Language of document : ECLI:EU:F:2012:123

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

13 september 2012 (*)

„Openbare dienst – Personeel van Europol – Overeenkomst van tijdelijk functionaris – Toepassing van RAP – Indeling in rang – Beroep kennelijk ongegrond”

In zaak F‑34/11,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, dat toepasselijk is op het EGA-Verdrag krachtens artikel 106 bis ervan,

Saskia Jane Markland, functionaris van de Europese politiedienst, wonende te ’s-Gravenhage (Nederland), vertegenwoordigd door N. D. Dane, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese politiedienst (Europol), vertegenwoordigd door D. Neumann, D. El Khoury en J. Arnould als gemachtigden,

verweerder,

geeft

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch, president, I. Boruta en E. Perillo (rapporteur), rechters,

griffier: W. Hakenberg,

de navolgende

Beschikking

1        Bij een op 4 april 2011 ter griffie van het Gerecht binnengekomen verzoekschrift heeft S. J. Markland het onderhavige beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 19 december 2010 waarbij de Europese politiedienst (Europol) zijn beslissing om haar in te delen in de functiegroep van assistenten (AST) in de rang AST 5 heeft bevestigd.

 Rechtskader

2        Artikel 5, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt:

„In bijlage I, punt A, is een overzicht van de verschillende standaardfuncties opgenomen. Iedere instelling stelt op basis van dit overzicht en na overleg met het comité voor het Statuut, de bij iedere standaardfunctie behorende taken en bevoegdheden vast.”

3        Artikel 31 van het Statuut luidt als volgt:

„1.      De [...] kandidaten worden aangesteld in de rang van de functiegroep vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek waartoe zij zijn toegelaten.

2.      [...] ambtenaren [kunnen] slechts worden aangeworven in de rangen AST 1 tot en met AST 4 [...]”.

4        Artikel 32 van het Statuut bepaalt:

„De aangestelde ambtenaar wordt ingedeeld in de laagste salaristrap van zijn rang.

Het tot aanstelling bevoegde gezag kan, teneinde rekening te houden met de beroepservaring van de betrokkene, een salarisanciënniteit van ten hoogste 24 maanden toekennen. Voor de uitvoering van dit artikel worden algemene uitvoeringsbepalingen vastgesteld.

[...]”

5        Krachtens bijlage I, punt A, bij het Statuut – betreffende de standaardfuncties in elke functiegroep – kunnen de functionarissen in de rangen AST 5 en AST 6 „de functie van administratief medewerker, documentalist, technicus [en] IT-medewerker” uitoefenen.

6        Artikel 10 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) bepaalt:

„1.      De artikelen 1 quinquies en 1 sexies, artikel 5, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van het Statuut zijn van overeenkomstige toepassing.

2.      In de overeenkomst met de tijdelijke functionaris moeten de rang en salaristrap waarin hij wordt aangesteld, worden vermeld.

[...]”

7        In artikel 15, lid 1, van de RAP is bepaald:

„De tijdelijke functionaris wordt aanvankelijk ingedeeld overeenkomstig artikel 32 van het Statuut.

[...]”

8        Artikel 37 van het besluit van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (PB L 121, blz. 37; hierna: „Europol-besluit”) – dat in de plaats is gekomen van de overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (PB 1995, C 316, blz. 1) – luidt als volgt:

„[...]

9.      De raad van bestuur:

[...]

d)      stelt de op de personeelsleden van Europol toepasselijke uitvoeringsregels vast, op voorstel van de directeur en na instemming van de [Europese] Commissie;

[...]

10.      De raad van bestuur dient elk jaar:

a)      de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven aan te nemen, met inbegrip van de personeelsformatie die bij de [Europese] Commissie moet worden ingediend en de definitieve begroting;

[...]”

9        Artikel 39 van het Europol-besluit bepaalt:

„1.      Het Statuut [...], de [RAP] en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese [Unie] zijn vastgesteld ter uitvoering van dat Statuut en die [RAP], zijn van toepassing op de directeur, de adjunct-directeuren en de personeelsleden van Europol die na de datum waarop dit besluit van toepassing wordt, in dienst worden genomen.

2.      Voor de toepassing van het Statuut en de [RAP], is Europol een agentschap in de zin van artikel 1 bis, lid 2, van het Statuut.

[...]”

