Language of document : ECLI:EU:C:2011:772

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

24 november 2011(*)

„Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 3 – Begrip ‚mededeling van een werk aan op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek’ – Mededeling van muziekwerken aan publiek zonder aan orgaan voor collectief beheer van auteursrechten desbetreffende vergoeding te betalen – Met auteurs van werken gesloten overeenkomsten tot overdracht van aan auteursrecht verbonden vermogensrechten – Werkingssfeer van richtlijn 2001/29”

In zaak C‑283/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (Roemenië) bij beslissing van 14 mei 2010, ingekomen bij het Hof op 7 juni 2010, in de procedure

Circul Globus Bucureşti (Circ & Variete Globus Bucureşti)

tegen

Uniunea Compozitorilor şi Muzicologilor din România – Asociaţia pentru Drepturi de Autor (UCMR – ADA)

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, E. Juhász en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Uniunea Compozitorilor şi Muzicologilor din România – Asociaţia pentru Drepturi de Autor (UCMR – ADA), vertegenwoordigd door A. Roată-Palade, avocat,

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door A. Popescu als gemachtigde en A. Wellman en A. Borobeică, adviseurs,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en I. V. Rogalski als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Uniunea Compozitorilor şi Muzicologilor din România – Asociaţia pentru Drepturi de Autor (UCMR – ADA) (hierna: „UCMR – ADA”) en Circul Globus Bucureşti, thans Circ & Variete Globus Bucureşti (hierna: „circus Globus”), betreffende de beweerde schending door dit laatste van de door UCMR – ADA beheerde intellectuele‑eigendomsrechten.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Artikel 11 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), luidt als volgt:

„1.      Auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale werken en muziekwerken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

i)      de openbare opvoering en uitvoering van hun werken, met inbegrip van de openbare opvoering en uitvoering met alle middelen of werkwijzen;

ii)      de openbare overbrenging met alle middelen van de opvoering en uitvoering van hun werken.

2.      Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken gedurende de gehele duur van hun rechten op hun oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van hun werken.”

 Recht van de Unie

4        De punten 2 en 5 van de considerans van richtlijn 2001/29 preciseren:

„(2)      De Europese Raad van Korfoe van 24 en 25 juni 1994 heeft de noodzaak benadrukt dat op het niveau van de Gemeenschap algemene, soepele rechtsregels tot stand worden gebracht ter bevordering van de ontwikkeling van de informatiemaatschappij in Europa. Hiertoe is met name vereist, dat er een interne markt voor nieuwe producten en diensten bestaat. Belangrijke communautaire wetgeving die voor dergelijke rechtsregels moet zorgen, is reeds vastgesteld of de vaststelling ervan bevindt zich in een vergevorderd stadium van voorbereiding. Het auteursrecht en de naburige rechten spelen in dit verband een belangrijke rol, omdat zij de ontwikkeling en de verkoop van nieuwe producten en diensten en de schepping en exploitatie van de creatieve inhoud van die producten en diensten beschermen en stimuleren.

[...]

(5)      De technologische ontwikkeling heeft de vectoren voor schepping, productie en exploitatie in aantal en verscheidenheid doen toenemen. Hoewel voor de bescherming van de intellectuele eigendom geen behoefte aan nieuwe concepten bestaat, zullen het huidige auteursrecht en de huidige naburige rechten moeten worden aangepast en aangevuld om adequaat op economische gegevenheden zoals nieuwe exploitatievormen te kunnen reageren.”

5        Punt 18 van de considerans van richtlijn 2001/29 luidt als volgt:

„Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de regels van de lidstaten inzake het beheer van rechten, zoals uitgebreide collectieve licenties.”

6        In de punten 23 en 24 van de considerans van deze richtlijn staat te lezen:

„(23)      Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.

