesluit van bijna 15 jaar later om die inschrijving in die zin te rectificeren, dat de op de adelstand wijzende bestanddelen uit de familienaam werden geschrapt, is thans aanhangig bij het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijkse administratieve appèlrechter). Die rechterlijke instantie wenst, gelet op het arrest Grunkin en Paul(4), te vernemen of het Oostenrijkse recht verenigbaar is met artikel 18 EG (thans artikel 21 VWEU) betreffende het recht van de burgers van de Unie om vrij in de lidstaten te reizen en te verblijven. Ook andere Verdragsbepalingen zijn mogelijkerwijs relevant.

 Rechtskader

 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens(5)

3.        Artikel 8 van dit verdrag luidt:

„1.      Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2.      Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

4.        In een aantal zaken, in het bijzonder Burghartz en Stjerna(6), heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat hoewel artikel 8 van dat verdrag niet uitdrukkelijk op namen ziet, de naam van een persoon niettemin zijn of haar privéleven en gezinsleven betreft, aangezien de naam een middel is tot identificatie van een persoon en een band met een gezin uitdrukt. Voornoemd Hof heeft verder het belang benadrukt dat op het stuk van persoonsnamen toekomt aan met de nationale taal verband houdende overwegingen, en erkend dat het gerechtvaardigd kan zijn dat vanuit een bepaald overheidsbeleid taalkundige regels worden opgelegd.(7)

 Recht van de Europese Unie

5.        De eerste alinea van artikel 12 EG (thans de eerste alinea van artikel 18 VWEU) bepaalt:

„Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag [... van de Verdragen(8)] en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”

6.        Artikel 17 EG (thans artikel 20 VWEU) luidt:

„1.      Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.

2.      De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. [... genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a)      het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

...]”

7.        Volgens artikel 18, lid 1, EG (thans artikel 21, lid 1, VWEU) geldt:

„Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag [... bij de Verdragen] en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”

8.        Artikel 43 EG (thans artikel 49 VWEU) en artikel 49 EG (thans artikel 56 VWEU) verbieden respectievelijk „beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat” en „beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap [Unie] [...] ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap [in een andere lidstaat] zijn gevestigd dan dat [die], waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.”

9.        Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(9) luidt:

„Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie‑ en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”

10.      Uit de toelichting bij dat artikel(10) blijkt dat de gewaarborgde rechten overeenkomen met die welke worden gewaarborgd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en dat aan die rechten dezelfde beperkingen mogen worden gesteld als die welke in het kader van artikel 8, lid 2, van voornoemd verdrag zijn toegestaan.

11.      Het Hof van Justitie heeft in de zaken Konstantinidis(11), García Avello(12) en Grunkin en Paul(13) reeds uitspraak gedaan over vragen inzake onderling afwijkende familienamen die in de registers van de burgerlijke stand van verschillende lidstaten aan eenzelfde persoon zijn gegeven De belangrijkste aspecten van die rechtspraak kunnen worden samengevat als volgt.(14)

12.      De bepalingen betreffende iemands familienaam vallen thans weliswaar onder de bevoegdheid van de lidstaten, maar bij de uitoefening van die bevoegdheid dienen de lidstaten niettemin het recht van de Europese Unie in acht te nemen, tenzij het een interne situatie betreft die geen enkel verband met het Unierecht vertoont. Van een dergelijk verband is sprake bij personen die de nationaliteit van een lidstaat bezitten, terwijl zij rechtmatig in een andere lidstaat verblijven. In die omstandigheden kunnen zij zich ten opzichte van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten in beginsel beroepen op de hun door het Verdrag verleende rechten, zoals het recht om niet op grond van nationaliteit te worden gediscrimineerd, het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven en de vrijheid van vestiging.

13.      Onderling afwijkende familienamen kunnen ernstige ongemakken in het beroeps- en privéleven veroorzaken. Zo kan de betrokkene problemen ondervinden wanneer hij zich in een lidstaat wil beroepen op akten of documenten die zijn opgesteld onder de naam die wordt erkend in een andere lidstaat. Voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in het beroeps- als in het privéleven, is een bewijs van de identiteit vereist, dat normaal gesproken wordt geleverd door het paspoort. Wanneer het paspoort dat is uitgereikt door de lidstaat waarvan de betrokkene de nationaliteit bezit, een andere naam vermeldt dan die welke is gebruikt in een in een andere lidstaat afgegeven geboorteakte, wanneer de in een concrete situatie gebruikte naam niet overeenstemt met die in het document dat als bewijs van iemands identiteit wordt overgelegd, of wanneer de naam in twee tegelijk overgelegde documenten niet dezelfde is, kan twijfel ontstaan over de identiteit van de betrokkene, over de echtheid van de overgelegde documenten of de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde gegevens, en kan de betrokkene ervan worden verdacht een valse verklaring te hebben afgelegd.

14.      Een belemmering van de vrijheid van verkeer die ontstaat als gevolg van dergelijke ernstige ongemakken is slechts gerechtvaardigd indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen en evenredig is aan het nagestreefde rechtmatige doel. Overwegingen van administratieve efficiëntie volstaan daartoe niet, ofschoon specifieke redenen van openbaar belang wél zouden kunnen volstaan.

 Oostenrijks recht

15.      In 1919 zijn bij de wet tot afschaffing van de adel(15), die overeenkomstig artikel 149, lid 1, van de federale grondwet(16) constitutionele rang heeft, de adel, de wereldlijke ridderorden en bepaalde andere titels en waardigheden afgeschaft, en werd het voeren van de overeenkomstige titels verboden. Volgens § 1 van de door de bevoegde ministers vastgestelde uitvoeringsbepalingen(17) geldt de afschaffing ten aanzien van alle Oostenrijkse staatsburgers, ongeacht waar de betrokken privileges zijn verkregen. In § 2 heet het dat het verbod onder meer betrekking heeft op het voeren van het voorzetsel „von” als bestanddeel van de naam en het voeren van adellijke rangaanduidingen zoals „Ritter” (ridder), „Freiherr” (baron), „Graf” (graaf), „Fürst” (prins), „Herzog” (hertog) of andere toepasselijke Oostenrijkse dan wel buitenlandse rangaanduidingen. Ingevolge § 5 kunnen in geval van overtreding van het verbod verschillende sancties worden opgelegd.

16.      Volgens door de Oostenrijkse regering verstrekte informatie passen de rechters dat verbod met enige nuance toe in het geval van personen met een Duitse familienaam die een vroegere Duitse adellijke aanduiding bevat. Wanneer een Duits staatsburger met een dergelijke achternaam de Oostenrijkse nationaliteit verkrijgt, kan die naam niet opnieuw aldus worden opgevat dat hij een adellijke titel bevat en kan hij niet worden gewijzigd. Voorts mag een Oostenrijkse vrouw die een dergelijke naam verkrijgt op grond van haar huwelijk met een Duits staatsburger de volledige naam voeren; zij dient evenwel precies dezelfde achternaam als haar echtgenoot te gebruiken, niet een vrouwelijke vorm daarvan.(18)

17.      Ingevolge § 9, lid 1, van de federale wet inzake het internationaal privaatrecht(19) is het op een natuurlijke persoon toepasselijke recht, het recht van de staat waarvan deze persoon de nationaliteit heeft. Volgens § 13, lid 1, van die wet wordt het gebruik van een naam door een persoon geregeld door het op hem toepasselijke recht, hoe ook de naam is verkregen. § 26 bepaalt dat de voorwaarden inzake adoptie moeten worden beoordeeld volgens het op elke adoptant toepasselijke recht en het op het kind toepasselijke recht, terwijl de „gevolgen” ervan, in het geval van één enkele adoptant, moeten worden beoordeeld volgens het op die adoptant toepasselijke recht.

