Language of document : ECLI:EU:C:2011:671

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

20 oktober 2011 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Bevoegdheid van lagere rechter om Hof prejudiciële vraag te stellen – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Insolventieprocedures – Internationale bevoegdheid – Centrum van voornaamste belangen van schuldenaar – Verplaatsing van statutaire zetel naar andere lidstaat – Begrip ,vestiging’”

In zaak C‑396/09,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale di Bari (Italië) bij beslissing van 6 juli 2009, ingekomen bij het Hof op 13 oktober 2009, in de procedure

Interedil Srl, in liquidatie,

tegen

Fallimento Interedil Srl,

Intesa Gestione Crediti SpA,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Safjan, A. Borg Barthet, M. Ilešič en M. Berger (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 januari 2011,

gelet op de opmerkingen van:

–        Interedil Srl, in liquidatie, vertegenwoordigd door P. Troianiello, avvocato,

–        Fallimento Interedil Srl, vertegenwoordigd door G. Labanca, avvocato,

–        Intesa Gestione Crediti SpA, vertegenwoordigd door G. Costantino, avvocato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Bambara en S. Petrova als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 maart 2011,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1; hierna: „verordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Interedil Srl, in liquidatie (hierna: „Interedil”), en anderzijds Fallimento Interedil Srl en Intesa Gestione Crediti SpA (hierna: „Intesa”), waarvan Italfondario SpA de rechtsopvolgster is, betreffende een door Intesa ingestelde vordering tot insolventverklaring van Interedil.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De verordening is met name op grond van de artikelen 61, sub c, EG en 67, lid 1, EG vastgesteld.

4        Artikel 2 van de verordening („definities”) bepaalt:

„Voor het doel van deze verordening wordt verstaan onder:

a)      ,insolventieprocedure’: de collectieve procedures bedoeld in artikel 1, lid 1. Deze procedures worden opgesomd in bijlage A;

      [...]

h)      ,vestiging’: elke plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is.”

5        In bijlage A bij de verordening wordt voor Italië onder meer de „fallimento”-procedure vermeld.

6        Artikel 3 van de verordening („internationale bevoegdheid”) bepaalt:

„1.      De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.

2.      Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.

[...]”

7        Volgens punt 13 van de considerans van de verordening „[dient] [h]et ,centrum van de voornaamste belangen’ [...] overeen te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is”.

 Nationaal recht

8        Artikel 382 van de Codice di procedura civile (Italiaans wetboek van burgerlijke rechtsvordering) betreffende de beslechting door de Corte suprema di cassazione van bevoegdheidsvragen bepaalt:

„Wanneer de Corte een bevoegdheidsvraag krijgt voorgelegd, doet zij daarover uitspraak en stelt zij zo nodig de bevoegde rechter vast. [...]”

9        Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de op grond van die bepaling gegeven beslissing van de Corte suprema di cassazione volgens vaste rechtspraak definitief en bindend is voor de feitenrechter.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Interedil werd in de rechtsvorm van een „società a responsabilità limitata” naar Italiaans recht opgericht, met als statutaire zetel Monopoli (Italië). Op 18 juli 2001 werd haar statutaire zetel verplaatst naar Londen (Verenigd Koninkrijk). Op dezelfde datum werd haar inschrijving in het handelsregister van de Italiaanse Staat doorgehaald. Als gevolg van de verplaatsing van haar zetel werd Interedil in het vennootschapsregister van het Verenigd Koninkrijk ingeschreven met de aantekening „FC” („Foreign Company”, buitenlandse vennootschap).

11      Volgens haar verklaringen, zoals weergegeven in de verwijzingsbeslissing, heeft Interedil tegelijk met de overbrenging van haar zetel handelingen verricht in het kader waarvan het Britse Canopus-concern haar heeft verworven en er onderhandelingen zijn gevoerd en overeenkomsten zijn gesloten over de verkoop van het bedrijf. Enige maanden na de overbrenging van haar statutaire zetel is de eigendom van de onroerende goederen van Interedil in Tarente (Italië) aan Windowmist Limited overgedragen als onderdeel van het overgedragen bedrijf. Interedil heeft tevens gepreciseerd dat zij op 22 juli 2002 uit het vennootschapsregister van het Verenigd Koninkrijk werd geschrapt.

12      Op 28 oktober 2003 verzocht Intesa het Tribunale di Bari een insolventieprocedure („fallimento”) te openen ten aanzien van Interedil.

