Language of document : ECLI:EU:C:2020:393

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

28 mei 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn (EU) 2015/1535 – Technische normen en voorschriften – Windgeneratoren – Richtlijn 2006/123/EG – Begrip ‚dienst’ – Milieu – Richtlijn 2009/28/EG – Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen – Bindende nationale algemene streefcijfers – Nationale regel voor de toestemmingsprocedure die wordt toegepast op centrales voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen – Evenredigheid – Regeling van een lidstaat houdende beperkingen op de locatie van windturbines”

In zaak C‑727/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Kielcach (bestuursrechter in eerste aanleg Kielce, Polen) bij beslissing van 12 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 29 december 2017, in de procedure

Syndyk Masy Upadłości ECO-WIND Construction S.A. w upadłości, voorheen ECO-WIND Construction S.A.,

tegen

Samorządowe Kolegium Odwoławcze w Kielcach,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, S. Rodin, D. Šváby (rapporteur), K. Jürimäe en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 februari 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        Syndyk Masy Upadłości ECO-WIND Construction S.A. w upadłości, vertegenwoordigd door Ł. Szatkowski en M. Krasińska, radcowie prawni, en door M. Trzaskowska en A. Szufel, adwokaci,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Rzotkiewicz en D Lutostańska als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door D. Klebs als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door C. Colelli, avvocato dello Stato,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en G. Hesse als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, Y. G. Marinova, K. Talabér-Ritz en L. Malferrari als gemachtigden,

–        gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 2015, L 241, blz. 1), artikel 15, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36) en artikel 3, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140, blz. 16), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 (PB 2015, L 139, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2009/28”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Syndyk Masy Upadłości ECO-WIND Construction S.A. w upadłości (de bij ECO-WIND Construction S.A. aangestelde curator die de boedel van de failliete onderneming beheert), voorheen ECO-WIND Construction S.A. (hierna: „ECO-WIND”), en de Samorządowe Kolegium Odwoławcze w Kielcach (autonoom beroepscollege Kielce, Polen) over de weigering van dat college om toestemming te verlenen voor de verwezenlijking van een windturbinepark op het grondgebied van de gemeente Opatów (Polen).

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2015/1535

3        Artikel 1, lid 1, onder c), d) en f), van richtlijn 2015/1535 bepaalt:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

c)      ‚technische specificatie’: een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, en de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.

[...]

d)      ‚andere eis’: een eis die, zonder een technische specificatie te zijn, ter bescherming van met name de consument of het milieu wordt opgelegd en betrekking heeft op de levenscyclus van het product nadat dit in de handel is gebracht, zoals voorwaarden voor gebruik, recycling, hergebruik of verwijdering van het product, wanneer deze voorwaarden op significante wijze de samenstelling, de aard of de verhandeling van het product kunnen beïnvloeden;

[...]

f)      ‚technisch voorschrift’: een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 7, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden.

De facto technische voorschriften zijn met name:

i)      wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die hetzij verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, hetzij naar beroepscodes of codes voor goede praktijken die zelf verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten waarvan de naleving een vermoeden geeft met de voorschriften welke bij deze wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld, in overeenstemming te zijn,

ii)      vrijwillige overeenkomsten waarbij de overheid partij is en die in het algemeen belang gericht zijn op de naleving van technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, met uitsluiting van bestekken voor overheidsopdrachten,

iii)      technische specificaties of andere eisen of regels betreffende diensten die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen die het verbruik van producten of het gebruik van diensten beïnvloeden, doordat zij de naleving van die technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten aanmoedigen; hieronder vallen niet de technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten die samenhangen met de nationale stelsels van sociale zekerheid.

Hieronder vallen de technische voorschriften die worden vastgesteld door de door de lidstaten aangewezen instanties die zijn opgenomen in de lijst welke door de Commissie wordt opgesteld en in voorkomend geval bijgewerkt in het kader van het in artikel 2 bedoelde comité.

Wijziging van die lijst geschiedt volgens dezelfde procedure”.

4        Artikel 5, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„Onverminderd artikel 7 delen de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval louter met een mededeling van de betrokken norm kan worden volstaan. Zij geven de Commissie tevens kennis van de redenen waarom de vaststelling van dit technisch voorschrift nodig is, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp zelf blijken.

[...]”

 Richtlijn 2006/123

5        Overweging 76 van richtlijn 2006/123 luidt:

„Deze richtlijn heeft geen betrekking op de toepassing van de artikelen [34 tot en met 36 VWEU] over het vrije verkeer van goederen. De beperkingen die als gevolg van de bepaling over het vrij verrichten van diensten verboden zijn, betreffen eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van de goederen zelf.”