18.      Volgens de door de Oostenrijkse regering in deze zaak ingediende opmerkingen en de daarin geciteerde auteurs betreft het begrip „gevolgen” enkel de familierechtelijke gevolgen en niet de bepaling van de naam van het adoptiekind (waarop § 13, lid 1, van toepassing blijft). Luidens een rapport van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand (CIEC) van maart 2000(20) antwoordde Oostenrijk, dat toen lid was van die organisatie, op de vraag volgens welk recht de naam van een adoptiekind wordt bepaald, evenwel het volgende: „De (wijziging van de) naam van een adoptiekind is een van de gevolgen van de adoptie en wordt geregeld door het nationale recht van de adoptant of de adoptanten. Zo de adoptanten echtgenoten met een verschillende nationaliteit zijn, geldt hun gemeenschappelijke nationale recht en bij gebreke daarvan hun vroegere gemeenschappelijke nationale recht, indien dit nog altijd het nationale recht van een der echtgenoten is. Voorheen was het recht van de gewone verblijfplaats van toepassing.”

19.      Conform § 183, lid 1, gelezen in samenhang met § 182, lid 2, van het Oostenrijkse burgerlijk wetboek(21), verkrijgt een kind dat door één persoon wordt geadopteerd, de familienaam van die persoon, zo er niet langer juridische banden met de ouder van het andere geslacht bestaan.

20.      § 15, lid 1, van de wet op de burgerlijke stand(22) verlangt rectificatie van een akte wanneer deze reeds ten tijde van de inschrijving onjuist was.

 Duits recht

21.      Artikel 109 van de Weimarconstitutie(23) schafte onder meer alle op geboorte of rang gebaseerde privileges af en bepaalde dat adellijke aanduidingen enkel nog als een bestanddeel van een familienaam konden worden gezien. Overeenkomstig artikel 123, lid 1, van de huidige grondwet(24) geldt die bepaling nog altijd. Hoewel in de onderhavige procedure geen wettelijke bepaling is genoemd, staat vast dat naar Duits recht een familienaam die een vroegere adellijke aanduiding bevat, ook nu nog wijzigt volgens het geslacht van de naamdrager, indien dat voor de voormalige adellijke aanduiding het geval was.

22.      Volgens artikel 10, lid 1, van de wet tot invoering van het burgerlijk wetboek(25) worden persoonsnamen bepaald op grond van het recht van de staat waarvan de betrokkenen de nationaliteit hebben. Artikel 22, leden 1 en 2, van die wet bepaalt dat adoptie en de gevolgen daarvan voor de familierechtelijke betrekkingen tussen de betrokkenen worden geregeld door het recht van de staat waarvan de adoptant de nationaliteit heeft.

23.      Luidens het voornoemde CIEC-rapport(26) antwoordde Duitsland in 2000 op de vraag volgens welk recht de naam van een adoptiekind wordt bepaald: „De naam van een adoptiekind hangt af van het recht dat in zijn of haar land van herkomst van kracht is. Bijgevolg is het Duitse naamrecht van toepassing wanneer een buitenlands kind wordt geadopteerd door een Duitser en dus de Duitse nationaliteit verkrijgt. Wordt een Duits kind door een buitenlander geadopteerd, dan verandert het op de naam van het kind toepasselijke recht alleen wanneer hij of zij bij de adoptie de Duitse nationaliteit verliest”.(27)

24.      § 1757, lid 1, van het burgerlijk wetboek(28), gelezen in samenhang met § 1767, lid 2, daarvan, bepaalt dat – ook meerderjarige – adoptiekinderen de achternaam van de adoptant als „geboortenaam” verkrijgen.

 Feiten, procesverloop en gestelde vraag

25.      Verzoekster in het hoofdgeding (hierna: „verzoekster”) is een Oostenrijks staatsburger; zij werd in 1944 te Wenen geboren als Ilonka Kerekes. In oktober 1991, op het ogenblik dat haar adoptie naar Duits recht door een Duits staatsburger, Lothar Fürst von Sayn-Wittgenstein, op grond van een notariële akte bij beschikking van het Kreisgericht (kantonrechter) Worbis (Duitsland), zetelend als voogdijrechter, is geformaliseerd, stond zij ingeschreven onder de naam „Havel, geboren Kerekes”. Op haar verzoek aan de autoriteiten te Wenen om inschrijving van haar nieuwe identiteit, verzochten die het Kreisgericht Worbis in januari 1992 om verdere bijzonderheden. Dat Kreisgericht gaf daarop een aanvullende beschikking waarin het heette dat verzoekster door de adoptie als meisjesnaam de naam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” had verkregen, de vrouwelijke vorm van haar adoptievaders familienaam. Op 27 februari 1992 gaven de Weense autoriteiten aan verzoekster een geboorteakte af op naam van Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein. Onbetwist is dat de adoptie geen gevolgen voor haar nationaliteit had.

26.      Ter terechtzitting is uiteengezet dat verzoekster in het hogere segment van de onroerendgoedmarkt werkzaam is; in het bijzonder is zij onder de naam Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein actief in de verkoop van kastelen en landhuizen. Zij blijkt althans sinds haar adoptie hoofdzakelijk in Duitsland te wonen en aldaar beroepshalve actief te zijn (enkele grensoverschrijdende activiteiten buiten beschouwing gelaten), te beschikken over een Duits, op naam van Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein afgegeven rijbewijs en onder die naam in Duitsland een onderneming te hebben opgericht. Voorts hebben de Oostenrijkse consulaire autoriteiten in Duitsland haar Oostenrijkse paspoort ten minste één keer vernieuwd (in 2001) en hebben zij twee bewijzen van nationaliteit uitgereikt, telkens op naam van Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein.

27.      Op 27 november 2003 deed het Oostenrijkse Verfassungsgerichtshof (constitutioneel hof) uitspraak in een zaak over een situatie die overeenkwam met die van verzoekster. Het oordeelde dat het ingevolge de wet tot afschaffing van de adel uitgesloten was dat een Oostenrijkse staatsburger op grond van adoptie door een Duits staatsburger een familienaam verkreeg die een vroegere adellijke titel bevatte.(29) Dat arrest bevestigde voorts de eerdere rechtspraak volgens dewelke het Oostenrijkse recht, anders dan het Duitse recht, niet toestaat dat voor de vorming van familienamen verschillende regels gelden naargelang het mannen dan wel vrouwen betreft.

28.      Enige tijd na dat arrest stelden de ambtenaren van de burgerlijke stand te Wenen zich op het standpunt dat verzoeksters geboorteakte onjuist was. Op 5 april 2007 lieten zij haar weten dat zij voornemens waren haar familienaam in het geboorteregister te rectificeren tot „Sayn-Wittgenstein”. Ondanks het door haar aangetekende bezwaar hebben zij dat standpunt op 24 augustus 2007 bevestigd. Aangezien haar administratief beroep tegen dat besluit werd verworpen, verzoekt verzoekster thans het Verwaltungsgerichtshof om nietigverklaring ervan.

