Language of document : ECLI:EU:C:2020:714

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

16 september 2020 (*)

„Hogere voorziening – Uniemerk – Aanvraag tot inschrijving van een beeldmerk dat het woordelement EDISON bevat – Uitlegging van de termen in een klasseopschrift van de classificatie van Nice en in de daarbij gevoegde alfabetische lijst”

In zaak C‑121/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 15 februari 2019,

Edison SpA, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door F. Boscariol de Roberto en D. Martucci, avvocati,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door J. Crespo Carrillo als gemachtigde,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur) en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt Edison SpA om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 december 2018, Edison/EUIPO (EDISON) (T‑471/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:887; hierna: „bestreden arrest”) houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 28 april 2017 (zaak R 1355/2016‑5) inzake het Uniebeeldmerk EDISON.

 Toepasselijke bepalingen

 Classificatie van Nice

2        In de achtste editie van de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken van 15 juni 1957, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „classificatie van Nice”), luidt het opschrift van klasse 4 als volgt:

„Industriële oliën en vetten; smeermiddelen; producten voor het absorberen, besproeien en binden van stof; brandstoffen (waaronder motorbenzine) en verlichtingsstoffen; kaarsen en lampenpitten”.

3        Voorts vermeldde de bij de achtste editie van de classificatie van Nice gevoegde „alfabetische lijst van waren in de volgorde van de klassen” (hierna: „alfabetische lijst”) „motorbrandstoffen” als een van de waren die onder klasse 4 vielen.

 Verordening (EG) nr. 207/2009

4        Bij verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1) is verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) gecodificeerd en vervangen.

5        Artikel 75 van verordening nr. 207/2009, met als opschrift „Gronden van de beslissing”, bepaalde:

„De beslissingen van het [EUIPO] worden met redenen omkleed. Zij kunnen slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren.”

 Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze beslissing

6        In de punten 1 tot en met 14 van het bestreden arrest worden de voorgeschiedenis van het geding en de inhoud van de litigieuze beslissing uiteengezet. Zij kunnen in het kader van de onderhavige zaak als volgt worden samengevat.

7        Op 18 augustus 2003 heeft Edison bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend.

8        Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, betreft het volgende beeldteken:

Image not found

9        De inschrijvingsaanvraag betrof met name alle waren van klasse 4 van de classificatie van Nice.

10      De versie van de classificatie van Nice die van kracht was op het moment dat de inschrijvingsaanvraag werd ingediend, was de achtste editie, die in juni 2001 is gepubliceerd en op 1 januari 2002 van kracht is geworden. Zij is vervangen door de negende editie, die in juni 2006 is gepubliceerd en in januari 2007 van kracht is geworden.

11      Het aangevraagde merk werd op 19 augustus 2013 ingeschreven.

12      Op 15 juni 2015 heeft Edison het EUIPO verzocht om in te schrijven dat zij afstand deed voor een deel van de waren van klasse 4 waarvoor het merk was ingeschreven. Meer in het bijzonder stelde zij voor om de oorspronkelijk aangewezen waren van die klasse op de volgende manier te herdefiniëren: „Elektrische energie; petroleum, brandstoffen, koolwaterstofbrandstoffen, gas [brandstof], propaan, aardgas, lichtgas, steenkool, brandstoffen afgeleid van teer, benzine, kerosine, nafta, dieselbrandstof, additieven voor brandstoffen, benzeen, benzol, steenkool voor verwerking tot cokes (vercooksen), snijvloeistoffen, ethanol, dieselolie, lanoline, industriële oliën en vetten; smeermiddelen; producten voor het absorberen, besproeien en binden van stof; brandstoffen (waaronder motorbenzine) en verlichtingsstoffen; kaarsen en lampenpitten”.

13      Bij brief van 22 juni 2015 heeft de onderzoekster Edison meegedeeld dat haar verzoek van 15 juni 2015 niet kon worden ingewilligd, aangezien dit zou leiden tot een uitbreiding van de lijst van waren waarop de inschrijving van het Uniebeeldmerk EDISON betrekking had.

