Language of document : ECLI:EU:C:2016:652

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 8 september 2016 (1)

Zaak C‑398/15

Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Lecce

tegen

Salvatore Manni

[verzoek van de Corte suprema di cassazione (cassatierechter, Italië) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Persoonsgegevens – Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van deze gegevens – Richtlijn 95/46/EG – Artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 7, onder c), e) en f) – Gegevens die in het vennootschapsregister openbaar moeten worden gemaakt – Eerste richtlijn (68/151/EEG) – Artikel 2, lid 1, onder d) en j), en artikel 3 – Recht op vergetelheid – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 7 en artikel 8”





1.        In aansluiting op zijn arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google (C‑131/12, EU:C:2014:317), wordt het Hof verzocht om de contouren te verduidelijken van het recht van natuurlijke personen op verwijdering of anonimisering van hun persoonsgegevens, in dit geval in de specifieke context van de wettelijk verplichte openbaarmaking van gegevens met betrekking tot vennootschappen.

2.        In deze zaak zal het Hof de bepalingen van twee richtlijnen in het licht van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) zodanig moeten uitleggen dat hun bepalingen met elkaar verenigbaar zijn.

3.        Het betreft enerzijds de Eerste richtlijn (68/151/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003(3) (hierna: „richtlijn 68/151”), en anderzijds richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(4).

4.        Deze prejudiciële verwijzing is ingediend in het kader van een geding dat Salvatore Manni heeft ingesteld tegen de Camera di Commercio, Industria, Artigianato e Agricoltura di Lecce (kamer van koophandel, industrie, nijverheid en landbouw van Lecce; hierna: „kamer van koophandel van Lecce”) over de weigering van die kamer om bepaalde persoonsgegevens van Manni in het vennootschapsregister(5) te schrappen.

5.        In deze conclusie zal ik het Hof in overweging geven de Corte suprema di cassazione (cassatierechter, Italië) te antwoorden dat artikel 2, lid 1, onder d) en j), en artikel 3 van richtlijn 68/151, en artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 7, onder c), e) en f), van richtlijn 95/46, in het licht van artikel 7 en artikel 8 van het Handvest, aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat in het vennootschapsregister ingeschreven persoonsgegevens na een bepaald tijdsbestek en op verzoek van de betrokken persoon ofwel kunnen worden geschrapt, geanonimiseerd of ontoegankelijk gemaakt, dan wel toegankelijk kunnen worden gemaakt voor slechts een beperkte kring van derden die een legitiem belang bij de toegang tot dergelijke gegevens kunnen aantonen.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

1.      Richtlijn 68/151

6.        Krachtens artikel 1 van richtlijn 68/151 zijn de door haar voorgeschreven coördinatiemaatregelen van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de lidstaten die betrekking hebben op vennootschappen van de volgende rechtsvorm, te weten voor de Republiek Italië „[de] società per azioni [aandelenvennootschap], [de] società in accomandita per azioni [commanditaire vennootschap op aandelen], [de] società a responsabilità limitata [vennootschap met beperkte aansprakelijkheid]”.

7.        Artikel 2 en artikel 3 van deze richtlijn in de afdeling „Openbaarmaking” bepalen:

Artikel 2

1.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen tenminste plaatsvindt voor de volgende akten en gegevens:

a)      de oprichtingsakte alsmede de statuten indien deze in een afzonderlijke akte zijn opgenomen;

[...]

d)      de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de       personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan

i)      de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen,

ii)      deelnemen aan het bestuur van, het toezicht of de controle op de vennootschap.

[...]

h)      de ontbinding van de vennootschap;

[...]

j)      de benoeming en de identiteit van de vereffenaars alsmede hun respectieve bevoegdheden, tenzij deze bevoegdheden uitdrukkelijk en uitsluitend voortvloeien uit de wet of de statuten;

k)      de beëindiging van de liquidatie en de doorhaling in het register in die lidstaten waar zulks rechtsgevolgen heeft.

Artikel 3

1.      In iedere lidstaat wordt hetzij bij een centraal register hetzij bij een handelsregister of vennootschapsregister voor elk der aldaar ingeschreven vennootschappen een dossier aangelegd.

2.      Alle akten en alle gegevens die krachtens artikel 2 openbaar gemaakt dienen te worden, worden in het dossier opgenomen of ingeschreven in het register; de inhoud van het in het register ingeschrevene dient in elk geval uit het dossier te blijken.

[...]

3.      Een volledig of gedeeltelijk afschrift van de in artikel 2 bedoelde akten of gegevens moet op aanvraag verkrijgbaar zijn. Uiterlijk vanaf 1 januari 2007 kunnen aanvragen zowel schriftelijk als langs elektronische weg, naar keuze van de aanvrager, bij het register worden ingediend.

[...]”

8.        Richtlijn 68/151 is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken.(6)

9.        Richtlijn 2009/101 is op haar beurt gewijzigd bij richtlijn 2012/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012.(7)

10.      Uit overweging 9 van richtlijn 2012/17 blijkt dat die richtlijn beoogt de grensoverschrijdende toegang tot bedrijfsinformatie over vennootschappen en hun bijkantoren in andere lidstaten te verbeteren door de interoperabiliteit van de registers te waarborgen.

11.      Volgens overweging 25 van diezelfde richtlijn dient iedere verwerking van persoonsgegevens door de registers van de lidstaten, door de Europese Commissie, en in voorkomend geval door derden die bij de exploitatie van het door de richtlijn opgerichte, centrale Europese platform betrokken zijn, te geschieden met inachtneming van richtlijn 95/46.

12.      Met het oog daarop heeft richtlijn 2012/17 met name artikel 7 bis in richtlijn 2009/101 ingevoegd, luidend:

„Op de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van deze richtlijn is richtlijn 95/46[...] van toepassing.”

13.      Evenwel is op het hoofdgeding, gelet op het tijdstip van de feiten, richtlijn 68/151 van toepassing.

2.      Richtlijn 95/46

14.      Richtlijn 95/46, die volgens artikel 1 ervan tot doel heeft het in verband met de verwerking van persoonsgegevens waarborgen van de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, in het bijzonder van het recht op persoonlijke levenssfeer, alsmede het opheffen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van die gegevens, vermeldt in de punten 2, 8 tot en met 10, 25, 28 en 29 van de considerans het volgende:

„(2)      Overwegende dat de systemen voor de verwerking van gegevens ten dienste van de mens staan; dat zij de fundamentele rechten en vrijheden en inzonderheid de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen, ongeacht hun nationaliteit of verblijfplaats, moeten eerbiedigen en tot de economische en sociale vooruitgang, tot de ontwikkeling van het handelsverkeer en tot het welzijn van de individuen moeten bijdragen;

[...]

(8)      Overwegende dat, teneinde de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens op te heffen, het niveau van de bescherming van de rechten en vrijheden van personen op het stuk van de verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig moet zijn [...]

(9)      Overwegende dat de lidstaten, wegens de gelijkwaardige bescherming die voortvloeit uit de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen, het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen de lidstaten niet langer mogen belemmeren om redenen in verband met de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, met name het recht op persoonlijke levenssfeer; [...]

(10)      Overwegende dat met de nationale wetgevingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens de eerbiediging moet worden gewaarborgd van de fundamentele rechten en vrijheden, en met name van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat tevens in artikel 8 van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht is erkend; dat derhalve de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen niet tot een verzwakking van de aldus geboden bescherming mag leiden, maar juist erop gericht moet zijn een hoog beschermingsniveau in de Gemeenschap te waarborgen;

[...]

