Language of document : ECLI:EU:F:2010:151

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

23 november 2010

Zaak F‑8/10

Johan Gheysens

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst — Arbeidscontractant voor hulptaken — Niet-verlenging van overeenkomst — Motiveringsplicht”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Gheysens onder meer vraagt om nietigverklaring van het besluit om zijn overeenkomst voor bepaalde tijd na 30 september 2009 niet te verlengen.

Beslissing:      Verzoekers beroep wordt verworpen. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Procedure — Inleidend verzoekschrift — Vormvereisten

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21, eerste alinea, en bijlage I, art. 7, lid 3; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 35, lid 1, sub e)

2.      Ambtenaren — Beroep — Bezwarend besluit — Begrip — Besluit houdende weigering om overeenkomst van arbeidscontractant voor hulptaken te verlengen

(Ambtenarenstatuut, art. 25 en 90, lid 1)

3.      Ambtenaren — Arbeidscontractanten — Aanwerving — Verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd — Beoordelingsvrijheid van administratie — Rechterlijke controle — Grenzen

(Regeling andere personeelsleden, art. 88)

1.      Krachtens artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken moet het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, bevatten. Deze onderdelen moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder verdere informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de feitelijke en juridische gronden van het beroep coherent en begrijpelijk uit het verzoekschrift zelf blijken. Dit geldt temeer daar volgens artikel 7, lid 3, van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie het schriftelijke gedeelte van de procedure voor het Gerecht in beginsel slechts één memoriewisseling omvat, behoudens andersluidende beslissing van het Gerecht. Deze laatste bijzonderheid van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken verklaart dat, anders dan voor het Hof van Justitie of het Gerecht is voorzien in artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof, de uiteenzetting van de middelen en argumenten in het verzoekschrift niet summier kan zijn.

(cf. punt 60)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 28 april 1993, De Hoe/Commissie, T‑85/92, Jurispr. blz. II‑523, punt 20

Gerecht voor ambtenarenzaken: 26 juni 2008, Nijs/Rekenkamer, F‑1/08, JurAmbt. blz. I-A-1-229 en II-A-1-1231, punt 24; 4 juni 2009, Adjemian e.a./Commissie, F‑134/07 en F‑8/08, JurAmbt. blz. I-A-1-149 en II‑A‑1‑841, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑325/09 P

2.      Een besluit waarbij wordt geweigerd een overeenkomst voor bepaalde tijd te verlengen, is een bezwarend besluit in de zin van artikel 25 van het Statuut indien het van de overeenkomst in kwestie te onderscheiden is. Dit is meer bepaald het geval wanneer het op nieuwe feiten of omstandigheden gebaseerd is of wanneer het een standpuntbepaling van de administratie naar aanleiding van een verzoek van de betrokken functionaris inhoudt en betrekking heeft op de in de overeenkomst opgenomen mogelijkheid van verlenging daarvan. Een dergelijke weigering moet worden gemotiveerd.

(cf. punt 64)

Referentie:

Hof: 23 september 2004, Hectors/Parlement, C‑150/03 P, Jurispr. blz. I‑8691, punt 40; 23 oktober 2009, Commissie/Potamianos, C‑561/08 P en C‑4/09 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 45, 46 en 48

Gerecht van eerste aanleg: 15 oktober 2008, Potamianos/Commissie, T‑160/04, JurAmbt. blz. I-A-2-75 en II-A-2-469, punten 21 en 23; 8 september 2009, ETF/Landgren, T‑404/06 P, Jurispr. blz. II‑2841, punten 143‑170

3.      De niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag, waarbij de controle door de rechter van de Unie zich moet beperken tot de vraag of er geen sprake is van een kennelijke onjuistheid of van misbruik van bevoegdheid. De verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd is slechts een mogelijkheid, die het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag naar eigen inzicht kan benutten, vooropgesteld dat deze verlenging in het belang van de dienst is.

Het bevoegd gezag moet bij zijn beslissing over de situatie van een personeelslid alle elementen in aanmerking nemen die zijn beslissing kunnen beïnvloeden, en in het bijzonder het belang van het betrokken personeelslid. Dit volgt immers uit de zorgplicht van de administratie, die een weergave vormt van het door het Statuut en, mutatis mutandis, de RAP geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en zijn personeelsleden.

Gelet op de regel dat in een vaste functie op de lijst van begrote posten bij een instelling in beginsel moet worden voorzien door aanwerving van een ambtenaar, en op het belang dat de dienst bij de tewerkstelling van een ambtenaar om blijvende functies te vervullen heeft, is de continuïteit van de dienst niet voldoende om op basis daarvan te concluderen dat sprake is van een kennelijke beoordelingsfout.

(cf. punten 75, 76 en 81)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 6 februari 2003, Pyres/Commissie, T‑7/01, JurAmbt. blz. I‑A‑37 en II‑239, punten 50, 51 en 64; 1 maart 2005, Mausolf/Europol, T‑258/03, JurAmbt. blz. I‑A‑45 en II‑189, punt 49

Gerecht voor ambtenarenzaken: 27 november 2008, Klug/EMEA, F‑35/07, JurAmbt. blz. I-A-1-387 en II-A-1-2127, punten 65‑67