13      Interedil betwistte de bevoegdheid van het Tribunale di Bari op de grond dat door de verplaatsing van haar statutaire zetel naar het Verenigd Koninkrijk alleen de rechters van die lidstaat bevoegd waren om een insolventieprocedure te openen. Op 13 december 2003 verzocht Interedil de Corte suprema di cassazione om een prejudiciële uitspraak over de bevoegdheidsvraag.

14      Op 24 mei 2004 opende het Tribunale di Bari de insolventieprocedure over het vermogen van Interedil zonder te wachten op de uitspraak van de Corte suprema di cassazione, daar het de exceptie van onbevoegdheid van de Italiaanse rechter kennelijk ongegrond achtte en bewezen achtte dat de betrokken onderneming niet in staat was haar schulden te betalen.

15      Op 18 juni 2004 diende Interedil tegen deze openingsbeschikking een bezwaarschrift in bij de verwijzende rechter.

16      Op 20 mei 2005 deed de Corte suprema di cassazione uitspraak over de haar voorgelegde prejudiciële bevoegdheidsvraag en oordeelde zij dat de Italiaanse rechters bevoegd waren. Volgens de Corte suprema di cassazione kon het vermoeden van artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening, dat het centrum van de voornaamste belangen overeenkomt met de plaats van de statutaire zetel, worden weerlegd door verschillende omstandigheden, namelijk de aanwezigheid in Italië van aan Interedil toebehorende onroerende goederen, het bestaan van een huurovereenkomst voor twee hotelcomplexen en een overeenkomst met een financiële instelling, en het feit dat was nagelaten om het handelsregister van Bari op de hoogte te stellen van de overbrenging van de statutaire zetel.

17      Aangezien het Tribunale di Bari gelet op de criteria van het Hof zoals uiteengezet in zijn arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, Jurispr. blz. I‑3813), betwijfelde of deze beoordeling van de Corte suprema di cassazione gegrond was, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet het begrip ,centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar’ in artikel 3, lid 1, van [de verordening] worden uitgelegd overeenkomstig de communautaire regeling of overeenkomstig de nationale regeling, en, indien het eerste het geval is, wat houdt dit begrip dan in en welke factoren of elementen zijn beslissend voor het bepalen van het ,centrum van de voornaamste belangen’?

2)      Kan het vermoeden van artikel 3, lid 1, van [de verordening], dat ,bij vennootschappen, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen wordt vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn’, worden weerlegd door de constatering dat een reële ondernemingsactiviteit wordt verricht in een andere staat dan die waar de statutaire zetel van de vennootschap zich bevindt, of is voor de weerlegging van dit vermoeden noodzakelijk dat wordt aangetoond dat de vennootschap in de staat waar haar statutaire zetel zich bevindt geen ondernemingsactiviteiten heeft verricht?

3)      Zijn het feit dat de vennootschap in een andere lidstaat dan die waar haar statutaire zetel zich bevindt, onroerend goed bezit, het feit dat zij daar met een andere vennootschap een huurovereenkomst voor twee hotelcomplexen heeft gesloten, en het feit dat zij daar een overeenkomst heeft gesloten met een financiële instelling, elementen of factoren die het vermoeden van artikel 3 van [de verordening] ten gunste van de ,statutaire zetel’ van de vennootschap kunnen weerleggen, en zijn deze omstandigheden voldoende om aan te nemen dat er in die staat sprake is van een ,vestiging’ van de vennootschap in de zin van artikel 3, lid 2, van [de verordening]?

4)      Indien [de beslissing] van de Corte [suprema] di Cassazione inzake de rechterlijke bevoegdheid berust op een andere uitlegging van artikel 3 van [de verordening] dan die van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, staat dan artikel 382 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan de uitspraak van de Corte [suprema] di Cassazione over de rechterlijke bevoegdheid onherroepelijk en bindend is, in de weg aan de toepassing van die communautaire bepaling zoals uitgelegd door het Hof van Justitie?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Bevoegdheid van het Hof

18      De Europese Commissie betwijfelt of het Hof bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Zij merkt op dat dit verzoek is ingediend bij beslissing van 6 juli 2009, ingekomen bij het Hof op 13 oktober 2009. Ingevolge het op laatstgenoemde datum geldende artikel 68, lid 1, EG waren slechts de nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar waren voor hoger beroep, bevoegd tot prejudiciële verwijzing naar het Hof met het oog op de uitlegging van de handelingen die de gemeenschapsinstellingen op grond van titel IV van het EG-Verdrag hebben vastgesteld. In casu is de verordening vastgesteld op grond van de artikelen 61, sub c, EG en 67, lid 1, EG, die deel uitmaken van titel IV van het Verdrag, en kan, volgens de Commissie, tegen de beslissingen van de verwijzende rechter naar nationaal recht hoger beroep worden ingesteld.