(24)      Het in artikel 3, lid 2, bedoelde recht van beschikbaarstelling voor het publiek, van in artikel 3, lid 2, bedoeld materiaal wordt geacht alle handelingen te bestrijken waarbij zulk materiaal beschikbaar wordt gesteld voor niet op de plaats van oorsprong van de beschikbaarstelling aanwezige leden van het publiek, en geen andere handelingen te bestrijken.”

7        Artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

 Nationaal recht

8        Artikel 15, lid 1, van wet nr. 8/1996 inzake het auteursrecht en de naburige rechten (legea nr. 8/1996 privind drepturile de autor şi drepturile conexe), gewijzigd bij wet nr. 285/2004 (hierna: „wet betreffende het auteursrecht”), bepaalt:

„Als mededeling aan het publiek wordt beschouwd, elke rechtstreeks of met om het even welk technisch middel verrichte mededeling van een werk op een voor het publiek toegankelijke plaats of op een plaats waar een aantal personen buiten de kring van familieleden en kennissen zijn samengekomen, daaronder begrepen de voorstelling op toneel, het reciteren of elke andere rechtstreekse openbare uitvoering of opvoering van een werk, de openbare tentoonstelling van werken van beeldende of toegepaste kunst en van fotografische of architectonische werken, de openbare projectie van cinematografische en andere audiovisuele werken, daaronder begrepen werken van digitale kunst, de opvoering op een openbare plaats door middel van geluidsopnamen of audiovisuele opnamen alsmede het op een openbare plaats ten gehore brengen van radioprogramma’s met om het even welk middel. Verder wordt als mededeling aan het publiek beschouwd, elke mededeling van werken, per draad of draadloos, verricht door die werken ter beschikking van het publiek te stellen, daaronder begrepen op internet of op andere informatienetwerken, zodat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn. [...]”

9        Artikel 123, lid 1, van de wet betreffende het auteursrecht luidt als volgt:

„De houders van auteursrechten en naburige rechten kunnen de hun door de onderhavige wet verleende rechten ofwel persoonlijk uitoefenen, ofwel krachtens een opdracht, via een vereniging voor collectief beheer, overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden.”

10      Artikel 123 bis, lid 1, sub e, en lid 2, van de wet betreffende het auteursrecht preciseert:

„(1)      De uitoefening van de volgende rechten wordt collectief beheerd:

[...]

e)      het recht van mededeling van muziekwerken aan het publiek, met uitzondering van de openbare projectie van cinematografische werken;

[...]

(2)      Voor de in lid 1 bedoelde categorieën van rechten vertegenwoordigen de verenigingen voor collectief beheer ook de rechthebbenden die hun geen opdracht hebben gegeven.

[...]”

11      Volgens artikel 130, lid 1, van de wet betreffende het auteursrecht zijn de verenigingen voor collectief beheer gehouden:

„a)      niet-exclusieve toestemming te verlenen aan gebruikers die daarom verzoeken vóórdat zij het beschermde werk op welke wijze dan ook gebruiken. Deze toestemming wordt tegen betaling aan de hand van een schriftelijke, niet-exclusieve licentie verleend;

b)      werkmethoden te ontwikkelen voor de gebieden waarop zij actief zijn, daaronder begrepen passende vermogensrechten, waarover met het oog op de betaling van dergelijke rechten moet worden onderhandeld met de gebruikers, ingeval het gaat om werken waarvan wegens hun exploitatiewijze geen individuele toestemming door de auteursrechthouders kan worden verleend;

[...]

e)      de door de gebruikers verschuldigde bedragen te innen en deze overeenkomstig de bepalingen van het statuut aan de auteursrechthouders uit te keren;

[...]

h)      de gebruikers of hun vertegenwoordigers te verzoeken, informatie te verstrekken en de stukken over te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van de te innen vergoedingen te berekenen, alsook informatie te verstrekken betreffende de gebruikte werken, met vermelding van de naam van de auteursrechthouders met het oog op de uitkering van deze vergoedingen; [...]”

