Language of document : ECLI:EU:C:2019:166

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 28 februari 2019 (1)

Zaak C658/17

WB,

in tegenwoordigheid van:

Notariusz Przemysława Bac

[verzoek van de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim (rechter in eerste aanleg Gorzów Wielkopolski, Polen) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikel 3, lid 1, onder g) en i) – Begrippen ‚beslissing’ en ‚authentieke akte’ inzake erfopvolging – Artikel 3, lid 2 – Begrip ‚gerecht’ in erfopvolgingszaken – Ontbreken van kennisgeving door de betrokken lidstaat van het feit dat notarissen onder het begrip ‚gerecht’ vallen – Begrip ‚rechterlijke functies’ – Juridische kwalificatie van de nationale erfrechtverklaring – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 – Formulier en verklaring”






I.      Inleiding

1.        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder g) en i), en lid 2, artikel 39, lid 2, artikel 46, lid 3, onder b), en artikel 79 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring(2), en van de bijlagen 1 en 2 bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012(3).

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen WB en een Poolse notaris over de weigering van deze laatste om aan WB met het oog op de erkenning van een afschrift van de erfrechtverklaring betreffende de erfopvolging van haar vader, wiens erfgenaam zij is, een van de in verordening nr. 650/2012 bedoelde verklaringen af te geven waarmee wordt bevestigd dat die erfrechtverklaring hetzij een beslissing, hetzij een authentieke akte op het gebied van erfopvolging is.

3.        De erfrechtverklaring bevat volgens het nationale recht de lijst van de erfgenamen of legatarissen alsmede nuttige informatie over de omvang van hun erfrechtelijke aanspraken(4), en is daarmee essentieel voor de afwikkeling van de nalatenschap.

4.        Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid nuttige preciseringen te verschaffen met betrekking tot de begrippen „beslissing” en „gerecht” in de zin van verordening nr. 650/2012, met name door uit te maken of een notaris die naar nationaal recht bevoegd is om erfrechtverklaringen af te geven, „rechterlijke functies” vervult.

5.        Aan het slot van mijn analyse zal ik het Hof in overweging geven om op de vragen van de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim (rechter in eerste aanleg Gorzów Wielkopolski, Polen) te antwoorden dat de Poolse notaris die belast is met de afgifte van een erfrechtverklaring, geen rechterlijke functies vervult. De door hem opgemaakte akte is in mijn ogen een authentieke akte, bij het afschrift waarvan op verzoek van elke belanghebbende die van die akte gebruik wenst te maken in een andere lidstaat, het in artikel 59, lid 1, van verordening nr. 650/2012 bedoelde formulier, dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014, kan worden gevoegd.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Verordening nr. 650/2012

6.        In de overwegingen 7, 20 tot en met 22, 62, 67, 69 en 76 van verordening nr. 650/2012 wordt verklaard:

„(7)      De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.

[...]

(20)      Deze verordening dient de verschillende stelsels die in de lidstaten inzake erfopvolging worden toegepast, te eerbiedigen. Voor de toepassing van deze verordening dient derhalve aan de term ‚gerecht’ een brede betekenis te worden gegeven om niet alleen gerechten in de werkelijke betekenis van het woord te dekken maar ook notarissen en griffies in sommige lidstaten, die in bepaalde erfrechtzaken net zoals gerechten gerechtelijke taken uitvoeren, en ook notarissen en juridische beroepsbeoefenaren in sommige lidstaten, die in bepaalde erfkwesties gerechtelijke taken vervullen krachtens een door een gerecht gegeven volmacht. Alle gerechten, zoals in deze verordening gedefinieerd, dienen aan de in deze verordening vastgelegde bevoegdheidsregels gebonden te zijn. Daarentegen dient de term ‚gerecht’ geen betrekking te hebben op de niet-gerechtelijke autoriteiten van een lidstaat, die krachtens het nationale recht bevoegd zijn om erfrechtzaken te behandelen, zoals notarissen in de meeste lidstaten, wanneer zij, zoals meestal het geval is, geen gerechtelijke taken vervullen.

(21)      Krachtens deze verordening moeten notarissen met een bevoegdheid in erfrechtzaken, die bevoegdheid kunnen uitoefenen die zij in de lidstaten op het gebied van erfrecht hebben. Of notarissen in een bepaalde lidstaat al dan niet aan de bevoegdheidsregels van deze verordening gebonden zijn, moet afhangen van de vraag of zij onder het begrip ‚gerecht’ in de zin van deze verordening vallen.

(22)      Akten die door notarissen in de lidstaten in erfrechtzaken zijn opgemaakt, moeten overeenkomstig deze verordening circuleren. Notarissen zijn in de uitoefening van een gerechtelijke functie gebonden aan de bevoegdheidsregels en de circulatie van hun beslissingen moet in overeenstemming met de regels inzake erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen geschieden. Buiten de uitoefening van een gerechtelijke functie zijn notarissen niet aan de bevoegdheidsregels gebonden en de circulatie van de door hen opgemaakte authentieke akten moet voldoen aan de voorschriften betreffende dergelijke akten.

[...]

(62)      De ‚formele geldigheid’ van een authentieke akte moet een autonoom begrip zijn dat gegevens omvat zoals de echtheid van de akte, de vormvereisten, de bevoegdheid van de autoriteit die de akte opmaakt en de procedure volgens welke de akte wordt opgemaakt. Hieronder vallen ook de feitelijke gegevens die door de betrokken autoriteit in de akte zijn vastgesteld, bijvoorbeeld het feit dat de genoemde partijen voor haar op de genoemde datum zijn verschenen en de vermelde verklaringen hebben afgelegd. Een partij die de formele geldigheid van een authentieke akte wenst te betwisten, dient dit te doen voor het bevoegde gerecht van de lidstaat van herkomst van de authentieke akte, volgens het recht van die lidstaat.

[...]

(67)      Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, moet bij deze verordening worden voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring [...], die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. Teneinde het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen, mag de erfrechtverklaring niet in de plaats treden van interne documenten met gelijkaardige strekking in de lidstaten.

[...]

(69)      Het gebruik van de [Europese] erfrechtverklaring mag niet verplicht worden gesteld. Dit betekent dat wie een erfrechtverklaring mag aanvragen, hiertoe niet verplicht is, maar vrijelijk gebruik kan maken van de andere instrumenten die hem op grond van deze verordening ter beschikking staan (beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen). Een persoon of autoriteit die een in een andere lidstaat afgegeven [Europese] erfrechtverklaring voorgelegd krijgt, kan evenwel niet vragen dat in plaats daarvan een beslissing, authentieke akte of gerechtelijke schikking wordt verstrekt.

[...]

(76)      Eveneens met het oog op een vlotte toepassing van deze verordening en op het gebruik van moderne communicatietechnologie, dient te worden voorzien in standaardformulieren voor de verklaringen die zullen worden afgelegd in verband met de aanvraag van een verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing, een authentieke akte of een gerechtelijke schikking, en voor de toepassing van een Europese erfrechtverklaring, evenals voor de erfrechtverklaring zelf.”

7.        Artikel 3 van verordening nr. 650/2012 bepaalt:

„1.      In deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

g)      ‚beslissing’: een door een gerecht van een lidstaat inzake erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, alsmede de beslissing betreffende de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten;

[...]

i)      ‚authentieke akte’: een document inzake erfopvolging dat in een lidstaat formeel als authentieke akte is verleden of geregistreerd en waarvan de formele geldigheid:

i)      betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte, en

ii)      is vastgesteld door een overheidsinstantie of door een andere daartoe door de lidstaat van herkomst gemachtigde instantie.

2.      Voor de toepassing van deze verordening wordt onder het begrip ‚gerecht’ verstaan: elke gerechtelijke autoriteit en alle andere autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren met bevoegdheid in een erfrechtzaak, die rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit, voor zover dergelijke autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren waarborgen bieden wat betreft onpartijdigheid en het horen van partijen, en voor zover hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn:

a)      vatbaar zijn voor een rechtsmiddel ten overstaan van een gerechtelijke autoriteit of voor toetsing door een zodanige autoriteit, en

b)      dezelfde rechtskracht en dezelfde werking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aangelegenheid.

De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig artikel 79 in kennis van de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren.”

8.        In hoofdstuk IV van verordening nr. 650/2012, „Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen”, bepaalt artikel 39, leden 1 en 2:

„1.      Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder dat daartoe een procedure vereist is.

2.      Indien de erkenning van een beslissing wordt betwist, kan iedere belanghebbende partij die zich ten principale op de erkenning beroept, van de in de artikelen 45 tot en met 58 vastgelegde procedures gebruikmaken om de erkenning te doen vaststellen.”

9.        Artikel 43 van dezelfde verordening luidt:

„De beslissingen die in een lidstaat zijn gegeven en in die lidstaat uitvoerbaar zijn, zijn tevens uitvoerbaar in andere lidstaten, indien zij daar op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar zijn verklaard [...] volgens de procedure die is bepaald in de artikelen 45 tot en met 58.”