10      Artikel 57 betreffende het „Personeel”, dat is opgenomen in hoofdstuk X „Overgangsbepalingen” van het Europol-besluit, bepaalt:

1.      In afwijking van artikel 39 worden alle arbeidsovereenkomsten die door Europol, als opgericht bij de Europol-overeenkomst, zijn gesloten en die van kracht zijn op de datum waarop dit besluit van toepassing wordt, nageleefd totdat zij verstrijken; nadat dit besluit van toepassing is geworden, kunnen deze overeenkomsten niet op basis van het statuut van de personeelsleden van Europol [...] worden verlengd.

2.      Alle personeelsleden die in dienst zijn genomen op basis van een in lid 1 bedoelde arbeidsovereenkomst, krijgen de mogelijkheid een overeenkomst te sluiten als tijdelijk functionaris overeenkomstig artikel 2, sub a, van de [RAP], in de rangen die worden vermeld in de personeelsformatie of als arbeidscontractant overeenkomstig artikel 3 bis van de [RAP].

Daartoe wordt, na de inwerkingtreding van dit besluit en binnen twee jaar na de datum waarop dit besluit van toepassing wordt, uitsluitend voor de personeelsleden die al een arbeidsovereenkomst met Europol hebben op de datum waarop dit besluit van toepassing wordt, door het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezag een intern selectieproces georganiseerd om de bekwaamheid, de efficiëntie en de integriteit van de aan te werven personeelsleden te toetsen.

Naargelang de aard en het niveau van de functies wordt geslaagde kandidaten een overeenkomst als tijdelijk functionaris of een overeenkomst als arbeidscontractant aangeboden voor een periode die ten minste overeenstemt met de resterende duur van de overeenkomst die was afgesloten vóór de datum waarop dit besluit van toepassing wordt.

[...]”

11      Artikel 3 van de algemene uitvoeringsbepalingen van 17 november 2009 (hierna: „uitvoeringsregeling van 17 november 2009”) bepaalt:

„Voor elke vacature [...] opent Europol een interne selectieprocedure door een aankondiging te publiceren van de selectieprocedure die de aard van de vacature aangeeft op basis van het type en het niveau van de te vervullen functies [...] De aankondiging van de selectieprocedure preciseert bovendien de criteria inzake de vereiste algemene en specifieke bekwaamheden en basisvaardigheden, de functiegroep en de rang en de mogelijke duur van aanstelling.

[...]”

12      Bij informatieve nota van 20 november 2009 is het personeel voorts in kennis gesteld van de selectievoorwaarden en met name van de duur van de beroepservaring die in beginsel is vereist om tot een bepaalde rang te worden toegelaten.

13      Artikel 64 van het Europol-besluit luidt:

„1.      Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.      Dit besluit is van toepassing vanaf 1 januari 2010 of de datum waarop de verordening bedoeld in artikel 51, lid 1, van toepassing wordt, afhankelijk van welke van die data het laatst valt.

[...]”

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

14      Verzoekster is op 1 oktober 2004 bij Europol in dienst getreden als administratief medewerkster. Haar overeenkomst viel toen onder het Statuut voor de personeelsleden van Europol, dat is vastgesteld bij besluit van de Raad van 3 december 1998 (PB 1999, C 26, blz. 23; hierna: „Europol-statuut”).

15      Nadat verzoekster had vernomen dat Europol de door haar beklede post in het kader van de bijzondere selectieprocedure in de rang AST 5 wilde indelen, heeft zij de directeur van Europol bij schrijven van 30 juli 2009 meegedeeld dat de post volgens haar eigenlijk met de rang AST 6 overeenkwam. Bij schrijven van 30 november 2009 heeft de directeur van Europol haar geantwoord dat nog niet was beslist in welke rang deze posten zouden worden ingedeeld.

16      De directeur van Europol heeft verzoekster op 25 mei 2010 ervan in kennis gesteld dat een aankondiging voor een selectieprocedure zou worden gepubliceerd voor haar post bij de directie informatica. Hij heeft gepreciseerd dat, indien zij voor de interne selectieprocedure zou slagen, haar een overeenkomst van tijdelijk functionaris in de rang AST 5 – de met die post overeenkomende rang – zou worden aangeboden.

17      Verzoekster heeft op 14 juni 2010 te kennen gegeven dat zij zou deelnemen aan de interne selectieprocedure met het oog op het sluiten van een overeenkomst van tijdelijk functionaris. Op 15 juni 2010 heeft verzoekster de directeur van Europol evenwel opnieuw schriftelijk verzocht in de rang AST 6 te worden ingedeeld indien zij voor de interne selectieprocedure zou slagen.