(25)      Overwegende dat de beginselen van de bescherming enerzijds tot uiting moeten komen in de verplichtingen die aan de personen [...] die de verwerkingen uitvoeren, worden opgelegd, verplichtingen die met name betrekking hebben op de kwaliteit van de gegevens, de technische beveiliging, de aanmelding bij de toezichthoudende autoriteit en de omstandigheden waarin de verwerking kan worden uitgevoerd, en anderzijds in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten;

[...]

(28)      Overwegende dat elke verwerking van persoonsgegevens ten opzichte van de betrokkenen eerlijk en rechtmatig dient te geschieden; dat de verwerking met name adequate en ter zake dienende, gegevens moet betreffen die met de doeleinden stroken en dat deze doeleinden expliciet en geoorloofd moeten zijn en moeten zijn vastgesteld bij het verzamelen van de gegevens; dat de doelstellingen van latere verwerkingen niet onverenigbaar mogen zijn met de oorspronkelijk omschreven doelen;

(29)      Overwegende dat de latere verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden in het algemeen niet wordt beschouwd als onverenigbaar met de doeleinden waarvoor zij eerder werden verzameld, mits de lidstaten passende garanties bieden; dat deze garanties met name moeten voorkomen dat de gegevens worden gebruikt voor het nemen van maatregen of besluiten die tegen een bepaalde persoon gericht zijn.”

15.      Artikel 2 van richtlijn 95/46 bepaalt het volgende:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)      ,persoonsgegevens’, iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna ,betrokkene’ te noemen; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;

b)      ,verwerking van persoonsgegevens’, hierna ,verwerking’ te noemen, elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

[...]

d)      ,voor de verwerking verantwoordelijke’, de natuurlijke of rechtspersoon, de overheidsinstantie, de dienst of enig ander lichaam die, respectievelijk dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer het doel van en de middelen voor de verwerking worden vastgesteld bij nationale of communautaire wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, kan in het nationale of communautaire recht worden bepaald wie de voor de verwerking verantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;

[...]”

16.      Artikel 3 van deze richtlijn („Werkingssfeer”) bepaalt in lid 1:

„De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.”

17.      In hoofdstuk II, afdeling I („Beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens”) van richtlijn 95/46, luidt artikel 6 van die richtlijn als volgt:

„1.      De lidstaten bepalen dat de persoonsgegevens:

a)      eerlijk en rechtmatig moeten worden verwerkt;

b)      voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze [die] onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de lidstaten passende garanties bieden;

c)      toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig moeten zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt;

d)      nauwkeurig dienen te zijn en, zo nodig, dienen te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te corrigeren;

e)      in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is. De lidstaten voorzien in passende waarborgen voor persoonsgegevens die langer dan hierboven bepaald voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.

2.      Op de voor de verwerking verantwoordelijke rust de plicht er zorg voor te dragen dat lid 1 wordt nageleefd.”

18.      In hoofdstuk II, afdeling II („Beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking”) van richtlijn 95/46 bepaalt artikel 7 van die richtlijn het volgende:

„De lidstaten bepalen dat de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden indien:

[...]

c)      de verwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de voor de verwerking verantwoordelijke onderworpen is,

of

[...]

e)      de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, [...] is opgedragen,

of

f)      de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van artikel 1, lid 1, van deze richtlijn, niet prevaleren.”

19.      Bovendien bepaalt artikel 12 („Recht van toegang”) van deze richtlijn het volgende:

„De lidstaten waarborgen elke betrokkene het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

[...]

b)      naargelang van het geval, de rectificatie, de uitwissing of de afscherming van de gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens;

[...]”

20.      Artikel 14 („Recht van verzet van de betrokkene”) van richtlijn 95/46 luidt als volgt:

„De lidstaten kennen de betrokkene het recht toe:

a)      zich ten minste in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onder e) en f), te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de voor de verwerking verantwoordelijke persoon verrichte verwerking niet langer op deze gegevens betrekking hebben;

[...]”

B –    Italiaans recht

21.      Artikel 2188 van de Codice civile (burgerlijk wetboek) luidt:

„Er wordt een vennootschapsregister ingesteld voor de wettelijk voorgeschreven inschrijvingen.

Het register wordt gehouden door het bureau van het vennootschapsregister onder toezicht van een door de president van de rechtbank aangewezen rechter.

Het register is openbaar.”

22.      Artikel 8, leden 1 en 2, van de legge n. 580 – Riordinamento delle camere di commercio, industria, artigianato e agricoltura (wet nr. 580, houdende reorganisatie van de kamers van koophandel, industrie, nijverheid en landbouw; hierna: „wet nr. 580”.) van 29 december 1993(8), bepaalt dat de kamers van koophandel, industrie, nijverheid en landbouw het houden van de vennootschapsregisters tot taak krijgen.

23.      Het decreto del Presidente della Repubblica n. 581 – Regolamento di attuazione dell’articolo 8 della legge 29 dicembre 1993, n. 580, in materia di istituzione del registro delle impresa di cui all’articolo 2188 del codice civile (presidentieel besluit nr. 581 tot uitvoering van artikel 8 van wet nr. 580 van 29 december 1993 houdende instelling van het in artikel 2188 van de codice civile bedoelde vennootschapsregister) van 7 december 1995(9), regelt bepaalde bijzonderheden met betrekking tot het vennootschapsregister.

24.      Bij decreto legislativo n. 196 – Codice in materia di protezione dei dati personali (wetgevend besluit nr. 196, houdende vaststelling van regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens; hierna: „wetgevend besluit nr. 196”) van 30 juni 2003(10) is richtlijn 95/46 omgezet in Italiaans recht.

II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

25.      Salvatore Manni is enig bestuurder van Italiana Costruzioni Srl, een bouwonderneming aan wie de opdracht is gegund voor de bouw van een toeristencomplex.

26.      Op 12 december 2007 heeft Manni een geding ingesteld tegen de kamer van koophandel van Lecce, waarbij hij heeft aangevoerd dat de wooneenheden van het complex niet worden verkocht omdat uit het vennootschapsregister blijkt dat hij enig bestuurder en vereffenaar was van de vennootschap Immobiliare e Finanziaria Salentina Srl (hierna: „Immobiliare Salentina”), waarvan in 1992 het faillissement is uitgesproken en die na afloop van een liquidatieprocedure op 7 juli 2005 is doorgehaald in het vennootschapsregister.

27.      In het kader van dat geding heeft Manni gesteld dat die persoonsgegevens in het vennootschapsregister door ondernemingen voor bedrijfsinformatie, zoals Cerved Business Information SpA, zijn verwerkt en dat de kamer van koophandel van Lecce de gegevens niet heeft geschrapt ondanks een verzoek daartoe op 10 april 2006.

28.      Manni heeft derhalve verzocht de kamer van koophandel van Lecce te gelasten om de gegevens die hem in verband brengen met het faillissement van Immobiliare Salentina te schrappen, te anonimiseren of af te schermen, alsmede de kamer van koophandel van Lecce te veroordelen tot vergoeding van de geleden imagoschade.

29.      Bij arrest van 1 augustus 2011 heeft de Tribunale di Lecce (rechtbank te Lecce, Italië) dit verzoek ingewilligd door de kamer van koophandel van Lecce te gelasten de gegevens die Manni in verband brengen met het faillissement van Immobiliare Salentina te anonimiseren, en door die kamer te veroordelen tot vergoeding van de door Manni geleden schade, die is vastgesteld op 2 000 EUR, vermeerderd met rente en kosten.