6        Artikel 2 van richtlijn 2006/123, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1 ervan dat deze richtlijn van toepassing is op diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd, terwijl de leden 2 en 3 van dit artikel betrekking hebben op activiteiten en gebieden waarop zij niet van toepassing is.

7        Artikel 4 van die richtlijn, met het opschrift „Definities”, luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)      ‚dienst’: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel [57 VWEU];

[...]”

8        Artikel 15 van richtlijn 2006/123, met als opschrift „Aan evaluatie onderworpen eisen”, bepaalt in de leden 2 en 7:

„2.      De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen:

a)      kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters;

[...]

7.      De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in lid 6 bedoelde eisen bevatten, alsmede van de redenen voor die eisen. De Commissie deelt die bepalingen aan de andere lidstaten mede. Die kennisgeving belet de lidstaten niet de betrokken bepalingen vast te stellen.

Binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving onderzoekt de Commissie of deze nieuwe eisen verenigbaar zijn met het [Unierecht] en stelt zij waar passend een beschikking vast waarin zij de betrokken lidstaat verzoekt van vaststelling van de eisen af te zien of deze in te trekken.

Met het kennis geven van een ontwerp van nationale wet overeenkomstig richtlijn 98/34/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1998, L 204, blz. 37)] wordt tegelijkertijd voldaan aan de kennisgevingsplicht van deze richtlijn.”

 Richtlijn 2009/28

9        De overwegingen 14, 19 en 40 van richtlijn 2009/28 luiden als volgt:

„(14)      Het belangrijkste doel van bindende nationale streefcijfers is zekerheid te bieden aan investeerders en de voortdurende ontwikkeling te bevorderen van technologieën om energie op te wekken uit alle soorten hernieuwbare bronnen. [...]

[...]

(19)      Om te garanderen dat de bindende nationale totale streefcijfers worden gehaald, moeten de lidstaten werk maken van een indicatieve keten die hen op weg zet naar het verwezenlijken van hun definitieve bindende streefcijfers. Zij moeten een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen opstellen met informatie over de streefcijfers per sector, rekening houdende met het feit dat er verschillende toepassingen van biomassa zijn en dat het dus van essentieel belang is dat nieuwe hulpbronnen voor biomassa worden aangesproken. Ook moeten de lidstaten maatregelen uiteenzetten welke zij nemen om deze streefcijfers te halen. Iedere lidstaat dient, bij de beoordeling van zijn verwachte bruto-eindverbruik van energie in zijn nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen, te beoordelen welke bijdrage maatregelen inzake energie-efficiëntie en energiebesparing kunnen leveren om zijn nationale streefcijfers te halen. De lidstaten dienen ook in aanmerking te nemen hoe op energie-efficiëntie gerichte technologieën optimaal kunnen worden gecombineerd met energie uit hernieuwbare bronnen.

[...]

(40)      De door het bestuur dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de toestemming voor en de certificering en het vergunnen van installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen, gebruikte procedure moet objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn bij de toepassing van de voorschriften op specifieke projecten. [...]”

10      Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Voorwerp en toepassingsgebied”, bepaalt:

„In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts worden bindende nationale streefcijfers vastgesteld voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie en voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer. [...]”

11      Artikel 3 van die richtlijn, met het opschrift „Bindende nationale algemene streefcijfers en maatregelen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen”, bepaalt het volgende:

„1.      Elke lidstaat dient ervoor te zorgen dat zijn aandeel energie uit hernieuwbare bronnen, berekend in overeenstemming met de artikelen 5 tot en met 11, in het bruto-eindverbruik van energie in 2020 minstens gelijk is aan zijn nationaal algemeen streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor dat jaar, zoals uiteengezet in de derde kolom van de tabel in bijlage I, deel A. Zulke bindende nationale algemene streefcijfers stemmen overeen met een streefcijfer van een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen van minstens 20 % in het bruto-eindverbruik [van de Unie] van energie in 2020. Teneinde de in dit artikel vastgelegde streefcijfers gemakkelijker te halen, wordt door iedere lidstaat energie-efficiëntie en energiebesparing bevorderd en aangemoedigd.

[...]

2.      De lidstaten nemen maatregelen die effectief bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat hun aandeel energie uit hernieuwbare bronnen gelijk is aan of groter is dan het aandeel dat vermeld is in de indicatieve keten die is aangegeven in bijlage I, deel B.

[...]”

12      Artikel 13 van richtlijn 2009/28, met het opschrift „Administratieve procedures, voorschriften en regels”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings‑ en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie‑ en distributienetinfrastructuur voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, en op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen of andere energieproducten, evenredig en noodzakelijk zijn.

