Language of document : ECLI:EU:C:2012:417

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

5 juli 2012 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures –Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 5, lid 1 – Toepassing in tijd – Zakelijke vordering die wordt ingesteld in staat die geen lidstaat van Europese Unie is – Insolventieprocedure die in andere lidstaat tegen schuldenaar wordt ingeleid – Situatie waarin eerstgenoemde staat lid van Europese Unie is geworden – Toepasselijkheid”

In zaak C‑527/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Legfelsőbb Bíróság (Hongarije) bij beslissing van 26 oktober 2010, ingekomen bij het Hof op 15 november 2010, in de procedure

ERSTE Bank Hungary Nyrt

tegen

Magyar Állam,

BCL Trading GmbH,

ERSTE Befektetési Zrt,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), kamerpresident, M. Ilešič, E. Levits, J.‑J. Kasel en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 oktober 2011,

gelet op de opmerkingen van:

–        ERSTE Bank Hungary Nyrt, vertegenwoordigd door T. Éless en L. Molnár, ügyvédek,

–        Bárándy és Társai Ügyvédi Iroda, vertegenwoordigd door D. Bojkó, ügyvéd,

–        Komerční Banka, as, vertegenwoordigd door P. Lakatos, I. Sólyom, A. Ungár, P. Köves en B. Fazakas, ügyvédek,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, K. Szíjártó en K. Veres als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Sipos en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 januari 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1; hierna: „verordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een insolventieprocedure die tegen BCL Trading GmbH (hierna: „BCL Trading”), een vennootschap naar Oostenrijks recht, is ingeleid.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

3        Artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33; hierna: „Toetredingsakte”) bepaalt:

„Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke verdragen en de door de instellingen en de Europese Centrale Bank vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden waarin wordt voorzien door die verdragen en door deze akte.”

4        De punten 6, 11 en 23 tot en met 25 van de considerans van de verordening luiden als volgt:

„(6)      Op grond van het proportionaliteitsbeginsel mag deze verordening alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Voorts moet deze verordening bepalingen bevatten betreffende de erkenning van die beslissingen en betreffende het toepasselijke recht, die eveneens met het noodzakelijkheidsbeginsel stroken.

[...]

(11)      Uitgangspunt van deze verordening is dat, gezien de grote verschillen in het materieel recht van de lidstaten, de invoering van een insolventieprocedure van universele strekking in de gehele Gemeenschap niet praktisch zou zijn. De toepassing, zonder uitzonderingen, van het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend zou daardoor veelal problematisch zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zeer uiteenlopende regels inzake zekerheidsrechten die in de Gemeenschap worden aangetroffen. [...] Deze verordening dient op tweeërlei wijze met die situatie rekening te houden, door enerzijds specifieke voorschriften betreffende het toepasselijke recht te bepalen voor specifiek belangrijke rechten en rechtsverhoudingen (zoals zakelijke rechten en arbeidsverhoudingen), en anderzijds de mogelijkheid te bieden naast een hoofdinsolventieprocedure van universele strekking ook nationale procedures te openen die uitsluitend het vermogen in de lidstaat van de desbetreffende procedure betreffen.

[...]

(23)      Deze verordening moet voor haar werkingssfeer uniforme conflictregels vaststellen die, voor zover zij van toepassing zijn, in de plaats treden van de nationale voorschriften op het gebied van het internationale privaatrecht. Tenzij anders is bepaald, moet het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend van toepassing zijn (lex concursus). Deze conflictregels moeten voor zowel de hoofdprocedure als de territoriale procedures gelden. De lex concursus is bepalend voor alle rechtsgevolgen van de insolventieprocedure, zowel procedureel als materieel, ten aanzien van de betrokken rechtssubjecten en rechtsbetrekkingen. Dit recht beheerst alle voorwaarden voor het openen, het verloop en het beëindigen van de insolventieprocedure.

(24)      De automatische erkenning van een insolventieprocedure, waarop in de regel het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend van toepassing is, kan de regels doorkruisen die de rechtshandelingen in die lidstaten normaliter beheersen. Ter bescherming van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid van rechtshandelingen in andere lidstaten dan de lidstaat waarin de procedure is geopend, moet er in een aantal uitzonderingen op de algemene regel worden voorzien.

