Language of document : ECLI:EU:F:2010:167

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer)

15 december 2010

Zaak F‑14/09

Ana Maria Almeida Campos e.a.

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsronde 2008 — Vergelijking van verdiensten van administrateurs die in een post van linguïst zijn tewerkgesteld en administrateurs die in allroundposten zijn tewerkgesteld”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarbij Almeida Campos en vier andere ambtenaren van de Raad vragen om nietigverklaring van, ten eerste, de besluiten van de Raad om hen niet te plaatsen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2008 naar de rang AD 12 zijn bevorderd en, ten tweede, de besluiten om ambtenaren van de functiegroep AD die in andere functies dan die van linguïsten zijn tewerkgesteld te bevorderen naar de rang AD 12.

Beslissing: De besluiten van de Raad om verzoekers in het kader van de bevorderingsronde 2008 niet naar de rang AD 12 te bevorderen, worden nietig verklaard. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Raad zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Beroep — Voorafgaande administratieve klacht — Gelijkheid van grond en voorwerp

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Ambtenaren — Bevordering — Vergelijking van verdiensten —
Modaliteiten — Beoordelingsvrijheid — Grenzen — Inachtneming van gelijkheidsbeginsel

(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1; verordening nr. 723/2004 van de Raad)

1.      De regel van overeenstemming tussen de klacht en het verzoekschrift wordt alleen geschonden wanneer het beroep bij de rechter het voorwerp of de grond van de klacht wijzigt, waarbij het begrip „grond” ruim moet worden uitgelegd. Volgens die uitlegging moet bij een vordering tot nietigverklaring onder „grond van de zaak” worden verstaan, de betwisting door de verzoeker van de interne wettigheid van het bestreden besluit dan wel de betwisting van de externe wettigheid ervan.

Aangezien verzoekers in hun klachten de interne wettigheid van de in het kader van hun beroep bestreden besluiten aan de orde hebben gesteld, is een middel waarmee de interne wettigheid van die besluiten wordt betwist eveneens ontvankelijk.

(cf. punt 28)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 1 juli 2010, Mandt/Parlement, F‑45/07, punten 119 en 120

2.      Uit de bewoordingen van artikel 45, lid 1, van het Statuut volgt duidelijk dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van een bevorderingsprocedure verplicht is om zijn keuze te baseren op een vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.

Ofschoon het tot aanstelling bevoegd gezag die vergelijking op grond van het Statuut mag verrichten volgens de procedure of de methode die het het meest geschikt acht, wordt die bevoegdheid begrensd door het vereiste dat de vergelijking met zorg en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. In de praktijk moet deze vergelijking op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen plaatsvinden.

Bovendien veronderstelt artikel 45, lid 1, van het Statuut, volgens hetwelk het tot aanstelling bevoegd gezag de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren moet vergelijken, dat die vergelijking wordt uitgebreid tot alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, ongeacht de uitgeoefende functies. Dat vereiste geeft immers uitdrukking aan het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren alsmede aan het beginsel van loopbaanontwikkeling.

In het kader van een bevorderingsprocedure die uit twee opeenvolgende fases bestaat, een eerste fase bestaande in een voorafgaand onderzoek door twee afzonderlijke adviserende bevorderingscommissies van de verdiensten van de administrateurs die in een functie van linguïst en administrateurs die in andere functies zijn tewerkgesteld, en vervolgens, een tweede fase gebaseerd op een vergelijking door het tot aanstelling bevoegd gezag van de verdiensten van de administrateurs die tot de ene respectievelijk de andere groep behoren, kan het onderzoek in de eerste fase van de bevorderingsprocedure, namelijk het voorafgaand onderzoek van de verdiensten van de twee groepen administrateurs door twee afzonderlijke adviserende bevorderingscommissies, gelet op de bijzondere kenmerken van de aan eerstgenoemden opgedragen taken in vergelijking met die welke aan laatstgenoemden zijn opgedragen, welk onderzoek alleen bedoeld is om het tot aanstelling bevoegd gezag informatie te geven over de naam van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, niet verhinderen dat de verdiensten van de kandidaten uitvoerig worden vergeleken en draagt het juist bij tot het beginsel van behoorlijk bestuur.

Wat daarentegen de tweede fase van de bevorderingsprocedure betreft, namelijk de vergelijking door het tot aanstelling bevoegd gezag van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, heeft verordening nr. 723/2004 tot wijziging van het Statuut en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, een einde gemaakt aan het voordien gemaakte onderscheid tussen niet-linguïstische ambten die door ambtenaren van de categorieën A tot en met D werden vervuld en linguïstische ambten die door ambtenaren van de taaldienst LA werden vervuld, en een nieuwe loopbaanstructuur ingevoerd bestaande uit twee functiegroepen, namelijk de functiegroep assistenten (AST), bedoeld om de oude categorieën C en B te vervangen, en de functiegroep administrateurs (AD), die de oude categorie A en de taaldienst LA moest vervangen. Aangezien de wetgever alle administrateurs heeft willen samenvoegen in één functiegroep, of zij nu linguïstische of andere functies verrichten, diende het tot aanstelling bevoegd gezag, dat bevoegd is om over bevorderingen te beslissen, slechts over te gaan tot één vergelijking van de verdiensten van alle voor bevordering naar de rang AD 12 in aanmerking komende administrateurs.

(cf. punten 29‑31 en 33‑35)

Referentie:

Hof: 1 juli 1976, De Wind/Commissie, 62/75, Jurispr. blz. 1167, punt 17

Gerecht van eerste aanleg: 30 november 1993, Tsirimokos/Parlement, T‑76/92, Jurispr. blz. II‑1281, punt 21; 9 april 2003, Tejada Fernández/Commissie, T‑134/02, JurAmbt. blz. I‑A‑125 en II‑609, punt 41; 13 juli 1995, Rasmussen/Commissie, T‑557/93, JurAmbt. blz. I‑A‑195 en II‑603, punten 20 en 21; 19 maart 2003, Tsarnavas/Commissie, T‑188/01–T‑190/01, JurAmbt. blz. I‑A‑95 en II‑495, punten 98 en 121