19      Dienaangaande volstaat de vaststelling dat artikel 68 EG is komen te vervallen met de inwerkingtreding op 1 december 2009 van het Verdrag van Lissabon en dat de daarin vervatte beperking van het recht van prejudiciële verwijzing naar het Hof is verdwenen. Overeenkomstig artikel 267 VWEU hebben rechterlijke instanties waarvan de beslissingen naar nationaal recht vatbaar zijn voor hoger beroep, sindsdien het recht van prejudiciële verwijzing naar het Hof wanneer op grond van titel IV van het Verdrag vastgestelde handelingen in het geding zijn (zie in die zin arrest van 17 februari 2011, Weryński, C‑283/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 28 en 29).

20      In de punten 30 en 31 van het arrest Weryński heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op het in artikel 267 VWEU beoogde streven naar efficiënte samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties en op het beginsel van proceseconomie, moet worden vastgesteld dat het sinds 1 december 2009 bevoegd is voor de behandeling van een verzoek om een prejudiciële beslissing van een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen naar nationaal recht vatbaar zijn voor hoger beroep, ook indien het verzoek vóór die datum werd ingediend.

21      Het Hof is dus in elk geval bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.

 Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

 Verband tussen de prejudiciële vragen en het hoofdgeding

22      Met verwijzing naar een vraag van de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft Interedil ter terechtzitting gesteld dat, aangezien zij in juli 2002 uit het vennootschapsregister van het Verenigd Koninkrijk werd geschrapt, zij toen is opgehouden te bestaan. Derhalve is het ten aanzien van Interedil in oktober 2003 bij het Tribunale di Bari ingediende verzoek tot opening van een insolventieprocedure zonder voorwerp en zijn de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk.

23      Volgens vaste rechtspraak kan het Hof slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer met name de gevraagde uitlegging van het Unierecht duidelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die voor een nuttig antwoord op de gestelde vragen noodzakelijk zijn (zie met name arrest van 7 december 2010, VEBIC, C‑439/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Dienaangaande moet erop worden gewezen dat de verordening alleen de voorschriften betreffende de internationale bevoegdheid, de erkenning van beslissingen en het toepasselijke recht ter zake van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen harmoniseert. Of een verzoek om ten aanzien van een schuldenaar een insolventieprocedure te openen ontvankelijk is, moet nog steeds worden bepaald volgens het toepasselijke nationale recht.

25      Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter heeft Interedil hem ervan in kennis gesteld dat deze vennootschap in juli 2002 uit het vennootschapsregister van het Verenigd Koninkrijk werd geschrapt. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter helemaal niet dat die omstandigheid naar nationaal recht kan verhinderen dat een insolventieprocedure wordt geopend. Het valt immers niet uit te sluiten dat in het nationale recht in de mogelijkheid wordt voorzien een dergelijke procedure te openen om de betaling van de schuldeisers van een ontbonden vennootschap te organiseren.

26      Derhalve blijkt niet op duidelijke wijze dat de door de nationale rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het vraagstuk van hypothetische aard is.

27      De door Interedil opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dus worden verworpen.

 Voorwerp van de prejudiciële vragen

28      Verweersters in het hoofdgeding stellen dat de vragen niet-ontvankelijk zijn vanwege het voorwerp ervan. Volgens hen vallen in de eerste en de vierde vraag geen verschillen te bekennen tussen de bepalingen van het Unierecht en de toepassing daarvan door de nationale rechter, terwijl het Hof met de tweede en de derde vraag wordt verzocht om de Unierechtelijke regels op het bij de verwijzende rechter aanhangig zijnde concrete geval toe te passen.

29      Bij een prejudiciële verwijzing is het Hof bevoegd om zich op grond van de door de verwijzende rechter omschreven feiten over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel uit te spreken en moet de verwijzende rechter de regel op het bij hem aanhangig zijnde concrete geval toepassen (zie met name arrest van 7 september 2006, Price, C‑149/05, Jurispr. blz. I‑7691, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      De eerste drie vragen hebben in wezen betrekking op de uitlegging die moet worden gegeven aan het begrip „centrum van de voornaamste belangen” van de schuldenaar in de zin van artikel 3, lid 1, van de verordening. Derhalve zijn deze vragen, gelet op het voorwerp ervan, ontvankelijk.