(25)      Aan een bijzondere aanknoping, die afwijkt van het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, is met name behoefte voor zakelijke rechten, aangezien die van groot belang zijn voor het verlenen van kredieten. De vestiging, de geldigheid en de draagwijdte van zakelijke rechten moeten derhalve in de regel worden bepaald door het recht van de staat waar de zaken zich bevinden en dienen door de opening van een insolventieprocedure onverlet te worden gelaten. De houder van het zakelijk recht moet derhalve zijn recht om te handelen alsof er geen insolventieprocedure was of zijn recht van separatisme op het tot zekerheid strekkende goed kunnen blijven doen gelden. Wanneer op activa krachtens het recht van de staat waar de zaak zich bevindt zakelijke rechten rusten, terwijl de hoofdprocedure in een andere lidstaat wordt gevoerd, moet de curator in de hoofdprocedure om opening van een secundaire procedure kunnen verzoeken in het rechtsgebied waar de zakelijke rechten ontstaan, wanneer de schuldenaar daar een vestiging heeft. Wanneer geen secundaire procedure wordt geopend, moet het surplus uit de verkoopopbrengst van de activa waarop de zakelijke rechten rusten, worden betaald aan de curator in de hoofdprocedure.”

5        Artikel 3 van de verordening, dat betrekking heeft op de internationale bevoegdheid, preciseert:

„1.       De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.

2.       Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.

3.       Wanneer krachtens lid 1 een insolventieprocedure wordt geopend, is iedere insolventieprocedure die vervolgens krachtens lid 2 wordt geopend een secundaire procedure. Deze procedure moet een liquidatieprocedure zijn.

[...]”.

6        Artikel 4 van de verordening, betreffende het toepasselijke recht, bepaalt:

„1.      Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ‚lidstaat waar de procedure wordt geopend’.

2.      Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

[...]

b)      welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;

[...]

f)      de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen;

g)      welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure;

h)      de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;

i)      de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die krachtens een zakelijk recht of ingevolge verrekening gedeeltelijk zijn voldaan;

[...]”.

7        Wat de zakelijke rechten van derden betreft, preciseert artikel 5, lid 1, van de verordening:

„De opening van de insolventieprocedure laat onverlet het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op lichamelijke of onlichamelijke roerende of onroerende goederen – zowel bepaalde goederen als gehelen, met een wisselende samenstelling, van onbepaalde goederen –, die toebehoren aan de schuldenaar en die zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.”

8        Met betrekking tot de erkenning van de insolventieprocedure bepaalt artikel 16 van de verordening:

„1.       Elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, genomen door een krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat, wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend.

Deze regel geldt ook wanneer de schuldenaar op grond van zijn hoedanigheid in de andere lidstaten niet aan een insolventieprocedure onderworpen kan worden.

2.       De erkenning van een procedure als bedoeld in artikel 3, lid 1, belet niet dat door een rechter van een andere lidstaat een procedure als bedoeld in artikel 3, lid 2, wordt geopend. Deze andere procedure is een secundaire insolventieprocedure in de zin van hoofdstuk III.”

9        Artikel 17, lid 1, van de verordening ziet op de gevolgen van de erkenning van de insolventieprocedure en luidt als volgt:

„De opening van een procedure als bedoeld in artikel 3, lid 1, heeft, zonder enkele verdere formaliteit, in de andere lidstaten de gevolgen die daaraan worden verbonden bij het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, tenzij deze verordening anders bepaalt, en zolang in die andere lidstaten geen procedure als bedoeld in artikel 3, lid 2, is geopend.”

10      Artikel 43 van de verordening, dat de toepassing in de tijd van deze verordening regelt, bepaalt:

„Deze verordening is slechts van toepassing op insolventieprocedures die na de inwerkingtreding ervan zijn geopend. Op de rechtshandelingen die de schuldenaar vóór de inwerkingtreding ervan heeft verricht, blijft het recht van toepassing dat gold op het tijdstip dat zij werden verricht.”

11      Ten slotte preciseert artikel 47 van de verordening:

„Deze verordening treedt in werking op 31 mei 2002.”