12      Artikel 131 bis, lid 1, sub e, en lid 4, van deze wet bepaalt:

„1.      Over de werkmethoden wordt door de verenigingen voor collectief beheer en door de in artikel 131, lid 2, sub b, genoemde vertegenwoordigers onderhandeld op basis van de hiernavolgende wezenlijke criteria:

[...]

e)      het verhoudingsgewijze aandeel van het gebruik van een werk waarvoor de gebruiker de betalingsverplichtingen via rechtstreekse overeenkomsten met de auteursrechthouders is nagekomen;

[...]

4.      Ingeval het collectieve beheer volgens de bepalingen van artikel 123 bis verplicht is, worden de in lid 1, sub c en e, genoemde criteria niet in aanmerking genomen voor de onderhandelingen over de werkmethoden, aangezien de repertoires dan als uitgebreide repertoires worden beschouwd.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      UCMR – ADA is een vereniging voor collectief beheer van de auteursrechten met betrekking tot muziekwerken.

14      Van mei 2004 tot en met september 2007 heeft het circus Globus als organisator van circus- en cabaretvoorstellingen met commerciële oogmerken muziekwerken aan het publiek meegedeeld zonder in het bezit te zijn van een door UCMR – ADA verleende „niet-exclusieve” licentie en zonder laatstgenoemde de passende vergoedingen voor de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten te hebben betaald.

15      Volgens UCMR – ADA heeft het circus Globus aldus afbreuk gedaan aan haar rechten en zij heeft beroep ingesteld bij het Tribunalul Bucureşti (rechtbank van grote aanleg te Boekarest). Ter onderbouwing van haar beroep voerde zij aan dat volgens de bepalingen van de wet betreffende het auteursrecht de uitoefening van het recht om muziekwerken aan het publiek mee te delen aan verplicht collectief beheer is onderworpen.

16      Het circus Globus heeft tegengeworpen dat het met de componisten van de muziekwerken die in de door hem georganiseerde voorstellingen waren gebruikt, overeenkomsten houdende afstand van de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten had gesloten en het hun voor het gebruik van die werken passend heeft vergoed. Aangezien die componisten krachtens artikel 123, lid 1, van de wet betreffende het auteursrecht als houders van die rechten immers voor het individuele beheer van hun rechten hebben geopteerd, was er geen rechtsgrondslag voor de vordering van vergoedingen door de vereniging voor collectief beheer.

17      De IVe afdeling civiele zaken van het Tribunalul Bucureşti heeft het bij haar aanhangig gemaakte beroep gedeeltelijk toegewezen door het circus Globus te veroordelen tot betaling van de bedragen die verschuldigd waren voor de mededeling van muziekwerken aan het publiek die in de periode van mei 2004 tot en met september 2007 met commerciële oogmerken is verricht, vermeerderd met moratoire rente over die vergoedingen. Het hogere beroep dat het circus Globus tegen deze beslissing heeft ingesteld, is door de Curtea de Apel Bucureşti (hof van beroep te Boekarest) verworpen.

18      Deze twee rechterlijke instanties hebben geoordeeld dat artikel 123 bis, lid 1, sub e, van de wet betreffende het auteursrecht uitdrukkelijk bepaalt dat de uitoefening van het recht van mededeling van muziekwerken aan het publiek collectief wordt beheerd. Volgens hen is verweerder bijgevolg gehouden tot betaling aan verzoekster van de vergoeding die volgens de met het organisme voor collectief beheer overeengekomen methode wordt berekend, ongeacht de overeenkomsten die tussen verweerder en de componisten voor de verschillende van 2004 tot en met 2007 georganiseerde voorstellingen zijn gesloten.