14      Bij brieven van 25 juli 2015, 24 december 2015 en 22 april 2016 heeft rekwirante haar opmerkingen hieromtrent ingediend.

15      Bij beslissing van 13 juni 2016 heeft de onderzoekster het verzoek van Edison van 15 juni 2015 afgewezen, alleen voor zover daarmee werd beoogd om „elektrische energie” op te nemen in de lijst van waren van klasse 4 waarop de inschrijving van het Uniebeeldmerk EDISON betrekking had.

16      Op 25 juli 2016 heeft Edison op grond van de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoekster.

17      Bij beslissing van 28 april 2017 (hierna: „litigieuze beslissing”) heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO het beroep verworpen. Zij heeft in het bijzonder overwogen dat in de achtste editie van de classificatie van Nice noch de opsomming van algemene benamingen noch de alfabetische lijst van waren die onder klasse 4 vallen, de uitdrukking „elektrische energie” bevatte. Overeenkomstig mededeling nr. 2/12 van de uitvoerend directeur van het EUIPO van 20 juni 2012 betreffende het gebruik van de klasseopschriften in de opgaven van waren en diensten voor gemeenschapsmerkaanvragen en ‑inschrijvingen heeft zij derhalve geoordeeld dat Edison op het moment van indiening van de merkaanvraag geen aanspraak op deze waar had kunnen beogen.

18      Voorts heeft de kamer van beroep het argument van Edison verworpen dat „motorbrandstoffen”, als waar die volgens de alfabetische lijst valt onder klasse 4, en de specificatie „waaronder motorbenzine” in het opschrift van die klasse, alle stoffen omvatten waarmee een motor kan worden aangedreven, waaronder niet-brandbare stoffen zoals elektrische energie. In dit verband heeft zij met name overwogen dat het gebruik van elektriciteit voor de aandrijving van motoren in de Europese Unie nog marginaal was ten tijde van de merkaanvraag en dat het door Edison overgelegde bewijs niet volstond om aan te tonen dat elektrische energie als „alternatieve brandstof” deel uitmaakte van de waren van klasse 4 waarop de inschrijving van het Uniebeeldmerk EDISON betrekking had. Bovendien was zij van oordeel dat de categorie van waren die onder de Engelse term „fuel” (motorbrandstof) vallen, alleen brandbare materialen omvat die kunnen worden gebruikt om elektrische energie op te wekken en niet elektrische energie zelf, die een niet-tastbaar product vormt.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

19      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 juli 2017, heeft Edison een beroep tot vernietiging van de litigieuze beslissing ingesteld.

20      Tot staving van haar beroep heeft Edison één middel aangevoerd, namelijk dat bij deze beslissing elektrische energie ten onrechte is uitgesloten van de waren van klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice op grond dat deze waar niet viel onder de termen „brandstoffen (waaronder motorbenzine)”, „verlichtingsstoffen” en „motorbrandstoffen” in de zin van de achtste editie van de classificatie van Nice.

21      Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het door Edison aangevoerde middel afgewezen en het beroep derhalve verworpen.

 Conclusies van partijen in hogere voorziening

22      Met haar hogere voorziening verzoekt Edison het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen en

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten.

23      Het EUIPO concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van Edison in de kosten.

 Hogere voorziening

24      Tot staving van haar hogere voorziening voert Edison twee middelen aan, waarbij het eerste is ontleend aan een onjuiste uitlegging van de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” in de zin van de achtste editie van de classificatie van Nice, en het tweede middel is ontleend aan schending van haar procedurele rechten en van artikel 75 van verordening nr. 207/2009.

 Eerste middel

 Argumenten van partijen

25      Met haar eerste middel verwijt Edison het Gerecht dat het ten onrechte elektrische energie heeft uitgesloten van klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice.