 Hongaars recht

12      De voorschriften met betrekking tot financiële zekerheden zijn opgenomen in de §§ 270 en 271 van wet IV van 1959 houdende uitvaardiging van het burgerlijk wetboek (Polgári törvénykönyvről szóló 1959. évi IV törvény), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie daarvan.

13      § 270 van deze wet bepaalt:

„1.       Bij depot tot zekerheid van een schuld kan de schuldeiser zich rechtstreeks op het gedeponeerde bedrag verhalen indien de contractuele verplichtingen niet of niet op juiste wijze worden nagekomen.

2.       Het depot kan geschieden door middel van geld, spaarrekeningen of effecten. Bij andere wijzen van depot worden de regels inzake pand toegepast.

3.       Een depot strekkende tot zekerheid van een schuld die niet in rechte opeisbaar is, is nietig. Deze bepaling geldt niet voor het depot dat strekt tot zekerheid van een reeds verjaarde vordering.

4.       De verjaring van een vordering belet niet dat eraan wordt voldaan uit het depot dat strekt tot zekerheid daarvan.”

14      § 271 van die wet luidt:

„1.       Het tot zekerheid strekkende depot kan uitsluitend worden gebruikt tot voldoening van de vordering; andersluidende regelingen zijn nietig.

2.       Het depot dient te worden teruggegeven indien de eraan ten grondslag liggende overeenkomst wordt beëindigd of de voor de zekerheid geldende termijn verstrijkt zonder dat er sprake is van een rechtsgrondslag voor de voldoening van de vordering uit het depot.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15      Aan de onderhavige zaak ligt een geschil ten grondslag tussen ERSTE Bank Hungary Nyrt (hierna: „ERSTE Bank”) enerzijds, en Magyar Állam (de Hongaarse Staat), BCL Trading en ERSTE Befektetési Zrt anderzijds.

16      Op 8 mei 1998 heeft Postabank és Takarékpénztár rt (hierna: „Postabank”) BCL Trading een documentair krediet verleend.

17      BCL Trading heeft dit krediet nadien aan verschillende banken overgedragen. Postabank heeft vervolgens geweigerd het in dit krediet genoemde bedrag aan die banken te betalen. Daarop hebben deze een beroep tot betaling van de overgedragen schuldvordering ingesteld.

18      Op 9 juli 2003 heeft BCL Trading haar aandelen in Postabank als zekerheid gesteld voor het geval dat het documentaire krediet opeisbaar werd en Postabank de desbetreffende bedragen bijgevolg diende te betalen. Deze aandelen vormden aldus het voorwerp van een tot zekerheid strekkend depot.

19      Op 5 december 2003 is tegen BCL Trading, waarvan de zetel gevestigd is te Wenen (Oostenrijk), een insolventieprocedure geopend die op 4 februari 2004 openbaar is gemaakt.

20      Wat de aandelen van BCL Trading in Postabank betreft die het voorwerp van voornoemde financiële zekerheid vormden, heeft de Legfelsőbb Bíróság Magyar Állam op 6 december 2005 gelast die aandelen te kopen, aangezien laatstgenoemde een beslissende invloed op Postabank uitoefende, hetgeen naar Hongaars recht voor deze Staat de verplichting in het leven riep om de door kleine aandeelhouders te koop aangeboden aandelen van Postabank te kopen. De Magyar Állam is deze verplichting nagekomen door de betrokken aandelen voor het door de Legfelsőbb Bíróság vastgestelde bedrag te kopen en hij heeft de bedragen aan contanten die in de plaats van deze – vooraf gedematerialiseerde – aandelen waren gekomen, in bewaring gegeven.

21      Op 27 januari 2006 heeft ERSTE Bank, die gevestigd is te Boedapest (Hongarije) en de rechtsopvolgster is van Postabank, bij de Fővárosi Bíróság (rechtbank te Boedapest) een vordering ingesteld tegen verwerende partijen in het hoofdgeding, strekkende tot vaststelling van het bestaan van een zakelijk zekerheidsrecht op het in bewaring gegeven bedrag.