31      De vierde vraag betreft de mogelijkheid voor de verwijzende rechter om het oordeel van een hogere rechter naast zich neer te leggen indien dat oordeel, gelet op de uitlegging van het Hof, volgens hem in strijd is met het Unierecht. Deze vraag, die ziet op de prejudiciële verwijzingsprocedure van artikel 267 VWEU, is dus ook ontvankelijk.

 Ontbreken van een geding

32      Verweersters in het hoofdgeding stellen dat de Corte suprema di cassazione op de vraag of de Italiaanse rechters bevoegd zijn om een insolventieprocedure te openen, heeft beslist bij een beslissing die huns inziens in kracht van gewijsde is gegaan. Derhalve is er geen bij de verwijzende rechter „aanhangig geding” in de zin van artikel 267 VWEU, zodat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.

33      Dit betoog moet worden onderzocht tezamen met de vierde vraag, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen in hoeverre hij gebonden is aan de door de Corte suprema di cassazione gegeven uitlegging van het Unierecht.

 Vierde vraag

34      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht zich ertegen verzet dat een nationale rechter overeenkomstig een nationale procedureregel gebonden is aan het oordeel van een hogere nationale rechter, wanneer blijkt dat het oordeel van de hogere rechter in strijd is met het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof.

35      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het bestaan van een nationale procedureregel niet afdoet aan de bevoegdheid van niet in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties om het Hof prejudiciële vragen te stellen wanneer zij, zoals in het hoofdgeding, twijfels koesteren over de uitlegging van het Unierecht (arrest van 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 25).

36      Volgens vaste rechtspraak is een prejudicieel arrest van het Hof voor de nationale rechter bindend bij de beslechting van het hoofdgeding, wat de uitlegging of de geldigheid van de betrokken handelingen van instellingen van de Unie betreft (zie met name arrest Elchinov, reeds aangehaald, punt 29).

37      Derhalve is de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden aan de door het Hof gegeven uitlegging van de betrokken bepalingen en moet hij in voorkomend geval het oordeel van de hogere rechter naast zich neerleggen indien hij, gelet op die uitlegging, meent dat dit oordeel in strijd is met het Unierecht (zie met name arrest Elchinov, reeds aangehaald, punt 30).

38      In dit verband moet worden benadrukt dat blijkens vaste rechtspraak de nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, zorg moet dragen voor de volle werking van die bepalingen en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige nationale bepaling, in casu dus de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale procedureregel, buiten toepassing moet laten zonder dat hij eerst de intrekking hiervan bij wet of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten (zie met name arrest Elchinov, reeds aangehaald, punt 31).

39      Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een nationale rechter overeenkomstig een nationale procedureregel gebonden is aan het oordeel van een hogere nationale rechter, wanneer blijkt dat het oordeel van de hogere rechter in strijd is met het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof.

40      Op dezelfde gronden dient de door verweersters in het hoofdgeding opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid inzake het ontbreken van een geding te worden afgewezen.

 Eerste deel van de eerste vraag

41      Met het eerste deel van de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip „centrum van de voornaamste belangen” van de schuldenaar in artikel 3, lid 1, van de verordening moet worden uitgelegd aan de hand van het Unierecht of aan de hand van het nationale recht.

42      Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie met name arrest van 29 oktober 2009, NCC Construction Danmark, C‑174/08, Jurispr. blz. I‑10567, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      Wat meer in het bijzonder het begrip „centrum van de voornaamste belangen” van de schuldenaar in de zin van artikel 3, lid 1, van de verordening betreft, heeft het Hof in punt 31 van het reeds aangehaalde arrest Eurofood IFSC geoordeeld dat het een begrip is dat eigen is aan de verordening, zodat het een autonome betekenis heeft en het dus eenvormig en los van de nationale wetgevingen moet worden uitgelegd.

44      Op het eerste deel van de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat het begrip „centrum van de voornaamste belangen” van de schuldenaar in artikel 3, lid 1, van de verordening moet worden uitgelegd aan de hand van het Unierecht.

 Tweede deel van de eerste vraag, tweede vraag en eerste deel van de derde vraag

45      Met het tweede deel van de eerste vraag, de tweede vraag en het eerste deel van de derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen van een schuldplichtige vennootschap moet worden uitgelegd.