26      In de eerste plaats stelt Edison dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 41, 46 en 54 van het bestreden arrest te oordelen dat het bewijs dat elektrische energie niet onder klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice valt, voortvloeit uit het feit dat de term „elektrische energie” is opgenomen in een door het EUIPO gepubliceerde indicatieve en niet-uitputtende lijst met voorbeelden van waren en diensten die weliswaar vanaf de negende editie van de classificatie van Nice voorkomen op de alfabetische lijst van waren die onder klasse 4 vallen, maar „niet duidelijk onder de letterlijke betekenis” van het opschrift van die klasse vallen. Volgens Edison is deze lijst slechts een mededeling van het EUIPO die niet juridisch bindend is en waartegen beroep kan worden ingesteld. Bovendien is deze lijst, die op 8 februari 2016 is opgesteld, niet van toepassing op haar op 15 juni 2015 ingediende verzoek tot beperking.

27      In de tweede plaats betoogt Edison dat het Gerecht de draagwijdte van de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” in de zin van de achtste editie van de classificatie van Nice onjuist heeft beoordeeld, waardoor het elektrische energie ten onrechte heeft uitgesloten van klasse 4 ervan. Volgens Edison heeft het Gerecht alleen de „ontologische” kenmerken van elektrische energie in aanmerking genomen en is het voorbijgegaan aan de „functionele” kenmerken ervan.

28      Edison meent dat het Gerecht aldus geen acht heeft geslagen op zowel de beoordelingscriteria die advocaat-generaal Bot heeft ontwikkeld in zijn conclusie in de zaak The Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2011:784), als de functionele benadering van de WIPO, zoals gepubliceerd op haar website. Onder verwijzing naar het arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361), merkt Edison op dat, wat „categorische” definities betreft, aan de algemene benamingen die voorkomen in de klasseopschriften van de classificatie van Nice niet „de bekendste betekenis of de betekenis waaraan eerst wordt gedacht” moet worden toegekend, maar de betekenis ervan moet worden gezocht in het taalgebruik van de marktdeelnemers en marktregulatoren. Zij benadrukt dat, anders dan in de litigieuze beslissing wordt gesteld, zowel de marktdeelnemers als de bevoegde autoriteiten zich in de loop van 2003, toen de aanvraag tot inschrijving van het betrokken beeldmerk werd ingediend, bewust waren van de significantie van elektrische energie als alternatieve brandstof. Tot staving van haar betoog verwijst Edison naar verscheidene regelingen en regelgevende werkzaamheden.

29      In de derde plaats voert Edison aan dat de redenering van het Gerecht een tegenstrijdigheid bevat doordat het in punt 44 van het bestreden arrest verwijst naar een door de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) gepubliceerde en op haar website beschikbare verklaring, volgens welke „elektrische energie weliswaar een niet-tastbaar element is, maar kan worden geacht vergelijkbaar te zijn met andere, tastbare brandstoffen, zoals benzine en kerosine, die onder klasse 4 vallen”. Volgens Edison wordt in deze verklaring juist het tegendeel gezegd, namelijk dat het functionele kenmerk van elektriciteit, te weten het vermogen om energie op te wekken, moet prevaleren boven de ontologische kenmerken ervan.

30      In de vierde plaats betwist Edison het oordeel van het Gerecht dat het besluit om elektriciteit op te nemen in klasse 4 van de negende editie van de classificatie van Nice niet volstond om aan te tonen dat volgens de bevoegde autoriteiten elektriciteit reeds onder die klasse viel ten tijde van de achtste editie van die classificatie. Edison merkt in dit verband op dat het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest zijn redenering ten onrechte heeft gebaseerd op het feit dat het deskundigencomité van de WIPO pas in oktober 2003, dus na de indiening van de betrokken merkaanvraag, tot die opname heeft besloten. Volgens Edison is die beslissing tot opname namelijk uitgewerkt in juni 2003, dus vóór de indiening van de aanvraag tot inschrijving van haar beeldmerk in augustus 2003. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van overdreven formalisme door ervoor te kiezen om de datum waarop die beslissing tot opname was vastgesteld, in aanmerking te nemen.

