Language of document :

Beroep ingesteld op 21 december 2011 - Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland / Raad van de Europese Unie

(Zaak C-656/11)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: C. Murrell, gemachtigde en A. Dashwood QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het besluit van de Raad van 16 december 2001 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, inzake de vervanging van bijlage II bij die overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, nietig verklaren;

de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1. In haar krachtens artikel 263 VWEU ingesteld beroep verzoekt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om nietigverklaring krachtens artikel 264 VWEU van het besluit van de Raad van 16 december 2001 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, inzake de vervanging van bijlage II bij die overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

2. Artikel 48 VWEU is de enige materiële rechtsgrondslag die in het besluit is vermeld.

3. Het besluit betreft de wijziging van bijlage II bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen. Bijlage II bij de overeenkomst betreft uitsluitend de coördinatie, tussen de EU en Zwitserland, van socialezekerheidsstelsels. De wijzigingen van bijlage II die het bestreden besluit zou willen doorvoeren, hebben tot doel de wijzigingen op te nemen die zich hebben voorgedaan in het EU-mechanisme op het vlak van de coördinatie van de sociale zekerheid. Een van de gevolgen van de voorgenomen wijzigingen van bijlage II betreft de toekenning aan Zwitserse staatsburgers die zelf geen economische activiteit uitoefenen, en evenmin gezinslid zijn van een persoon die een economische activiteit uitoefent ("niet-actieven") van rechten die zij krachtens de huidige regeling van bijlage II niet genieten.

4. Het Verenigd Koninkrijk is van mening dat artikel 48 VWEU niet als enige materiële rechtsgrondslag kan dienen voor een maatregel die dergelijke gevolgen zal hebben. Deze bepaling beoogt het vrije verkeer van personen te vergemakkelijken (a) binnen de Unie, niet tussen de Unie en derde landen en (b) van personen die een economische activiteit uitoefenen of van hun gezinsleden, niet van niet-actieven. De passende rechtsgrondslag is artikel 79, lid 2, sub b, VWEU. Dit artikel verleent de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen op het vlak van "de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten".

5. Artikel 79, lid 2, sub b, VWEU is opgenomen in Titel V van het derde deel van het Verdrag. Volgens Protocol nr. 21 bij de Verdragen zijn de overeenkomstig titel V aangenomen maatregelen niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk (of Ierland) tenzij het te kennen geeft dat het "eraan wenst deel te nemen". Door ten onrechte artikel 48 VWEU als materiële rechtsgrondslag voor het besluit te kiezen in plaats van artikel 79, lid 2, sub b, VWEU, heeft de Raad geweigerd het keuzerecht te erkennen van het Verenigd Koninkrijk om niet aan het besluit deel te nemen en er niet door te zijn gebonden.

6. Bijgevolg wordt om de nietigverklaring van het besluit van de Raad van 16 december 2011 verzocht op grond dat het krachtens de verkeerde rechtsgrondslag is vastgesteld met als gevolg dat de rechten van het Verenigd Koninkrijk krachtens Protocol nr. 21 niet zijn geëerbiedigd.

____________

1 - PB L 341, blz. 1.