18      Op 16 juni 2010 heeft Europol de aankondiging van de interne selectieprocedure voor verzoeksters post gepubliceerd. In deze aankondiging was gepreciseerd dat de geselecteerde kandidaat in de rang AST 5 zou worden aangesteld.

19      Verzoekster heeft voor deze post gesolliciteerd en werd na de interne selectieprocedure op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst. Bij schrijven van 15 september 2010 heeft de directeur van Europol aan verzoekster meegedeeld dat hij haar een overeenkomst van tijdelijk functionaris in de rang AST 5 aanbood (hierna: „besluit van 15 september 2010”).

20      Bij e-mail van 27 oktober 2010 heeft verzoekster het in de brief van 15 september 2010 opgenomen contractaanbod aanvaard, maar bleef zij bij haar verzoek om in de rang AST 6 te worden ingedeeld, onder verwijzing naar haar brief van 15 juni 2010 waarin zij had uiteengezet waarom haar post met die rang overeenkwam.

21      Op 29 november 2010 heeft verzoekster een overeenkomst van tijdelijk functionaris in de rang AST 5, salaristrap 2, ondertekend overeenkomstig artikel 2, sub a, van de RAP.

22      Op 3 december 2010 heeft een lid van de juridische dienst van Europol verzoekster meegedeeld dat haar e-mail van 27 oktober 2010 als een klacht tegen de beslissing van 15 september 2010 zou worden beschouwd en dat in het kader van het onderzoek van deze klacht rekening zou worden gehouden met de argumenten die zij in haar brief aan de directeur van Europol van 15 juni 2010 had uiteengezet.

23      Bij beslissing van 19 december 2010 – op 3 januari 2011 ter kennis van verzoekster gebracht – heeft de directeur van Europol, in zijn hoedanigheid van tot het sluiten van overeenkomsten bevoegd gezag (hierna: „bevoegde gezag”), de klacht van 27 oktober 2010 ten gronde verworpen.

 Conclusies van partijen en procesverloop

24      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

¾        de afwijzing van de klacht van 27 oktober 2010 nietig te verklaren;

¾        verweerder te verwijzen in de kosten.

25      Europol verzoekt het Gerecht:

¾        het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond, te verklaren;

¾        verzoekster te verwijzen in de kosten.

26      In antwoord op de door het Gerecht op 30 maart 2012 getroffen maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft Europol het meerjarige personeelsbeleidsplan voor 2011‑2013 (hierna: „meerjarenplan”) overgelegd en hebben partijen hun opmerkingen over het bindende karakter en de strekking van de op 16 juni 2010 op basis van artikel 3, lid 1, van de uitvoeringsregeling van 17 november 2009 vastgestelde aankondiging van de selectieprocedure ingediend.

 In rechte

27      Krachtens artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep geheel of ten dele kennelijk ongegrond is, bij met redenen omklede beschikking beslissen zonder de behandeling voort te zetten.

28      In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door het dossier, om bij met redenen omklede beschikking te beslissen zonder de behandeling voort te zetten en zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het door Europol tegen het verzoekschrift aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid.

 Voorwerp van het beroep

29      Met haar beroep vordert verzoekster de nietigverklaring van de afwijzing van haar klacht van 27 oktober 2010.

30      Volgens vaste rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel tegen het besluit tot afwijzing van een klacht is gericht, indien dit besluit geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punt 8).

31      In casu was verzoeksters verzoek van 27 oktober 2010, dat neerkwam op een klacht, gericht tegen het besluit van 15 september 2010 waarbij haar een overeenkomst van tijdelijk functionaris in de rang AST 5 was aangeboden. De afwijzing van deze klacht heeft geen zelfstandige inhoud, aangezien daarbij uitsluitend de inhoud van het besluit van 15 september 2010 is bevestigd. Het onderhavige beroep moet dus worden geacht tot nietigverklaring van het besluit van 15 september 2010 te strekken.

 Ten gronde

32      Verzoekster voert in wezen twee middelen aan: schending van artikel 5, lid 4, van het Statuut juncto artikel 10 van de RAP, op grond dat Europol zijn verplichting tot het opstellen van een overzicht van de verschillende in bijlage I, punt A, bij het Statuut opgenomen standaardfuncties niet is nagekomen, en niet-inachtneming van het meerjarenplan.