29.      Voor het Verwaltungsgerichtshof beroept verzoekster zich met name op haar door de EU-Verdragen gewaarborgde recht om vrij te reizen en om vrij diensten te verrichten. Wanneer van haar wordt verlangd dat zij in verschillende lidstaten verschillende familienamen gebruikt, vormt dat een inmenging in dat recht. Verder is de wijziging van haar achternaam na 15 jaar een inmenging in haar privéleven zoals dat in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens wordt gewaarborgd.

30.      De verwerende autoriteit betoogt met name dat verzoekster niet verplicht wordt om verschillende namen te gebruiken, maar enkel om de titel „Fürstin von” weg te laten uit de achternaam „Sayn-Wittgenstein”, die ongewijzigd blijft; dat, ook al ondervindt zij daarvan een aantal ongemakken, de afschaffing van de adel in Oostenrijk een grondwettelijk beginsel van doorslaggevend belang is dat afwijkingen van een door het Verdrag gewaarborgde vrijheid kan rechtvaardigen, en dat ook volgens het Duitse recht haar familienaam op grond van het Oostenrijkse recht had moeten worden vastgesteld (zodat, nu het Oostenrijkse recht de vorm „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” niet toestaat, het ook naar Duits recht onjuist was, verzoekster die naam te verlenen).

31.      Gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Grunkin en Paul, is het Verwaltungsgerichtshof van oordeel dat een mogelijke belemmering van verzoeksters recht op vrij verkeer als gevolg van de wijziging van haar familienaam niettemin gerechtvaardigd kan zijn, wanneer die berust op objectieve overwegingen en in verhouding staat tot het rechtmatige doel dat met de afschaffing van de adel wordt nagestreefd.

32.      Het Verwaltungsgerichtshof verzoekt bijgevolg om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staat artikel 18 EG in de weg aan een regeling op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat weigeren om de familienaam – voor zover deze een in de lidstaat (ook grondwettelijk) niet toegestane adellijke titel bevat – van een (volwassen) geadopteerd kind te erkennen, die in een andere lidstaat is vastgesteld?”

33.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoekster, de Oostenrijkse, de Duitse, de Italiaanse, de Litouwse en de Slowaakse regering alsmede door de Commissie. Ter terechtzitting van 17 juni 2010 hebben verzoekster, de Oostenrijkse, de Duitse en de Tsjechische regering alsmede de Commissie mondelinge opmerkingen geformuleerd.

 Beoordeling

34.      Een aantal van de in de vraag van de verwijzende rechter aan de orde gestelde punten kan rechtstreeks worden behandeld, ook al zijn in de bij het Hof ingediende opmerkingen over sommige daarvan uiteenlopende meningen naar voren gebracht. Andere kwesties lijken echter moeilijker en kunnen uiteindelijk verdere vaststellingen, feitelijk of rechtens (op nationaal niveau), vereisen alvorens zij definitief kunnen worden beslecht. Met betrekking tot deze kwesties zal ik proberen de relevante bepalingen van het Unierecht te onderzoeken zoals zij in de verschillende mogelijke gevallen zouden moeten worden toegepast.

 Toepasselijkheid van het Unierecht

35.      Over de eerste kwestie lopen de bij het Hof ingediende opmerkingen niet uiteen. Vaststaat dat verzoekster een burger van een lidstaat is die in een andere lidstaat woont en werkt. Het betreft bijgevolg noch uit het perspectief van de ene lidstaat noch uit dat van de andere een situatie van zuiver interne aard, en beide lidstaten moeten bij de uitoefening van hun bevoegdheid inzake de vaststelling van haar naam het Unierecht naleven. In deze samenhang kan verzoekster zich tegenover de Oostenrijkse autoriteiten in beginsel beroepen op de rechten en vrijheden die haar als burger van de Unie en als marktdeelnemer – een burger van een lidstaat die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd en in een of meer andere lidstaten diensten verricht –, door het Verdrag worden verleend.(30)

36.      Dit betekent dat ook indien de naam van een burger van een lidstaat uitsluitend op grond van het nationale recht van die lidstaat wordt bepaald, deze laatste bij de toepassing van dat recht met het oog op de wijziging of de rectificatie van een inschrijving in een register van de burgerlijke stand, het Unierecht moet naleven, wanneer de betrokken staatsburger zich op die inschrijving beroept in het kader van de uitoefening van zijn of haar recht als burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.

 Discriminatie op grond van nationaliteit

37.      De verwijzende rechter verlangt geen verduidelijking over de vraag naar discriminatie; hij gaat er namelijk van uit dat die vraag in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet rijst. De Commissie en alle lidstaten die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend delen die mening.

38.      Verzoekster is echter van mening dat de Oostenrijkse collisieregels(31) leiden tot discriminatie op grond van nationaliteit, aangezien, wanneer een Duits staatsburger in Oostenrijk een ander Duits staatsburger adopteert, alle aspecten van de adoptie door het Duitse recht worden geregeld en de geadopteerde dus een familienaam kan verkrijgen die bestanddelen van een vroegere adellijke titel bevat, terwijl bij adoptie van een Oostenrijks staatsburger de naam naar Oostenrijks recht wordt bepaald en een dergelijke familienaam niet kan worden verkregen.

39.      Afgezien van het feit dat verzoekster zich niet in die situatie bevond, aangezien zij in Duitsland werd geadopteerd, kan ik het met die zienswijze niet eens zijn. Zoals ook in de zaak Grunkin en Paul verwijst de Oostenrijkse collisieregel in kwestie(32) altijd naar het materiële recht inzake de nationaliteit van de betrokken persoon. Die regel botst ook niet met de overeenkomstige regel in het Duitse recht(33), die in wezen daarmee gelijkluidend blijkt te zijn. Zoals uiteengezet in mijn conclusie in de zaak Grunkin en Paul, maakt die regel onderscheid tussen personen naargelang van hun nationaliteit, maar discrimineert hij niet op grond van nationaliteit. Het verbod op een dergelijke discriminatie beoogt niet, verschillen ongedaan te maken die onvermijdelijk voortvloeien uit het feit dat iemand de nationaliteit van de ene en niet van de andere lidstaat heeft, maar andere verschillen in behandeling, die op de nationaliteit berusten, uit te sluiten. In casu worden alle staatsburgers behandeld in overeenstemming met het recht van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten.

 „Ernstige ongemakken”

40.      Bij de beoordeling of er in soortgelijke gevallen sprake was van inmenging in een door het Verdrag gewaarborgde vrijheid, heeft het Hof het criterium toegepast van de omvang van de ongemakken die een persoon ondervindt als gevolg van het feit dat voor hem in verschillende lidstaten officieel namen zijn ingeschreven die onderling afwijken. In het arrest Konstantinidis oordeelde het Hof dat voorschriften inzake de transcriptie in de registers van de burgerlijke stand onverenigbaar zijn met de door het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging, zo de toepassing daarvan voor degene wiens naam in een ander alfabet is getranscribeerd, „een zodanige belemmering vormt, dat dit de facto de vrije uitoefening aantast van [zijn] recht”. Dit is het geval, wanneer de nieuwe schrijfwijze zodanig is, dat de uitspraak van zijn naam erdoor wordt verbasterd, en indien die misvorming hem blootstelt aan het gevaar van persoonsverwisseling bij zijn potentiële cliënteel. In het arrest García Avello en het arrest Grunkin en Paul heeft het Hof meer algemeen gewezen op de ernstige ongemakken die zich kunnen voordoen telkens een staatsburger wordt gevraagd het verschil te rechtvaardigen tussen de namen in hem betreffende officiële documenten waarop hij zich wil beroepen.