30.      De Tribunale di Lecce heeft namelijk geoordeeld dat „moeilijk kan worden volgehouden dat het noodzakelijk en nuttig is om de naam van de ten tijde van het faillissement enige bestuurder van de vennootschap te vermelden” omdat „het feiten betreft die meer dan tien jaar geleden hebben plaatsgevonden en de vennootschap meer dan twee jaar geleden in het register is doorgehaald”. Volgens die rechter „zijn voor de ,opslag van historische gegevens’ over het bestaan van de vennootschap en haar problemen [...] geanonimiseerde gegevens ruimschoots voldoende.” Immers, „de aantekeningen die de naam van een natuurlijk persoon in verband brengen met een kritieke fase in het bestaan van de onderneming (zoals het faillissement) kunnen niet eeuwig geregistreerd blijven indien een specifiek algemeen belang bij bewaring en openbaarmaking ervan ontbreekt.” Nu de codice civile niet voorziet in een maximale inschrijvingsduur, is deze rechter van oordeel dat, zodra „een passend tijdsbestek” sinds de faillietverklaring is verstreken en de vennootschap in het register is doorgehaald, niet langer de noodzaak en het nut, zoals bedoeld in het wetgevend besluit nr. 196, bestaan om de naam van de ten tijde van het faillissement enige bestuurder te vermelden, terwijl voor het algemeen belang volstaat dat de moeilijkheden van de vennootschap worden vermeld met geanonimiseerde gegevens over de natuurlijke persoon die haar wettelijk vertegenwoordigde.

31.      Nadat de kamer van koophandel van Lecce tegen deze uitspraak cassatieberoep had ingesteld bij de Corte suprema di cassazione, heeft deze rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

„1)      Heeft het beginsel dat persoonsgegevens, in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is, als bedoeld in artikel 6, [lid 1,] onder e), van richtlijn 95/46[...], omgezet [bij] wetgevend besluit nr. 196 [...], voorrang boven en staat het derhalve in de weg aan het door het vennootschapsregister tot stand gebrachte openbaarmakingsysteem, als voorzien in [...] richtlijn 68/151[...], alsmede in het nationale recht in artikel 2188 van de codice civile [...] en artikel 8 van wet nr. 580 [...], voor zover dit vereist dat eenieder zonder beperking in de tijd kennis kan nemen van de daarin opgeslagen persoonsgegevens?

2)      Staat artikel 3 van [...] richtlijn 68/151[...] dientengevolge toe dat de betrokken gegevens, in afwijking van de regel dat de in het vennootschapsregister openbaar gemaakte gegevens voor onbeperkte tijd worden opgeslagen en door eenieder kunnen worden ingezien, niet langer onderworpen zijn aan ‚openbaarmaking’ in deze tweeledige betekenis, maar gedurende slechts een beperkt tijdsbestek of voor een specifieke groep ontvangers beschikbaar zijn, op grond van een beoordeling per geval door de beheerder van de gegevens?”

III – Mijn analyse

32.      Met zijn vragen, die mijns inziens gezamenlijk moeten worden onderzocht, verzoekt de verwijzende rechter in wezen om voor recht te verklaren of de artikelen 2, lid 1, onder d) en j), en 3 van richtlijn 68/151, en de artikelen 6, lid 1, onder e), en 7, onder c), e) en f), van richtlijn 95/46, in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, aldus dienen te worden uitgelegd dat zij voorschrijven of zich juist ertegen verzetten dat in het vennootschapsregister ingeschreven persoonsgegevens na een bepaald tijdsbestek en op verzoek van de betrokken persoon ofwel kunnen worden geschrapt, geanonimiseerd of ontoegankelijk gemaakt, dan wel toegankelijk kunnen worden gemaakt voor slechts een beperkte kring van derden die een legitiem belang bij de toegang tot dergelijke gegevens kunnen aantonen.

33.      Deze vragen worden aan het Hof voorgelegd naar aanleiding van het verzoek van Manni om zijn persoonsgegevens in het vennootschapsregister dat gehouden wordt door de kamer van koophandel van Lecce, die verband houden met een vennootschap die hij in het verleden heeft bestuurd en die failliet is verklaard, te schrappen, te anonimiseren of ontoegankelijk te maken.

34.      Bovendien hebben deze vragen betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van de verwerking van die gegevens door de kamer van koophandel van Lecce, en niet op de verenigbaarheid met dat recht van een latere verwerking van die gegevens door een onderneming voor bedrijfsinformatie.

35.      De vragen van de verwijzende rechter beogen twee beginselen met elkaar te verzoenen, namelijk het beginsel van openbaarmaking van de vennootschapsregisters, dat is vastgelegd bij richtlijn 68/151, met het beginsel in richtlijn 95/46 dat persoonsgegevens mogen worden bewaard gedurende een tijdsbestek dat niet langer is dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.

36.      Om beide beginselen met elkaar te verzoenen overweegt de verwijzende rechter de mogelijkheid om het beginsel van openbaarmaking in vennootschapsregisters te beperken door de erin ingeschreven persoonsgegevens slechts gedurende een beperkte tijd en/of voor een beperkte groep personen toegankelijk te maken.

37.      Eerst dient te worden benadrukt dat de verwerking van persoonsgegevens die in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de werkingssfeer van richtlijn 95/46 valt.(11)

38.      De gegevens die op grond van artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 in de vennootschapsregisters moeten worden opgeslagen, zijn persoonsgegevens in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 95/46, aangezien sprake is van „informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”.(12) De omstandigheid dat deze informatie behoort tot een professionele context doet niet af aan de kwalificatie ervan als een geheel van persoonsgegevens.(13)

39.      Vervolgens dient de aandacht te worden gevestigd op het feit dat artikel 2, onder b), van richtlijn 95/46 het begrip „verwerking van persoonsgegevens” definieert als „elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens”.

40.      Onbetwist is dat het vastleggen, bewaren en ter beschikking stellen van persoonsgegevens door de met het houden van het vennootschapsregister belaste autoriteit als een „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 95/46 moet worden beschouwd. Voorts is die autoriteit de „voor de verwerking verantwoordelijke” in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn.

41.      De bepalingen van richtlijn 95/46 inzake de bescherming van persoonsgegevens moeten worden nageleefd bij iedere verwerking van die gegevens zoals omschreven in artikel 3 ervan.(14)

42.      Richtlijn 68/151 noemt geen termijn na afloop waarvan de informatie in het vennootschapsregister zou moeten worden geschrapt, geanonimiseerd of ontoegankelijk gemaakt. Evenmin bepaalt die richtlijn dat de informatie na een bepaald tijdsbestek slechts toegankelijk is voor een beperkte kring van personen. Wel moeten de lidstaten bij de toepassing van die richtlijn de Unierechtelijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens naleven, te weten richtlijn 95/46 en de artikelen 7 en 8 van het Handvest.

43.      Wat de bepalingen in richtlijn 95/46 betreft, dient de verwerking van persoonsgegevens door de nationale autoriteiten die belast zijn met het houden van de vennootschapsregisters, in overeenstemming te zijn met de beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens, die staan opgesomd in artikel 6 van die richtlijn, en te beantwoorden aan een van de beginselen betreffende de toelaatbaarheid van de gegevensverwerking, die staan opgesomd in artikel 7 van die richtlijn.