De lidstaten nemen met name passende maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a)      onder voorbehoud van verschillen in de administratieve structuur en organisatie van de lidstaten, de respectieve verantwoordelijkheden van nationale, regionale en lokale administratieve organen met betrekking tot de toestemmings-, certificerings‑ en vergunningsprocedures duidelijk zijn gecoördineerd en gedefinieerd, ook op het gebied van ruimtelijke ordening, met transparante termijnen voor de opstelling van stedenbouwkundige en bouwaanvragen;

b)      uitgebreide informatie over de verwerking van aanvragen voor toestemmingen, certificering en vergunningen voor installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energie en over het verlenen van bijstand aan de indieners van aanvragen op passend niveau beschikbaar wordt gesteld;

c)      de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau;

d)      de toestemmings-, certificerings‑ en vergunningsregels objectief, transparant en evenredig zijn, geen onderscheid maken tussen aanvragers en ten volle rekening houden met de bijzondere kenmerken van individuele technologieën op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen;

[...]”

13      Bijlage I, deel A, bij deze richtlijn zet de „totale nationale streefcijfers voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2020” uiteen en bepaalt voor de Republiek Polen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor het jaar 2020 15 % bedraagt.

14      Bijlage I, deel B, bij deze richtlijn bevat de berekeningswijze van de indicatieve keten die moet worden gevolgd om te komen tot de naleving van de algemene streefcijfers van de lidstaten.

 Pools recht

15      Artikel 3 van de ustawa o inwestycjach w zakresie elektrowni wiatrowych (wet inzake investeringen in windturbines) van 20 mei 2016 (Dz. U. van 2016, volgnr. 961; hierna: „windturbinewet”) bepaalt dat de vestiging van windturbines gebonden is aan het plaatselijke bestemmingsplan.

16      Artikel 4 van de windturbinewet bepaalt het volgende:

„De afstand tussen

1)      windturbines en woongebouwen of gebouwen voor gemengd gebruik, waaronder huisvesting, en tussen

2)      woongebouwen of gebouwen voor gemengd gebruik, waaronder huisvesting, en windturbines

is gelijk aan of groter dan tien keer de hoogte van de windturbines, gemeten vanaf de grond tot aan het hoogste punt van de constructie, met inbegrip van de technische onderdelen, met name de rotor en de wieken (de totale hoogte van de betrokken windturbine).

[...]”

17      Overeenkomstig artikel 6 van deze wet wordt met name rekening gehouden met de in artikel 4 van deze wet vastgestelde afstand door:

–        de organen van de gemeenten en de woiwode wanneer zij een plaatselijk plan of de wijzigingen daarvan opstellen, daarvoor stemmen of het aannemen;

–        de administratieve instanties die bevoegd zijn op het gebied van architectuur en bouw, bij de afgifte van bouwvergunningen of de beoordeling van de gegrondheid van een beroep tegen een aanvraag, en

–        de organen die besluiten nemen over milieuvoorwaarden, op het moment dat deze besluiten worden genomen.

18      De windturbinewet is 14 dagen na de bekendmaking ervan, te weten op 16 juli 2016, in werking getreden.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      ECO-WIND had als hoofdactiviteit de productie en distributie van elektriciteit en verwarming alsmede de levering van energiediensten.

20      Op 15 september 2015 heeft ECO-WIND bij de burgemeester van de stad en gemeente Opatów een vergunningsaanvraag ingediend voor een windturbinepark. Voor het besluit van de burgemeester waren voorafgaande toestemming van de Regionalny Dyrektor Ochrony Środowiska w Kielcach (regionaal directeur milieubescherming Kielce, Polen) en de vaststelling door deze laatste van de milieuvoorwaarden voor de uitvoering van dit project vereist. Op 25 november 2016 heeft die regionaal directeur een afwijzend besluit genomen op grond van de niet-naleving van de in de windturbinewet vastgestelde afstanden tussen de geplande windturbines en de bestaande woongebouwen.

21      Derhalve heeft de burgemeester van de stad en gemeente Opatów bij besluit van 9 januari 2017 de aanvraag van ECO-WIND afgewezen.

22      De Samorządowe Kolegium Odwoławcze w Kielcach, waarbij beroep was ingesteld tegen dit besluit, heeft dit nietig verklaard op grond dat de burgemeester van de stad en gemeente Opatów „de juridische nomenclatuur verkeerd had toegepast”. Ten gronde was het college daarentegen van oordeel dat de geplande ligging van het betrokken windturbinepark niet in overeenstemming was met de toepasselijke nationale regeling. Artikel 4 van de windturbinewet schrijft immers het respecteren van een minimumafstand tussen een windturbine en een woongebouw voor die gelijk is aan of hoger is dan tien keer de hoogte van de geplande windturbine. De geplande windturbines zouden op een hoogte van 146 meter moeten uitkomen en zouden zich slechts op een afstand van 431 tot 703 meter van woongebouwen bevinden, terwijl dergelijke windturbines volgens de nationale regeling slechts kunnen worden opgetrokken op een afstand van ten minste 1 460 meter van het dichtstbijzijnde woongebouw. Voorts heeft de Samorządowe Kolegium Odwoławcze w Kielcach opgemerkt dat de nationale wetgever in de toelichting bij het ontwerp van de windturbinewet heeft aangegeven dat deze wet geen technische voorschriften in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 bevat.