41.      Meerdere lidstaten hebben zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen dergelijk ongemak van de rectificatie van haar familienaam in de Oostenrijkse registers van de burgerlijke stand zal ondervinden. Ten eerste is zij niet verplicht, in verschillende lidstaten verschillende familienamen te gebruiken, aangezien de in de Oostenrijkse registers gerectificeerde inschrijving voortaan onder alle omstandigheden rechtsgeldig is. Ten tweede blijft het centrale, identificerende bestanddeel van haar achternaam − „Sayn-Wittgenstein” − behouden, zodat er geen misverstanden over haar identiteit zullen ontstaan, en wordt enkel het onbepaalde toevoegsel „Fürstin von” geschrapt.

42.      Wat het eerste argument betreft, is het juist dat de kinderen in de zaak García Avello en de zaak Grunkin en Paul werden geconfronteerd met het vooruitzicht om door het leven te gaan met namen die onherroepelijk op conflicterende wijze waren ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van twee lidstaten, waarmee zij van bij hun geboorte een nauwe band hadden. Daarentegen lijkt in de onderhavige zaak verzoeksters naam alleen in Oostenrijk in de registers van de burgerlijke stand te zijn ingeschreven en schijnen enkel de Oostenrijkse autoriteiten officiële documenten zoals paspoorten en bewijzen van nationaliteit aan haar te kunnen uitreiken, zodat een wijziging, aldaar, van de ingeschreven naam niet kan leiden tot conflicten met registers die worden bijgehouden in, of officiële documenten die worden afgegeven door, een andere lidstaat.

43.      Die feitelijke situatie moet mogelijkerwijs nader worden onderzocht door de bevoegde nationale rechter alvorens hij een definitieve conclusie kan trekken. Terwijl de Duitse regering heeft aangegeven geen weet te hebben van een verzoekster betreffende inschrijving in Duitse registers van de burgerlijke stand, heeft haar advocaat ter terechtzitting verklaard dat hij „dacht” dat zij in Duitsland was getrouwd geweest en aldaar was gescheiden. Zo dat het geval is, bestaat er mogelijkerwijs een conflict tussen de vormen waarin haar familienaam is ingeschreven in Duitsland en in Oostenrijk, wat tot moeilijkheden zou kunnen leiden wanneer zij bijvoorbeeld wil hertrouwen.

44.      Los daarvan, lijkt echter vast te staan dat in Duitsland aan verzoekster ten minste een rijbewijs is afgegeven en dat zij aldaar een onderneming heeft laten inschrijven, telkens op naam van Ilonka Fürstin von Sayn-Wittgenstein. Aangenomen moet worden dat zij zich bij de autoriteiten aldaar heeft moeten laten inschrijven als inwoner met een vreemde nationaliteit. Het is waarschijnlijk dat zij met het oog op haar ziekteverzekering en pensioen in Duitsland een socialezekerheidsdossier heeft. Naast dergelijke officiële documenten waarin haar naam is opgenomen, heeft zij in de 15 jaar die zijn verstreken tussen de eerste inschrijving van haar familienaam als „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” in Oostenrijk en het besluit om deze te rectificeren tot „Sayn-Wittgenstein”, in Duitsland ongetwijfeld bankrekeningen geopend en aldaar overeenkomsten gesloten die nog altijd lopen, zoals verzekeringspolissen. Kort gezegd woont zij sinds geruime tijd in een lidstaat onder een bepaalde naam die zowel in het beroeps‑ als in het privéleven vele sporen van formele aard heeft nagelaten. De verplichting om al die sporen te wijzigen omdat haar thans in haar officiële identiteitspapieren een nieuwe naam wordt gegeven, kan moeilijk anders dan als een ernstig ongemak worden gekwalificeerd. Zelfs al sluit de wijziging, zodra die is uitgevoerd, alle toekomstige verschillen uit, dan nog bezit verzoekster waarschijnlijk documenten die vóór de wijziging zijn afgegeven of opgesteld op een andere achternaam dan die welke op haar (nieuwe) identiteitspapieren staat vermeld, en zal zij die ook in de toekomst nog moeten overleggen.

45.      Het is juist dat de familienaam van een persoon (in het bijzonder van een vrouw) in verschillende stadia van het leven kan wijzigen als gevolg van huwelijk en scheiding. Verzoekster in de onderhavige zaak droeg in het verleden de achternamen „Kerekes” en „Havel”, en het is best mogelijk dat zij bij de wijziging van „Kerekes” in „Havel” en van „Havel” in „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” ongemakken van het beschreven soort heeft ondervonden (en nog altijd ondervindt). Volledig los van het feit dat huwelijk en scheiding zelf doorgaans bewuste stappen zijn, berust de wijziging van de achternaam bij huwelijk uit juridisch perspectief in de overgrote meerderheid van de rechtsstelsels van de EU evenwel op de vrije keuze van de betrokken partijen.(34) Sociale druk kan die keuzevrijheid weliswaar beperken, maar sociale druk valt niet onder het Unierecht en evenmin onder het nationale recht. Dat iemand ongemakken ondervindt als gevolg van een wettelijk vrije keuze (met name een keuze die een sociaal aanvaardbare en zelfs voorziene wijziging van de achternaam impliceert) is één ding; iets heel anders is dat die ongemakken hem van rechtswege worden opgedrongen (vooral wanneer dit aldus kan worden opgevat, dat daarmee een door de betrokken persoon begane onregelmatigheid wordt rechtgezet).

46.      Een belangrijker aspect is misschien verzoeksters beroepsactiviteit. Welke ook haar beweegredenen waren om een adoptie na te streven die haar de achternaam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” zou bezorgen, is het zeer waarschijnlijk dat een dergelijke naam, die een koninklijke afkomst suggereert, in het kader van haar beroepsactiviteit (met het oog waarop zij gebruik heeft gemaakt van haar vrijheid van vestiging en blijkbaar nog altijd gebruikmaakt van haar vrijheid om in verschillende lidstaten diensten te verrichten) als tussenpersoon bij de verkoop van kastelen en landhuizen, een aanzienlijk voordeel vormt.(35)

47.      Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Duitse regering uiteengezet dat verzoekster voor officiële doeleinden de achternaam moet dragen die op grond van het recht van haar nationaliteit is vastgesteld, maar dat het gebruik van de naam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” in het dagelijkse leven niet onrechtmatig is. Gesteld al dat zij deze naam kan blijven gebruiken om er in het kader van haar beroepsactiviteit haar voordeel mee te doen, bestaat er mijns inziens echter een belangrijk verschil tussen het gebruik van haar officieel erkende naam en dat van een benaming die eigenlijk een louter pseudoniem of een gewone handelsnaam is en als bedrog kan worden opgevat.