44.      Het Hof heeft al uitgemaakt dat de bepalingen van richtlijn 95/46, voor zover zij een regeling treffen in verband met de verwerking van persoonsgegevens die afbreuk kan doen aan de fundamentele vrijheden, en in het bijzonder aan het recht op eerbiediging van het privéleven, noodzakelijkerwijs moeten worden uitgelegd op basis van de grondrechten die door het Handvest worden gewaarborgd.(15)

45.      Zo waarborgt artikel 7 van het Handvest het recht op eerbiediging van het privéleven, terwijl artikel 8 van het Handvest uitdrukkelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens vastlegt. Artikel 8, leden 2 en 3, van het Handvest preciseert dat deze gegevens eerlijk moeten worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet, dat eenieder het recht van inzage heeft in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan en dat een onafhankelijke autoriteit toeziet op de naleving van deze regels. Deze vereisten zijn met name bij de artikelen 6, 7, 12, 14 en 28 van richtlijn 95/46 uitgevoerd.

46.      Uit artikel 1 en de punten 2 en 10 van de considerans van richtlijn 95/46 blijkt dat deze richtlijn niet alleen de waarborging beoogt van een doeltreffende en volledige bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen, met name van het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, maar ook van een hoog niveau van bescherming van die grondrechten en fundamentele vrijheden. Het belang van zowel het grondrecht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, als het grondrecht op de bescherming van persoonsgegevens, zoals gewaarborgd door artikel 8 daarvan, is in de rechtspraak van het Hof benadrukt.(16)

47.      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat het recht op bescherming van persoonsgegevens geen absolute gelding heeft, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de maatschappij.(17) Overigens biedt artikel 52, lid 1, van het Handvest ruimte voor beperkingen op de uitoefening van rechten en vrijheden, zoals die op grond van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, voor zover deze beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen, en – met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel – noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

48.      De twijfel van de verwijzende rechter betreft vooral de uitlegging van artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46, dat bepaalt dat de persoonsgegevens „in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is”. Die bepaling benadrukt voorts dat „[d]e lidstaten voorzien in passende waarborgen voor persoonsgegevens die langer dan hierboven bepaald voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.”

49.      Het in artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn 95/46 neergelegde beginsel betreffende de kwaliteit van de gegevens betekent dat, zolang het doeleinde waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld en eventueel later zijn verwerkt het vereist, het bewaren van die gegevens in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, is toegestaan.

50.      In deze zaak is de vraag aan de orde of de nationale, met het houden van de vennootschapsregisters belaste autoriteiten na verloop van een bepaald tijdsbestek sinds het staken van de activiteiten van een vennootschap en op verzoek van de betrokken persoon moeten beslissen ofwel zijn persoonsgegevens in een vennootschapsregister te schrappen of te anonimiseren dan wel de openbaarmaking ervan te beperken door de kring van ontvangers in te perken.

51.      Ik ben van mening dat de Unierechtelijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens niet zulke beperkingen van de wettelijke openbaarmaking in vennootschapsregisters voorschrijven.

52.      Eerst wijs ik erop dat de verwerking van persoonsgegevens die aan de orde is in het hoofdgeding, in overeenstemming is met een aantal van de in artikel 7 van richtlijn 95/46 opgesomde beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking. Ten eerste is de verwerking overeenkomstig artikel 7, onder c), van die richtlijn „noodzakelijk [...] om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de voor de verwerking verantwoordelijke onderworpen is”. Ten tweede is de verwerking overeenkomstig artikel 7, onder e), van die richtlijn „noodzakelijk [...] voor de vervulling van een taak van algemeen belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, [...] is opgedragen”. Ten derde is die verwerking overeenkomstig artikel 7, onder f), van richtlijn 95/46 „noodzakelijk [...] voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de [...] derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van artikel 1, lid 1, van deze richtlijn, niet prevaleren”.

53.      De wettelijke verplichting van de voor de verwerking verantwoordelijken vloeit voort uit de artikelen 2 en 3 van richtlijn 68/151, zoals omgezet in de nationale wetgeving van de lidstaten, waarin de lidstaten wordt opgedragen te voorzien in de inschrijving in de vennootschapsregisters van persoonsgegevens van bestuurders en vereffenaars van vennootschappen, alsook in de toegang van derden tot die gegevens.

54.      Met de inschrijving en openbaarmaking in die registers van wezenlijke informatie met betrekking tot die vennootschappen wordt beoogd een betrouwbare informatiebron in te richten en aldus de rechtszekerheid te waarborgen die noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen van derden, met name schuldeisers, voor de eerlijkheid van handelstransacties, en bijgevolg voor het goede functioneren van de markt. Op die manier moeten derden toegang tot officiële en betrouwbare informatie over vennootschappen kunnen hebben teneinde een passend niveau van transparantie en rechtszekerheid op de markt te waarborgen.

55.      De openbaarmakingsvereisten betreffen de vennootschappen met de in artikel 1 van richtlijn 68/151 opgesomde rechtsvormen. Deze vennootschappen genieten een bijzondere juridische status met de voordelen van rechtspersoonlijkheid. Het algemeen belang vereist dan als tegenhanger dat informatie met betrekking tot de natuurlijke personen die bij dergelijke vennootschappen betrokken zijn, gecontroleerd en openbaar gemaakt kan worden.

56.      In zijn arrest van 12 juli 2012, Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:449), heeft het Hof beslist dat het verzamelen van gegevens betreffende ondernemingen op grond van een aan deze ondernemingen wettelijk opgelegde meldingsplicht en de daaraan gekoppelde handhavingsbevoegdheden, tot de uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag behoort. Een dergelijke activiteit is dus geen economische activiteit.(18)

57.      Ook, zo vervolgt het Hof, het overeenkomstig de toepasselijke nationale wettelijke regeling voor het publiek toegankelijk maken en houden van de aldus verzamelde gegevens, hetzij via eenvoudige inzage, hetzij via de verstrekking van print-outs, vormt geen economische activiteit, aangezien het bijhouden van een databank met dergelijke gegevens en het beschikbaar stellen daarvan aan het publiek activiteiten zijn die niet van het verzamelen van die gegevens kunnen worden gescheiden. Het verzamelen van die gegevens zou namelijk in grote mate zijn nut verliezen indien er geen databank werd bijgehouden waarin zij ter inzage van het publiek worden opgenomen.(19)

58.      Ik ben het eens met het standpunt dat advocaat-generaal Jääskinen in zijn conclusie in de zaak Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:251) heeft verwoord, dat „[e]r [...] geen twijfel over [bestaat] dat het in een databank, in dit geval het ondernemingsregister, opslaan van gegevens die door ondernemingen op grond van een wettelijke meldingsplicht zijn verstrekt, naar zijn aard, zijn doel en de regels waaraan dit is onderworpen verband houdt met de uitoefening van openbaar gezag”.(20) Ook heeft hij benadrukt dat „[d]e opslag van gegevens in het ondernemingsregister, op basis van een wettelijke verplichting daartoe, [...] een activiteit [is] die wordt verricht in het algemeen belang van de rechtszekerheid”(21) en dat „[h]et uitdrukkelijke doel van openbare registers als het ondernemingsregister is een bron van informatie te creëren waarop men in rechtsbetrekkingen kan vertrouwen, en aldus de voor het marktverkeer noodzakelijke rechtszekerheid te bieden”(22). Het rechtsgevolg dat de informatie die in het vennootschapsregister is ingeschreven aan derden kan worden tegengeworpen, vloeit voort uit specifieke rechtsregels. Dit onderscheidt die informatie van bedrijfsinformatie die door ondernemingen wordt verzameld voor commerciële doeleinden.(23)

59.      In dit verband dient, zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de verwerking van persoonsgegevens door de autoriteit die belast is met het houden van het vennootschapsregister en anderzijds de verwerking door derden op basis van informatie uit dat register. Alleen eerstgenoemde verwerking is namelijk een uiting van de uitoefening van openbaar gezag die gericht is op het reguleren van de markt en niet op het deelnemen daaraan.