23      ECO-WIND heeft tegen de beslissing van dit college beroep ingesteld bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Kielcach (bestuursrechter in eerste aanleg Kielce, Polen).

24      De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of de artikelen 3 en 4 van de windturbinewet een werking kunnen hebben die gelijk is aan een kwantitatieve beperking en bijgevolg in strijd kunnen zijn met artikel 34 VWEU. Deze artikelen 3 en 4 leiden immers tot een beperking van de vestigingsruimte voor windturbines met een hoogte van meer dan 100 meter tot minder dan 1 % van het Poolse grondgebied en leiden de facto tot een beperking van de handel in windgeneratoren. Bovendien betwijfelt de verwijzende rechter, ondanks de bewoordingen van de toelichting bij het ontwerp van de windturbinewet, of die artikelen 3 en 4 technische voorschriften in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 zijn, die overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn aan de Commissie hadden moeten worden meegedeeld.

25      Ten tweede vraagt de verwijzende rechter zich af of de beperkingen die voortvloeien uit het vereiste dat voor de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen geldt, kunnen worden gelijkgesteld met territoriale beperkingen tussen dienstverrichters in de zin van artikel 15, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/123. Dit vereiste zou immers de facto tot gevolg kunnen hebben dat de geografische afstanden tussen dienstverrichters die een economische activiteit op het gebied van de elektriciteitsproductie uit windenergie uitoefenen, aan banden worden gelegd.

26      Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af of de windturbinewet, rekening houdend met het in en artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking en het beginsel van voorrang van het Unierecht, kan worden geacht in overeenstemming te zijn met richtlijn 2009/28. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of die wet de verwezenlijking van de door die richtlijn aan de Republiek Polen gestelde doelstelling in gevaar kan brengen, te weten het behalen van het streefcijfer van 15 % voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik in Polen tegen 2020.

27      In dit verband wijst de verwijzende rechter op verschillende aanwijzingen op grond waarvan hij betwijfelt of de windturbinewet in overeenstemming is met richtlijn 2009/28.

28      Ten eerste merkt hij op dat de toelichting bij het ontwerp van de windturbinewet onvoldoende gegevens bevat om aan te nemen dat het vereiste dat bij de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht moet worden genomen, wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en evenredig is aan het door de nationale wetgever nagestreefde doel. Meer in het bijzonder acht hij de in die toelichting vermelde aandacht voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu alsmede het belang van de bewoners niet overtuigend. Bovendien betwijfelt hij of dit vereiste evenredig is voor zover deze afstand geen verband houdt met vereisten inzake de bescherming van de volksgezondheid of het bereiken van milieunormen en een minder beperkende regeling kan beantwoorden aan het door de nationale wetgever nagestreefde doel. Hij merkt in dit verband op dat de afstand tussen windturbines en woongebouwen kan variëren naargelang van het soort technologie dat wordt gebruikt of naargelang van de geluidsnormen.

29      Ten tweede verwijst hij naar de toelichting bij een ontwerp tot wijziging van de windturbinewet van 9 augustus 2016, waaruit blijkt dat de vaststelling van deze wet heeft geleid tot een aanzienlijke beperking van de mogelijkheden voor de bouw van windturbines op het Poolse grondgebied en dat deze wet niet strookt met de noodzaak om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen.

30      Daarop heeft de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Kielcach de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 1, lid 1, onder f), van [richtlijn 2015/1535] aldus worden uitgelegd dat onder de ‚technische voorschriften’ waarvan het ontwerp overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de genoemde richtlijn aan de Commissie moet worden meegedeeld, tevens een wettelijke bepaling valt waarbij de vestiging van windturbines wordt ingeperkt door een daarin vastgelegde minimumafstand tussen dergelijke windturbines en woongebouwen of gebouwen voor gemengd gebruik, waaronder huisvesting, die gelijk is aan of groter is dan tien keer de hoogte van de betrokken windturbine, gemeten vanaf de grond tot aan het hoogste punt van de constructie, met inbegrip van de technische onderdelen, met name de rotor en de wieken?