10.      Artikel 46, lid 3, van verordening nr. 650/2012 bepaalt:

„Bij het verzoek [om een verklaring van uitvoerbaarheid] worden de volgende documenten gevoegd:

a)      een afschrift van de beslissing aan de hand waarvan de echtheid kan worden vastgesteld;

b)      de verklaring die door het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst is afgegeven door middel van het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld, onverminderd artikel 47.”

11.      Artikel 59, lid 1, van die verordening luidt:

„Een in een lidstaat verleden authentieke akte heeft in een andere lidstaat dezelfde bewijskracht als in de lidstaat van herkomst, of althans de daarmee meest vergelijkbare bewijskracht, op voorwaarde dat dit niet kennelijk strijdig is met de openbare orde van die andere lidstaat.

Een persoon die van een authentieke akte gebruik wenst te maken in een andere lidstaat, kan de autoriteit die de authentieke akte in de lidstaat van herkomst heeft opgemaakt, verzoeken het in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgestelde formulier in te vullen, waarin de bewijskracht wordt vermeld die in de lidstaat van herkomst aan de authentieke akte wordt verbonden.”

12.      In artikel 60, leden 1 en 2, van verordening nr. 650/2012 staat te lezen:

„1.      Een in de lidstaat van herkomst uitvoerbare authentieke akte wordt in een andere lidstaat op verzoek van een belanghebbende partij uitvoerbaar verklaard volgens de procedure die is bepaald in de artikelen 45 tot en met 58.

2.      Voor de toepassing van artikel 46, lid 3, onder b), geeft de autoriteit die de authentieke akte heeft opgesteld op verzoek van een belanghebbende partij een verklaring af door middel van het in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgestelde formulier.”

13.      Artikel 62 van dezelfde verordening bepaalt:

„1.      Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverklaring [...] ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en die de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen heeft.

2.      Het gebruik van de [Europese] erfrechtverklaring is niet verplicht.

3.      De [Europese] erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.”

14.      Artikel 79, leden 1 en 2, van verordening nr. 650/2012 luidt:

„1.      De Commissie stelt op basis van de kennisgevingen van de lidstaten de lijst van de in artikel 3, lid 2, bedoelde autoriteiten en beoefenaren van juridische beroepen op.

2. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van alle latere wijzigingen van de op die lijst staande informatie. De Commissie past de lijst dienovereenkomstig aan.”

15.      De Commissie heeft van de Republiek Polen geen kennisgeving ontvangen met betrekking tot de uitoefening van rechterlijke functies door notarissen.(5)

2.      Uitvoeringsverordening nr. 1329/2014

16.      Artikel 1, leden 1 en 2, van uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 bepaalt:

„1.      Voor de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 46, lid 3, onder b), van verordening [...] nr. 650/2012, wordt het in bijlage 1 vastgestelde formulier I gebruikt.

2.      Voor de verklaring betreffende een authentieke akte inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 59, lid 1, en artikel 60, lid 2, van verordening [...] nr. 650/2012, wordt het in bijlage 2 vastgestelde formulier II gebruikt.”

B.      Pools recht

1.      Notariswet

17.      Het opstellen van erfrechtverklaringen door Poolse notarissen wordt geregeld door de artikelen 95a tot en met 95p van de Prawo o notariacie (wet tot invoering van een notariswet)(6) van 14 februari 1991, zoals gewijzigd bij wet van 13 december 2013(7) (hierna: „notariswet”).

18.      Artikel 95b van de notariswet bepaalt:

„Alvorens de erfrechtverklaring op te stellen, maakt de notaris met de medewerking van alle belanghebbenden het proces-verbaal van erfopvolging op, met inachtneming van het bepaalde in artikel 95ca.”

19.      Artikel 95c, leden 1 en 2, van de notariswet luidt:

„1.      Alvorens het proces-verbaal van erfopvolging op te maken, wijst de notaris alle hierbij betrokken partijen op hun verplichting om mededeling te doen van alle feiten waarop dat proces-verbaal betrekking heeft, en op hun strafrechtelijke aansprakelijkheid bij het afleggen van valse verklaringen.

2.      Het proces-verbaal van erfopvolging bevat met name:

1)      het unanieme verzoek van de bij het opmaken van het proces-verbaal betrokken personen om de erfrechtverklaring op te stellen.

[...]”

20.      In artikel 95ca, leden 1 en 3, van de notariswet is bepaald:

„1.      De notaris stelt op verzoek van de belanghebbende en met diens medewerking het concept‑proces-verbaal van erfopvolging op.

[...]

3.      Door middel van een verklaring ten overstaan van de notaris die het concept‑proces-verbaal van erfopvolging heeft opgesteld, dan wel ten overstaan van een andere notaris, bevestigt de belanghebbende de in dat concept opgenomen informatie en stemt hij ermee in dat het proces‑verbaal conform het concept wordt opgemaakt.”

21.      Artikel 95e van de notariswet bepaalt:

„1.      Na het proces-verbaal van erfopvolging te hebben opgemaakt, stelt de notaris de erfrechtverklaring op wanneer er geen twijfel bestaat over de bevoegdheid van de nationale rechter, de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht, de identiteit van de erfgenaam, de hoogte van de erfdelen en, ingeval de erflater een ‚vindicatielegaat’ heeft doen opmaken, de identiteit van de legataris en het voorwerp van het legaat.

2.      De notaris weigert de erfrechtverklaring op te stellen wanneer:

1)      er reeds een erfrechtverklaring is opgesteld dan wel een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap is gegeven;

2)      bij het opmaken van het proces-verbaal van erfopvolging is gebleken dat niet alle personen aanwezig waren die als wettelijk of testamentair erfgenaam dan wel als begunstigde van een ‚vindicatielegaat’ in aanmerking kunnen komen, of dat er testamenten bestaan of hebben bestaan die niet zijn geopend of bekendgemaakt;

[...]

4)      de nationale rechter niet bevoegd [(8)] is.

3.      Indien de nalatenschap zou toevallen aan een gemeente of aan de Skarbowi Państwa [Poolse schatkist] als wettelijk erfgenaam en de door de belanghebbende overgelegde bewijzen niet toereikend zijn om de erfrechtverklaring te kunnen opstellen, mag de notaris de erfrechtverklaring pas opstellen nadat hij op kosten van de belanghebbende de erfgenamen via een bekendmaking heeft opgeroepen. De bepalingen van de artikelen 673 en 674 van de kodeks postępowania cywilnego [wetboek van burgerlijke rechtsvordering] zijn van overeenkomstige toepassing.”

22.      Artikel 95j van de notariswet luidt:

„Een geregistreerde erfrechtverklaring heeft dezelfde werking als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.”

23.      Artikel 95p van de notariswet bepaalt:

„Alle andere bepalingen waarin wordt gesproken van de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap, zijn ook van toepassing op de geregistreerde erfrechtverklaring. Indien de wettelijke termijn ingaat of eindigt op de datum waarop de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap kracht van gewijsde verkrijgt, moet daaronder tevens de datum worden verstaan waarop de erfrechtverklaring is geregistreerd.”

2.      Burgerlijk wetboek

24.      Artikel 1025, lid 2, van de kodeks cywilny (burgerlijk wetboek) bepaalt:

„Degene die een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap of een erfrechtverklaring heeft verkregen, wordt geacht de hoedanigheid van erfgenaam te bezitten.”

25.      Artikel 1027 van het burgerlijk wetboek luidt:

„De erfgenaam kan zijn rechten op de nalatenschap tegenover een derde die geen erfrechtelijke aanspraken geldend maakt, uitsluitend door middel van een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap of door middel van een geregistreerde erfrechtverklaring bewijzen.”

26.      In artikel 1028 van het burgerlijk wetboek staat te lezen:

„Wanneer degene die een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap of een erfrechtverklaring heeft verkregen, zonder dat hij de hoedanigheid van erfgenaam bezit, ten gunste van een derde over een tot de nalatenschap behorend recht beschikt, verwerft die derde het recht of wordt hij van een verplichting ontheven, tenzij hij te kwader trouw was.”

3.      Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

27.      Artikel 6691 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„1.      De ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter vernietigt de geregistreerde erfrechtverklaring wanneer er inzake dezelfde erfopvolging reeds een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap is gegeven.

2.      Wanneer er twee of meer erfrechtverklaringen zijn geregistreerd voor dezelfde erfopvolging, vernietigt de ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter op verzoek van de belanghebbende alle erfrechtverklaringen en geeft hij een beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.

3.      Afgezien van de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen kan een erfrechtverklaring slechts worden vernietigd in de bij wet bepaalde gevallen.”

28.      Artikel 679 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt:

„1.      Het bewijs dat degene die een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap heeft verkregen, geen erfgenaam is dan wel recht heeft op een ander erfdeel dan in die beschikking is vastgesteld, kan uitsluitend worden geleverd in het kader van een procedure die strekt tot vernietiging of tot wijziging van die beschikking, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Een persoon die betrokken is geweest bij de procedure die heeft geleid tot de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap, kan echter slechts vernietiging of wijziging van die beschikking vorderen indien hij zijn vordering baseert op feiten die hij niet had kunnen aanvoeren tijdens die procedure, en indien hij zijn vordering instelt binnen een jaar nadat dit voor hem mogelijk is geworden.