22      In afwachting van een uitspraak over deze vordering heeft ERSTE Bank op 8 januari 2007 in Hongarije tevens verzocht om opening van een secundaire insolventieprocedure tegen BCL Trading, op grond dat deze een vestiging in Hongarije had en tegen haar in Oostenrijk reeds een insolventieprocedure liep. Hoewel de Legfelsőbb Bíróság erkende dat de verordening van toepassing was, heeft zij dit verzoek afgewezen omdat verzoekster niet had aangetoond dat de schuldenaar een vestiging in Hongarije had, zoals artikel 3, lid 2, van deze verordening verlangt.

23      Na te hebben vastgesteld dat tegen BCL Trading in Oostenrijk reeds een insolventieprocedure was ingeleid, heeft de Fővárosi Bíróság op 7 januari 2009 geoordeeld dat de Oostenrijkse faillissementswet diende te worden toegepast op de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan. Aangezien volgens de Oostenrijkse faillissementswet tegen een onderneming in liquidatie geen procedure met betrekking tot de failliete boedel kon worden geopend, waren alle rechtsmiddelen tegen BCL Trading echter uitgesloten, daar deze laatste in liquidatie was. In die omstandigheden heeft de Fővárosi Bíróság bij beschikking besloten de zaak niet verder te behandelen.

24      Op het door ERSTE Bank tegen deze beslissing ingestelde hogere beroep heeft de Fővárosi Ítélőtábla (hof van beroep te Boedapest) op 4 februari 2010 de in eerste aanleg door de Fővárosi Bíróság gewezen beschikking onder verwijzing naar artikel 4, lid 1, van de verordening bevestigd. Deze rechterlijke instantie heeft er eveneens aan herinnerd dat op basis van het Oostenrijkse recht diende te worden uitgemaakt of ERSTE Bank in rechte kon verzoeken om vaststelling van het bestaan van een financiële zekerheid.

25      ERSTE Bank heeft daarop cassatieberoep ingesteld bij de Legfelsőbb Bíróság, waarbij zij in hoofdzaak verzocht om vernietiging van de in kracht van gewijsde gegane beschikking om de zaak ad acta te leggen, alsook om terugverwijzing van de zaak naar de rechter in eerste aanleg voor het wijzen van een nieuwe beslissing op het verzoek om opening van een secundaire insolventieprocedure tegen BCL Trading. Voorts heeft zij aangevoerd dat de verordening in het onderhavige geval niet van toepassing was, aangezien de liquidatieprocedure tegen BCL Trading in Oostenrijk was ingeleid vóórdat Hongarije op 1 mei 2004 tot de Europese Unie is toegetreden, zodat deze onderneming op grond van de verordening niet kon worden geacht in Hongarije in liquidatie te verkeren.

26      Van oordeel dat de afdoening van de zaak afhing van de uitlegging van de bepalingen van de verordening, heeft de Legfelsőbb Bíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is artikel 5, lid 1, van [de] verordening [...] van toepassing op een civiele procedure betreffende het bestaan van een zakelijk recht [in casu een financiële zekerheid (óvadék)], wanneer het land waar de tot zekerheid strekkende effecten en nadien het in de plaats daarvan gekomen bedrag aan contanten zich bevonden, nog geen lidstaat van de Europese Unie was ten tijde van de opening van een insolventieprocedure in een andere lidstaat, maar wel ten tijde van de indiening van het verzoekschrift?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

27      Met deze vraag wenst de Legfelsőbb Bíróság in wezen van het Hof te vernemen of artikel 5, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een gerechtelijke procedure op het gebied van civiel recht, die betrekking heeft op het bestaan van een zakelijk recht, in casu een financiële zekerheid, ingeval de goederen waarop dit recht betrekking heeft – zoals een in gerechtelijke bewaring gegeven bedrag aan contanten – zich in een staat bevinden die nog geen lidstaat van de Europese Unie was ten tijde van de opening van een insolventieprocedure in een andere lidstaat, maar wel ten tijde van de indiening van het verzoekschrift die tot voornoemde gerechtelijke procedure heeft geleid.

28      Alvorens deze vraag te beantwoorden dienen de twijfels te worden weggewerkt die sommige partijen in de onderhavige procedure hebben geuit over de vraag of de verordening als zodanig in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding temporeel wel kan gelden.