2)      Moet artikel 15, lid 2, onder a), van [richtlijn 2006/123] aldus worden uitgelegd dat onder de bepalingen waarbij de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk wordt gesteld van een territoriale beperking, met name in de vorm van beperkingen op basis van een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters, waarvan de lidstaten de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 7, van de genoemde richtlijn in kennis dienen te stellen, tevens een wettelijke bepaling valt waarbij de vestiging van windturbines wordt ingeperkt door een daarin vastgelegde minimumafstand tussen dergelijke windturbines en woongebouwen of gebouwen voor gemengd gebruik, waaronder huisvesting, die gelijk is aan of groter is dan tien keer de hoogte van de betrokken windturbine, gemeten vanaf de grond tot aan het hoogste punt van de constructie, met inbegrip van de technische onderdelen, met name de rotor en de wieken?

3)      Moeten artikel 3, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van [richtlijn 2009/28] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij de vestiging van windturbines wordt ingeperkt door een daarin vastgelegde minimumafstand tussen dergelijke windturbines en woongebouwen of gebouwen voor gemengd gebruik, waaronder huisvesting, die gelijk is aan of groter is dan tien keer de hoogte van de betrokken windturbine, gemeten vanaf de grond tot aan het hoogste punt van de constructie, met inbegrip van de technische onderdelen, met name de rotor en de wieken?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

31      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 aldus moet worden uitgelegd dat het vereiste dat de plaatsing van een windturbine wordt onderworpen aan een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, een technisch voorschrift vormt dat krachtens artikel 5 van deze richtlijn moet worden meegedeeld.

32      Artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 noemt vier categorieën technische voorschriften, te weten ten eerste een „technische specificatie”, ten tweede een „andere eis”, ten derde een „regel betreffende diensten” en ten vierde de „wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product [...] wordt verboden”.

33      Voor de beantwoording van de eerste vraag moet dus worden onderzocht of het vereiste dat voor de plaatsing van een windturbine een minimumafstand in acht moet worden genomen tussen deze windturbine en woongebouwen, valt onder een van de vier in deze bepaling bedoelde categorieën technische voorschriften.

34      Wat in de eerste plaats de categorie „regels betreffende diensten” betreft, zij opgemerkt dat de verwijzende rechter zich afvraagt of dit vereiste een technisch voorschrift is op grond van de reden dat dit vereiste, indien het geen feitelijk verbod is, dan toch een feitelijke beperking vormt van de verhandeling of het gebruik van toestellen voor de productie van windenergie, namelijk windgeneratoren.

35      Aangezien de vragen van de verwijzende rechter geen betrekking hebben op diensten, maar op producten, in casu windgeneratoren, hoeft dus niet te worden onderzocht of dit vereiste valt onder de categorie „regels betreffende diensten” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535.

36      Wat betreft, in de tweede plaats, de eventuele kwalificatie van dat vereiste als technisch voorschrift op grond dat het behoort tot de categorie „technische specificaties”, moet worden opgemerkt dat een technische specificatie veronderstelt dat de nationale maatregel waarin zij wordt vastgesteld op het product of zijn verpakking als zodanig betrekking heeft en derhalve een van de vereiste kenmerken van een product vaststelt (arresten van 21 april 2005, Lindberg, C‑267/03, EU:C:2005:246, punt 57, en 19 juli 2012, Fortuna e.a., C‑213/11, C‑214/11 en C‑217/11, EU:C:2012:495, punt 28).

37      In casu beperkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling zich tot het regelen van de vestiging van windturbines door een minimumafstand vast te stellen die bij de plaatsing ervan in acht moet worden genomen. Deze regeling heeft dus niet betrekking op een product als zodanig, in casu de windgenerator, en stelt bijgevolg niet een van de vereiste kenmerken van dat product vast in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535, gelezen in het licht van artikel 1, lid 1, onder c), van deze richtlijn.

38      Hieruit volgt dat een regeling als in het hoofdgeding aan de orde niet kan vallen onder de categorie „technische specificaties” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535.

39      In de derde plaats moet worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling kan vallen onder de categorie „andere eisen” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535.

40      In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak dat een regeling die een voorwaarde stelt die de samenstelling, de aard of de verhandeling van het betrokken product op significante wijze kan beïnvloeden, onder deze categorie valt (arresten van 21 april 2005, Lindberg, C‑267/03, EU:C:2005:246, punten 69-72, en 19 juli 2012, Fortuna e.a., C‑213/11, C‑214/11 en C‑217/11, EU:C:2012:495, punt 35), aangezien die „andere eisen” betrekking hebben op eisen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van de levenscyclus van het betrokken product na het in de handel brengen ervan en die met name betrekking hebben op het gebruik ervan.