19      Het circus Globus heeft daarop cassatieberoep tegen de beslissing van de Curtea de Apel Bucureşti ingesteld bij de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (hof van cassatie), onder meer op grond dat richtlijn 2001/29 niet correct in het nationale recht was omgezet. Deze rechterlijke instantie is van oordeel dat, hoewel in de punten 23 en 24 van de considerans van deze richtlijn het recht van mededeling aan het publiek duidelijk ruim is omschreven, in die zin dat het ziet op elke mededeling aan publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de mededeling wordt gedaan, artikel 123 bis van de wet betreffende het auteursrecht niet is gewijzigd en nog steeds voorziet in verplicht collectief beheer van het recht van mededeling van muziekwerken aan het publiek, zonder onderscheid tussen rechtstreekse en indirecte mededeling te maken.

20      Op die manier wordt de uitoefening van het recht van mededeling aan het publiek nog meer beperkt dan in de richtlijn het geval is, aangezien tussen de auteurs van muziekwerken en de organisatoren van voorstellingen de vereniging voor collectief beheer wordt geplaatst, hetgeen er voor de auteur toe leidt dat hij het door de vereniging voor collectief beheer verlangde commissieloon moet betalen, en voor de gebruiker dat hij twee keer dient te betalen daar hij, ook wanneer hij de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten heeft gekocht, daarvoor nogmaals aan de vereniging voor collectief beheer moet betalen.

21      UCMR – ADA betwist een en ander op grond dat er geen enkele tegenstrijdigheid bestaat tussen het nationale recht en richtlijn 2001/29, aangezien deze richtlijn enkel ziet op de mededeling van muziekwerken aan het publiek in het specifieke kader van de informatiemaatschappij. Wat de in het onderhavige geding aan de orde zijnde rechtstreekse mededeling aan het publiek betreft, laat met name punt 18 van de considerans van richtlijn 2001/29 het aan de lidstaten over, dit naar eigen goeddunken te regelen, en de Roemeense wetgever heeft voor een systeem van verplicht collectief beheer gekozen.

22      In haar beslissing wijst de verwijzende rechterlijke instantie erop dat ook in geval van individueel beheer en ingeval de auteur van de gebruikte muziekwerken geen lid van de vereniging voor collectief beheer is, de gebruiker de vereniging voor collectief beheer om een niet-exclusieve licentie moet verzoeken en haar daarvoor een vergoeding moet betalen op grond van artikel 123 bis, lid 2, van de wet betreffende het auteursrecht, volgens welke bepaling – met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde categorieën van rechten – de vereniging voor collectief beheer ook de auteursrechthouders vertegenwoordigt die haar geen opdracht hebben gegeven.

23      Die wet bevat bovendien geen enkele bepaling die de houders van dergelijke rechten de mogelijkheid biedt hun werken van de toepassing van de overeenkomst voor collectief beheer uit te sluiten onder een voorwaarde als die welke bijvoorbeeld met betrekking tot de mededeling aan het publiek per satelliet uitdrukkelijk is opgenomen in artikel 3, lid 2, van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15).

24      De verwijzende rechterlijke instantie leidt hieruit af dat een dergelijke regeling een overdreven beperking van de contractvrijheid lijkt te bevatten die niet strookt met het dubbele doel dat door het verplichte collectieve beheer van het recht van mededeling van muziekwerken aan het publiek wordt beoogd, namelijk zowel het gebruik van de werken als de vergoeding van de auteurs te garanderen.

25      In deze context vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich inzonderheid af of een dergelijk collectief beheer wel in overeenstemming is met niet enkel het doel van bescherming van het auteursrecht, maar ook met het doel dat door richtlijn 2001/29 wordt nagestreefd, namelijk een rechtvaardig evenwicht te handhaven tussen de rechten van de auteurs en die van de gebruikers.

26      In die omstandigheden heeft de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 [...] aldus worden uitgelegd dat onder ‚mededeling aan het publiek’ wordt verstaan:

a)      uitsluitend de mededeling aan publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de mededeling wordt gedaan, of

b)      ook elke andere rechtstreeks verrichte mededeling van een werk dat wordt opgevoerd op een voor het publiek toegankelijke plaats, ongeacht de wijze van openbare uitvoering of rechtstreekse opvoering van het werk?