31      In de vijfde plaats betwist Edison de rechtspraak waarop het Gerecht zich in punt 48 van het bestreden arrest heeft gebaseerd ter beoordeling van de draagwijdte van de term „motorbrandstof”. Edison meent in dit verband dat het arrest van 14 maart 2017, Edison/EUIPO – Eolus Vind (e) (T‑276/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:163), niet relevant is omdat het blijk geeft van onjuiste opvattingen.

32      In de zesde plaats betoogt Edison, onder verwijzing naar de tariefnomenclatuur alsmede de arresten van 15 juli 1964, Costa (6/64, EU:C:1964:66), en 27 april 1994, Almelo (C‑393/92, EU:C:1994:171), dat elektrische energie zowel naar Unierecht als naar nationaal recht wordt beschouwd als een goed in de zin van artikel 28 VWEU. Ook stelt zij dat, zoals al het geval is in het mededingingsrecht, elektrische energie in het merkenrecht op dezelfde wijze moet worden behandeld als steenkool, aardgas en petroleum, en dat het bijgevolg discriminerend zou zijn om in het merkenrecht een onderscheid te maken tussen elektrische energie en deze andere goederen. Net als die andere goederen moet elektrische energie dus worden geacht onder het begrip „motorbrandstof” te vallen, als een waar die is opgenomen in de alfabetische lijst van waren die onder klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice vallen.

33      In de zevende plaats betwist Edison de beoordeling door het Gerecht van de verschillende bewijzen die zij heeft overgelegd om aan te tonen dat elektrische energie onder het begrip „motorbrandstof” en, bijgevolg, onder klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice valt.

34      Ten eerste vecht Edison het oordeel van het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest aan dat de standpunten van het Europees Milieuagentschap (EEA), de Department of Energy and Climate Change (ministerie van Energie en Klimaatverandering, Verenigd Koninkrijk) en de Sustainable Energy Authority (autoriteit voor duurzame energie, Ierland) niet relevant zijn voor de uitlegging van voornoemd begrip „motorbrandstof”.

35      Ten tweede verwijt Edison het Gerecht dat het bepaalde documenten die zij bij de kamer van beroep had ingediend om aan te tonen dat vanaf het einde van de jaren zeventig elektrische energie in het publieke debat werd beschouwd als een „alternatieve brandstof”, niet heeft onderzocht.

36      Het EUIPO is van mening dat het eerste middel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond moet worden verklaard.

 Beoordeling door het Hof

37      In de eerste plaats moet meteen worden opgemerkt dat Edison, voor zover zij in het kader van haar eerste middel het Gerecht verwijt dat het geen „functionele” benadering heeft gevolgd om de draagwijdte van de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” te beoordelen, niet heeft aangegeven op welke specifieke punten van het bestreden arrest haar betoog betrekking heeft. Krachtens artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moeten de in het kader van een hogere voorziening aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht (beschikking van 7 juni 2018, Gaki/Europol, C‑671/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:416, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Zelfs al zou dit betoog aldus kunnen worden opgevat dat het er in wezen toe strekt om de methode ter discussie te stellen die het Gerecht heeft gevolgd om te beoordelen of elektriciteit onder de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” valt, dient in elk geval te worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 38 tot en met 56 van het bestreden arrest de draagwijdte van deze termen heeft onderzocht op basis van een letterlijke beoordeling, waarvan het in de punten 29 tot en met 37 van dat arrest de inhoud en de draagwijdte gelet op de rechtspraak van het Hof heeft uiteengezet.

39      Vastgesteld moet worden dat Edison geen kritiek uit op de toepassing en de uitlegging die het Gerecht aan deze rechtspraak heeft gegeven en, a fortiori, niet aantoont dat de door het Gerecht in die punten gehanteerde benadering blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

40      Ter ondersteuning van de door haar bepleite „functionele benadering” voert Edison immers enkel de beoordelingscriteria aan die advocaat-generaal Bot heeft ontwikkeld in zijn conclusie in de zaak Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361, punten 74 en 75).