46      Aangezien Interedil, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, in 2001 haar statutaire zetel van Italië naar het Verenigd Koninkrijk heeft verplaatst en vervolgens in 2002 uit het vennootschapsregister van laatstgenoemde lidstaat is geschrapt, moet voor een volledig antwoord aan de verwijzende rechter tevens worden gepreciseerd wat de relevante datum is voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar teneinde te bepalen welke rechter bevoegd is om de hoofdinsolventieprocedure te openen.

 Relevante criteria voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar

47      De verordening bevat weliswaar geen definitie van het begrip „centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar”, maar de draagwijdte ervan wordt, zoals het Hof in punt 32 van het arrest Eurofood IFSC heeft opgemerkt, verduidelijkt in punt 13 van de considerans van de verordening, volgens hetwelk „[h]et ‚centrum van de voornaamste belangen’ dient overeen te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is”.

48      Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van haar conclusie heeft opgemerkt, weerspiegelen het vermoeden ten gunste van de statutaire zetel in artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening en de verwijzing in punt 13 van de considerans ervan naar de plaats waar het beheer over de belangen wordt gevoerd, de wil van de Uniewetgever om als bevoegdheidscriterium voorrang te geven aan de plaats van het hoofdbestuur van de vennootschap.

49      Met betrekking tot dat punt van de considerans heeft het Hof er in punt 33 van het arrest Eurofood IFSC bovendien op gewezen dat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar moet worden geïdentificeerd aan de hand van criteria die zowel objectief als voor derden verifieerbaar zijn, om de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van de bepaling van de voor de opening van de hoofdinsolventieprocedure bevoegde rechter te garanderen. Vastgesteld moet worden dat er sprake is van dergelijke objectiviteit en verifieerbaarheid wanneer de materiële factoren waarmee rekening wordt gehouden voor de vaststelling van de plaats waar de schuldplichtige vennootschap gewoonlijk het beheer over haar belangen voert, openbaar zijn gemaakt of minstens zo transparant zijn dat derden, dat wil zeggen met name de schuldeisers van de vennootschap, daarvan op de hoogte konden zijn.

50      Indien de bestuurs‑ en toezichtorganen van een vennootschap zich op de plaats van haar statutaire zetel bevinden en de bestuursbesluiten van de vennootschap op voor derden verifieerbare wijze op die plaats worden genomen, geldt het vermoeden van artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening, dat het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap zich op die plaats bevindt, dus onverkort. In een dergelijk geval is er, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van haar conclusie heeft opgemerkt, geen ruimte meer voor een elders gelegen centrum van de voornaamste belangen van de schuldplichtige vennootschap.

51      Het vermoeden van artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening kan evenwel worden weerlegd wanneer de plaats van het hoofdbestuur van een vennootschap zich, uit het oogpunt van derden, niet op de plaats van de statutaire zetel bevindt. Zoals het Hof in punt 34 van het arrest Eurofood IFSC heeft geoordeeld, kan worden afgeweken van het door de Uniewetgever ingevoerde vermoeden ten gunste van de statutaire zetel van de vennootschap, indien aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren kan worden aangetoond dat de werkelijke situatie verschilt van die welke de aanknoping aan de statutaire zetel wordt geacht te weerspiegelen.

52      Tot de in aanmerking te nemen factoren behoren met name alle plaatsen waar de schuldplichtige vennootschap een economische activiteit uitoefent en alle plaatsen waar zij goederen bezit, voor zover die plaatsen voor derden herkenbaar zijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van haar conclusie heeft opgemerkt, moeten die factoren integraal worden geëvalueerd, rekening houdend met de individuele omstandigheden van het geval.

53      Tegen die achtergrond kunnen de door de verwijzende rechter ter sprake gebrachte omstandigheden dat zich in een andere lidstaat dan die van de statutaire zetel aan de schuldplichtige vennootschap toebehorende onroerende goederen bevinden, waarvoor zij huurovereenkomsten heeft gesloten, en dat in die lidstaat met een financiële instelling een overeenkomst is gesloten, worden aangemerkt als objectieve factoren en, gelet op de daarmee gepaard gaande publieke zichtbaarheid, als voor derden verifieerbare factoren. Niettemin kunnen de aanwezigheid van vermogensbestanddelen van de vennootschap in een andere lidstaat dan die van de statutaire zetel van de vennootschap en het aldaar bestaan van overeenkomsten met betrekking tot de financiële exploitatie van die vermogensbestanddelen slechts volstaan voor de weerlegging van het door de Uniewetgever ingevoerde vermoeden, wanneer uit een integrale beoordeling van alle relevante factoren op een voor derden verifieerbare wijze blijkt dat het werkelijke centrum van bestuur en toezicht van de vennootschap en van het beheer over haar belangen zich in die andere lidstaat bevindt.