2.      Elke belanghebbende kan verzoeken dat een dergelijke procedure wordt ingeleid.

3.      Wanneer het bewijs is geleverd dat de nalatenschap of een deel ervan toekomt aan een andere dan de in de definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap aangewezen persoon, geeft de ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter, onder wijziging van die beschikking, een beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap die met de werkelijke rechtssituatie in overeenstemming is.

4.      De bepalingen van de leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de geregistreerde erfrechtverklaring en op de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van een ‚vindicatielegaat’.”

III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

29.      WB, verzoekster, was een van de partijen bij de procedure voor de afgifte van een erfrechtverklaring in verband met de erfopvolging van haar op 6 augustus 2016 overleden vader, Pools staatsburger met laatste gewone verblijfplaats in Polen. Die verklaring is op 21 oktober 2016 door een Poolse notaris opgemaakt overeenkomstig het Poolse recht.

30.      Daar de overledene als ondernemer actief was geweest in het Duits-Poolse grensgebied, wilde verzoekster weten of hij bij een of meer Duitse banken tegoeden had, en zo ja, wat het tot de nalatenschap te rekenen bedrag van die tegoeden was.

31.      Daartoe heeft WB op 7 juni 2017 verzocht dat haar een afschrift van de door de notaris opgestelde erfrechtverklaring werd verstrekt, samen met de verklaring dat het daarbij ging om een inzake erfopvolging gegeven beslissing in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012, afgegeven door middel van het formulier zoals vastgesteld in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014. Subsidiair, voor het geval dat haar primaire verzoek zou worden afgewezen, heeft verzoekster verzocht om het afschrift van de erfrechtverklaring vergezeld te doen gaan van het in bijlage 2 bij die verordening vastgestelde formulier II, dat moet worden gebruikt voor de verklaring dat er sprake is van een authentieke akte inzake erfopvolging in de zin van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012.

32.      Bij proces-verbaal van 7 juni 2017 heeft de notarieel medewerker geweigerd om aan WB een afschrift van de erfrechtverklaring met daarbij een van de door haar verlangde verklaringen te verstrekken. Hij heeft daartoe in een schrijven van 12 juni 2017 aangevoerd dat die erfrechtverklaring een „beslissing” in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 was en dat, aangezien de Republiek Polen de Commissie niet overeenkomstig artikel 3, lid 2, van deze verordening ervan in kennis had gesteld dat notarissen die erfrechtverklaringen afgeven, rechterlijke functies vervullen, het voor hem onmogelijk was om het beslissingskarakter te bevestigen door middel van het formulier van bijlage I bij uitvoeringsverordening. nr. 1329/2014. Wat verzoeksters subsidiaire verzoek betreft, heeft de notarieel medewerker erop gewezen dat de kwalificatie van de erfrechtverklaring als „beslissing” de kwalificatie ervan als „authentieke akte” uitsloot. Hoewel aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 was voldaan, was het volgens de notarieel medewerker dus niet mogelijk om de desbetreffende verklaring door middel van het formulier van bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 af te geven.

33.      Ter ondersteuning van het door haar bij de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim ingestelde beroep heeft WB aangevoerd dat de erfrechtverklaring voldeed aan de voorwaarden om te worden gekwalificeerd als „beslissing” in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012.

34.      WB heeft om te beginnen betoogd dat de erfrechtverklaring dezelfde werking heeft als de definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap, die bedoeld is om de hoedanigheid van erfgenaam te bewijzen. Zij heeft voorts opgemerkt dat zij bij de kwalificatie van de erfrechtverklaring als „authentieke akte” het risico loopt dat haar meer gronden tot weigering van de erkenning worden tegengeworpen, terwijl het bestaan van die akte haar belet om later nog een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap te verkrijgen. Tot slot heeft zij aangevoerd dat het feit dat de Republiek Polen de Commissie niet ervan in kennis heeft gesteld dat notarissen die erfrechtverklaringen opstellen, rechtsbeoefenaars zijn die onder de definitie van „gerecht” in de zin van artikel 3, lid 2, tweede alinea, juncto artikel 79 van verordening nr. 650/2012 vallen, niets zegt over het rechtskarakter van die handelingen.

35.      De verwijzende rechter is van oordeel dat hij, om op het door WB ingestelde beroep te kunnen beslissen, om te beginnen bevestiging dient te krijgen dat de verklaring naar het model van bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 kan worden afgegeven voor beslissingen die niet uitvoerbaar zijn.

36.      In verband met die eerste vraag merkt de verwijzende rechter in wezen op dat artikel 46, lid 3, onder b), van verordening nr. 650/2012, gelezen in samenhang met artikel 39, lid 2, van deze verordening, lijkt te pleiten voor de uitlegging dat de verklaring kan worden gebruikt voor alle beslissingen, dus ook voor beslissingen die niet of slechts ten dele uitvoerbaar zijn. Dit wordt volgens de verwijzende rechter bevestigd door punt 5.1 van het in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 opgenomen formulier I.

37.      Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de definities van de begrippen „beslissing” en „gerecht” in de zin van verordening nr. 650/2012 moeten worden verduidelijkt. Hij is in de eerste plaats van mening dat Poolse notarissen die erfrechtverklaringen afgeven, rechterlijke functies of gerechtelijke taken in de zin van overweging 20 van verordening nr. 650/2012 vervullen, waarbij hij erop wijst dat dit begrip in het geval van „bekrachtiging van de erfopvolging” in het kader van deze verordening autonoom moet worden uitgelegd. Hij beklemtoont in dit verband dat de toetsing van de hoedanigheid van erfgenaam de essentie van de erfopvolgingsprocedure vormt.

38.      De verwijzende rechter vraagt zich in de tweede plaats af of de term „beslissing” in artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 impliceert dat de beslissing moet zijn gegeven door een instantie die bevoegd is om zaken te behandelen waarin de betrokkenen het mogelijk niet met elkaar eens zijn. Dit punt is volgens de verwijzende rechter van belang gelet op de wijze waarop de notarieel medewerker zijn rol en de gevolgen van de door hem opgestelde verklaring heeft beoordeeld. Naar het oordeel van de verwijzende rechter zouden de rechtsgevolgen van de procedure rond de vaststelling van de hoedanigheid van erfgenaam bepalend moeten zijn voor de juridische kwalificatie, en niet de vraag of de instantie die de erfrechtverklaring afgeeft, gebonden is aan het verzoek van de partijen bij de procedure, noch de vraag of dat verzoek unaniem dient te zijn.

39.      Wat de derde prejudiciële vraag betreft, die betrekking heeft op de omstandigheid dat een lidstaat geen kennisgeving heeft gedaan overeenkomstig artikel 79 van verordening nr. 650/2012, is de verwijzende rechter van mening dat uit de inhoud van die bepaling niet duidelijk valt op te maken of deze kennisgeving een constitutief dan wel slechts een informatief karakter heeft. Hij beklemtoont dat die kwalificatie niet mag afhangen van de beslissing van een lidstaat.

40.      Met betrekking tot de vierde en de vijfde prejudiciële vraag preciseert de verwijzende rechter in wezen dat, mocht de door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring niet als een „beslissing” kunnen worden beschouwd, zij hoe dan ook voldoet aan de voorwaarden om te worden gekwalificeerd als „authentieke akte” in de zin van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012.

41.      In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 46, lid 3, onder b), juncto artikel 39, lid 2, van [verordening nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging, waarvan het model is opgenomen in bijlage 1 bij [uitvoeringsverordening nr. 1329/2014], ook kan worden afgegeven voor beslissingen die de hoedanigheid van erfgenaam bevestigen, maar niet (ook niet deels) uitvoerbaar zijn?

2)      Moet artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring die op eensluidend verzoek van alle betrokkenen bij een procedure voor de afgifte van een dergelijke verklaring door een notaris wordt opgesteld en die dezelfde rechtsgevolgen heeft als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap – zoals een door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring – als een beslissing in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd?

En moet artikel 3, lid 2, [eerste alinea], van verordening nr. 650/2012 dientengevolge aldus worden uitgelegd dat de notaris die een dergelijke erfrechtverklaring opstelt, als een gerecht in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd?

3)      Moet artikel 3, lid 2, [tweede alinea], van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat de door een lidstaat overeenkomstig artikel 79 van deze verordening gedane kennisgeving een informatief karakter heeft en geen voorwaarde is om een rechtsbeoefenaar met bevoegdheden op het gebied van erfopvolging die rechterlijke functies vervult, te kunnen aanmerken als een gerecht in de zin van artikel 3, lid 2, [eerste alinea], van de verordening, wanneer die rechtsbeoefenaar aan de in laatstgenoemde bepaling geformuleerde voorwaarden voldoet?