2)      Ingeval de eerste vraag, sub a, bevestigend wordt beantwoord, betekent dit dan dat de sub b genoemde rechtstreekse mededelingen van werken aan het publiek niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen of geen mededeling van een werk aan het publiek vormen, maar openbare opvoeringen en/of uitvoeringen van een werk in de zin van artikel 11, lid 1, sub i, van de Conventie van Bern [...] zijn?

3)      Ingeval de eerste vraag, sub b, bevestigend wordt beantwoord, staat artikel 3, lid 1, van [...] richtlijn [2001/29] dan toe dat de lidstaten het recht van mededeling van muziekwerken aan het publiek, ongeacht de wijze van mededeling, bij wet aan een regeling van verplicht collectief beheer onderwerpen, ook wanneer dat recht individueel kan worden beheerd en door de auteurs daadwerkelijk op die wijze wordt beheerd, zonder de auteurs de mogelijkheid te bieden hun werken van het collectieve beheer uit te sluiten?”

 Bevoegdheid van het Hof

27      Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft het hoofdgeding betrekking op feiten die in de periode van mei 2004 tot en met september 2007 hebben plaatsgevonden, terwijl Roemenië pas op 1 januari 2007 tot de Europese Unie is toegetreden.

28      In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof uitsluitend bevoegd is om de bepalingen van het recht van de Unie uit te leggen wat de toepassing daarvan in een nieuwe lidstaat betreft, vanaf de datum van diens toetreding tot de Europese Unie (zie in die zin arresten van 10 januari 2006, Ynos, C‑302/04, Jurispr. blz. I‑371, punt 36, en 14 juni 2007, Telefónica O2 Czech Republic, C‑64/06, Jurispr. blz. I‑4887, punt 23).

29      Aangezien de feiten in het hoofdgeding gedeeltelijk van latere datum zijn dan de datum waarop Roemenië tot de Europese Unie is toegetreden, is het Hof bevoegd om de voorgelegde vragen te beantwoorden (zie in die zin arrest van 15 april 2010, CIBA, C‑96/08, Jurispr. blz. I‑2911, punt 15).

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

30      Met haar eerste en haar tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of richtlijn 2001/29, en meer bepaald artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat zij enkel betrekking heeft op de mededeling aan publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de mededeling wordt gedaan, dan wel ook op elke andere rechtstreeks verrichte mededeling van een werk dat op een voor het publiek toegankelijke plaats wordt opgevoerd, ongeacht de wijze van openbare uitvoering of rechtstreekse opvoering van het werk.

31      Vastgesteld moet worden dat noch artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, noch enige andere bepaling van deze richtlijn het begrip „mededeling aan het publiek” definieert.

32      In een dergelijke situatie moet bij de uitlegging van een begrip van het recht van de Unie niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling waarin dit begrip is opgenomen, maar ook met de context waartoe dit begrip behoort en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan het deel uitmaakt.

33      Wat om te beginnen de context betreft, moet worden opgemerkt dat de tweede zin van punt 23 van de considerans van richtlijn 2001/29 preciseert dat aan het recht van mededeling van werken aan het publiek „een ruime betekenis [moet] worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan”.

34      Dienaangaande heeft het Hof in het arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a. (C‑403/08 en C‑429/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), de draagwijdte van voornoemd punt 23 van de considerans verduidelijkt, en inzonderheid van de tweede zin ervan.