 Relevante datum voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar

54      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de verordening geen expliciete regeling bevat voor het specifieke geval van de verplaatsing van het centrum van de belangen van de schuldenaar. Gelet op de algemene bewoordingen van artikel 3, lid 1, van de verordening moet de laatste plaats waar dat centrum zich bevindt, dus worden beschouwd als de relevante plaats om te bepalen welke rechter bevoegd is om een hoofdinsolventieprocedure te openen.

55      Deze uitleg wordt bevestigd in de rechtspraak van het Hof. Het Hof heeft immers geoordeeld dat, indien het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar wordt verplaatst na indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure, maar vóór de opening van die procedure, de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen gelegen was op het moment waarop het verzoek werd ingediend, bevoegd blijven om te beslissen op dat verzoek (arrest van 17 januari 2006, Staubitz-Schreiber, C‑1/04, Jurispr. blz. I‑701, punt 29). Daaruit moet worden afgeleid dat voor de vaststelling van de bevoegde rechter in beginsel relevant is de plaats waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevond op de datum waarop het verzoek tot opening van een insolventieprocedure is ingediend.

56      Wanneer, zoals in het hoofdgeding, de statutaire zetel vóór indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure is verplaatst, wordt de plaats van de nieuwe statutaire zetel overeenkomstig artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening dus vermoed het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar te zijn en worden de rechters van de lidstaat waar die nieuwe zetel zich bevindt, derhalve in beginsel bevoegd om een hoofdinsolventieprocedure te openen, tenzij het vermoeden van artikel 3, lid 1, van de verordening wordt weerlegd door het bewijs dat het centrum van de voornaamste belangen de zetelverplaatsing niet is gevolgd.

57      Dezelfde regels moeten worden gehanteerd wanneer op de datum waarop het verzoek tot opening van de insolventieprocedure is ingediend, de schuldplichtige vennootschap uit het vennootschapsregister was geschrapt en, zoals Interedil in haar opmerkingen aanvoert, haar activiteiten had gestaakt.

58      Zoals blijkt uit de punten 47 tot en met 51 van het onderhavige arrest, ligt ten grondslag aan het begrip „centrum van de voornaamste belangen” immers de wens om aan te knopen aan de plaats waarmee de vennootschap objectief en voor derden herkenbaar de nauwste betrekkingen onderhoudt. Derhalve is het logisch dat in een dergelijk geval voorrang wordt gegeven aan de plaats waar het laatste centrum van de voornaamste belangen zich bevond ten tijde van de schrapping van de schuldplichtige vennootschap en de stopzetting van haar activiteiten.

59      Op het tweede deel van de eerste vraag, de tweede vraag en het eerste deel van de derde vraag moet dus worden geantwoord dat voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen van een schuldplichtige vennootschap artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening moet worden uitgelegd als volgt:

–        het centrum van de voornaamste belangen van een schuldplichtige vennootschap moet worden vastgesteld door voorrang te geven aan de plaats van het hoofdbestuur van deze vennootschap zoals die aan de hand van objectieve en voor derden verifieerbare gegevens kan worden bepaald. Indien de bestuurs‑ en toezichtorganen van een vennootschap zich op de plaats van haar statutaire zetel bevinden en de bestuursbesluiten van deze vennootschap op voor derden verifieerbare wijze op die plaats worden genomen, kan het vermoeden van die bepaling niet worden weerlegd. Indien de plaats van het hoofdbestuur van een vennootschap zich niet op de plaats van haar statutaire zetel bevindt, kunnen de aanwezigheid van vermogensbestanddelen van de vennootschap in een andere lidstaat dan die van de statutaire zetel van deze vennootschap en het aldaar bestaan van overeenkomsten met betrekking tot de financiële exploitatie van die vermogensbestanddelen slechts volstaan voor de weerlegging van dat vermoeden, wanneer uit een integrale beoordeling van alle relevante factoren op een voor derden verifieerbare wijze blijkt dat het werkelijke centrum van bestuur en toezicht van deze vennootschap en van het beheer over haar belangen zich in die andere lidstaat bevindt;

–        wanneer de statutaire zetel van een schuldplichtige vennootschap vóór indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure is verplaatst, wordt het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap vermoed de plaats van haar nieuwe statutaire zetel te zijn.