48.      Wat het tweede argument inzake de omvang van de ongemakken betreft, verbaast mij het standpunt van een aantal lidstaten, met name voor zover dat ter terechtzitting kennelijk is uiteengezet door de Duitse regering.(36) Zo „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” naar Duits recht een volledige familienaam is die geen adellijke titel of een adellijk voorzetsel bevat, en dus vergelijkbaar is met een familienaam als „Fürstmann” of „Vonwald” (die beide in Duitse en Oostenrijkse telefoongidsen kunnen worden aangetroffen), hoe kan dan worden beweerd dat één deel daarvan (Sayn-Wittgenstein) het centrale, identificerende bestanddeel van de naam is, terwijl het andere (Fürstin von) slechts een onbepaald toevoegsel is? Indien het bestanddeel „Fürstin von” daadwerkelijk een échte adellijke titel was, die van de achternaam geen deel uitmaakt, zou het onderzoek anders verlopen, maar de prejudiciële vraag in deze zaak is niet op die grondslag gesteld.

49.      Nu „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” één enkele, samengestelde familienaam vormt, is het mijns inziens duidelijk dat het een andere familienaam is dan „Sayn-Wittgenstein” (zoals ook „Baron-Cohen” een andere achternaam is dan „Cohen”), en dat wellicht verwarring en ongemakken kunnen ontstaan als gevolg van een verschil tussen twee namen waarmee dezelfde persoon wordt aangeduid. Bovendien kan de naam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein”, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft uiteengezet, door Duitstaligen anders worden geïnterpreteerd dan door personen die niet met de Duitse taal vertrouwd zijn. Een Franstalige, bijvoorbeeld, beschouwt het woord „Fürstin” mogelijkerwijs als gelijkwaardig met het woord „Giscard” in „Giscard d’Estaing”, terwijl „Giscard” gewoonlijk als het hoofdbestanddeel wordt gezien, en voor iemand die alleen Chinees kent, kan het zelfs volstrekt onmogelijk zijn, de naam te analyseren, net zoals de meeste Europeanen niet zouden kunnen uitmaken of een Chinese, uit verschillende delen bestaande naam misschien een ereaanduiding bevat en of het bij dat bestanddeel gaat om een titel dan wel om een aan de betrokkene gegeven naam.

50.      Ik ben dan ook van mening dat de omvang van de ongemakken die iemand in verzoeksters situatie van de rectificatie van zijn familienaam kan ondervinden, vergelijkbaar is met die welke het Hof in zijn arresten Konstantinidis, García Avello, en Grunkin en Paul heeft vastgesteld.

 Onderzoek van de rechtsgevolgen van de naamswijziging

51.      Hoewel de mogelijke rechtsgevolgen van de aanvullende beschikking van het Kreisgericht Worbis, waarin het heet dat verzoeksters nieuwe meisjesnaam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” is, naar Duits en/of Oostenrijks recht moeten worden bepaald en niet door het Hof kunnen worden vastgesteld, kan de vraag van het Verwaltungsgerichtshof niet naar behoren worden beantwoord zonder dat met die gevolgen rekening wordt gehouden. Derhalve moet worden nagegaan waarin die gevolgen kunnen bestaan.

52.      Met name de Duitse en de Oostenrijkse regering hebben op een – volgens hen – wezenlijk verschil gewezen tussen de situatie in de onderhavige zaak en die in de zaak García Avello en de zaak Grunkin en Paul. Die zaken betroffen (zoals in zekere zin ook de zaak Konstantinidis) de weigering van een lidstaat om een naam te erkennen die door de ambtenaren van de burgerlijke stand van een andere lidstaat in het kader van de hun verleende bevoegdheid naar behoren was ingeschreven. Daarentegen was in de onderhavige zaak het Kreisgericht Worbis blijkbaar noch naar Duits noch naar Oostenrijks recht bevoegd om verzoeksters familienaam te bepalen op de wijze waarop dat is gebeurd, aangezien de door hem vastgestelde familienaam in twee opzichten (de opname daarin van een vroegere adellijke titel met het voorzetsel „von” en het gebruik van een vrouwelijke vorm) verboden was naar Oostenrijks recht, dat zowel volgens de Duitse als volgens de Oostenrijkse collisieregels het toepasselijke materiële recht was. Bijgevolg betreft de in Oostenrijk gerectificeerde inschrijving niet een in een andere lidstaat rechtmatig verleende familienaam, maar een naam die eerst door het Kreisgericht Worbis en daarna door de Oostenrijkse ambtenaren van de burgerlijke stand verkeerdelijk is toegekend.

53.      Zoals reeds uiteengezet, is het niet aan het Hof om het nationale recht van de lidstaten te willen vaststellen. Het zojuist beschreven standpunt, dat het standpunt van de Duitse en de Oostenrijkse regering is, komt in de verwijzingsbeslissing evenwel niet zo eenduidig tot uitdrukking, en een aantal aspecten kunnen erop wijzen dat het op een onvolledige en onnauwkeurige manier is weergegeven. Het antwoord van de Oostenrijkse autoriteiten op de vragenlijst van de CIEC in maart 2000(37) doet uitschijnen dat zij toentertijd ervan uitgingen dat naar Oostenrijks recht de naam van de geadopteerde moest worden bepaald in overeenstemming met het recht van de nationaliteit van de adoptant (wat, nu het Duitse recht kennelijk aan het recht van de nationaliteit van de geadopteerde refereerde, mogelijkerwijs tot problemen van renvoi heeft geleid). Voorts lijkt uit de aangehaalde Oostenrijkse rechtspraak(38), die enigszins in tegenspraak is met die zienswijze, te kunnen worden opgemaakt dat het vóór 2003 mogelijkerwijs niet duidelijk was of een Oostenrijker die door een Duitser werd geadopteerd, diens naam (tenminste in de door de adoptant gehanteerde vorm) kon aannemen, ook wanneer die naam naar Oostenrijks recht verboden bestanddelen bevatte.

54.      Ik durf over deze kwesties geen verder standpunt in te nemen, dan dat ter wille van de goede orde drie gevallen in overweging moeten worden genomen (die alle drie op de premisse berusten dat in de beide rechtsstelsels naar het recht van de nationaliteit van de geadopteerde wordt verwezen): (i) de in de aanvullende beschikking van het Kreisgericht Worbis vastgestelde familienaam is zowel naar Duits als naar Oostenrijks recht altijd rechtmatig geweest; (ii) hoewel die naam toentertijd als rechtmatig werd beschouwd, is in latere rechtspraak aan het licht gebracht dat dit niet het geval was, en (iii) de naam is in geen van beide rechtsstelsels ooit rechtmatig geweest.

55.      Het eerste geval betreft een situatie die vergelijkbaar is met die in de zaak Grunkin en Paul. In die zaak ging het om een burger van de Unie met de nationaliteit van slechts één lidstaat, die in een andere lidstaat was geboren, waar hij sedertdien verbleef en waar ook zijn familienaam conform het aldaar geldende recht was vastgesteld en ingeschreven. In verzoeksters zaak gaat het om een burger van de Unie met de nationaliteit van één enkele lidstaat die sinds haar adoptie in een andere lidstaat woont, waar haar achternaam in overeenstemming met het aldaar geldende recht is vastgesteld. Geboorte en adoptie zijn weliswaar niet hetzelfde (ofschoon adoptie met wat verbeelding als de wedergeboorte in een nieuw gezin kan worden beschreven en beide, ook zuiver juridisch bezien, veel identieke rechten, plichten en gevolgen doen ontstaan) en verzoeksters familienaam is naar aanleiding van de adoptie niet in de Duitse registers van de burgerlijke stand ingeschreven (hoewel hij later mogelijkerwijs wél in een aantal min of meer officiële registers is opgenomen); toch betreft het mijns inziens twee voldoende soortgelijke situaties om te kunnen concluderen dat artikel 18 EG zich er in dit geval – net als in Grunkin en Paul – tegen verzet dat de Oostenrijkse autoriteiten de in Duitsland vastgestelde familienaam weigeren te erkennen – tenzij deze weigering berust op objectieve overwegingen en in verhouding staat tot het nagestreefde rechtmatige doel.