 Het middel ontleend aan schending van artikel 5, lid 4, van het Statuut juncto artikel 10 van de RAP

¾       Argumenten van partijen

33      Verzoekster voert aan dat Europol inbreuk heeft gemaakt op het voorschrift dat alle verschillende standaardfuncties met de erbij horende taken en bevoegdheden, na overleg met het comité voor het Statuut, moeten worden omschreven. Volgens verzoekster heeft Europol inbreuk gemaakt op artikel 10 van de RAP, dat verwijst naar artikel 5, lid 4, van het Statuut. Voorts is het meerjarenplan willekeurig en niet in overeenstemming met bijlage I, punt A, van het Statuut.

34      Europol werpt tegen dat het meerjarenplan geen beslissing is maar een informatief document dat ten behoeve van de Europese Commissie en de begrotingsautoriteit van de Europese Unie is opgesteld, volgens een procedure die duidelijk verschilt van die welke in bijlage I, punt A, van het Statuut is vastgesteld inzake de overeenstemming tussen de standaardfuncties en de loopbanen. Volgens de rechtspraak zou het bevoegde gezag kunnen beslissen over de indeling in rang van de functionarissen ook al heeft de instelling de omschrijving van de in artikel 5, lid 4, van het Statuut bedoelde taken en bevoegdheden noch vastgesteld noch gepubliceerd. Voorts zijn de criteria op grond waarvan deze indeling in casu is verricht, vastgesteld bij wege van algemene uitvoeringsbepalingen die zijn gepubliceerd in het vademecum – de elektronische verzameling van voor het personeel toegankelijke teksten – en zijn zij volstrekt niet willekeurig. Bij de vaststelling van het meerjarenplan, dat overigens niet geldt voor het tijdvak waarin verzoekster is aangeworven, is bijlage I, punt A, van het Statuut hoe dan ook niet geschonden.

¾       Beoordeling door het Gerecht

35      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat iedere instelling van de Unie overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Statuut verplicht is om na overleg met het comité voor het Statuut de bij iedere standaardfunctie horende taken en bevoegdheden, waarvan de lijst is opgenomen in bijlage I van het Statuut, vast te stellen (arrest Gerecht van 28 juni 2011, AS/Commissie, F‑55/10, punt 59, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑476/11 P). Artikel 10 van de RAP preciseert dat artikel 5, lid 4, van het Statuut van overeenkomstige toepassing is op tijdelijk functionarissen.

36      De in artikel 5, lid 4, van het Statuut opgenomen verplichting rust op Europol. Overeenkomstig artikel 39, lid 2, van het Europol-besluit is dit orgaan namelijk een agentschap in de zin van artikel 1 bis, lid 2, van het Statuut. Artikel 1 bis, lid 2, van het Statuut bepaalt dat de in het Statuut gemaakte verwijzingen naar de instellingen ook voor de agentschappen gelden.

37      Europol erkent dat toen verzoekster opnieuw is aangeworven, de in artikel 5, lid 4, van het Statuut bedoelde omschrijving van de taken en bevoegdheden nog niet was vastgesteld, aangezien het meerjarenplan immers slechts een voor de begrotingsautoriteit van de Unie bestemd informatief element is. Partijen betwisten hoe dan ook niet dat het meerjarenplan niet overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Statuut en de in bijlage I, punt A, van het Statuut neergelegde beschrijving is vastgesteld.

38      Bijgevolg moeten de gevolgen van dit verzuim op de rechtmatigheid van verzoeksters indeling in rang AST 5 worden beoordeeld.

39      Geoordeeld is dat de in artikel 80, lid 3, van de RAP bedoelde vaststelling van de taken en bevoegdheden als louter interne handeling slechts tot doel kon hebben, op administratief niveau de indeling van de arbeidscontractanten te vergemakkelijken door zo gedetailleerd mogelijk de verschillende werkzaamheden uiteen te zetten die zij moeten uitoefenen. Dat een instelling heeft nagelaten om de in artikel 80, lid 3, van de RAP bedoelde omschrijving van de taken en bevoegdheden te verrichten kan dan ook niet leiden tot de onwettigheid van de beslissing waarbij de indeling van een arbeidscontractant is vastgesteld (beschikking Gerecht van eerste aanleg van 9 juli 2007, De Smedt/Commissie, T‑415/06 P, punten 42 en 43).

40      Dezelfde redenering kan worden gevolgd voor, zoals in het onderhavige geval, de indeling van tijdelijk functionarissen. Artikel 80, lid 3, van de RAP stelt immers verplichtingen vast die aanleunen bij die welke voortvloeien uit artikel 5, lid 4, van het Statuut, dat krachtens artikel 10 van de RAP van overeenkomstige toepassing is.