60.      Richtlijn 68/151 beoogt, zoals uit de eerste overweging ervan blijkt, de bevordering van de ontwikkeling van de interne markt. Voor de verwezenlijking van dat doel voorziet zij in gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot de openbaarmaking betreffende vennootschappen en de minimale informatie die in de registers moet worden opgeslagen ter bevordering van de noodzakelijke rechtszekerheid in de handel en de ontwikkeling van de interne markt als zodanig.

61.      Volgens de tweede overweging van richtlijn 68/151 is haar doel de bescherming van de belangen van derden te waarborgen. In het bijzonder moet de openbaarmaking – volgens de vierde overweging van deze richtlijn – „derden in de gelegenheid [...] stellen kennis te nemen van de voornaamste akten van de vennootschap en van bepaalde gegevens die haar betreffen, met name de identiteit der personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden”. Voorts volgt uit de vierde tot en met de zesde overweging van deze richtlijn dat de openbaarmaking van wezenlijke akten en gegevens met betrekking tot de vennootschap en met name met betrekking tot de identiteit van de personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden, nauw verbonden is met de noodzaak om de gronden voor nietigheid van namens de vennootschap aangegane verbintenissen zo veel mogelijk te beperken. De openbaarmaking van de in het vennootschapsregister ingeschreven gegevens beoogt bijgevolg de rechtszekerheid van handelstransacties te waarborgen.

62.      De Uniewetgever heeft aldus het belang benadrukt dat derden hebben bij de toegang tot gegevens met betrekking tot de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te vertegenwoordigen of die deelnemen aan het bestuur, het toezicht of de controle erop. In zijn arrest van 12 november 1974, Haaga (32/74, EU:C:1974:116), heeft het Hof erop gewezen dat de bedoeling van richtlijn 68/151 is „om met het oog op de verdieping van de handelsstromen tussen lidstaten als gevolg van de schepping van de gemeenschappelijke markt de rechtszekerheid in de betrekkingen tussen de vennootschap en derden te verzekeren”(24). Het Hof vervolgt dat „het van belang is dat eenieder die zakenrelaties met in andere lidstaten gevestigde vennootschappen wenst te vestigen en te handhaven, zonder moeite kennis kan nemen van essentiële gegevens betreffende de oprichting der handelsvennootschappen en de bevoegdheid van de personen die haar hebben te vertegenwoordigen”(25). Derhalve zijn „de juridische transacties tussen onderdanen der verschillende lidstaten er [...] mee gebaat [...] dat alle ter zake dienende gegevens expliciet in de officiële registers of boeken worden vermeld”(26). Zo wordt iedere nationale autoriteit die belast is met het houden van het vennootschapsregister „als het ware houder van de burgerlijke stand voor rechtspersonen”(27).

63.      Bovendien heeft het Hof al uitgesproken dat de bescherming van de belangen van derden en met name van schuldeisers alsmede de waarborging van de eerlijkheid en rechtszekerheid van handelstransacties dwingende redenen van algemeen belang vormen.(28)

64.      Gelet op het voorgaande streven de lidstaten bij de uitvoering van artikel 2 en artikel 3 van richtlijn 68/151, die de wettelijk verplichte openbaarmaking van de informatie in de vennootschapsregisters voorschrijven, onbetwistbaar een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang na, zoals artikel 52, lid 1, van het Handvest vereist.

65.      Vervolgens moet nog worden vastgesteld of een dergelijke wettelijke openbaarmaking zonder beperkingen ten aanzien van tijdsduur en kring van ontvangers niet verder gaat dan nodig voor de verwezenlijking van zo’n doelstelling van algemeen belang.

66.      In dit verband wijs ik erop dat de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven op het niveau van de Unie volgens de rechtspraak van het Hof vereist dat de uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven.(29)

67.      Het Hof heeft ook benadrukt dat de nationale toezichthoudende autoriteiten om de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen met name een juist evenwicht moeten verzekeren tussen de naleving van het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de belangen die een vrij verkeer van persoonsgegevens noodzakelijk maken.(30) Hierbij mag het doel van richtlijn 95/46 niet uit het oog worden verloren, dat erin bestaat een evenwicht tussen het vrije verkeer van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te verzekeren.(31)

68.      Wat de wettelijke openbaarmaking van informatie met betrekking tot vennootschappen betreft, ben ik van mening dat de belangen die een vrij verkeer van persoonsgegevens noodzakelijk maken, voorgaan op het recht van personen van wie gegevens in een vennootschapsregister zijn opgeslagen, om na een bepaald tijdsbestek te verzoeken dat die gegevens worden geschrapt of geanonimiseerd dan wel dat de openbaarmaking ervan beperkt wordt tot derden die een legitiem belang kunnen aantonen.

69.      De wezenlijke functie van het vennootschapsregister, die bestaat in het schetsen van een compleet beeld van het leven van een vennootschap en vervolgens van de geschiedenis ervan, en in het voor eenieder mogelijk maken om – waar hij zich ook bevindt en zonder beperking in de tijd – kennis te nemen van de onderliggende informatie, mag namelijk niet worden aangetast.

70.      Het waarborgen van deze wezenlijke functie van het vennootschapsregister betekent mijns inziens geen onevenredige inbreuk op het recht op bescherming van persoonsgegevens, en wel om de volgende redenen.

71.      In de eerste plaats heeft de wettelijke openbaarmaking die richtlijn 68/151 voorschrijft, zoals uit haar vierde overweging blijkt, betrekking op een beperkt aantal gegevens, namelijk op „de voornaamste akten van de vennootschap en [...] bepaalde gegevens die haar betreffen, met name de identiteit der personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden”. Met name de persoonsgegevens die worden opgesomd in artikel 2, lid 1, onder d) en j), van die richtlijn, zijn de minimaal noodzakelijke inlichtingen om de natuurlijke personen te identificeren die schuilgaan achter de rechtspersoonlijkheid die de betrokken vennootschappen hebben.

72.      In de tweede plaats blijft de openbaarmaking van de informatie in de vennootschapsregisters noodzakelijk voor de bescherming van de belangen van derden, ook indien zij betrekking heeft op vennootschappen die hun activiteiten al sinds jaren of zelfs sinds decennia hebben gestaakt.

73.      Het lijdt mijns inziens geen twijfel dat die informatie met inbegrip van de persoonsgegevens niet alleen onder het openbaarmakingsbeginsel van het register moet vallen zolang de vennootschap op de markt actief is, maar ook na stopzetting van haar activiteiten. Het einde van een vennootschap en de daaropvolgende doorhaling in het register sluiten namelijk niet uit dat er rechten en rechtsbetrekkingen met betrekking tot die vennootschap kunnen blijven bestaan. Het is bijgevolg noodzakelijk dat mensen die dergelijke rechten jegens een vennootschap die haar activiteiten heeft gestaakt, geldend kunnen maken of die rechtsbetrekkingen met die vennootschap zijn aangegaan, toegang kunnen hebben tot de informatie met betrekking die vennootschap, met inbegrip van de persoonsgegevens van haar bestuurders.

