Language of document : ECLI:EU:F:2010:155

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer)

1 december 2010

Zaak F‑89/09

Spyridon Gagalis

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst — Sociale zekerheid — Arbeidsongeval — Blijvende gedeeltelijke invaliditeit — Besluit om 75 % van kosten van thermale kuur te vergoeden — Vergoeding van zorg krachtens artikel 72 van het Statuut en aanvullende vergoeding krachtens artikel 73 van het Statuut — Geen dekking van verblijfskosten — Weigering van aanvullende vergoeding — Uitlegging van artikel 73, lid 3, van het Statuut en van artikel 9 van de gemeenschappelijke regeling voor verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarbij Gagalis vraagt om, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Personeelszaken en administratie”, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad, van 9 december 2008 houdende weigering om hem uit hoofde van artikel 73 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie 75 % vergoeding te geven van de verblijfskosten in verband met een thermale kuur, alsmede nietigverklaring van het besluit van 15 juli 2009 houdende gedeeltelijk afwijzing van zijn klacht, en, ten tweede, veroordeling van de Raad tot betaling van een aanvullend bedrag van 1551,38 EUR, vermeerderd met vertragingsrente.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Gagalis zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Sociale zekerheid — Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten — Vergoeding van kosten

(Ambtenarenstatuut, art. 72 en 73, lid 3; regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 9)

2.      Ambtenaren — Bezwarend besluit — Motiveringsplicht — Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)

1.      Wat de vergoeding van kosten van zorg in verband met een ongeval betreft, en meer in het bijzonder een verzoek om vergoeding van kosten van een thermale kuur, daaronder begrepen de verblijfskosten, blijkt uit de bewoordingen van artikel 73, lid 3, tweede alinea, van het Statuut en artikel 9 van de regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten van ambtenaren dat er een verband moet bestaan tussen die twee bepalingen en artikel 72 van het Statuut. Artikel 73, lid 3, tweede alinea, van het Statuut bepaalt immers dat de door het ongeval gemaakte kosten alleen worden vergoed „voor zover de vergoedingen die de ambtenaar ontvangt krachtens artikel 72, [deze] kosten niet dekken”, terwijl artikel 9, lid 1, derde alinea, van die regeling bepaalt dat de door een ongeval gemaakte kosten worden vergoed „nadat de in artikel 72 van het statuut bedoelde ziektekostenverzekering het gedeelte dat overeenkomstig de voor haar geldende bepalingen te haren laste komt, op zich heeft genomen”.

Zowel artikel 73, lid 3, van het Statuut als artikel 9, lid 1, derde alinea, van de regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten moeten daarom aldus worden uitgelegd dat zij enkel voorzien in een aanvullende vergoeding van kosten voor door artikel 72 van het Statuut gedekte prestaties, na vergoeding van het deel van de kosten dat onder de ziektekostenverzekering valt. De regeling voor de verzekering tegen ongevallen vormt een aanvulling en voorziet dus niet in vergoeding van kosten voor prestaties die niet door de ziektekostenverzekering worden gedekt en om die reden niet door die verzekering zijn vergoed.

(cf. punten 41 en 42)

2.      Blijkens artikel 25, tweede alinea, van het Statuut moet elk individueel besluit dat krachtens het Statuut wordt genomen en bezwarend is, met redenen worden omkleed. De verplichting om een bezwarend besluit met redenen te omkleden heeft tot doel, enerzijds, de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit gegrond is en, anderzijds, de rechterlijke controle mogelijk te maken. Die verplichting heeft met name tot doel, de betrokkene in staat te stellen om kennis te nemen van het jegens hem genomen besluit, zodat hij eventueel gebruik kan maken van de nodige rechtsmiddelen om zijn rechten en belangen te verdedigen.

Een aanvankelijk ontoereikende motivering kan worden verholpen door nadere preciseringen die door de administratie zelfs in de loop van het geding worden gegeven, wanneer de betrokkene vóór de instelling van zijn beroep reeds over gegevens beschikte die een begin van een motivering vormden. Bovendien is een besluit voldoende gemotiveerd wanneer de handeling waartegen beroep is ingesteld tot stand is gekomen in een context die de betrokken ambtenaar bekend is, zodat hij de strekking van de jegens hem getroffen maatregel kan begrijpen.

(cf. punten 65 en 67)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 27 maart 2003, Martínez Páramo e.a./Commissie, T‑33/00, JurAmbt. blz. I‑A‑105 en II‑541, punt 43, en de aangehaalde rechtspraak; 25 maart 2004, Petrich/Commissie, T‑145/02, JurAmbt. blz. I‑A‑101 en II‑447, punt 54, en de aangehaalde rechtspraak; 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, JurAmbt. blz. I‑A‑253 en II‑1169, punt 36, en de aangehaalde rechtspraak