41      Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld in punt 29 van het bestreden arrest, blijkt echter uit punt 61 van het arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361), dat de aanvrager in zijn merkaanvraag de waren waarvoor de merkbescherming wordt gevraagd voldoende duidelijk en nauwkeurig moet omschrijven opdat de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers louter op basis daarvan de omvang van de gevraagde bescherming kunnen bepalen. Daarentegen heeft het Hof in dat arrest niet de benadering gevolgd die advocaat-generaal Bot in punt 74 van zijn conclusie in die zaak had voorgesteld en die erin bestond dat de marktdeelnemers „de wezenlijke objectieve kenmerken en eigenschappen van de bedoelde waren en diensten” nauwkeurig moeten kunnen identificeren.

42      Gelet op het voorgaande moet dit betoog hoe dan ook ongegrond worden verklaard.

43      Wat in de tweede plaats het betoog van Edison betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 41, 46 en 54 van het bestreden arrest ten onrechte te verwijzen naar een door het EUIPO gepubliceerde indicatieve en niet-uitputtende lijst met voorbeelden van waren en diensten die weliswaar vanaf de negende editie van de classificatie van Nice voorkomen op de alfabetische lijst van waren die onder klasse 4 vallen, maar „niet duidelijk onder de letterlijke betekenis” van het opschrift van die klasse vallen, om tot de slotsom te komen dat elektrische energie niet onder het opschrift van klasse 4 van de classificatie van Nice valt, moet worden vastgesteld dat een dergelijk betoog niet ter zake dienend is.

44      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat grieven tegen een overweging die ten overvloede is geformuleerd in een beslissing van het Gerecht, niet tot vernietiging van die beslissing leiden en dus niet ter zake dienend zijn (zie in die zin arrest van 26 maart 2019, Commissie/Italië, C‑621/16 P, EU:C:2019:251, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Uit het feit dat in de punten 41, 46 en 54 van het bestreden arrest het woord „overigens” wordt gebruikt, blijkt dat het Gerecht slechts ten overvloede heeft verwezen naar deze door het EUIPO gepubliceerde lijst om tot de slotsom te komen dat elektrische energie niet valt onder de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” in de zin van klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice.

46      Zoals blijkt uit de punten 39, 43 en 48 van het bestreden arrest, is de hoofdreden waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat elektrische energie niet onder klasse 4 van de classificatie van Nice valt, immers dat de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” volgens de algemene en gewone betekenis ervan elektrische energie niet omvatten.

47      In de derde plaats, voor zover Edison het Gerecht een tegenstrijdige redenering verwijt doordat het in punt 44 van het bestreden arrest heeft verwezen naar een door de WIPO op haar website gepubliceerde verklaring om tot de slotsom te komen dat elektrische energie niet onder „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” valt, dient te worden opgemerkt dat dit argument berust op een onvolledige lezing van dat arrest. Immers, hoewel het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat uit deze verklaring bleek dat „elektrische energie weliswaar een niet-tastbaar element is, maar kan worden geacht vergelijkbaar te zijn met andere, tastbare brandstoffen, zoals benzine en kerosine, die onder klasse 4 vallen”, heeft het hier niettemin in hetzelfde punt aan toegevoegd dat elektrische energie, ondanks deze overeenstemming uit functioneel oogpunt, niet onder de letterlijke betekenis van het begrip „brandstoffen” valt.