4)      Indien de eerste, de tweede of de derde vraag ontkennend wordt beantwoord:

moet artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat wanneer het nationale procedurele instrument waarmee de hoedanigheid van erfgenaam wordt bevestigd – zoals de Poolse erfrechtverklaring – als een beslissing in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 wordt gekwalificeerd, de kwalificatie ervan als authentieke akte is uitgesloten?

5)      Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:

moet artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring die op eensluidend verzoek van alle betrokkenen bij een procedure voor de afgifte van een dergelijke verklaring door een notaris wordt opgesteld – zoals een door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring – een authentieke akte in de zin van deze bepaling is?”

IV.    Mijn analyse

42.      Het geding heeft betrekking op de afgifte van een van de in verordening nr. 650/2012 bedoelde verklaringen betreffende hetzij een beslissing, hetzij een authentieke akte inzake erfopvolging.

43.      Het lijkt mij van belang te benadrukken dat een dergelijke verklaring, in het geval van een beslissing, kan worden gebruikt met het oog op de erkenning van die beslissing of met het oog op de verkrijging van een verklaring van uitvoerbaarheid ervan [artikel 39, lid 2, artikel 43 en artikel 46, lid 3, onder b), van verordening nr. 650/2012], en, in het geval van een authentieke akte, met het oog op het gebruik van die akte in een andere lidstaat (artikel 59, lid 1, van genoemde verordening) of met het oog op de verkrijging van een verklaring van uitvoerbaarheid ervan (artikel 60, lid 2, van die verordening).

44.      Uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat WB de door haar verlangde verklaring heeft aangevraagd met het oog op de erkenning in Duitsland van de door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring, dat wil zeggen van het bewijs van haar hoedanigheid van erfgenaam.(9)

45.      Hoewel in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 is bepaald dat bij een authentieke akte een verklaring kan worden gevoegd opdat die akte kan worden gebruikt in een andere lidstaat, ligt dit anders voor een in een lidstaat gegeven beslissing. Uit artikel 39, lid 2, en artikel 46, lid 3, onder b), van die verordening volgt namelijk dat het alleen in het geval van een betwisting noodzakelijk is om een verklaring te voegen bij het verzoek om erkenning, dat door elke belanghebbende ten principale of incidenteel kan worden gedaan.

46.      In dit verband kan worden opgemerkt dat de verwijzende rechter nergens stelt dat de Duitse banken waarbij de overleden vader van WB rekeningen zou hebben geopend, zouden hebben geweigerd die erfrechtverklaring te erkennen, wat het verzoek van WB om afgifte van de betrokken verklaring zou hebben gerechtvaardigd, terwijl primair wordt betoogd dat de Poolse erfrechtverklaring als een „beslissing” in de zin van verordening nr. 650/2012 kan worden aangemerkt.

47.      Dit noopt tot een aantal opmerkingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.

A.      Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

48.      Ten eerste is verordening nr. 650/2012, zoals het Hof in het arrest Oberle in herinnering heeft gebracht, van toepassing op erfopvolgingen met grensoverschrijdende gevolgen.(10) Het Hof heeft ook verklaard dat nationale erfrechtverklaringen binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen.(11) Voor het aanvragen van een verklaring met het oog op de erkenning van een beslissing of het gebruik van een authentieke akte geldt echter niet als voorwaarde dat wordt aangetoond dat er zich goederen uit de nalatenschap in een andere lidstaat bevinden. Deze zaak laat juist zien dat het bewijs van de hoedanigheid van erfgenaam noodzakelijk kan zijn om te kunnen nagaan of dat het geval is.(12)

49.      Ten tweede geldt voor het aanvragen van een verklaring evenmin als voorwaarde dat wordt aangetoond dat in een andere lidstaat een procedure in gang is gezet teneinde een beslissing te doen erkennen.

50.      Ten derde is het zo dat, zoals de verwijzende rechter met zijn vierde vraag beklemtoont, de kwalificatie van de erfrechtverklaring als „authentieke akte” en die als „beslissing” in de zin van verordening nr. 650/2012 elkaar over en weer uitsluiten.

51.      In deze omstandigheden kan naar mijn mening alle twijfel aangaande het puur hypothetische karakter van de vragen, en dus over de ontvankelijkheid ervan, worden weggenomen.

B.      Ten gronde

52.      Naar mijn mening moeten eerst de tweede en de derde prejudiciële vraag samen worden onderzocht, aangezien deze vragen het Hof uitnodigen te verduidelijken of de door een Poolse notaris afgegeven erfrechtverklaring kan worden aangemerkt als een „beslissing” die is gegeven door een „gerecht” in de zin van verordening nr. 650/2012, en aangezien het antwoord dat op de eerste en op de vierde en de vijfde vraag moet worden gegeven, rechtstreeks van die kwalificatie afhangt.

1.      Begrippen „beslissing” en „gerecht”

53.      Ik herinner eraan dat het begrip „beslissing” in artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 wordt gedefinieerd als een door een gerecht van een lidstaat inzake erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, daaronder begrepen de beslissing betreffende de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten.

54.      Om te beginnen moet dan ook worden benadrukt dat, anders dan het geval is bij de in die bepaling genoemde beslissing van de griffier betreffende de vaststelling van het bedrag van de proceskosten(13), die mogelijk in een andere lidstaat ten uitvoer moet worden gelegd, geen enkele precisering is gegeven met betrekking tot het bewijs van de hoedanigheid van erfgenaam, terwijl dit het startpunt vormt voor de afwikkeling van een nalatenschap. Hieruit volg dat, anders dan de verwijzende rechter en de notarieel medewerker stellen, de aard van de beslissing of het belang ervan niet in aanmerking hoeft te worden genomen.

55.      Bovendien moet worden geconstateerd dat de Uniewetgever twee criteria heeft vastgesteld, namelijk een materieel en een organiek criterium.

56.      Het onderzoek van het eerste criterium levert geen enkel probleem op, nu het Hof in het arrest Oberle heeft geoordeeld dat nationale erfrechtverklaringen wegens het doel ervan binnen de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 vallen.(14)

57.      Thans moet dus nog het tweede in artikel 3, lid 1, onder g), van die verordening geformuleerde criterium worden onderzocht, namelijk het criterium dat verband houdt met het orgaan dat de beslissing geeft, dat een gerecht moet zijn.

58.      Volgens artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 wordt „onder het begrip ‚gerecht’ verstaan: elke gerechtelijke autoriteit en alle andere autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren met bevoegdheid in een erfrechtzaak, die rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit [...]”.

59.      Onder dat begrip vallen dus niet alleen de autoriteiten waarvan de rechtspositie hun onafhankelijkheid ten opzichte van de overige organen van de staat waarborgt, maar ook de autoriteiten die wegens de functies die zij vervullen of wegens de tussenkomst van een gerechtelijke autoriteit, aan gelijkwaardige vereisten dienen te voldoen.

60.      Daaruit volgt dat de begrippen „beslissing” en „rechterlijke functies” nauw met elkaar samenhangen, zoals overweging 22 van verordening nr. 650/2012 bevestigt. Volgens die overweging zijn „[n]otarissen [...] in de uitoefening van een gerechtelijke functie gebonden aan de bevoegdheidsregels[(15)] en [moet] de circulatie van hun beslissingen [...] in overeenstemming met de regels inzake erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen geschieden”.(16) Voor alle duidelijkheid wordt daar in dezelfde overweging aan toegevoegd dat „[b]uiten de uitoefening van een gerechtelijke functie [...] notarissen niet aan de bevoegdheidsregels [zijn] gebonden en de circulatie van de door hen opgemaakte authentieke akten moet voldoen aan de voorschriften betreffende dergelijke akten”.(17)

61.      Voorts is in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 bepaald dat de lidstaten aan de Commissie meedelen welke niet-gerechtelijke autoriteiten net zoals gerechten rechterlijke functies vervullen.

62.      In casu moet worden vastgesteld dat de Poolse autoriteiten notarissen niet hebben aangemeld als autoriteiten die rechterlijke functies vervullen.(18)

63.      Bijgevolg moet de door de verwijzende rechter aan de orde gestelde vraag naar de gevolgen van het ontbreken van die kennisgeving – de derde prejudiciële vraag – worden beantwoord. Het antwoord op die vraag bepaalt namelijk of het nodig is zich uit te spreken over het begrip „rechterlijke functies”, waarop de tweede vraag betrekking heeft.

