Language of document :

Beroep ingesteld op 30 april 2012 - Breyer/Commissie

(Zaak T-188/12)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Patrick Breyer (Wald-Michelbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Starostik, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 16 maart 2012 inzake ref. Ares(2012)313186;

nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 april 2012 inzake ref. Ares(2012)399467, voor zover geen toegang tot de memorie van Oostenrijk in zaak C-189/09 werd verleend;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij met betrekking tot het besluit van de Commissie van 16 maart 2012 de volgende middelen aan:

Eerste middel: onjuiste uitlegging van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 1049/20012 (bescherming van juridisch advies)

Volgens verzoeker wordt geen afbreuk gedaan aan de bescherming van juridisch advies door openbaarmaking van het juridisch advies Ares(2010)828204 van de juridische dienst van de Commissie, dat de vraag behandelt of richtlijn 2006/24/EG in die zin kan worden gewijzigd dat de lidstaten van de Europese Unie de vrije keuze wordt gelaten om al dan niet toe te laten telecommunicatiegegevens van alle burgers zonder verdenking of aanleiding te bewaren voor een hypothetisch geval.

In ieder geval is het openbaar belang bij de kennis van het advies belangrijker.

Tweede middel: onjuiste uitlegging van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1049/2001 (bescherming van het besluitvormingsproces)

Volgens verzoeker wordt geen afbreuk gedaan aan de bescherming van het besluitvormingsproces door openbaarmaking van het voornoemde juridisch advies van de juridische dienst van de Commissie.

In ieder geval is het openbaar belang bij de kennis van het advies belangrijker.

Ter ondersteuning van haar beroep stelt de verzoekende partij met betrekking tot het besluit van de Commissie van 3 april 2012 onjuiste uitlegging van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001. Dienaangaande voert verzoeker aan dat de memories van een lidstaat (hier: Oostenrijk) aan het Hof van Justitie (hier: in zaak C-189/09), waarvan de Commissie als partij in het geding afschriften heeft ontvangen, anders dan de Commissie stelt, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1049/2001 vallen.

____________

1 - Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).

2 - Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG (PB L 105, blz. 54).