29      In dit verband dient om te beginnen in herinnering te worden geroepen dat de verordening – volgens de bewoordingen van artikel 1 ervan – van toepassing is op collectieve procedures die op de insolventie van de schuldenaar berusten en ertoe leiden dat deze schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of ten dele verliest en dat een curator wordt aangewezen.

30      Artikel 43 van de verordening preciseert, wat de toepassing in de tijd van deze verordening betreft, dat de verordening enkel van toepassing is op insolventieprocedures die zijn geopend na de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 47 stelt deze datum vast op 31 mei 2002.

31      Blijkens de verwijzingsbeslissing is de insolventieprocedure tegen BCL Trading in Oostenrijk geopend op 5 december 2003.

32      Derhalve staat vast dat deze procedure in een lidstaat is geopend ná 31 mei 2002 en dat de verordening daarop dus volledig van toepassing is.

33      Ook dient erop te worden gewezen dat uit artikel 16, lid 1, juncto artikel 17, lid 1, van de verordening volgt dat de in een lidstaat genomen beslissing tot opening van een insolventieprocedure in alle andere lidstaten wordt erkend zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend en dat zij – zonder enige verdere formaliteit – in alle andere lidstaten de gevolgen heeft die daaraan worden verbonden bij het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend (arrest van 21 januari 2010, MG Probud Gdynia, C‑444/07, Jurispr. blz. I‑417, punt 26).

34      Zoals uit punt 22 van de considerans van de verordening blijkt, berust de voorrangsregel van artikel 16, lid 1, op het beginsel van wederzijds vertrouwen. Op basis van dit beginsel kon namelijk niet alleen een bindend bevoegdheidsstelsel worden ingevoerd, dat alle rechters die onder de werkingssfeer van de verordening vallen, moeten eerbiedigen, maar als gevolg daarvan konden de lidstaten ook afstand doen van hun interne regels inzake erkenning en exequatur, in de plaats waarvan een vereenvoudigd mechanisme van erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in het kader van insolventieprocedures is gekomen (arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC, C‑341/04, Jurispr. blz. I‑3813, punten 39 en 40, en arrest MG Probud Gdynia, reeds aangehaald, punten 27 en 28).

35      Wat de zaak in het hoofdgeding betreft, moet worden benadrukt dat de bepalingen van de verordening volgens artikel 2 van de Toetredingsakte in Hongarije van toepassing zijn vanaf de datum van de toetreding van deze Staat tot de Unie, te weten sinds 1 mei 2004.

36      Bijgevolg moeten de Hongaarse rechterlijke instanties vanaf die datum overeenkomstig artikel 16, lid 1, van de verordening elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure die door een krachtens artikel 3 van deze verordening bevoegde rechter van een lidstaat is genomen, erkennen. Bovendien verlangt artikel 17, lid 1, van die verordening dat elke door een rechterlijke instantie van een andere lidstaat genomen beslissing tot opening van een procedure, zonder enige verdere formaliteit, vanaf 1 mei 2004 in Hongarije in beginsel de gevolgen heeft die daaraan worden verbonden bij het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend.

37      Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de verordening van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding, aangezien de betrokken insolventieprocedure, zoals uit de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest blijkt, binnen de werkingssfeer van deze verordening valt en de Hongaarse rechterlijke instanties vanaf 1 mei 2004 dan ook gehouden waren om de door de Oostenrijkse rechterlijke instanties genomen beslissing tot inleiding van deze procedure te erkennen.

38      Verder bevat artikel 4, lid 1, van de verordening de regel dat de vaststelling van de bevoegde rechter leidt tot de aanwijzing van de toepasselijke wet. Wat zowel de hoofdinsolventieprocedure als de secundaire of territoriale procedure betreft, is volgens deze bepaling immers het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de procedure is geopend (lex concursus) van toepassing op de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan (zie in die zin arrest Eurofood IFSC, reeds aangehaald, punt 33; MG Probud Gdynia, reeds aangehaald, punt 25, en arrest van 15 december 2011, Rastelli Davide e C., C‑191/10, Jurispr. blz. I-13209, punt 16). Dit recht beheerst, zoals punt 23 van de considerans van de verordening preciseert, alle voorwaarden voor het openen, het verloop en het beëindigen van de insolventieprocedure.