2.      Gevolgen van het ontbreken van de in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 bedoelde kennisgeving

64.      Het Hof is niet eerder in de gelegenheid geweest zich uit te spreken over de draagwijdte van de door de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 650/2012 gedane kennisgevingen. Wel is reeds een vergelijkbare problematiek onderzocht op het terrein van de sociale zekerheid. Daarbij ging het met name om de uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(19), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012(20), dat bepaalt dat de lidstaten de Commissie in kennis stellen van verklaringen betreffende nationale uitkeringen en van het ontbreken van een verzekeringsstelsel zoals bedoeld in verschillende bepalingen van verordening nr. 883/2004. De desbetreffende rechtspraak van het Hof kan in mijn ogen worden toegepast op de in verordening nr. 650/2012 bedoelde verklaringen, ondanks de verschillen die verband houden met het doel van de toepasselijke regelingen, aangezien in die rechtspraak steeds langs dezelfde lijnen is geredeneerd op basis van uitgangspunten waarvan hier niet lijkt te kunnen worden afgeweken.(21)

65.      Zo volgt – om de meest recente uitspraken te noemen – uit de arresten van 3 maart 2016, Commissie/Malta(22), en 30 mei 2018, Czerwiński(23), dat naar het oordeel van het Hof de verklaringen van de lidstaten een vermoeden in het leven roepen dat de aangegeven nationale wettelijke regelingen binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 vallen, terwijl omgekeerd de omstandigheid dat een lidstaat heeft nagelaten een nationale wettelijke regeling overeenkomstig die verordening aan te geven, op zichzelf nog niet aantoont dat die regeling niet binnen de werkingssfeer van de verordening valt.(24) De andere lidstaten moeten rekening houden met de verklaringen van een lidstaat zolang deze niet zijn aangepast of ingetrokken.(25)

66.      Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat in geval van twijfel over de juistheid van de door een andere lidstaat afgelegde verklaringen, en dan met name over een eventuele kwalificatie door die staat(26), „een nationale rechter bij wie een geschil betreffende een nationale wettelijke regeling aanhangig wordt gemaakt, steeds ertoe kan worden genoopt zich te buigen over [die] kwalificatie [...] in de zaak die hem wordt voorgelegd, en in voorkomend geval het Hof een prejudiciële vraag dienaangaande te stellen”(27).

67.      Als de kwalificatie door de betrokken nationale rechter autonoom moet worden verricht, is die rechter bovendien niet aan de door de bevoegde nationale autoriteit afgelegde verklaring gebonden.(28) Hetzelfde geldt in mijn ogen wanneer een dergelijke verklaring ontbreekt.

68.       Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat het feit dat de Republiek Polen geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 heeft verstrekt met betrekking tot de uitoefening van rechterlijke functies door notarissen, niet definitief is.

69.      Bijgevolg moet de tweede vraag van de verwijzende rechter worden onderzocht, die er in wezen toe strekt te vernemen of verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat notarissen in Polen die optreden in het kader van de bevoegdheden die hun door het nationale recht zijn toebedeeld in de procedure voor de afgifte van een erfrechtverklaring, rechterlijke functies vervullen.

3.      Begrip „rechterlijke functies”

70.      De Spaanse en de Hongaarse regering menen dat de in verordening nr. 650/2012 gebezigde term „gerecht” niet alleen – om de in overweging 20 van deze verordening gebezigde uitdrukking te gebruiken – gerechten in de werkelijke betekenis van het woord dekt, maar ook, meer in het algemeen, elke autoriteit die een functie vervult onder gelijkwaardige voorwaarden, wat in casu het geval zou zijn bij de notaris die een erfrechtverklaring afgeeft overeenkomstig het Poolse recht. De Commissie betoogt net zoals de Republiek Polen het tegenovergestelde, met dien verstande dat de overwegingen van het arrest Oberle voor haar aanleiding zijn geweest om ter terechtzitting te preciseren dat de term „gerecht”, voor zover betrekking hebbend op niet-gerechtelijke autoriteiten, uitsluitend ziet op contentieuze procedures.

71.      Het begrip „rechterlijke functies” moet volgens vaste rechtspraak van het Hof, nu een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten om betekenis en strekking ervan te bepalen ontbreekt, autonoom en uniform worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van artikel 3 van verordening nr. 650/2012, naar ook met de algemene opzet en het doel van deze verordening.(29)

a)      Bewoordingen

72.      Om te beginnen moet worden benadrukt wat bijzonder is aan het begrip „gerecht” in verordening nr. 650/2012. Zoals uit punt 4.1, artikel 2, van de toelichting bij het Commissievoorstel(30) blijkt, wordt „[i]n deze verordening [...] het begrip gerecht in de ruime zin begrepen en omvat het andere instanties die een functie uitoefenen die onder de rechterlijke bevoegdheid valt, met name via delegatie, waardoor het in het bijzonder de notarissen en griffiers omvat”.

73.      Anders dan bijvoorbeeld verordening nr. 805/2004 en verordening nr. 1215/2012, die geen algemene bepaling op dat punt bevatten(31), preciseert verordening nr. 650/2012 aldus in artikel 3, lid 2, eerste alinea, dat onder het begrip „gerecht”(32) niet alleen gerechtelijke autoriteiten moeten worden verstaan, maar ook alle andere inzake erfopvolging bevoegde autoriteiten die rechterlijke functies vervullen en voldoen aan bepaalde in diezelfde bepaling genoemde voorwaarden.(33)

74.      In verband met deze voorwaarde inzake de door de niet-gerechtelijke autoriteiten vervulde functies wijs ik op de vaste rechtspraak van het Hof dat, „[w]at de functies van de notarissen betreft, [...] er fundamentele verschillen bestaan tussen de rechtsprekende en de notariële functies”.(34)

75.      De criteria voor de kwalificatie van de vervulde functies staan vermeld in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012: de betrokken „autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren [moeten] waarborgen bieden wat betreft onpartijdigheid en het horen van partijen, en [...] hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn:

a)      [moeten] vatbaar zijn voor een rechtsmiddel ten overstaan van een gerechtelijke autoriteit of voor toetsing door een zodanige autoriteit, en

b)      [moeten] dezelfde rechtskracht en dezelfde werking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aangelegenheid”.

b)      Algemene opzet en doel van verordening nr. 650/2012

76.      De in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 geformuleerde voorwaarden doen recht aan het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de lidstaten van de Unie, dat ten grondslag ligt aan de toepassing van de bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een andere lidstaat, waarvoor verordening (EG) nr. 44/2001(35) model heeft gestaan.

77.      Die voorwaarden rechtvaardigen de toepassing van verschillende juridische regelingen op enerzijds de circulatie van „beslissingen” en anderzijds de circulatie van „akten” in de lidstaten. Het verschil tussen die regelingen wordt met name in artikel 59 van verordening nr. 650/2012 verduidelijkt.(36)

78.      Ik meen dan ook dat, afgezien van de voorwaarde inzake onpartijdigheid, het te hanteren functionele criterium is dat de bevoegde autoriteit de bevoegdheid toebedeeld moet hebben gekregen om een eventueel geschil te beslechten(37) of om op basis van haar beoordeling op eigen gezag te beslissen, wat betekent dat fundamentele procesrechtelijke beginselen moeten worden geëerbiedigd, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, en dat er rechtsmiddelen voorhanden moeten zijn, waardoor volgens vaste rechtspraak van het Hof het vrij verkeer van beslissingen wordt gegarandeerd.(38) Om die redenen mag in mijn ogen in erfopvolgingszaken niet van die uitlegging worden afgeweken, die zowel moet gelden voor in contentieuze procedures als voor in niet-contentieuze procedures gegeven beslissingen.(39)

79.      Wat de in verordening nr. 650/2012 bedoelde niet-gerechtelijke autoriteiten betreft, is het enige bruikbare criterium derhalve dat van de uitoefening van beslissingsbevoegdheid.(40) De bevoegdheid van de betrokken niet-gerechtelijke autoriteit mag met andere woorden niet slechts van de wil van de partijen afhangen. In een dergelijk geval zou de rol van die autoriteit, ook al zou zij bepaalde zaken moeten verifiëren, immers erin bestaan de overeenstemming tussen de partijen vast te stellen en de partijen in geval van moeilijkheden door te verwijzen naar de gerechtelijke autoriteit.(41)

80.      De vaststelling van de consensuele grondslag van de procedure, met als logisch gevolg het ontbreken van rechtsmiddelen, maakt elke discussie over de vraag of de afgegeven akte dezelfde werking heeft als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit, in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, onder b), van verordening nr. 650/2012, overbodig, daar de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening vastgestelde kwalificatiecriteria cumulatief zijn.

81.      Ik zou daarom een uitlegging willen voorstellen die aansluit bij de uitlegging van het Hof in het zeer onlangs gewezen arrest Oberle. Die uitlegging vraagt echter om enkele terminologische preciseringen.

82.      In die zaak, die betrekking had op de bevoegdheid van een Duitse rechterlijke instantie om een erfrechtverklaring voor uitsluitend het in Duitsland gelegen deel van een nalatenschap af te geven, heeft het Hof geen voorrang gegeven aan de aard van de vaststellingen betreffende de hoedanigheid van erfgenaam, noch aan het belang van die vaststellingen voor de latere afwikkeling van de nalatenschap, maar aan het doel om de procedures, die waren ingeleid bij een rechterlijke instantie in de strikte zin van het woord, te centraliseren in één lidstaat, „ongeacht of deze procedures contentieus of niet-contentieus zijn”(42).