41      In casu moet, in navolging van de beoordeling in punt 37 van het onderhavige arrest, worden opgemerkt dat het vereiste dat voor de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht moet worden genomen, geen rechtstreeks verband houdt met de samenstelling, de aard of de verhandeling van een product zoals een windgenerator. Gesteld dat dit vereiste ertoe leidt dat de voor de plaatsing van windturbines in aanmerking komende locaties worden beperkt en dat het dus van invloed is op de verhandeling van windgeneratoren, dan is dit gevolg onvoldoende rechtstreeks om dat vereiste onder de categorie „andere eisen” van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 te laten vallen.

42      De zaak in het hoofdgeding verschilt dus van de zaken die aanleiding gaven tot het arrest van 19 juli 2012, Fortuna e.a. (C‑213/11, C‑214/11 en C‑217/11, EU:C:2012:495), waarin de betrokken regeling inzake het verbod om vergunningen voor activiteiten op het gebied van automatenspelen buiten casino’s te verlenen, te verlengen of te wijzigen, voorwaarden stelde die invloed op de verhandeling van automatenspelen konden hebben en derhalve een rechtstreekse invloed op de handel in die automaten hadden (arrest van 19 juli 2012, Fortuna e.a., C‑213/11, C‑214/11 en C‑217/11, EU:C:2012:495, punt 36).

43      Hieruit volgt dat een regeling als in het hoofdgeding aan de orde niet kan vallen onder de categorie „andere eisen” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535, gelezen in het licht van artikel 1, lid 1, onder d), van die richtlijn.

44      In de vierde plaats moet worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling kan vallen onder de categorie „wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product [...] wordt verboden” in de zin van artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535.

45      Deze categorie veronderstelt dat de betrokken maatregel duidelijk verder gaat dan een beperking tot bepaalde gebruiken van het betrokken product en deze maatregel niet gewoonweg beperkingen oplegt aan het gebruik daarvan (arresten van 21 april 2005, Lindberg, C‑267/03, EU:C:2005:246, punt 76, en 19 juli 2012, Fortuna e.a., C‑213/11, C‑214/11 en C‑217/11, EU:C:2012:495, punt 31).

46      Deze categorie ziet immers meer in het bijzonder op nationale maatregelen die voor geen enkel ander gebruik ruimte laten dan een strikt marginaal gebruik dat redelijkerwijze van het betrokken product kan worden verwacht (arresten van 21 april 2005, Lindberg, C‑267/03, EU:C:2005:246, punt 77, en 19 juli 2012, Fortuna e.a., C‑213/11, C‑214/11 en C‑217/11, EU:C:2012:495, punt 32).

47      In casu houdt het vereiste, gesteld door de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, dat voor de plaatsing van windturbines een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht moet worden genomen, weliswaar een verbod in om een windturbine te plaatsen op minder dan een minimumafstand van tien keer de totale hoogte van de geplande installatie ten opzichte van elk woongebouw, maar het is van belang erop te wijzen dat deze regeling marktdeelnemers niet verbiedt om door te gaan met het plaatsen van windturbines, en dus ook met de verhandeling en het gebruik van windgeneratoren.

48      Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Commissie echter, zonder door de Poolse regering te zijn tegengesproken, betoogd dat het vermogen van de geplaatste windturbines in de periode 2012‑2016, dat wil zeggen in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de goedkeuring van de windturbinewet, 760 megawatt tot 1 000 megawatt per jaar bedroeg, terwijl het geïnstalleerde vermogen voor de jaren 2017 en 2018, na de goedkeuring van deze wet, niet meer dan respectievelijk 12 megawatt en 6,7 megawatt per jaar bedroeg.

49      In het licht van deze elementen staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het vereiste dat voor de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht moet worden genomen, niet leidt tot een feitelijk verbod op de verhandeling van windgeneratoren doordat het voor geen enkel ander dan een strikt marginaal gebruik ruimte laat.

50      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn 2015/1535 aldus moet worden uitgelegd dat het vereiste dat bij de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht wordt genomen, geen technisch voorschrift vormt dat krachtens artikel 5 van deze richtlijn moet worden meegedeeld, voor zover dit vereiste niet leidt tot een strikt marginaal gebruik van windgeneratoren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Tweede vraag

51      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 15, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, valt onder de regels die een dienstenactiviteit of de uitoefening hiervan afhankelijk stellen van een territoriale beperking, met name in de vorm van beperkingen op basis van een minimumafstand tussen de dienstverrichters, waarvan de lidstaten de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 7, van die richtlijn in kennis moeten stellen.

52      Vooraf moet worden vastgesteld of een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde binnen de werkingssfeer ratione materiae van richtlijn 2006/123 valt.

53      Dienaangaande moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat richtlijn 2006/123 overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan van toepassing is op diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd, met uitsluiting van de in artikel 2, leden 2 en 3, ervan bedoelde activiteiten en aangelegenheden.