56.      Het tweede geval betreft een situatie die in zoverre anders is, dat de vaststelling van de familienaam op grond van het Duitse recht indertijd rechtmatig leek, maar later is gebleken dat dit niet het geval was. Ervan uitgaande dat de Duitse rechter de familienaam heeft vastgesteld en de Oostenrijkse autoriteiten hem hebben ingeschreven in de oprechte en aannemelijke overtuiging dat dit uit juridisch oogpunt de juiste gang van zaken was, en dat verzoekster te goeder trouw om die vaststelling en inschrijving heeft verzocht, moet mijns inziens hetzelfde gelden als in het eerste geval. Hoewel latere rechterlijke beslissingen, waarbij de rechtssituatie wordt verduidelijkt, terecht terugwerkende kracht (ex tunc) kunnen hebben, moet een burger van de Unie zich in een binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallende situatie kunnen beroepen op de bescherming van het gewettigd vertrouwen, die een algemeen beginsel van dat recht vormt. Bijgevolg staat artikel 18 EG ook in dit geval in de weg aan de weigering door de Oostenrijkse autoriteiten om de in Duitsland vastgestelde naam te erkennen − tenzij hun weigering op objectieve overwegingen berust en in verhouding staat tot het nagestreefde rechtmatige doel.

57.      Het derde geval, met betrekking waartoe de Duitse en de Oostenrijkse regering hetzelfde standpunt innemen, kan niet zonder meer op dezelfde wijze worden geanalyseerd. In dit geval was het recht duidelijk, maar werd het twee keer – als gevolg van een vergissing of onwetendheid – verkeerd toegepast (eerst door een Duitse rechter en daarna door de Oostenrijkse ambtenaren van de burgerlijke stand). Er kan echter geen sprake zijn van een gewettigd vertrouwen dat een situatie die tegen uitdrukkelijke wetsbepalingen indruist, in stand wordt gehouden. Nu is die onrechtmatige situatie (door de Oostenrijkse autoriteiten – het was geen zaak van de Duitse autoriteiten) vijftien jaar lang in stand gehouden en in die periode zelfs bevestigd doordat ten minste één paspoort en twee bewijzen van nationaliteit zijn uitgereikt. Na deze periode was het wel zeker dat verzoekster ernstige ongemakken van een rectificatie van haar familienaam zou ondervinden. Niet kan worden ontkend, dat de betrokken autoriteiten de bevoegdheid moeten hebben om vergissingen recht te zetten die in registers van de burgerlijke stand worden ontdekt. Gelet op de tijd die inmiddels was verstreken en de omvang van de onvermijdelijk veroorzaakte ongemakken, moet evenwel de vraag naar de evenredigheid worden gesteld. Rectificatie (conform de rechtsvoorschriften) is ongetwijfeld een inmenging in verzoeksters privéleven. Kan die inmenging worden gerechtvaardigd? Zo het een zuiver interne situatie betrof, zou de betrokken inmenging in het licht van het nationale recht en met inachtneming van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens moeten worden onderzocht. Maar nu de situatie betrekking heeft op een burger van een lidstaat die rechtmatig in een andere lidstaat verblijft en aldaar economisch actief is, moet zij ook aan het Unierecht worden getoetst.

58.      Mijn conclusie luidt dan ook dat ongeacht hoe de rechtssituatie in de onderhavige zaak wordt geanalyseerd, moet worden nagegaan of de betrokken rectificatie wordt gerechtvaardigd door een rechtmatig doel en met het oog op de verwezenlijking van dit doel evenredig is.

 Rechtvaardiging

59.      De afschaffing van de adel en van alle daaraan verbonden privileges en aanduidingen is duidelijk een rechtmatig doel voor een nieuw opgerichte republiek – zoals Oostenrijk in 1919 –, die is gegrondvest op de gelijkheid van alle staatsburgers en zich inspant om de puinhopen van een keizerrijk achter zich te laten waarin bevoordeelde klassen de belangrijkste plaats innamen.

60.      Dit betekent niet dat het een noodzakelijk doel is, dat zonder meer door alle lidstaten moet worden nagestreefd. De instandhouding, de afschaffing of zelfs de invoering van een – al dan niet hereditair – adellijk stelsel dan wel van andere seculiere onderscheidingen, titels of privileges, is een zaak van elke staat afzonderlijk, mits het betrokken stelsel binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie niet met dat recht – bijvoorbeeld de beginselen en regels inzake gelijke behandeling – strijdt.

61.      Verder lijkt het mij legitiem dat een dergelijke republiek zich terdege wil beschermen tegen elke heropleving van de bevoordeelde klassen, waarvan de afschaffing het oorspronkelijke doel was, dat als grondwettelijk beginsel mag worden verankerd.

62.      Ook is het voor een dergelijke staat in de regel niet onevenredig, de verwezenlijking van dat doel te willen verzekeren door de verkrijging, het bezit of het gebruik door zijn burgers te verbieden van adellijke titels of rangaanduidingen, dan wel van aanduidingen op grond waarvan anderen zouden kunnen geloven dat de persoon in kwestie een dergelijke rang bekleedt.

63.      Dit soort verbod kan evenwel als onevenredig worden beschouwd wanneer het namen treft die weliswaar naar een adellijke titel kunnen verwijzen, maar in feite niet van een dergelijke titel zijn afgeleid of niet als zodanig worden opgevat. Ik heb reeds de namen „Fürstmann” en „Vonwald” geciteerd, die in de Oostenrijkse telefoongids kunnen worden aangetroffen. Ook mogen enkelvoudige achternamen zoals „Graf” (wat letterlijk „graaf” betekent) en „Herzog” („hertog”), die hoogstwaarschijnlijk niet op een adellijke afkomst wijzen en als gewone achternamen worden gezien, klaarblijkelijk door Oostenrijkse staatsburgers worden gedragen.(39) Zo dat het geval is en indien hetzelfde geldt voor de verkrijging van vergelijkbare namen in andere talen (zoals „Baron”, „Lecomte”, „Leprince” of „King”), ziet het ernaar uit dat het verbod in dat opzicht niet onevenredig is. In die omstandigheden lijkt een verbod dat beperkt is tot de verkrijging van achternamen zoals „Fürst (of Fürstin) von Sayn-Wittgenstein”, die duidelijk zijn afgeleid van echte adellijke titels en als zodanig kunnen worden opgevat, niet verder te gaan dan noodzakelijk is ter bereiking van het fundamentele grondwettelijke doel.

64.      Kan deze rechtvaardiging evenwel gelden in een situatie als die welke aan de orde is in de zaken García Avello of Grunkin en Paul, met andere woorden, wanneer de familienaam rechtmatig is bepaald in overeenstemming met het recht van een andere lidstaat, waarmee de betrokken persoon op grond van zijn nationaliteit, geboorte of verblijf een bijzonder nauwe band heeft?