35      Zo heeft het Hof in herinnering gebracht dat, gelet op de antecedenten van richtlijn 2001/29 en inzonderheid op gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 48/2000 van 28 september 2000, vastgesteld door de Raad met het oog op de aanneming van richtlijn 2001/29 (PB C 344, blz. 1), punt 23 van de considerans van deze richtlijn voortvloeit uit het voorstel van het Europees Parlement dat daarin wilde preciseren dat mededeling aan het publiek in de zin van die richtlijn geen betrekking heeft op „rechtstreekse afbeelding of uitvoering”, een begrip dat naar „de openbare opvoering en uitvoering” in artikel 11, lid 1, van de Berner Conventie verwijst. Laatstgenoemd begrip ziet ook op de vertolking van werken voor het publiek dat direct fysiek contact heeft met de persoon die het werk opvoert of uitvoert (zie arrest Football Association Premier League e.a., reeds aangehaald, punt 201).

36      Om dergelijke rechtstreekse openbare opvoeringen en uitvoeringen van de werkingssfeer van het begrip „mededeling aan het publiek” uit te sluiten in het kader van richtlijn 2001/29, is in voornoemd punt van de considerans dan ook gepreciseerd dat de mededeling aan het publiek betrekking heeft op mededelingen aan publiek dat niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig is (zie arrest Football Association Premier League e.a., reeds aangehaald, punt 202).

37      In een situatie zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding waarin, zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, muziekwerken aan het publiek worden meegedeeld in het kader van circus- en cabaretvoorstellingen die rechtstreeks worden opgevoerd, is sprake van een dergelijk element van direct fysiek contact, zodat het publiek, in tegenstelling tot de voorwaarde die bij de tweede zin van punt 23 van de considerans van richtlijn 2001/29 is gesteld, aanwezig is op de plaats van oorsprong van de mededeling.

38      Wat vervolgens het door richtlijn 2001/29 nagestreefde doel betreft, dient te worden onderstreept dat uit de punten 2 en 5 van de considerans van deze richtlijn blijkt dat die richtlijn ertoe strekt, op het niveau van de Unie algemene, soepele rechtsregels tot stand te brengen ter bevordering van de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, alsook het huidige auteursrecht en de huidige naburige rechten aan te passen en aan te vullen teneinde te kunnen reageren op de technologische ontwikkeling die nieuwe exploitatievormen van beschermde werken in het leven heeft geroepen.

39      Hieruit volgt dat de door richtlijn 2001/29 beoogde harmonisatie waaraan de eerste zin van punt 23 van de considerans van richtlijn 2001/29 refereert, niet kan worden geacht betrekking te hebben op de „traditionele” vormen van mededeling aan het publiek, zoals de rechtstreekse opvoering of uitvoering van een werk.

40      Deze vaststelling wordt overigens bevestigd door de derde en de vierde zin van punt 23 van de considerans van richtlijn 2001/29, volgens welke het recht van mededeling van een werk aan het publiek zich dient uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van het werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending, en het geen betrekking heeft op enige andere handeling. Dit recht ziet dus niet op handelingen die geen „doorgifte” of „wederdoorgifte” van een werk impliceren, zoals handelingen waarbij een werk rechtstreeks wordt opgevoerd of uitgevoerd.

41      Uit een en ander volgt dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat richtlijn 2001/29, en meer bepaald artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat zij uitsluitend betrekking heeft op de mededeling aan publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de mededeling wordt gedaan, met uitsluiting van elke andere rechtstreeks verrichte mededeling van een werk dat wordt opgevoerd op een voor het publiek toegankelijke plaats, ongeacht de wijze van openbare uitvoering of rechtstreekse opvoering van het werk.

 Derde vraag

42      Gelet op het antwoord dat op de eerste en de tweede vraag is gegeven, hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

43      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, en meer bepaald artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat zij uitsluitend betrekking heeft op de mededeling aan publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de mededeling wordt gedaan, met uitsluiting van elke andere rechtstreeks verrichte mededeling van een werk dat wordt opgevoerd op een voor het publiek toegankelijke plaats, ongeacht de wijze van openbare uitvoering of rechtstreekse opvoering van het werk.

ondertekeningen


* Procestaal: Roemeens.