74.      Zelfs niet meer actuele gegevens zijn, zoals de Duitse regering aanvoert, belangrijk voor het economische verkeer. Zo is het in geschillen vaak noodzakelijk te achterhalen wie op een bepaald tijdstip bevoegd was om een vennootschap te vertegenwoordigen.(32) In diezelfde zin ben ik – net zoals de Tsjechische en de Poolse regering – van mening dat het noodzakelijk is om de informatie in het register ook na de ontbinding van een vennootschap te bewaren aangezien dergelijke informatie nog relevant kan blijken te zijn, bijvoorbeeld om de rechtsgeldigheid na te gaan van een handeling die de bestuurder van een vennootschap jaren geleden heeft verricht, of om derden de mogelijkheid te bieden tot gerechtelijke stappen tegen de leden van de organen of tegen de vereffenaars van de vennootschap.

75.      Bovendien moeten derden zich op elk moment een betrouwbaar beeld van een vennootschap kunnen vormen, ongeacht of zij wel of niet nog actief is op de markt, alsmede van haar bestuurders om de risico’s van een handelsrelatie in te schatten. De doelstelling van de derdenbescherming, die met zich brengt dat een betrouwbaar beeld van de geschiedenis van een vennootschap kan worden verkregen, pleit dus voor het bewaren en openbaar maken van de in het vennootschapsregister opgeslagen informatie gedurende onbepaalde tijd.

76.      Een van de functies van het vennootschapsregister is juist het betrouwbaar en volledig informeren van derden over feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan. Elk register bestaat derhalve uit actuele en historische gegevens.

77.      Dit register moet een volledige, spoedige en transparante toegang bieden tot alle informatie met betrekking tot vennootschappen die op de markt actief zijn of zijn geweest, ongeacht waar de persoon zich bevindt die om toegang verzoekt. Eenieder moet kennis kunnen nemen van het volledige profiel van elke vennootschap, ook wanneer deze haar activiteiten al vele jaren geleden heeft gestaakt. De verwijdering uit het register van bepaalde informatie over die laatste categorie vennootschappen, met een onvolledig beeld van de vennootschap als gevolg, zou bijgevolg een inbreuk betekenen op de bescherming van de belangen van derden.

78.      Bovendien is noodzakelijk voor de historische functie van het vennootschapsregister en voor de derdenbescherming – anders dan voor de statistische functie – dat gegevens op naam worden verzameld en bewaard. Het doel om een volledig beeld van de vennootschappen op te stellen is met andere woorden onverenigbaar met de verwerking van geanonimiseerde gegevens.(33) Zo vereist een adequate informatievoorziening aan derden bijvoorbeeld dat zij een verband kunnen leggen tussen een vennootschap die failliet is gegaan en haar bestuurders. Ik deel het standpunt van de Tribunale di Lecce dan ook niet dat voor de opslag van historische gegevens over het bestaan van de vennootschap en haar problemen geanonimiseerde gegevens ruimschoots voldoende zijn.

79.      In deze zaak staat het belang van Manni – namelijk dat zijn vroegere activiteit als bestuurder van een vennootschap die haar activiteiten na een faillissement heeft moeten staken, niet meer openbaar is – tegenover het belang van derden om zelfs a posteriori inlichtingen te kunnen inwinnen om te achterhalen wie bevoegd was om in naam van die vennootschap te handelen toen zij nog actief was. Zo kan het voor een aspirant-koper van een onroerende zaak goed nuttig blijken als hij weet (1) hoeveel jaar het bedrijf dat belast is met de bouw van het goed, op de markt actief is, (2) of de bestuurder van die vennootschap in het verleden al andere vennootschappen heeft bestuurd en (3) wat de geschiedenis is van die vennootschappen. In het bijzonder kan de omstandigheid dat een van die vennootschappen failliet is verklaard, vanuit het gezichtspunt van de koper een cruciaal gegeven bij de aankoop zijn.

80.      Gezien de uiteenlopende verjaringstermijnen in burgerlijke en handelszaken die in de lidstaten gelden, alsmede de uiteenlopende belangen die derden bij toegang tot de vennootschapsregisters kunnen hebben, en vanwege de omstandigheid dat bij de rechtsbetrekkingen partijen in verschillende lidstaten betrokken kunnen zijn, lijkt het mij bovendien voor de autoriteiten die belast zijn met het houden van deze registers moeilijk of zelfs onmogelijk om met zekerheid te beslissen dat op een bepaald tijdstip geen belangen van derden meer bestaan. Derhalve zou de inwilliging van een verzoek tot schrapping of anonimisering van persoonsgegevens in het vennootschapsregister in een concreet geval ten koste kunnen gaan van andere verzoeken om informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen van derden.

81.      Evenzo heeft de Italiaanse regering als illustratie van het feit dat belangen van derden ook na doorhaling van een vennootschap in het vennootschapsregister kunnen blijven bestaan, melding gemaakt van zeer lange verjaringstermijnen op het gebied van de aansprakelijkheid van organen van kapitaalvennootschappen, die overigens in het kader van rechtsvorderingen kunnen worden geschorst, en voorts opgemerkt dat vorderingen tot nietigverklaring in Italië niet verjaren.

82.      Ik merk tot slot op dat het Hof al heeft erkend dat de werkingssfeer van richtlijn 95/46 zeer ruim is, en dat de daarin bedoelde persoonsgegevens van uiteenlopende aard zijn. De bewaringsduur van die gegevens, die volgens artikel 6, lid 1, onder e), van die richtlijn afhankelijk is van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, kan dus variëren. In bepaalde gevallen kan zij zeer lang zijn.(34)

83.      In de derde plaats dient er bij het vinden van een evenwicht tussen de doelstelling van de derdenbescherming en het recht op bescherming van de in het vennootschapsregister ingeschreven persoonsgegevens rekening mee te worden gehouden dat de gegevens waarmee natuurlijke personen kunnen worden geïdentificeerd, in dat register zijn opgeslagen omdat die personen hebben besloten hun werkzaamheden uit te oefenen met behulp van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Het Hof heeft al de aandacht gevestigd op het feit dat „[d]e ernst van de aantasting van het recht op bescherming van de persoonsgegevens [...] immers [verschilt] naargelang het gaat om rechtspersonen dan wel om natuurlijke personen. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat rechtspersonen reeds onderworpen zijn aan een ruimere verplichting om hen betreffende gegevens bekend te maken.”(35)

84.      Ik deel het standpunt van de Duitse regering dat iemand die aan het economisch verkeer wil deelnemen met behulp van een vennootschap, bereid moet zijn bepaalde informatie openbaar te maken. Dit is de tegenhanger van het verrichten van de activiteit in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid. De ondernemer weet, wanneer hij zich door de oprichting van een vennootschap op de markt begeeft, dat zijn gegevens zullen worden ingeschreven in het openbare vennootschapsregister en dat zij toegankelijk zullen zijn, wat er ook gebeurt in het leven van de vennootschap.

85.      Artikel 2, lid 1, onder d) en j), van richtlijn 68/151 bepaalt dat gegevens met betrekking tot personen die op een bepaald moment functies binnen een van de organen van de vennootschap bekleden of de rol van vereffenaar van die vennootschap vervullen, moeten worden ingeschreven in het vennootschapsregister. Hoewel de openbaarmaking van dit soort informatie voor een natuurlijk persoon vervelend kan zijn vanwege de problemen waarmee de vennootschap waaraan hij verbonden is, te maken kan krijgen, behoort dit ongemak tot de normale gang van zaken bij deelname aan economische activiteiten.