54      Vervolgens wordt voor de toepassing ervan overeenkomstig artikel 4, punt 1, van deze richtlijn onder „dienst” verstaan elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 VWEU.

55      Ten slotte is in overweging 76 gepreciseerd dat de beperkingen die als gevolg van die bepaling van het VWEU verboden zijn, eisen betreffen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van de goederen zelf.

56      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat artikel 4, lid 1, van de windturbinewet weliswaar een territoriale beperking invoert voor de plaatsing van windturbines, maar dat deze bepaling betrekking heeft op de productie van een product, namelijk elektriciteit.

57      Uit vaste rechtspraak blijkt dat de productie van een product als zodanig niet als een dienst kan worden beschouwd (zie in die zin arresten van 7 mei 1985, Commissie/Frankrijk, 18/84, EU:C:1985:175, punt 12, en 11 juli 1985, Cinéthèque e.a., 60/84 en 61/84, EU:C:1985:329, punt 10).

58      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/123 valt.

59      Ter terechtzitting voor het Hof heeft ECO-WIND betoogd dat de elektriciteitsproductie gepaard gaat met het verrichten van netwerkreguleringsdiensten en diensten ter verzekering van de energieprijzen. Het bestaan van een dergelijke verrichting van diensten kan echter geen afbreuk doen aan de in het vorige punt getrokken conclusie, aangezien die diensten accessoir zijn aan de hoofdactiviteit van elektriciteitsproductie.

60      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, niet valt onder de regels die een dienstenactiviteit of de uitoefening hiervan afhankelijk stellen van een territoriale beperking, met name in de vorm van beperkingen op basis van een minimumafstand tussen de dienstverrichters, waarvan de lidstaten de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 7, van die richtlijn in kennis moeten stellen.

 Derde vraag

61      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen.

62      Voor de beantwoording van de derde vraag moet in de eerste plaats worden onderzocht of artikel 3, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn zich verzet tegen een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen.

63      In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 1 van deze richtlijn een gemeenschappelijk kader vaststelt voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen door het vaststellen van bindende nationale algemene streefcijfers voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie.

64      Zo verplicht artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28 elke lidstaat om ervoor te zorgen dat zijn aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie een streefcijfer voor het jaar 2020 haalt. Wat de Republiek Polen betreft, blijkt uit bijlage I, deel A, derde kolom, bij deze richtlijn dat dit streefcijfer is vastgesteld op 15 % van het bruto-eindverbruik van energie van deze lidstaat in 2020.

65      Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/28 bepaalt dat de lidstaten, om dit streefcijfer te halen, maatregelen nemen die effectief bedoeld zijn en een indicatieve keten in acht moeten nemen die in bijlage I, deel B, van die richtlijn is uiteengezet.

66      Het Hof heeft geoordeeld dat de lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge bij de keuze van de maatregelen die zij passend achten om de bindende nationale algemene streefcijfers die zijn vastgelegd in artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 2009/28, gelezen in samenhang met bijlage I bij deze richtlijn, te behalen (arrest van 20 september 2017, Elecdey Carcelen e.a., C‑215/16, C‑216/16, C‑220/16 en C‑221/16, EU:C:2017:705, punt 32).

67      Zij beschikken immers over een beoordelingsmarge bij de keuze van de aangewende middelen en blijven in dat kader vrij om de hernieuwbare energiebronnen af te bakenen en te ontwikkelen die zij het geschiktst achten voor hun situatie, alsook om de voorkeur te geven aan een bepaalde hernieuwbare energiebron boven een andere.

68      Een dergelijke uitlegging wordt gestaafd door de doelstellingen die door richtlijn 2009/28 worden nagestreefd. Ten eerste blijkt uit overweging 14 van deze richtlijn dat zij de voortdurende ontwikkeling bevordert van technologieën om energie op te wekken uit alle soorten hernieuwbare bronnen. Ten tweede volgt uit overweging 19 van die richtlijn dat de lidstaten werk moeten maken van een indicatieve keten en in aanmerking moeten nemen hoe op energie-efficiëntie gerichte technologieën optimaal kunnen worden gecombineerd met energie uit hernieuwbare bronnen.

69      Hieruit volgt dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28 zich als zodanig niet verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen.

70      In de tweede plaats moet worden onderzocht of artikel 13, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn, dat bepaalt dat de lidstaten erop toezien dat nationale regels voor de toestemmingsprocedures die worden toegepast op centrales voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, evenredig en noodzakelijk zijn, zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

71      Om te beginnen moet worden nagegaan of het vereiste dat voortvloeit uit een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde onder artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28 kan vallen.