48      Wat in de vierde plaats het betoog van Edison betreft dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat elektrische energie is opgenomen in de door het EUIPO gepubliceerde indicatieve en niet-uitputtende lijst met voorbeelden van waren en diensten die weliswaar vanaf de negende editie van de classificatie van Nice voorkomen op de alfabetische lijst van waren die onder klasse 4 vallen, maar „niet duidelijk onder de letterlijke betekenis” van het opschrift van die klasse vallen, moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de waarde van het aan hem voorgelegde bewijs te beoordelen (zie in die zin beschikking van 11 november 2003, Martinez/Parlement, C‑488/01 P, EU:C:2003:608, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      Het Gerecht kan, behoudens de verplichting om de algemene beginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering te eerbiedigen en om de bewijselementen niet onjuist op te vatten, niet worden verplicht zijn beoordeling van de waarde van elk voorgelegd bewijselement uitdrukkelijk te motiveren, met name wanneer het van oordeel is dat die elementen niet van belang of irrelevant zijn voor de beslechting van het geschil (arrest van 3 december 2009, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑671/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:752, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      In casu moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest het besluit om „elektrische energie” op te nemen in de door het EUIPO gepubliceerde indicatieve en niet-uitputtende lijst heeft onderzocht en heeft geoordeeld dat dit besluit geen bewijskracht had, aangezien het zich ten tijde van de indiening van de betrokken merkaanvraag nog in de uitwerkingsfase bevond. Edison heeft niet aangetoond of zelfs gesteld dat deze beoordeling berustte op een onjuiste opvatting. De in dit verband aangevoerde argumenten zijn derhalve niet-ontvankelijk.

51      In de vijfde plaats moet worden benadrukt dat Edison, voor zover zij het Gerecht verwijt dat het zijn redenering in punt 48 van het bestreden arrest ten onrechte heeft gebaseerd op het arrest van 14 maart 2017, Edison/EUIPO – Eolus Vind (e) (T‑276/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:163), zich ertoe beperkt laatstgenoemd arrest te bekritiseren in die zin dat het geen precedent schept en denkfouten bevat. Edison zet echter onvoldoende duidelijk uiteen waarom het feit dat het Gerecht naar dat arrest heeft verwezen met zich meebrengt dat de redenering in het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Hieruit volgt dat dit argument niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

52      Zoals volgt uit artikel 256, lid 1, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, moet een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel, immers duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen (arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      In de zesde plaats moet het argument waarmee Edison de in eerste aanleg voor het Gerecht aangevoerde grief ongewijzigd herhaalt dat elektrische energie – net als steenkool, gas en aardolie – als motorbrandstof moet worden beschouwd, niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien Edison niet wijst op een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht dienaangaande blijk zou hebben gegeven in het bestreden arrest.

54      In dit verband moet worden benadrukt dat een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht uitdrukkelijk van de hand gewezen feiten, herhaalt en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarin specifiek wordt aangegeven op welk punt het arrest van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, niet-ontvankelijk is. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, waartoe het Hof niet bevoegd is in het kader van een hogere voorziening (arrest van 26 januari 2017, Mamoli Robinetteria/Commissie, C‑619/13 P, EU:C:2017:50, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Wat in de zevende plaats, ten eerste, het betoog van Edison betreft dat het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest ten onrechte heeft vastgesteld dat de standpunten van het EEA, de Department of Energy and Climate Change en de Sustainable Energy Authority niet relevant zijn voor de uitlegging van het begrip „motorbrandstof” zoals opgevat door de marktdeelnemers, volstaat het eraan te herinneren dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de aan hem voorgelegde bewijzen, behoudens in geval van een onjuiste opvatting van de feiten of van de bewijzen (arrest van 19 oktober 2017, Agriconsulting Europe/Commissie, C‑198/16 P, EU:C:2017:784, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Wat ten tweede de stelling betreft dat het Gerecht bepaalde bij de kamer van beroep ingediende bijlagen niet heeft onderzocht, blijkt uit de punten 52 en 53 van het bestreden arrest dat het Gerecht weliswaar niet aan elk van deze bijlagen een uiteenzetting heeft gewijd, maar deze niettemin tezamen heeft onderzocht en heeft geoordeeld dat ze niet volstonden om aan te tonen dat marktdeelnemers het begrip „motorbrandstof” op de datum van indiening van de merkaanvraag aldus opvatten dat het elektrische energie omvatte.