65.      Mijns inziens moet de rechtvaardiging – die berust op een fundamentele grondwettelijke bepaling – in een dergelijk geval worden aanvaard, zodat de Oostenrijkse autoriteiten in beginsel mogen weigeren, de betrokken familienaam in hun registers van de burgerlijke stand of officiële documenten in te schrijven en de persoon in kwestie mogen verbieden om die naam in Oostenrijk te gebruiken.

66.      Voor zover de naam als een rechtmatige – en mogelijkerwijs zelfs verplichte – familienaam blijft bestaan in een andere lidstaat waarmee de Oostenrijkse staatsburger nauwe banden heeft, lijkt het evenwel onevenredig om het bestaan van die naam als betrekking hebbend op dezelfde persoon, niet te willen erkennen. De maatregel moet dan ook zodanig worden verzacht dat de ernstige ongemakken die deze persoon anders waarschijnlijk zou ondervinden, zo veel mogelijk worden verminderd. Een mogelijkheid is, dat de Oostenrijkse autoriteiten een soortgelijk document als het „certificaat van afwijkende familienamen” van de CIEC(40) afgeven, waarin wordt bevestigd dat de betrokken persoon, hoewel hij als Oostenrijks staatsburger slechts een bepaalde naam mag dragen, in een andere lidstaat niettemin rechtmatig onder een andere naam is ingeschreven.

67.      De voorgaande overwegingen betreffen de situatie die als „normaal” kan worden beschouwd, waarin een en ander van meet af aan duidelijk is. Zo waren in de zaak García Avello de familienamen van de kinderen van bij het begin in verschillende vormen ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de twee lidstaten (België en Spanje) waarvan zij staatsburgers waren; in de zaak Grunkin en Paul maakten de Duitse autoriteiten van meet af aan duidelijk dat zij de familienaam van het kind niet zouden inschrijven in de vorm waarin die in Denemarken was ingeschreven. In de onderhavige zaak komt het mij evenwel voor dat bij de beoordeling van het besluit tot rectificatie van de familienaam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” ook rekening moet worden gehouden met de periode van 15 jaar waarin verzoekster onder die naam officieel in Oostenrijk was ingeschreven en aldaar aan haar op die naam identiteitspapieren zijn uitgereikt.

68.      De uiteindelijke beslissing over de evenredigheid moet door de bevoegde nationale rechter worden gegeven – mogelijkerwijs moet namelijk een aantal juridische en feitelijke kwesties worden onderzocht. Zo bijvoorbeeld zou komen vast te staan dat verzoekster, de Duitse rechter en de Oostenrijkse autoriteiten op basis van de rechtssituatie in 1992 mochten aannemen dat verzoeksters familienaam uitsluitend op grond van het Duitse recht moest worden bepaald, kan een rectificatie 15 jaar later wel degelijk als onevenredig overkomen. Zo echter zou blijken dat verzoekster te kwader trouw heeft verzocht, te worden ingeschreven onder een familienaam waarvan zij wist dat zij er geen aanspraak op had, dan wel de betrokken autoriteiten op een of andere manier heeft misleid, kan rectificatie een billijke en evenredige maatregel lijken. Hoe dan ook zijn de duur van de betrokken periode en het officiële en beroepsmatige gebruik dat verzoekster van de naam „Fürstin von Sayn-Wittgenstein” heeft gemaakt, noodzakelijkerwijs factoren die daarbij moeten worden afgewogen.

 Gebruik van de vorm „Fürstin”

69.      Een laatste punt dat in de bij het Hof ingediende opmerkingen is aangevoerd, maar in het kader waarvan nauwelijks informatie is verstrekt over de precieze rechtssituatie in de twee betrokken lidstaten en weinig discussie is gevoerd over de rechtvaardiging ervan, is dat van het (ogenschijnlijke) verschil tussen de Duitse en de Oostenrijkse regels wat de mogelijkheid betreft om te differentiëren tussen mannelijke en vrouwelijke vormen van een familienaam.

70.      Aangezien dit punt een weerslag kan hebben op de naamstelsels van een aantal lidstaten (de Litouwse regering heeft haar eigen gedifferentieerd naamstelsel, dat als een constitutionele waarde is verankerd, met verve verdedigd, en ter terechtzitting is de kwestie van gedifferentieerde achternamen in het Iers ter sprake gebracht), en het amper is besproken, kan het Hof mijns inziens ermee volstaan vast te stellen dat een regel als die welke klaarblijkelijk in Oostenrijk van toepassing is, op het eerste gezicht geen inmenging in de vrijheid van verkeer en van verblijf van een staatsburger kan rechtvaardigen, indien hij niet berust op een grondwettelijk beginsel of andere overwegingen van openbaar belang.

 Conclusie

71.      Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging om de vraag van het Verwaltungsgerichtshof te beantwoorden als volgt:

„Ook indien de naam van een burger van een lidstaat uitsluitend op grond van het nationale recht van die lidstaat wordt bepaald, moet deze laatste bij de toepassing van dat recht met het oog op de wijziging of de rectificatie van een inschrijving in een register van de burgerlijke stand, het recht van de Europese Unie naleven, wanneer de betrokken staatsburger zich op die inschrijving beroept in het kader van de uitoefening van zijn of haar recht als burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.

Een bepaling die in een lidstaat constitutionele rang heeft en berust op algemene overwegingen van openbaar belang zoals gelijkheid van de staatsburgers en de afschaffing van privileges, kan in beginsel een verbod rechtvaardigen op de verkrijging, het bezit of het gebruik door zijn burgers van adellijke titels of rangaanduidingen, dan wel van aanduidingen op grond waarvan anderen zouden kunnen geloven dat de persoon in kwestie een dergelijke rang bekleedt, ook al veroorzaakt dat verbod mogelijkerwijs ongemakken voor iemand die zijn of haar recht als burger van de Unie uitoefent om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, mits het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen en, in het bijzonder,

a)      het verbod zich niet uitstrekt tot de verkrijging, het bezit of het gebruik van namen die normaal gesproken niet in die zin worden opgevat, en

b)      de betrokken lidstaat niet weigert te erkennen dat een staatsburger in andere lidstaten rechtmatig bekend kan zijn onder een andere naam die naar zijn eigen recht niet is toegestaan, en een dergelijke burger helpt om mogelijke problemen als gevolg van dat verschil op te lossen.

Wanneer zij een dergelijke bepaling toepassen om een concrete inschrijving in de registers te wijzigen of te rectificeren, moeten de lidstaten het evenredigheidsbeginsel wederom in acht nemen, op grond waarvan zij rekening dienen te houden met factoren als het gewettigde vertrouwen dat het gedrag van hun autoriteiten mogelijkerwijs bij de burger heeft gewekt, de duur van de periode waarin de naam is gebruikt zonder dat die autoriteiten dat gebruik ter discussie hebben gesteld en het persoonlijke en het professionele belang dat de burger erbij kan hebben, een eerder erkende naam te blijven gebruiken.

Een verbod op de verkrijging, het bezit of het gebruik van een naam in een vorm die varieert volgens het geslacht van de betrokken persoon, kan, zo het niet berust op een fundamenteel grondwettelijk beginsel of andere overwegingen van openbaar belang in de betrokken lidstaat, in beginsel geen wijziging of rectificatie van een inschrijving in een register van de burgerlijke stand rechtvaardigen, wanneer de betrokken staatsburger zich op die inschrijving beroept in het kader van de uitoefening van zijn recht als burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.”