39      Niettemin voorziet de verordening in de artikelen 5 tot en met 15, met het oog op het behoud van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid van de rechtshandelingen in de andere lidstaten dan die waar de insolventieprocedure is ingeleid, voor bepaalde rechten en rechtsverhoudingen die overeenkomstig punt 11 van de considerans van de verordening moeten worden geacht van bijzonder belang te zijn, in een aantal uitzonderingen op de basisregel van de toepasselijke wet.

40      Aldus bepaalt artikel 5, lid 1, van de verordening met name met betrekking tot de zakelijke rechten dat de opening van de insolventieprocedure het zakelijke recht van een schuldeiser of van een derde op aan de schuldenaar toebehorende goederen die zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, onverlet laat.

41      De draagwijdte van deze bepaling wordt verduidelijkt door de punten 11 en 25 van de considerans van de verordening, waarin erop wordt gewezen dat voor zakelijke rechten behoefte is aan een bijzondere aanknoping „die afwijkt van het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend”, aangezien die rechten van groot belang zijn voor het verlenen van kredieten. Luidens punt 25 van de considerans van de verordening moeten de vestiging, de geldigheid en de draagwijdte van zakelijke rechten derhalve in de regel worden bepaald door het recht van de staat waar de zaken waarop deze rechten rusten, zich bevinden (lex rei sitae) en dienen deze door de opening van een insolventieprocedure onverlet te worden gelaten.

42      Bijgevolg dient artikel 5, lid 1, van de verordening te worden opgevat als een bepaling op basis waarvan – in afwijking van de regel van het recht van de staat waar de procedure is ingeleid – op het zakelijke recht van een schuldeiser of van een derde op bepaalde goederen van de schuldenaar, het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed in kwestie zich bevindt, kan worden toegepast.

43      Stellig is het met betrekking tot het hoofdgeding juist dat op het tijdstip waarop de insolventieprocedure in Oostenrijk is geopend, namelijk op 5 december 2003, de goederen van de schuldenaar waarop het betrokken zakelijke recht betrekking had, zich in Hongarije bevonden, te weten op het grondgebied van een staat die op dat tijdstip nog geen lidstaat van de Unie was.

44      Dit neemt evenwel niet weg dat, zoals in de punten 35 en 37 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de bepalingen van de verordening in Hongarije van toepassing zijn vanaf de datum van toetreding van deze Staat tot de Europese Unie, dus sinds 1 mei 2004. De Hongaarse rechterlijke instanties waren vanaf deze datum dan ook gehouden de door de Oostenrijkse rechterlijke instanties genomen beslissing tot inleiding van de insolventieprocedure te erkennen.

45      Teneinde de samenhang van het bij de verordening ingevoerde systeem te behouden en de doeltreffendheid van de insolventieprocedure te verzekeren, moet artikel 5, lid 1, van de verordening in die omstandigheden aldus worden uitgelegd dat deze bepaling ook van toepassing is op insolventieprocedures die vóór de toetreding van de Republiek Hongarije tot de Europese Unie zijn ingeleid, in een situatie waarin – zoals in het hoofdgeding het geval is – de goederen van de schuldenaar waarop het betrokken zakelijke recht rustte, zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van deze Staat bevonden, hetgeen de verwijzende rechter dient te verifiëren.

46      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van de verordening aldus dient te worden uitgelegd dat deze bepaling, in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, zelfs van toepassing is op insolventieprocedures die zijn ingeleid voordat de Republiek Hongarije tot de Europese Unie is toegetreden, ingeval de goederen van de schuldenaar waarop het betrokken zakelijke recht betrekking had, zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van deze Staat bevonden, hetgeen de verwijzende rechter dient te verifiëren.

 Kosten

47      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures dient aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling, in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, zelfs van toepassing is op insolventieprocedures die zijn ingeleid voordat de Republiek Hongarije tot de Europese Unie is toegetreden, ingeval de goederen van de schuldenaar waarop het betrokken zakelijke recht betrekking had, zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van deze Staat bevonden, hetgeen de verwijzende rechter dient te verifiëren.

ondertekeningen


* Procestaal: Hongaars.