83.      Het Hof heeft verklaard dat „de bevoegdheidsregel [ter bepaling van internationale bevoegdheid op het vlak van procedures ter zake van maatregelen die zien op de erfopvolging in haar geheel(43)] in artikel 4 [van verordening nr. 650/2012] tevens ziet op procedures die niet uitlopen op een rechterlijke beslissing”.(44) Het Hof heeft zich daarbij laten leiden door het met verordening nr. 650/2012 beoogde doel van voorkoming van versnippering van de nalatenschap.(45)

84.      Ik trek hieruit twee conclusies. Ten eerste heeft het Hof voorrang gegeven aan het organieke criterium, namelijk dat van de hoedanigheid van de bevoegde autoriteit die de erfrechtverklaring had afgegeven, en niet aan het met de aard van de procedure verband houdende functionele criterium, aangezien het ging om de rechterlijke instantie die bevoegd kon zijn in het geval van een betwisting inzake erfopvolging.(46) Daaruit volgt dat het beslissende criterium voor de beoordeling van de door de niet-gerechtelijke autoriteit vervulde functies dat van de uitoefening van beslissingsbevoegdheid blijft, ongeacht of de procedure contentieus dan wel niet‑contentieus is.

85.      In de tweede plaats is, zoals de ter terechtzitting gevoerde discussie heeft bevestigd, wegens die twee soorten procedures waarop verordening nr. 650/2012 van toepassing is, waakzaamheid geboden met betrekking tot de voorwaarden waaronder de uitdrukking „rechterlijke functies” kan worden gebruikt. In punt 38 van het arrest Oberle heeft het Hof die uitdrukking namelijk gebezigd bij wijze van contrast met de niet-contentieuze nationale procedure. In punt 40 van dat arrest heeft het Hof in dezelfde context gesproken van „het nemen van een beslissing van uitsluitend rechtsprekende aard”. Voorts heeft het in punt 42 van hetzelfde arrest, na te hebben gerefereerd aan door gerechten in ontvangst genomen erfrechtelijke verklaringen, geoordeeld dat „de bevoegdheidsregel in artikel 4 tevens ziet op procedures die niet uitlopen op een rechterlijke beslissing”(47), een uitdrukking die in het algemeen aldus wordt opgevat dat er sprake moet zijn van een geding, met name bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een verzoek om een prejudiciële beslissing.(48)

86.      In lijn met mijn betoog tot dusver zou ik dan ook willen stellen dat de uitdrukking „rechterlijke functies” zowel op contentieuze als op niet-contentieuze procedures ziet, zij het dat in het laatste geval de procedure niet uitsluitend op de wil van de partijen gebaseerd mag zijn.

87.      Hoe dan ook moet de draagwijdte van het arrest Oberle worden beperkt tot de in dit arrest behandelde kwestie van de internationale bevoegdheid van de gerechten, waarbij alle gewicht is toegekend aan de belangrijke bijdrage die verordening nr. 650/2012 heeft geleverd, namelijk ervoor zorgen dat er in erfopvolgingszaken niet langer meerdere bevoegdheidsgronden kunnen zijn. Hoewel dat arrest niet uitsluitend op gerechtelijke autoriteiten dient te worden toegepast, kan in de overwegingen ervan toch niet worden gelezen dat het Hof het begrip „rechterlijke functies” in die zin heeft willen uitbreiden dat dit ook het opmaken van akten zou omvatten waarin de wil van de partijen wordt vastgelegd.

88.      Het arrest Oberle loopt met andere woorden niet vooruit op een verruimde opvatting van het begrip „beslissing” en, in verband daarmee, van het begrip „gerecht”, dat in erfopvolgingszaken een bijzondere betekenis zou hebben.

89.      Bijgevolg kan uit dat arrest, dat betrekking heeft op een niet-contentieuze procedure, niet worden afgeleid dat elke niet-gerechtelijke autoriteit die erfrechtverklaringen afgeeft, in gevallen waarin er geen onenigheid tussen de betrokkenen bestaat beslissingen geeft als een gerecht in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012.

90.      Evenmin kan, zoals de Poolse notarieel medewerker suggereert, een argument worden ontleend aan het gebruik van de term „besluit” in artikel 72 van verordening nr. 650/2012, dat betrekking heeft op het bezwaar dat kan worden aangetekend nadat een Europese erfrechtverklaring is afgegeven. Zoals het Hof in het arrest Oberle heeft geoordeeld, kent de Europese erfrechtverklaring immers een eigen juridische regeling(49), en die term wordt gebruikt ongeacht welke instantie de autoriteit van afgifte is als bedoeld in artikel 67 van die verordening, dat moet worden gelezen in samenhang met artikel 64.

91.      Tegen die achtergrond moet thans worden onderzocht hoe de door de Poolse notaris bij het opstellen van een erfrechtverklaring uitgevoerde taken moeten worden gekwalificeerd.

4.      Onderzoek van de taken van de Poolse notaris aan de hand van de geformuleerde criteria

92.      Zoals uit mijn onderzoek naar voren komt, hebben notarissen volgens artikel 4 en artikel 5, lid 1, van de notariswet een kantoor(50) voor eigen rekening en oefenen zij hun hoofdactiviteit uit tegen een met de partijen met inachtneming van een tarieflijst overeengekomen vergoeding.

93.      Wat de notariële werkzaamheden in erfopvolgingszaken betreft, moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat de erfgenaam volgens artikel 1027 van het burgerlijk wetboek zijn erfrechtelijke aanspraken tegenover niet-erfgerechtigde derden kan bewijzen door middel van een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap dan wel door middel van een erfrechtverklaring. De verwijzende rechter heeft erop gewezen(51) dat dit alternatief in 2009 is ingevoerd voor erfopvolgingen waarover geen onenigheid bestaat.

94.      De notaris kan dus slechts worden verzocht een erfrechtverklaring af te geven wanneer alle belanghebbenden het eens zijn(52) en wanneer er geen twijfel bestaat(53) over de bevoegdheid van de nationale rechter, de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht, de identiteit van de erfgenaam en de erfrechtelijke aanspraken. Hij moet met name weigeren een dergelijke verklaring op te maken indien bij de opstelling van het proces-verbaal van erfopvolging niet alle erfgerechtigde personen aanwezig waren.(54) Wanneer meerdere erfrechtverklaringen zijn afgegeven, vernietigt de ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter die verklaringen en geeft hij een beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.(55) Volgens artikel 6691, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is het feit dat een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap is verkregen, een reden om een reeds geregistreerde erfrechtverklaring te vernietigen. Bovendien heeft de erfrechtverklaring weliswaar dezelfde werking als de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap(56), maar heeft zij geen gezag van gewijsde(57) en kan daartegen geen rechtsmiddel worden ingesteld. Een dergelijke verklaring kan uitsluitend worden vernietigd, met name in de in de artikelen 6691 en 679 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering genoemde gevallen.(58)

95.      Uit die bepalingen volgt duidelijk dat de taken die in erfopvolgingszaken aan de notaris zijn toevertrouwd, op basis van consensus worden verricht – in die zin dat de belanghebbenden vooraf hun instemming moeten hebben verleend of tot wilsovereenstemming moeten zijn gekomen – en de bevoegdheden van de rechter in geval van onenigheid tussen de partijen onverlet laten. Die taken kunnen dus niet worden geacht als zodanig een rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van rechterlijke functies in te houden.

96.      Zoals het Hof reeds in het kader van niet-nakomingsprocedures heeft geoordeeld(59), wordt aan deze conclusie niet afgedaan door het feit dat, zoals de notarieel medewerker stelt, de notaris dient na te gaan of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, aangezien de notaris, behoudens de bevoegdheid om te weigeren de erfrechtverklaring op te stellen, geen beslissingsbevoegdheid uitoefent, noch door het feit dat de opgemaakte akte dezelfde werking heeft als een rechterlijke beslissing.

97.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om op de tweede vraag van de verwijzende rechter te antwoorden dat artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat de notaris die op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure overeenkomstig de bepalingen van het Poolse recht een erfrechtverklaring opmaakt, niet onder het begrip „gerecht” in de zin van die verordening valt. De door de notaris opgemaakte Poolse erfrechtverklaring is bijgevolg geen „beslissing” in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van genoemde verordening, waarvoor de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging moet worden afgegeven met gebruikmaking van het in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 vastgestelde formulier I.

98.      Bijgevolg behoeven de eerste en de vierde vraag van de verwijzende rechter, die zonder voorwerp zijn geraakt, geen beantwoording. Dit betekent dat alleen nog hoeft te worden ingegaan op de vijfde en laatste vraag, die betrekking heeft op de kwalificatie van de betrokken verklaring als „authentieke akte”.

5.      Kwalificatie van de erfrechtverklaring als „authentieke akte”

99.      Volgens de definitie in artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 is een „authentieke akte” een akte waarvan de formele geldigheid betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud, en waarvan deze geldigheid is vastgesteld door een overheidsinstantie of door een andere daartoe door de betrokken lidstaat gemachtigde instantie.