86.      Net als de Italiaanse regering wijs ik er tevens op dat het feit dat een vennootschap in een insolventieprocedure verwikkeld is geraakt, op zichzelf niet de eer of goede naam aantast van de bestuurder die de vennootschap vertegenwoordigde. Het faillissement van een vennootschap kan immers door externe omstandigheden zijn veroorzaakt, die niet rechtstreeks zijn toe te schrijven aan slecht beheer van die vennootschap, bijvoorbeeld een economische crisis of een vermindering van de vraag in de betrokken sector.

87.      In de vierde plaats denk ik niet dat bij de huidige stand van het Unierecht de door de Commissie voorgestelde oplossing een goed evenwicht verzekert tussen de doelstelling van de derdenbescherming en het recht op bescherming van in het vennootschapsregister ingeschreven persoonsgegevens. Zij stelt namelijk voor om de mededeling van in het vennootschapsregister ingeschreven informatie na een bepaald tijdsbestek nadat de activiteiten door de vennootschap zijn gestaakt, te beperken tot een beperkte kring van derden die een legitiem belang bij het verkrijgen van die informatie kunnen aantonen, dat voorgaat op de grondrechten van de betrokken persoon op grond van artikel 7 en artikel 8 van het Handvest.

88.      In dit verband zij opgemerkt dat de door richtlijn 68/151 nagestreefde doelstelling van bescherming van de belangen van derden, zo ruim is geformuleerd dat zij niet alleen betrekking heeft op de schuldeisers van de betrokken vennootschap maar meer in het algemeen op alle personen die informatie met betrekking tot die vennootschap wensen te verkrijgen.

89.      Het Hof heeft al verduidelijkt wie tot de categorie „derden” behoren, van wie richtlijn 68/151 de belangen beoogt te beschermen.

90.      In zijn arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, EU:C:1997:581), heeft het Hof het begrip „derden” ruim uitgelegd. Het heeft erop gewezen dat de tekst van artikel 54, lid 3, onder g), EG-Verdrag – de rechtsgrondslag van richtlijn 68/151 – „spreekt van de bescherming van de belangen van derden in het algemeen, zonder daarbij onderscheid te maken of bepaalde categorieën uit te zonderen”(36). Volgens het Hof „[kan] [h]et begrip ,derde’ in [die bepaling] dus niet worden beperkt tot enkel de schuldeisers van de vennootschap”(37). Het Hof heeft voorts vastgesteld dat „[d]e wens om iedere geïnteresseerde kennisneming toe te staan, wordt bevestigd door artikel 3 van de richtlijn, volgens hetwelk een openbaar register moet worden aangelegd waarin alle akten en gegevens die openbaar dienen te worden gemaakt, moeten worden opgenomen, en iedereen op schriftelijke aanvraag een afschrift van de jaarrekening kan verkrijgen”(38).

91.      In zijn beschikking van 23 september 2004, Springer (C‑435/02 en C‑103/03, EU:C:2004:552), heeft het Hof de vraag nog explicieter beantwoord of elke persoon, ongeacht zijn hoedanigheid, tot de kring van derden behoort die moeten worden beschermd op grond van artikel 54, lid 3, onder g), EG-Verdrag. Zich baserend op de argumentatie in zijn arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, EU:C:1997:581), heeft het Hof benadrukt dat „de door artikel 3 van de eerste vennootschapsrichtlijn voorgeschreven openbaarmakingsverplichtingen [...] impliceren dat eenieder de mogelijkheid heeft om de jaarrekening en het jaarverslag in te zien van vennootschappen als bedoeld in [richtlijn 90/605/EEG(39)], zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen”(40). Ook heeft het Hof bevestigd dat het begrip „derde” in de zin van artikel 54, lid 3, onder g), EG-Verdrag „naar elke derde verwijst” en „ruim [moet] worden uitgelegd”(41).

92.      Bovendien heeft de door de Commissie voorgestelde oplossing een groot nadeel. Niet alleen laat zij de vaststelling van het moment waarop de absolute openbaarmaking van de informatie in de vennootschapsregister overgaat in een beperkte openbaarmaking (die met andere woorden bestemd is voor een beperkte kring van personen die een legitiem belang bij de mededeling van bedoelde gegevens kunnen aantonen) ter beoordeling van de met het houden van de vennootschapsregisters belaste autoriteiten, maar eveneens de beslissing over het al dan niet bestaan van zulk een legitiem belang. Een dergelijke oplossing brengt zo het grote risico met zich dat de autoriteiten die belast zijn met het houden van de vennootschapsregisters tot uiteenlopende beoordelingen komen.

93.      Het in staat stellen van de met het houden van de vennootschapsregisters belaste autoriteiten om de mededeling van persoonsgegevens in die registers te laten afhangen van het bestaan van een legitiem belang zou bijgevolg onherroepelijk leiden tot het verbreken van de gelijkheid tussen marktdeelnemers in de Unie bij de toegang tot die gegevens.

94.      Inderdaad zijn de coördinatiemaatregelen van richtlijn 68/151 niet bedoeld om alle aspecten van de vennootschapsregisters in de lidstaten te regelen. Zo valt bijvoorbeeld de vaststelling van de zoekcriteria die toegang geven tot de informatie in die registers binnen de beoordelingsmarge van de lidstaten.(42) Uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 68/151 blijkt evenwel dat zij beoogt de informatie met betrekking tot vennootschappen vast te stellen die in ieder geval verplicht openbaar moet worden gemaakt. Dergelijke voor alle lidstaten uniforme minimumvoorschriften zouden nutteloos zijn indien elke lidstaat de toegang tot de informatie in het vennootschapsregister temporeel of afhankelijk van het al dan niet bestaan van een legitiem belang zou kunnen aanpassen. Dit zou ook niet stroken met de doelstelling van de coördinatie van de nationale wetgevingen, die wat de richtlijnen op grond van artikel 54 EG-Verdrag betreft, bestaat in de opheffing van de belemmeringen van de vrijheid van vestiging ten gevolge van de heterogeniteit van de wetgevingen van de verschillende lidstaten door in de Unie – in het bijzonder wat betreft het doel van artikel 54, lid 3, onder g), EG-Verdrag – gelijkwaardige juridische minimumvereisten in te voeren voor de informatie met betrekking tot vennootschappen die openbaar moet worden gemaakt.(43)

95.      Bovendien moet eraan worden herinnerd dat richtlijn 95/46, zoals met name uit punt 8 van de considerans blijkt, de bescherming van de rechten en vrijheden van personen op het stuk van de verwerking van persoonsgegevens in alle lidstaten op hetzelfde niveau wil brengen.

96.      Voorts deel ik het standpunt van de Duitse regering dat de operationaliteit van het vennootschapsregister in het gedrang zou komen indien de toegang ertoe afhankelijk zou worden gesteld van het aantonen van een legitiem belang, zelfs als dit na een bepaald tijdsbestek gebeurt, zoals de Commissie voorstelt. De toetsing of de verzoeker zulk een legitiem belang heeft, zou immers buitensporig veel tijd en kosten vergen en uiteindelijk mogelijk een te groot beslag op de capaciteit van het register leggen.

97.      Indien bovendien alle personen die in welke hoedanigheid dan ook handelsbetrekkingen hebben het risico zouden lopen dat zij niet zouden kunnen aantonen een belang te hebben bij het verkrijgen van informatie uit het vennootschapsregister, zou dit leiden tot een vermindering van hun vertrouwen in dat instrument.