1 – Oorspronkelijke taal: Engels.


2 – Onbetwist is dat de adoptie geen gevolgen voor haar Oostenrijkse nationaliteit had.


3 – [Voetnoot irrelevant voor de Nederlandse versie van de conclusie].


4 − Arrest van 14 oktober 2008 (C‑353/06, Jurispr. blz. I‑7639).


5 – Op 4 november 1950 te Rome ondertekend en door alle lidstaten van de Europese Unie geratificeerd.


6 – EHRM, arresten van 22 februari 1994, Burghartz v Zwitserland, serie A, nr. 280-B, blz. 28, § 24, en 25 november 1994, Stjerna v Finland, serie A, nr. 299-B, blz. 60, § 37.


7 – EHRM, arrest van 11 september 2007, Bulgakov v Oekraïne, verzoekschrift nr. 59894/00, § 43, en aldaar aangehaalde rechtspraak.


8 –      Het EG-Verdrag wordt geciteerd zoals dat gold ten tijde van de verwijzingsbeslissing. De tekst tussen vierkante haken geeft wijzigingen weer die bij het Verdrag van Lissabon zijn aangebracht en in het VWEU zijn opgenomen.


9 – Afgekondigd op 7 december 2000 te Nice (PB C 364, blz. 1). Na schrapping van de verwijzingen naar de Europese Grondwet heeft het Europees Parlement op 29 november 2007 een geactualiseerde versie goedgekeurd (PB C 303, blz. 1); de meest recente geconsolideerde versie – van na Lissabon – is bekendgemaakt in PB 2010, C 83, blz. 389.


10 – PB 2007, C 303, blz. 17, 20.


11 – Arrest van 30 maart 1993 (C‑168/91, Jurispr. blz. I‑1191).


12 – Arrest van 2 oktober 2003 (C‑148/02, Jurispr. blz. I‑11613).


13 – Aangehaald in voetnoot 4 supra.


14 – De samenvatting is gebaseerd op het arrest Grunkin en Paul, punten 16‑18, 23‑28, 29, 36 en 38.


15 – Gesetz vom 3. April 1919 über die Aufhebung des Adels, der weltlichen Ritter‑ und Damenorden und gewisser Titel und Würden (Adelsaufhebungsgesetz).


16 – Bundes-Verfassungsgesetz (B-VG).


17 – Vollzugsanweisung des Staatsamtes für Inneres und Unterricht und des Staatsamtes für Justiz, im Einvernehmen mit den beteiligten Staatsämtern vom 18. April 1919, über die Aufhebung des Adels und gewisser Titel und Würden.


18 – Zie punt 1 supra en punten 21 en 27 infra.


19 – Bundesgesetz vom 15. Juni 1978 über das internationale Privatrecht (IPR-Gesetz).


20 – „Loi applicable à la détermination du nom”, beschikbaar op http://www.ciec1.org/Documentation/LoiApplicablealaDeterminationduNom.pdf.


21 – Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch (ABGB).


22 – Bundesgesetz vom 19. Jänner 1983 über die Regelung der Personenstandsangelegenheiten einschließlich des Matrikenwesens (Personenstandsgesetz – PStG).


23 – Verfassung des Deutschen Reichs vom 11. August 1919 (VDR).


24 – Grundgesetz (GG).


25 – Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (EGBGB).


26 – Punt 18 en voetnoot 20 supra.


27 – De schijnbare contradictie tussen de eerste twee zinnen lijkt te moeten worden toegeschreven aan een misleidend gebruik van de uitdrukking „land van herkomst” in de zin van „land van (uiteindelijke) nationaliteit”, aangezien adoptie een wijziging van nationaliteit kan, maar niet moet meebrengen. Het CIEC-rapport is uitsluitend in het Frans beschikbaar, zodat niet kan worden uitgemaakt welke bewoordingen de Duitse autoriteiten in hun antwoord op de vragenlijst concreet hebben gebruikt.


28 – Bürgerliches Gesetzbuch (BGB).


29 – Zaak B 557/03. De betrokken familienaam luidde Prinz von Sachsen-Coburg und Gotha, Herzog zu Sachsen (wat kan worden vertaald als „Prins van Saksen-Coburg en Gotha, Hertog van Saksen”).


30 – Zie punt 12 supra.


31 – Zie punt 17 supra.


32 – § 13, lid 1, IPR-Gesetz; zie punt 17 supra.


33 – Artikel 10, lid 1, EGBGB; zie punt 22 supra.


34 – Zie „Facilitating Life Events, Part I: Country Reports” van het eindrapport dat door von Freyhold, Vial & Partner Consultants in oktober 2008 voor de Europese Commissie is opgesteld, betreffende een vergelijkende studie van het recht van de lidstaten op het gebied van de burgerlijke stand, concrete moeilijkheden waarmee burgers te maken kregen die hun rechten in de context van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken wilden uitoefenen en de mogelijkheden om die problemen op te lossen en het leven van de burgers te vergemakkelijken. Volgens dat rapport lijken alleen uitzonderingen op de vrijheid van een gehuwde vrouw om haar eigen naam te behouden, te bestaan in Italië, waar zij de achternaam van haar echtgenoot aan de hare moet toevoegen, en binnen de Turkse gemeenschap op Cyprus, waar zij de familienaam van haar man moet aannemen. Voorts sluit een aantal lidstaten het gebruik van de achternaam van de vroegere echtgenoot na scheiding uit, tenzij voor het verdere gebruik daarvan gegronde redenen worden aangevoerd.


35 – Hoewel de omstandigheden van de zaak enigszins verschillen, wijs ik erop dat het Hof in een van zijn vaak aangehaalde arresten over de vrijheid om te reizen (arrest van 31 maart 1993, Kraus, C‑19/92, Jurispr. blz. I‑1663 – welk arrest daags na het arrest Konstantinidis is gewezen), veel nadruk heeft gelegd op het feit dat het bezit van de betrokken academische titel een voordeel vormde zowel om toegang tot een beroep te verkrijgen als om in een beroep te slagen (zie de punten 18 e.v. van bedoeld arrest).


36 – In een schriftelijk antwoord op een vraag van het Hof heeft de Duitse regering evenwel aangegeven dat de bestanddelen „Fürstin von” en „Sayn-Wittgenstein” binnen de familienaam gelijke waarde hebben.


37 – Zie punt 18 supra.


38 – Zie de punten 16 en 27 supra.


39 – Stephanie Graf is bijvoorbeeld een Oostenrijkse atlete (een middellangeafstandsloopster) die haar land zowel op de Olympische Spelen van 2000 als op de wereldkampioenschappen atletiek van 2001 vertegenwoordigde; Andreas Herzog is een Oostenrijks voetballer die tussen 1988 en 2003 in de nationale ploeg speelde.


40 – Op 8 september 1982 te Den Haag ondertekende CIEC-overeenkomst nr. 21 inzake de afgifte van een certificaat van afwijkende familienamen. Oostenrijk is geen partij bij die overeenkomst (tot op heden zijn Spanje, Frankrijk, Italië en Nederland de enige lidstaten die de overeenkomst hebben geratificeerd), maar dat belet Oostenrijk niet een soortgelijk document uit te reiken aan burgers die zich in een dergelijke situatie bevinden.