100. In deze definitie, die is geïnspireerd op de definitie die het Hof in het arrest van 17 juni 1999, Unibank(60), heeft gehanteerd bij de uitlegging van artikel 50(61) van het op 16 september 1988 te Lugano ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(62), is de voorwaarde betreffende de uitvoerbaarheid van de akte niet overgenomen(63). De definitie is in dezelfde bewoordingen opgenomen in artikel 4, lid 3, onder a), van verordening (EG) nr. 805/2004, in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen(64), in artikel 2, onder c), van verordening nr. 1215/2012, en in artikel 3, lid 1, onder c), van verordening (EU). 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels(65).

101. In overweging 62 van verordening nr. 650/2012 wordt gepreciseerd dat de „formele geldigheid” van een authentieke akte als een autonoom begrip moet worden beschouwd, welke geldigheid moet voortvloeien uit het feit dat verschillende vereisten betreffende de vorm, het verschijnen van de partijen en de waarmerking, verband houdend met de bevoegdheid van de autoriteit die de akte opmaakt, in acht zijn genomen.

102. Zoals het Hof vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 650/2012 en in het bijzonder van artikel 3, lid 1, onder i), ii), in verband met de toepassing van verordening nr. 44/2001 heeft geoordeeld, is het eerste criterium dat moet worden onderzocht „[d]e tussenkomst van een overheidsorgaan of van een andere bevoegde autoriteit van de staat van herkomst”.(66) Net zoals bij beslissingen is ook bij authentieke akten het doel om de circulatie ervan te vergemakkelijken.(67)

103. Het tweede te onderzoeken criterium, dat is vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder i), i), van verordening nr. 650/2012, heeft betrekking op de rol van het overheidsorgaan. Dat orgaan moet niet alleen de authenticiteit van de handtekeningen onder de akte verzekeren, maar ook van de inhoud van de akte, wat in mijn ogen betekent dat het daarbij niet om loutere verklaringen of wilsuitingen mag gaan en dat, bijgevolg, de vermeldingen in de akte tot aansprakelijkheid van de bevoegde autoriteit kunnen leiden.

104. De in het Poolse recht vastgelegde voorwaarden inzake authenticiteit moeten dan ook in het licht van die vereisten worden onderzocht.

105. In casu staat in de eerste plaats vast dat de notaris in de Poolse rechtsorde bevoegd is om authentieke akten op te stellen.

106. In de tweede plaats beperkt de notaris zich in het kader van de afgifte van een erfrechtverklaring niet ertoe de overeenstemmende verklaringen van de erfgenamen op te nemen, maar verricht hij ook onderzoek dat kan leiden tot de weigering om de verklaring op te maken.(68)

107. In de derde plaats wordt die verklaring geregistreerd en heeft zij volgens artikel 95j van de notariswet dezelfde werking als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.

108. Daaruit volgt dat wegens de omstandigheden waarin de Poolse notaris een erfrechtverklaring opstelt, een dergelijke verklaring moet worden gekwalificeerd als een „authentieke akte” in de zin van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012.

109. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging om op de vijfde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat de door de Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring een authentieke akte is, waarvan het afgegeven afschrift vergezeld kan gaan van het in artikel 59, lid 1, van deze verordening bedoelde formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014.

V.      Conclusie

110. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim te beantwoorden als volgt:

„1)      Het feit de Republiek Polen geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, heeft verstrekt met betrekking tot de uitoefening van rechterlijke functies door notarissen, is niet definitief.

2)      Artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat de notaris die op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure overeenkomstig de bepalingen van het Poolse recht een erfrechtverklaring opmaakt, niet onder het begrip ‚gerecht’ in de zin van die verordening valt. De door de notaris opgemaakte Poolse erfrechtverklaring is bijgevolg geen ‚beslissing’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van genoemde verordening, waarvoor de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging moet worden afgegeven met gebruikmaking van formulier I zoals vastgesteld in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012.

3)      Artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat de door de Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring een authentieke akte is, waarvan het afgegeven afschrift vergezeld kan gaan van het in artikel 59, lid 1, van deze verordening bedoelde formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2012, L 201, blz. 107.


3      PB 2014, L 359, blz. 30.


4      Zie met betrekking tot de diversiteit aan nationale erfrechtverklaringen in de verschillende lidstaten en de omschrijving ervan, conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Oberle (C‑20/17, EU:C:2018:89, punten 23‑25). Verordening nr. 650/2012 spreekt in artikel 62, lid 3, betreffende de Europese erfrechtverklaring van „documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt”.


5      Zie punt 62 van deze conclusie.


6      Dz. U. nr. 22, volgnr. 91.


7      Dz. U. van 2014, volgnr. 164.


8      Uit de debatten ter terechtzitting blijkt dat met de in deze bepaling gebruikte woorden „jurysdykcja krajowa” doorgaans wordt gedoeld op de internationale bevoegdheid van een Poolse rechterlijke instantie, die moet worden onderscheiden van de interne bevoegdheid („właściwość”).


9      Ik merk op dat WB niet ervoor heeft gekozen een Europese erfrechtverklaring aan te vragen, die juist in het leven is geroepen om tegemoet te komen aan de behoefte van erfgenamen om hun rechtspositie of hun rechten eenvoudig te kunnen aantonen (zie overweging 67 van verordening nr. 650/2012). Zoals het Hof in het arrest van 21 juni 2018, Oberle (C‑20/17, EU:C:2018:485, point 47; hierna: „arrest Oberle”), in herinnering heeft gebracht, is het gebruik van de Europese erfrechtverklaring niet verplicht en komt deze verklaring niet in de plaats van de nationale documenten. In zijn kort na het arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf (C‑558/16, EU:C:2018:138), ingediende schriftelijke opmerkingen heeft de notarieel medewerker betoogd dat die zaak laat zien welke uitleggingsproblemen soms kunnen rijzen met betrekking tot de omvang van de rechten van de erfgenamen, wat volgens hem pleit voor het gebruik van die nationale documenten.


10      Punt 32 van het arrest Oberle. De term „grensoverschrijdend” wordt met name gebruikt in de in dat punt genoemde overwegingen 7 en 67.


11      Punt 30 van het arrest Oberle.


12      In dit verband lijkt het opnieuw relevant een vergelijking te maken met het Europees aanhoudingsbevel, zoals ik in punt 32 van mijn conclusie in de zaak Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2016:654) had voorgesteld. Bovendien was vóór het arrest Oberle het debat over de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 een legitieme grond om te vrezen dat de gevolgen van een nationale verklaring niet zouden worden erkend.


13      De vaststelling door de griffier van het bedrag der proceskosten wordt als een „beslissing” gekwalificeerd, omdat „de griffier uit naam van de rechter ten gronde handelt, en in geval van geschil een rechterlijke instantie in de eigenlijke zin van het woord over de kosten beslist” [arrest van 2 juni 1994, Solo Kleinmotoren (C‑414/92, EU:C:1994:221, punt 16)].


14      Punt 30 van het arrest Oberle.


15      Zie hierover ook overweging 21.


16      Cursivering van mij.


17      Cursivering van mij.


18      De lijst waarin per land de andere autoriteiten en rechtsbeoefenaars worden genoemd die moeten worden gelijkgesteld met een gerecht, is toegankelijk op het volgende internetadres: https://e-justice.europa.eu/content_succession-380-fr.do?clang=fr.


      De situatie waarin zou worden gehandeld krachtens volmacht van dan wel onder toezicht van een gerechtelijke autoriteit laat ik in deze conclusie onbesproken, daar deze situatie niet aan de orde is gesteld.


19      PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1.


20      PB 2012, L 149, blz. 4 (hierna: „verordening nr. 883/2004).


21      Anders dan Wautelet, P., in Bonomi, A., en Wautelet, P., Le droit européen des succession, Commentaire du règlement (UE) nº 650/2012, du 4 juillet 2012, 2e druk, Bruylant, Brussel 2016, punt 71, voetnoot 89, blz. 173, meen ik daarentegen niet dat kan worden aangeknoopt bij de bepalingen van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 603/2005 van de Raad van 12 april 2005 (PB 2005, L 1000, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1346/2000”), noch bij het arrest van 21 januari 2010, MG Probud Gdynia (C‑444/07, EU:C:2010:24, punt 40). Bijlage A bij verordening nr. 1346/2000 bevat immers de lijst met de procedures waarop deze verordening van toepassing is, en vormt een integrerend bestanddeel ervan. Hetzelfde geldt voor artikel 4, punt 7, van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15), en voor artikel 3 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), waaruit het Hof heeft afgeleid dat, aangezien die artikelen specifiek betrekking hebben op de daarin vermelde of opgesomde instanties, notarissen in Kroatië daar niet onder vallen [zie arresten van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2017:199, punt 34), en 9 maart 2017, Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 46)].