98.      Alles in aanmerking genomen ben ik van mening dat openbare registers als de vennootschapsregisters hun wezenlijke doel, te weten het bieden van rechtszekerheid door middel van de transparante beschikbaarheid van juridisch betrouwbare informatie, slechts dan kunnen waarmaken, indien zij voor eenieder en voor onbepaalde tijd toegankelijk zijn.

99.      Het Hof heeft erkend dat het juiste evenwicht tussen de door het Unierecht beschermde grondrechten en door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang kan afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.(44)

100. De keuze van natuurlijke personen om economische activiteiten te starten met behulp van een vennootschap impliceert een permanent vereiste transparantie. Dat is de belangrijkste reden, die ik in het voorgaande in al haar aspecten heb ontleed, waarom ik van mening ben dat de inmenging in het recht op bescherming van de persoonsgegevens in de vennootschapsregisters, doordat die gegevens gedurende onbepaalde tijd openbaar zijn voor eenieder die kennis wil nemen van die gegevens, gerechtvaardigd is vanwege het overwegende belang van derden om toegang tot de betrokken informatie te hebben.(45)

101. Tot slot merk ik nog op dat voorgaande analyse geheel in de lijn ligt van artikel 17, lid 3, onder b) van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(46). Volgens deze bepaling bestaat er namelijk geen recht op wissing van de persoonsgegevens („recht op vergetelheid”) indien de verwerking noodzakelijk is „voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend”.

IV – Conclusie

102. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Corte suprema di cassazione (cassatierechter, Italië) te beantwoorden als volgt:

„Artikel 2, lid 1, onder d) en j), en artikel 3 van de Eerste richtlijn (68/151/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003, en artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 7, onder c), e) en f), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, dienen in het licht van artikel 7 en artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat in het vennootschapsregister ingeschreven persoonsgegevens na een bepaald tijdsbestek en op verzoek van de betrokken persoon ofwel kunnen worden geschrapt, geanonimiseerd of ontoegankelijk gemaakt, dan wel slechts toegankelijk kunnen zijn voor een beperkte kring van derden die een legitiem belang bij de toegang tot dergelijke gegevens kunnen aantonen.”


1 –      Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      PB 1968, L 65, blz. 8.


3 –      PB 2003, L 221, blz. 13.


4 –      PB 1995, L 281, blz. 31.


5 –      In deze conclusie gebruik ik de term „vennootschapsregister” voor elk centraal register, handels- of vennootschapsregister in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 68/151.


6 –      PB 2009, L 258, blz. 11.


7 –      PB 2012, L 156, blz. 1.


8 –      Gepubliceerd in gewoon supplement op GURI nr. 7 van 11 januari 1994.


9 –      GURI nr. 28 van 3 februari 1996.


10 –      Gewoon supplement op GURI nr. 174 van 29 juli 2003.


11 –      Dit heeft de Uniewetgever bevestigd toen bij richtlijn 2012/17 artikel 7 bis werd ingelast in richtlijn 2009/101.


12 –      Zie met name arresten van 16 december 2008, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia (C‑73/07, EU:C:2008:727, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 30 mei 2013, Worten (C‑342/12, EU:C:2013:355, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


13 –      Zie met name arrest van 16 juli 2015, ClientEarth en PAN Europe/EFSA (C‑615/13 P, EU:C:2015:489, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In zijn arrest van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert (C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662), heeft het Hof uitgesproken dat „irrelevant [is] dat de bekendgemaakte gegevens verband houden met beroepsactiviteiten”. Het heeft zich gebaseerd op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de uitlegging van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden door te verduidelijken dat „de term ,persoonlijke levenssfeer’ niet eng moet worden uitgelegd en dat ,om geen enkele principiële reden de beroepsactiviteiten [...] van het begrip persoonlijke levenssfeer kunnen worden uitgesloten’” (punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


14 –      Zie arrest van 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a. (C‑465/00, C‑138/01 en C‑139/01, EU:C:2003:294, punt 40).


15 –      Zie met name arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


16 –      Zie met name arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


17 –      Zie met name arrest van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert (C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


18 –      Arrest van 12 juli 2012, Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:449, punt 40).


19 –      Arrest van 12 juli 2012, Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:449, punt 41).


20 –      Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:251, punt 47).


21 –      Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:251, punt 48).


22 –      Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:251, punt 50).


23 –      Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Compass-Datenbank (C‑138/11, EU:C:2012:251, punt 50).


24 –      Arrest van 12 november 1974, Haaga (32/74, EU:C:1974:116, punt 6).


25 –      Arrest van 12 november 1974, Haaga (32/74, EU:C:1974:116, punt 6).


26 –      Arrest van 12 november 1974, Haaga (32/74, EU:C:1974:116, punt 6).


27 –      Zoals uitgedrukt door Le Cannu, P., en Dondero, B., Droit des sociétés, 4e druk, Montchrestien, 2011, blz. 220, § 360.


28 –      Zie in die zin arrest van 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, EU:C:2003:512, punt 132).


29 –      Zie met name arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


30 –      Zie met name arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


31 –      Zie met name arrest van 24 november 2011, Asociación Nacional de Establecimientos Financieros de Crédito (C‑468/10 en C‑469/10, EU:C:2011:777, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


32 –      De Duitse regering geeft het volgende voorbeeld. Gesteld dat een persoon in 1991 een vermogensbestanddeel heeft gekocht van de vennootschap waaraan in 1992 surseance van betaling is verleend en waarvan Manni bestuurder was, dan zou die persoon vandaag nog voor de taak kunnen worden gesteld, indien zijn eigendomsrecht op de betrokken zaak zou worden betwist, om aan te tonen dat Manni bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen.


33 –      Zie met betrekking tot het opstellen van statistieken arrest van 16 december 2008, Huber (C‑524/06, EU:C:2008:724, punt 65).


34 –      Zie arrest van 7 mei 2009, Rijkeboer (C‑553/07, EU:C:2009:293, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


35 –      Zie arrest van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert (C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 87).


36 –      Arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, EU:C:1997:581, punt 19).


37 –      Arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, EU:C:1997:581, punt 20).


38 –      Arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, EU:C:1997:58, punt 22).


39 –      Richtlijn van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen (PB 1990, L 317, blz. 60).


40 –      Beschikking van 23 september 2004, Springer (C‑435/02 en C‑103/03, EU:C:2004:552, punt 33) (cursivering van mij).


41 –      Beschikking van 23 september 2004, Springer (C‑435/02 en C‑103/03, EU:C:2004:552, punt 34).


42 –      Volgens dezelfde manier van redeneren luidt overweging 11 van richtlijn 2012/17: „Aangezien deze richtlijn niet ten doel heeft de nationale systemen van centrale, handels- en vennootschapsregisters te harmoniseren, zijn de lidstaten niet verplicht hun interne registersystemen te veranderen, met name wat betreft het beheer en de opslag van gegevens, vergoedingen, en het gebruik en openbaarmaking van informatie voor nationale doeleinden.”


43 –      Zie in die zin arresten van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, EU:C:1997:581, punt 22), en 21 juni 2006, Danzer/Raad (T‑47/02, EU:T:2006:167, punt 49).


44 –      Zie arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google (C‑131/12, EU:C:2014:317, punt 81).


45 –      Ik verwijs in dit verband naar de punten 81 en 97 van het arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google (C‑131/12, EU:C:2014:317).


46 –      PB 2016, L 119, blz. 1.