 Tweede deel van de derde vraag

60      Met het tweede deel van de derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe het begrip „vestiging” in de zin van artikel 3, lid 2, van de verordening moet worden uitgelegd.

61      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat in artikel 2, sub h, van de verordening het begrip „vestiging” wordt gedefinieerd als elke plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is.

62      Dat deze definitie aan de uitoefening van een economische activiteit de beschikbaarheid van menskracht verbindt, wijst erop dat een minimum aan organisatie en een zekere stabiliteit zijn vereist. A contrario voldoet de loutere aanwezigheid van individuele vermogensbestanddelen of bankrekeningen in beginsel dus niet aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als „vestiging”.

63      Aangezien de aanwezigheid van een vestiging op het grondgebied van een lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de verordening inhoudt dat de rechters van die lidstaat bevoegd zijn om een secundaire insolventieprocedure ten aanzien van de schuldenaar te openen, dient te worden geoordeeld dat, om de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van de bepaling van de bevoegde rechter te garanderen, het bestaan van een vestiging, net als de plaats waar het centrum van de voornaamste belangen zich bevindt, moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve en voor derden verifieerbare gegevens.

64      Op het tweede deel van de derde vraag moet dus worden geantwoord dat het begrip „vestiging” in de zin van artikel 3, lid 2, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat sprake dient te zijn van een structuur met een minimum aan organisatie en een zekere stabiliteit voor de uitoefening van een economische activiteit. De loutere aanwezigheid van individuele vermogensbestanddelen of bankrekeningen beantwoordt in beginsel niet aan die definitie.

 Kosten

65      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Het Unierecht verzet zich ertegen dat een nationale rechter overeenkomstig een nationale procedureregel gebonden is aan het oordeel van een hogere nationale rechter, wanneer blijkt dat het oordeel van de hogere rechter in strijd is met het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof.

2)      Het begrip „centrum van de voornaamste belangen” van de schuldenaar in artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, moet worden uitgelegd aan de hand van het Unierecht.

3)      Voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen van een schuldplichtige vennootschap moet artikel 3, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 1346/2000 worden uitgelegd als volgt:

–        het centrum van de voornaamste belangen van een schuldplichtige vennootschap moet worden vastgesteld door voorrang te geven aan de plaats van het hoofdbestuur van deze vennootschap zoals die aan de hand van objectieve en voor derden verifieerbare gegevens kan worden bepaald. Indien de bestuurs‑ en toezichtorganen van een vennootschap zich op de plaats van haar statutaire zetel bevinden en de bestuursbesluiten van deze vennootschap op voor derden verifieerbare wijze op die plaats worden genomen, kan het vermoeden van die bepaling niet worden weerlegd. Indien de plaats van het hoofdbestuur van een vennootschap zich niet op de plaats van haar statutaire zetel bevindt, kunnen de aanwezigheid van vermogensbestanddelen van de vennootschap in een andere lidstaat dan die van de statutaire zetel van deze vennootschap en het aldaar bestaan van overeenkomsten met betrekking tot de financiële exploitatie van die vermogensbestanddelen slechts volstaan voor de weerlegging van dat vermoeden, wanneer uit een integrale beoordeling van alle relevante factoren op een voor derden verifieerbare wijze blijkt dat het werkelijke centrum van bestuur en toezicht van deze vennootschap en van het beheer over haar belangen zich in die andere lidstaat bevindt;

–        wanneer de statutaire zetel van een schuldplichtige vennootschap vóór indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure is verplaatst, wordt het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap vermoed de plaats van haar nieuwe statutaire zetel te zijn.

4)      Het begrip „vestiging” in de zin van artikel 3, lid 2, van deze verordening moet aldus worden uitgelegd dat sprake dient te zijn van een structuur met een minimum aan organisatie en een zekere stabiliteit voor de uitoefening van een economische activiteit. De loutere aanwezigheid van individuele vermogensbestanddelen of bankrekeningen beantwoordt in beginsel niet aan die definitie.

ondertekeningen


* Procestaal: Italiaans.