Language of document : ECLI:EU:F:2011:39

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer)

13 april 2011

Zaak F‑30/09

Dhikra Chaouch

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Bezoldiging – Inrichtingsvergoeding – Vaststelling van rechten – Indiensttreding als ambtenaar op proef – Inaanmerkingneming van wijziging van woonplaats na vaste aanstelling – Krachtens artikel 20 van Statuut op ambtenaar rustende verplichting inzake woonplaats”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee Chaouch vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende weigering om haar de inrichtingsvergoeding toe te kennen.

Beslissing: Verzoeksters beroep wordt verworpen. Verzoekster zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Kostenvergoeding – Inrichtingsvergoeding – Voorwaarden voor toekenning

(Ambtenarenstatuut, art. 20; bijlage VII, art. 5)

2.      Ambtenaren – Kostenvergoeding – Inrichtingsvergoeding – Voorwaarden voor toekenning

(Ambtenarenstatuut, art. 20; bijlage VII, art. 5)

1.      Voor de verkrijging van de inrichtingsvergoeding moet een ambtenaar aan drie cumulatieve voorwaarden voldoen. Ten eerste moet hij ambtenaar in vaste dienst zijn. Ten tweede moet hij aantonen dat hij van woonplaats diende te veranderen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut. Deze laatste voorwaarde bestaat zelf uit twee voorwaarden, namelijk dat hij van woonplaats diende te veranderen omdat hij door de afstand tussen zijn woon‑ en standplaats gehinderd werd in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat hij aantoont dat hij daadwerkelijk van woonplaats is veranderd.

(cf. punt 55)

2.      Gezien de verwijzing in artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut naar artikel 20 van het Statuut, is duidelijk dat dezelfde beoordelingscriteria moeten worden toegepast om te bepalen of een ambtenaar al dan niet „verplicht [is] van woonplaats te veranderen” teneinde aanspraak te kunnen maken op de inrichtingsvergoeding, en om te bepalen of de ambtenaar al dan niet voldoet aan de krachtens artikel 20 van het Statuut op hem rustende verplichtingen inzake de woonplaats, met name dat hij woont „op zodanige afstand [van zijn standplaats] dat hij niet gehinderd wordt in de uitoefening van zijn werkzaamheden”.

Het gebruik van dezelfde beoordelingscriteria voor de toepassing van artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut en van artikel 20 van het Statuut houdt dus het gevaar in dat een benadering die gunstig is voor de rechten van bepaalde ambtenaren die aanspraak willen maken op de inrichtingsvergoeding automatisch tot gevolg heeft dat andere ambtenaren, die in een vergelijkbare situatie verkeren, maar er juist de voorkeur aan geven om op zekere afstand van hun standplaats te blijven, worden verplicht om van woonplaats te veranderen.

Bovendien schrijven zowel de bepalingen van artikel 20 van het Statuut als die van artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut voor, dat de ambtenaar „verplicht” is van woonplaats te veranderen, hetgeen een noodzaak impliceert en de speelruimte van de administratie beperkt. Zij kan dus alleen de inrichtingsvergoeding toekennen wanneer duidelijk is dat de uitoefening van de werkzaamheden wordt verstoord door de afstand tussen de woonplaats van de ambtenaar en zijn standplaats.

Ten slotte heeft de wetgever geen ruimtelijke, in kilometers uitgedrukte grens willen bepalen, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van dienst. Ofschoon de administratie, en in geval van betwisting de rechter, zich bij haar of zijn oordeel dus voornamelijk moet baseren op de afstand in kilometers tussen de woonplaats van de ambtenaar en zijn standplaats, is het echter niet uitgesloten dat feitelijke omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld problemen om dagelijks het traject tussen de woon‑ en de standplaats af te leggen, eveneens in aanmerking worden genomen bij de vraag of de betrokken afstand zodanig is dat de betrokkene „niet gehinderd wordt in de uitoefening van zijn werkzaamheden”.

(cf. punten 60‑63)