57      Met deze kritiek wordt dus opgekomen tegen de waarde die het Gerecht heeft gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen, hetgeen volgens de in punt 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

58      Bijgevolg is dit betoog niet-ontvankelijk.

59      Het eerste middel moet derhalve ten dele niet-ontvankelijk, ten dele niet ter zake dienend en ten dele ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel

 Argumenten van partijen

60      Met haar tweede middel stelt Edison dat het bestreden arrest haar procedurele rechten en artikel 75 van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden.

61      Ten eerste verwijt Edison het Gerecht dat het de litigieuze beslissing heeft bevestigd terwijl deze was vastgesteld in strijd met haar procedurele rechten. Volgens Edison heeft het EUIPO, door niet uitvoerig in te gaan op het verzoek om een afstand in te schrijven, de bewijslast inzake de onrechtmatigheid van de weigering van de gedeeltelijke afstand met betrekking tot elektrische energie omgekeerd, zodat Edison gedwongen werd om redenen aan te voeren die de opname rechtvaardigen, in plaats van de redenen voor de uitsluiting door het EUIPO te betwisten.

62      Ten tweede voert Edison aan dat het Gerecht zich ertoe heeft beperkt de litigieuze beslissing te bevestigen terwijl deze ontoereikend was gemotiveerd, aangezien zij geen redenen bevatte die rechtvaardigen dat elektriciteit wordt uitgesloten van de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” in de zin van klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice. Voorts is Edison van mening dat het onlogisch is om, zoals het Gerecht heeft gedaan, zowel te erkennen dat elektrische voertuigen deel uitmaken van het handelsverkeer als te ontkennen dat de marktdeelnemers elektrische energie als motorbrandstof beschouwen, zij het als alternatieve brandstof.

63      Het EUIPO verzoekt om afwijzing van het tweede middel.

 Beoordeling door het Hof

64      In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat Edison, voor zover zij het Gerecht verwijt dat het de litigieuze beslissing heeft bevestigd terwijl deze was vastgesteld in strijd met haar procedurele rechten, zich ertoe beperkt de argumenten die zij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd woordelijk te herhalen, zonder specifiek aan te geven in welk opzicht het bestreden arrest berust op een onjuiste rechtsopvatting laat staan te preciseren welke exacte punten ervan een dergelijke onjuiste rechtsopvatting bevatten.

65      Derhalve moet dit argument overeenkomstig de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

66      In de tweede plaats, voor zover Edison het Gerecht verwijt dat het de litigieuze beslissing heeft bevestigd terwijl deze ontoereikend is gemotiveerd, volstaat het om op te merken dat het Gerecht in de punten 39 tot en met 42, 43 tot en met 47 en 48 tot en met 54 van het bestreden arrest een uitvoerige analyse heeft gemaakt van de gronden voor uitsluiting van elektriciteit van de termen „verlichtingsstoffen”, „brandstoffen (waaronder motorbenzine)” en „motorbrandstoffen” in de zin van klasse 4 van de achtste editie van de classificatie van Nice.

67      Bovendien moet de stelling van Edison dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd eveneens ongegrond worden verklaard, aangezien zij voortvloeit uit een onvolledige lezing van dat arrest, in het bijzonder van de punten 52 en 53 ervan. Het Gerecht heeft immers in punt 52 van het bestreden arrest, rekening houdend met het door Edison verstrekte bewijs, weliswaar erkend dat er reeds „bepaalde” gedeeltelijk of volledig met elektrische energie aangedreven automodellen op de markt waren gebracht, maar heeft in het volgende punt van dat arrest vastgesteld dat de ontwikkeling op de Europese markt van met elektrische energie aangedreven automodellen pas meerdere jaren na de indiening van de betrokken merkaanvraag „daadwerkelijk” had plaatsgevonden. Deze analyse geeft dus geen blijk van enige tegenstrijdigheid.

68      Hieruit volgt dat het tweede middel van de hogere voorziening ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond moet worden verklaard.

69      Gelet op alle voorgaande overwegingen moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

 Kosten

70      Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Edison in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Negende kamer) verklaart:

1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)      Edison SpA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.