72      In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling dat zij betrekking heeft op nationale regels voor toestemmings-, certificerings‑ en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

73      In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de procedure, gebruikt door het bestuur dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de toestemming voor en de certificering en het vergunnen van dit soort installaties, volgens overweging 40 van richtlijn 2009/28 objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig moet zijn bij de toepassing van de voorschriften op specifieke projecten.

74      In de derde plaats volgt uit artikel 13, lid 1, onder d), van richtlijn 2009/28 dat de lidstaten passende maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat hun nationale toestemmings-, certificerings‑ en vergunningsregels objectief, transparant en evenredig zijn, geen onderscheid maken tussen aanvragers en ten volle rekening houden met de bijzondere kenmerken van individuele technologieën op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen.

75      Uit het voorgaande volgt dat in artikel 13, lid 1, van richtlijn 2009/28 weliswaar de uitdrukking „nationale regels voor toestemmingsprocedures” wordt gebruikt en dat de woorden „administratieve procedures, voorschriften en regels” voorkomen in het opschrift ervan, maar dat het geen onderscheid maakt en regels van andere dan procedurele aard niet uitdrukkelijk uitsluit. Bijgevolg moet artikel 13, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat het niet alleen betrekking heeft op procedureregels.

76      Deze uitlegging wordt bevestigd door het arrest van 21 juli 2011, Azienda Agro-Zootecnica Franchini en Eolica di Altamura (C‑2/10, EU:C:2011:502, punten 72 en 73), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de nationale regeling die aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid – die in essentie voorzag in een volledig en automatisch verbod op het bouwen van nieuwe windturbines in de tot het Natura 2000-netwerk behorende gebieden – moest worden beoordeeld in het licht van het evenredigheidsbeginsel, zoals dat is verankerd in artikel 13 van richtlijn 2009/28, aangezien deze regeling een nationale regel vormde met betrekking tot administratieve toestemmingsprocedures voor centrales voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

77      Hieruit volgt, anders dan de Poolse regering voor het Hof heeft aangevoerd, dat artikel 13, lid 1, van richtlijn 2009/28 niet alleen betrekking heeft op procedureregels, maar ook op de andere nationale toestemmings-, certificerings‑ en vergunningsregels die worden toegepast op centrales voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

78      In casu wordt niet betwist dat een regeling als in het hoofdgeding aan de orde een nationale regel voor de toestemming voor de plaatsing van windturbines vormt, voor zover dergelijke plaatsingen, zoals de Poolse regering ter terechtzitting voor het Hof heeft verklaard, niet kunnen worden toegelaten indien zij niet voldoen aan de door die regeling gestelde vereisten.

79      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28 van toepassing is op een regeling als in het hoofdgeding aan de orde die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen.

80      In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijke regeling noodzakelijk en evenredig is.

81      Derhalve moet deze rechter nagaan of de door de betrokken lidstaat getroffen maatregelen niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 21 juli 2011, Azienda Agro-Zootecnica Franchini en Eolica di Altamura, C‑2/10, EU:C:2011:502, punt 73).

82      Daartoe moet die rechter, in het licht van de in de punten 66 en 67 van het onderhavige arrest vermelde beoordelingsmarge van de lidstaten, met name rekening houden met het feit dat deze regeling beperkt is tot louter windturbines, met uitsluiting van andere productievormen van hernieuwbare energie, zoals fotovoltaïsche installaties of biomassa-installaties. Bovendien moet ook rekening worden gehouden met het feit dat deze regeling op nationaal niveau is vastgesteld en de plaatselijke autoriteiten elke beoordelingsbevoegdheid ontneemt met betrekking tot de mogelijkheid om af te wijken van het vereiste dat voor de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen geldt.

83      Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, voor zover deze regeling noodzakelijk en evenredig is in het licht van het bindende nationale algemene streefcijfer van de betrokken lidstaat, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Kosten

84      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid 1, onder f), van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het vereiste dat bij de plaatsing van een windturbine een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen in acht wordt genomen, geen technisch voorschrift vormt dat krachtens artikel 5 van deze richtlijn moet worden meegedeeld, voor zover dit vereiste niet leidt tot een strikt marginaal gebruik van windgeneratoren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

2)      Artikel 15, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt moet aldus worden uitgelegd dat een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, niet valt onder de regels die een dienstenactiviteit of de uitoefening hiervan afhankelijk stellen van een territoriale beperking, met name in de vorm van beperkingen op basis van een minimumafstand tussen de dienstverrichters, waarvan de lidstaten de Europese Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 7, van die richtlijn in kennis moeten stellen.

3)      Artikel 3, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling die de plaatsing van een windturbine afhankelijk stelt van de inachtneming van een minimumafstand tussen deze windturbine en woongebouwen, voor zover deze regeling noodzakelijk en evenredig is in het licht van het bindende nationale algemene streefcijfer van de betrokken lidstaat, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Pools.