Language of document :

Beroep ingesteld op 3 maart 2011 - ZZ / Raad

(Zaak F-23/11)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: E. Boigelot en S. Woog, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de Raad om verzoeker niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2010 tot de rang AST 9 zijn bevorderd en vergoeding van de geleden immateriële schade

Conclusies van de verzoekende partij

nietig verklaren het op 21 mei 2010 bij mededeling aan het personeel nr. 82/10 bekendgemaakte besluit van de Raad om verzoeker niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2010 van de rang AST 8 tot de rang AST 9 zijn bevorderd;

als gevolg van die nietigverklaring, verzoekers verdiensten en die van de andere kandidaten in de bevorderingsronde 2010 opnieuw vergelijken en verzoeker eveneens bevorderen tot de rang AST 9, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 en met betaling van rente over de achterstallige bezoldiging tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vanaf 1 januari 2010, vermeerderd met twee punten, zonder echter de bevordering van de andere bevorderde ambtenaren ter discussie te stellen;

subsidiair, indien het Gerecht van oordeel mocht zijn dat het niet mogelijk is om verzoeker met terugwerkende kracht ook tot de rang AST 9 te bevorderen, niet alleen het besluit nietig verklaren om verzoeker niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2010 van de rang AST 8 tot de rang AST 9 zijn bevorderd, maar eveneens de bevorderingsbesluiten nietig verklaren die hebben geleid tot de op 21 mei 2010 bekendgemaakte lijst van ambtenaren die tot de rang AST 9 zijn bevorderd;

nog meer subsidiair, indien het Gerecht van oordeel mocht zijn dat de subsidiair gevorderde nietigverklaring van de bevorderingsbesluiten een buitensporige sanctie voor de vastgestelde onwettigheid is, de Raad veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de loopbaanschade als gevolg van de vertraagde bevordering tussen 1 januari 2010 en de datum waarop de bevordering wordt toegekend;

de Raad veroordelen tot betaling van het bedrag van 3 500 EUR aan verzoeker ter vergoeding van de immateriële schade die hij heeft ondervonden doordat hij op 1 januari 2010 niet is bevorderd, onder voorbehoud van een verhoging in de loop van het geding;

de Raad verwijzen in de kosten van de procedure.

____________