Language of document : ECLI:EU:F:2010:87

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

9 juli 2010

Zaak F‑91/09

Luigi Marcuccio

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst — Ambtenaren — Redelijke termijn voor indiening van schadevordering — Termijnoverschrijding”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee Marcuccio vraagt om, ten eerste, een verklaring van non-existentie en, subsidiair, nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn verzoek van 9 september 2008 om vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden door een nota van de medische dienst van de Commissie van 9 december 2003 betreffende een op hem betrekking hebbende medische controle, ten tweede, nietigverklaring en een verklaring van non-existentie van het besluit van de Commissie van 30 juni 2009 tot afwijzing van zijn klacht van 16 maart 2009 tegen dat stilzwijgend besluit, ten derde, veroordeling van de Commissie tot betaling van het bedrag van 300 000 EUR ter vergoeding van de gestelde schade, dan wel van elk ander bedrag dat het Gerecht uit dien hoofde billijk en redelijk acht, vermeerderd met rente vanaf de dag waarop de Commissie het verzoek van 9 september 2008 heeft ontvangen, tegen een rentevoet van 10 % per jaar en met jaarlijkse kapitalisatie.

Beslissing: Het beroep wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker wordt verwezen in alle kosten.

Samenvatting

Ambtenaren — Beroep — Termijnen — Aan instelling gerichte
schadevordering — Inachtneming van redelijke termijn — Beoordelingscriteria

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 46; Ambtenarenstatuut, art. 90)

Ambtenaren of personeelsleden moeten binnen een redelijke termijn bij de instelling een verzoek indienen om van de Unie vergoeding te krijgen van schade die aan haar toerekenbaar zou zijn, en wel vanaf het moment waarop zij kennis hebben gekregen van de door hen gelaakte situatie. De redelijkheid van een termijn moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van elke zaak en, met name, het belang van het geding voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en de gedraging van de betrokken partijen.

In dit verband moet eveneens rekening worden gehouden met het vergelijkingspunt dat wordt gevormd door de verjaringstermijn van vijf jaar die in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie voor niet-contractuele aansprakelijkheidsvorderingen is vastgesteld, hoewel die termijn niet geldt voor geschillen tussen de Unie en haar personeelsleden. De betrokkenen dienen, waar zij van mening zijn dat zij onwettig worden gediscrimineerd, binnen een redelijke termijn van maximaal vijf jaar vanaf het ogenblik dat zij kennis hebben gekregen van de door hen gelaakte situatie, de instelling te verzoeken om passende maatregelen te nemen om deze situatie te verhelpen en te beëindigen.

De termijn van vijf jaar vormt echter geen onverbiddelijke en onaantastbare grens waarbinnen elk verzoek ontvankelijk is, ongeacht de tijd die de verzoeker heeft genomen om zijn verzoek bij de administratie in te dienen en de omstandigheden van het geval.

(cf. punten 32‑35)

Referentie:

Hof: 22 oktober 1975, Meyer-Burckhardt/Commissie, 9/75, Jurispr. blz. 1171, punten 7, 10 en 11

Gerecht van eerste aanleg: 5 oktober 2004, Sanders e.a./Commissie, T‑45/01, Jurispr. blz. II‑3315, punt 62; 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T‑144/02, Jurispr. blz. II‑3381, punten 60, 65 en 66 en de aangehaalde rechtspraak, en punt 71; 26 juni 2009, Marcuccio/Commissie, T‑114/08 P, JurAmbt. blz. I-B-1-53 en II-B-1-313, punt 28

Gerecht voor ambtenarenzaken: 1 februari 2007, Tsarnavas/Commissie, F‑125/05, JurAmbt. blz. I-A-1-43 en II-A-1-231, punten 71, 76 en 77