22      C‑12/14, EU:C:2016:135.


23      C‑517/16, EU:C:2018:350.


24      Zie arrest van 30 mei 2018, Czerwiński (C‑517/16, EU:C:2018:350, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


25      Zie arrest van 3 maart 2016, Commissie/Malta (C‑12/14, EU:C:2016:135, punt 39).


26      Zie arrest van 30 mei 2018, Czerwiński (C‑517/16, EU:C:2018:350, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


27      Arrest van 30 mei 2018, Czerwiński (C‑517/16, EU:C:2018:350, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


28      Zie arrest van 30 mei 2018, Czerwiński (C‑517/16, EU:C:2018:350, punten 38 en 39).


29      Zie arresten van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2017:199, punt 32), en 1 maart 2018, Mahnkopf (C‑558/16, EU:C:2018:138, punt 32).


30      Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring [COM(2009) 154 definitief]. Zie ook overweging 20 van verordening nr. 650/2012.


31      Vgl. arresten van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2017:199, punt 35), en 9 maart 2017, Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 48). Zie ook preciseringen met betrekking tot de verschillende taalversies in de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2016:825, punten 68 en 71).


32      Zie voor een gedetailleerd overzicht van de diversiteit aan definities van het begrip „gerecht”, mijn conclusie in de zaak Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2016:654, punten 67 e.v.).


33      Zie in dit verband arresten van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2017:199, punt 35), en 9 maart 2017 Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 48), alsmede overweging 20 van verordening nr. 650/2012.


34      Arrest van 9 maart 2017, Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


35      Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1). Zie met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 650/2012 het in voetnoot 30 van deze conclusie aangehaalde voorstel voor een verordening, met name punt 4.4 van de toelichting. Zie ook overweging 59 van verordening nr. 650/2012, waarin wordt verklaard: „Gelet op de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk de wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven beslissingen in erfrechtzaken, ongeacht of deze beslissingen in contentieuze of niet-contentieuze procedures zijn gewezen, moeten in deze verordening regels betreffende de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen worden vastgelegd die gelijkaardig zijn aan die welke de Unie reeds op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken heeft vastgesteld.” Zie in dit verband arresten van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2017:199, punten 40‑43), en 9 maart 2017, Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 54).


36      Zie ter vergelijking de tekst van artikel 46 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1): „Authentieke akten, verleden en uitvoerbaar in een lidstaat, en overeenkomsten tussen partijen, uitvoerbaar in de lidstaat van herkomst, worden onder dezelfde voorwaarden erkend en uitvoerbaar gemaakt als beslissingen.”


37      Vgl. arrest van 2 april 2009, Gambazzi (C‑394/07, EU:C:2009:219, punt 25). Zie ook mijn conclusie in de zaak BUAK Bauarbeiter-Urlaubs- u. Abfertigungskasse (C‑579/17, EU:C:2018:863, punt 51).


38      Zie arrest van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C‑484/15, EU:C:2017:199, punt 43).


39      Vgl. arrest van 15 november 2012, Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. (C‑456/11, EU:C:2012:719, punten 31 en 32). Het Hof heeft in wezen opgemerkt dat een enge uitlegging van het begrip „beslissing” ertoe zou leiden dat een categorie van door rechters verrichte handelingen wordt ingevoerd die de rechters van de andere lidstaten niet zouden hoeven te erkennen, en dat voor de kwalificatie als beslissing niet bepalend is hoe een handeling in het recht van een andere lidstaat wordt gekwalificeerd.


40      Vgl. arresten van 24 mei 2011, Commissie/Oostenrijk (C‑53/08, EU:C:2011:338, punt 85), en 1 februari 2017, Commissie/Hongarije (C‑392/15, EU:C:2017:73, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


41      Zie arrest van 2 juni 1994, Solo Kleinmotoren (C‑414/92, EU:C:1994:221, punt 18), mijn conclusie in de zaak Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. (C‑456/11, EU:C:2012:554, punt 38), alsmede de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Oberle (C‑20/17, EU:C:2018:89, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtsgeleerde commentaren). Vgl. arresten van 24 mei 2011, Commissie/Oostenrijk (C‑53/08, EU:C:2011:338, punt 103), en 1 februari 2017, Commissie/Hongarije (C‑392/15, EU:C:2017:73, punt 116).


42      Punt 44 van het arrest Oberle. In punt 38 van dat arrest had het Hof opgemerkt dat volgens „de verwijzingsbeslissing [...] de procedure voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen niet-contentieus is en [...] beslissingen omtrent de afgifte van deze verklaringen enkel feitelijke vaststellingen omvatten en geen vaststellingen die in kracht van gewijsde kunnen gaan” (cursivering van mij).


43      Uitdrukking die is ontleend aan punt 44 van het arrest Oberle.


44      Punt 42 van het arrest Oberle.


45      Zie punt 56 van het arrest Oberle.


46      Een dergelijk criterium zou kunnen worden vergeleken met de voorwaarde die in artikel 42, lid 2, onder b), i), van verordening nr. 1215/2012 is geformuleerd met het oog op de tenuitvoerlegging van een beslissing waarbij een voorlopige maatregel is gelast. Uit het door het gerecht van herkomst afgegeven certificaat moet blijken dat dat gerecht bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.


47      Cursivering van mij.


48      Zie voor een overzicht van de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof in de richting van een ruime uitlegging, mijn conclusie in de zaak BUAK Bauarbeiter‑Urlaubs u. Abfertigungskasse (C‑579/17, EU:C:2018:863, punt 34).


49      Punt 46 van dat arrest.


50      De Poolse term is „kancelaria”.


51      Volgens punt 3, „Bepalingen van nationaal recht”, van de verwijzingsbeslissing (blz. 11 van de Nederlandse vertaling).


52      Artikel 95c, lid 2, onder 1), van de notariswet. De verwijzende rechter preciseert dat een verzoek om afgifte van een notariële verklaring uitsluitend kan worden ingediend door de erfgenamen, die het eens moeten zijn over de inhoud van de verklaring (blz. 11 van de vertaling van de verwijzingsbeslissing, laatste twee paragrafen).


53      Artikel 95e, lid 1, van de notariswet.


54      Artikel 95e, lid 2, onder 2), van de notariswet.


55      Artikel 6691, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.


56      Artikel 95j van de notariswet.


57      Artikelen 363 e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, volgens de schriftelijke opmerkingen van de Poolse regering.


58      Zie ook, volgens de door de Poolse regering aangehaalde rechtsleer („Komentarz do art. 95j Prawa o notariacie”, in Szereda, A., Czynności notarialne. Komentarz do art. 79112 Prawa o notariacie, Legalis, Warschau, 2018), de volgende andere gevallen:


-      er is een erfrechtverklaring geregistreerd voor de erfopvolging van een persoon die is doodverklaard of wiens overlijden is vastgesteld bij rechterlijke beschikking, en die beschikking inzake de doodverklaring of de vaststelling van het overlijden van de betrokkene is vernietigd (artikel 678 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);


-      na een definitieve bekrachtiging door de rechter van de vernietiging van de verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap treedt er een wijziging op in de groep van personen ten aanzien van wie de erfrechtverklaring is geregistreerd (artikel 690, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).


59      Met name arresten van 1 februari 2017, Commissie/Hongarije (C‑392/15, EU:C:2017:73, punten 118 en 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 maart 2018, Commissie/Tsjechië (C‑575/16, niet gepubliceerd, EU:C:2018:186, punten 124 en 126). In laatstgenoemde zaak heeft het Hof in punt 90 van zijn arrest vastgesteld dat „[d]ie lidstaat [...] ten zesde betoogt dat de notaris, wanneer hij optreedt als executeur, moet worden beschouwd als een ‚gerecht’ in de zin van verordening nr. 650/2012, aangezien de notaris in de Tsjechische rechtsorde in bepaalde erfrechtzaken net zoals een gerecht rechterlijke functies vervult. De Tsjechische regering merkt op dat de notaris in zijn functie van executeur, belast met de afwikkeling van nalatenschappen, gebonden is aan de in die verordening vastgestelde regels, aangezien hij een rechterlijke functie vervult. Daarom voldoet de notaris aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een ‚rechterlijke instantie’ in de zin van artikel 267 VWEU, zodat hij het Hof kan verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van genoemde verordening. De Tsjechische regering meent dan ook dat de betrokken werkzaamheid van de notaris voor de toepassing van verordening nr. 650/2012 moet worden geacht verband te houden met de uitoefening van openbaar gezag.”


60      C‑260/97, EU:C:1999:312, punten 16 en 17.


61      Zie hierover het rapport van Jenard en Möller betreffende het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988 (PB 1990, C 189, blz. 9).


62      PB 1988, L 319, blz. 9.


63      Zie Wautelet, P., in Bonomi, A., en Wautelet, P., op. cit., punt 60, blz. 168.


64      PB 2009, L 7, blz. 1.


65      PB 2016, L 183, blz. 1.


66      Arrest van 17 juni 1999, Unibank (C‑260/97, EU:C:1999:312, punt 15). Zie ook punt 18 van dat arrest.


67      Zie de artikelen 59 en 60 van verordening nr. 650/2012.


68      Zie punt 94 van deze conclusie.