41      Uit het voorgaande vloeit voort dat het eerste middel, dat is ontleend aan schending van artikel 5, lid 4, van het Statuut juncto artikel 10 van de RAP kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

42      Hoe dan ook zij erop gewezen dat artikel 3, lid 1, van de uitvoeringsregeling van 17 november 2009 bepaalt dat „Europol voor elke vacature [...] een interne selectieprocedure opent door een aankondiging te publiceren van de selectieprocedure die de aard van de vacature aangeeft op basis van het type en het niveau van de te vervullen functies [...] De aankondiging van de selectieprocedure preciseert verder de criteria inzake de vereiste algemene en specifieke bekwaamheden en basisvaardigheden, de functiegroep en de rang en de mogelijke duur van aanstelling.” De in artikel 3, lid 1, van de uitvoeringsregeling van 17 november 2009 bedoelde aankondiging van de selectieprocedure vormt aldus, voor zover deze de „aard van de vacature” en „de criteria inzake de vereiste algemene en specifieke bekwaamheden en basisvaardigheden, de functiegroep en de rang” vermeldt, het rechtskader op basis waarvan verzoekster – mits zij voor de interne selectie is geslaagd – een nieuwe overeenkomst van tijdelijk functionaris kan worden aangeboden. Verzoekster is echter noch in haar klacht noch in haar beroep tegen de gegrondheid van de aankondiging van de interne selectieprocedure opgekomen.

 Middel ontleend aan de niet-inachtneming van het meerjarenplan

¾       Argumenten van partijen

43      Verzoekster betoogt dat indien het meerjarenplan effectief bindend en in overeenstemming met artikel 5 van het Statuut juncto artikel 10 van de RAP zou zijn, de haar opgedragen taken onder de beschrijving van rang AST 6 zouden vallen. Verzoekster oefent immers overwegend werkzaamheden uit die technische kennis vereisen. Voorts zou zij naar eigen zeggen slechts in specifieke gevallen administratieve taken moeten vervullen.

44      Europol antwoordt in de eerste plaats dat het bevoegde gezag zelfs verder is gegaan dan de geest van artikel 31 van het Statuut, aangezien zij verzoekster in de rang AST 5 heeft ingedeeld, terwijl dit artikel bepaalt dat „ambtenaren slechts kunnen worden aangeworven in de rangen AST 1 tot en met AST 4”. Europol voegt hieraan toe dat de strekking van een handeling waarbij het bevoegde gezag een functionaris in een post aanstelt en de taken ervan omschrijft, niet door een beoordelingsrapport kan worden gewijzigd. Hij benadrukt dat verzoekster niet bewijst dat haar functie gespecialiseerde technische kennis vereist in de zin van de in het meerjarenplan opgenomen beschrijving van de functies van de rang AST 6. Europol preciseert dat er hoe dan ook niet naar een meerjarenplan moet worden verwezen, maar uitsluitend naar bijlage I, punt A, van het Statuut.

¾       Beoordeling door het Gerecht

45      Verzoeksters tweede middel gaat uit van de premisse dat het meerjarenplan „effectief bindend en in overeenstemming met artikel 10 van de RAP juncto artikel 5 van het Statuut” is.

46      Het tot aanstelling bevoegde gezag – zoals het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezag – kan een intern richtsnoer vaststellen dat hem helpt bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid inzake de indeling in rang (arrest Gerecht van eerste aanleg van 9 juli 1997, Monaco/Parlement, T‑92/96, punt 46). Aangezien het meerjarenplan in casu echter een aan de begrotingsautoriteit van de Unie gericht informatief element is dat niet voor het personeel is bestemd, kan het niet als een intern richtsnoer worden aangemerkt.

47      Het meerjarenplan is hoe dan ook, zoals uiteengezet in punt 31 van deze beschikking, niet vastgesteld in overeenstemming met artikel 5, lid 4, van het Statuut, dat krachtens artikel 10 van de RAP van overeenkomstige toepassing is.

48      Aangezien het tweede middel van het verzoekschrift dus was gebaseerd op de onjuiste premisse dat het meerjarenplan bindend en in overeenstemming met artikel 5, lid 4, van het Statuut zou zijn, is het kennelijk ongegrond en moet het worden afgewezen.

49      Gesteld dat het middel niet op deze premisse was gebaseerd en verzoekster zich meer in het algemeen had willen beroepen op een aan een kennelijke beoordelingsfout ontleend middel, zou dit middel hoe dan ook eveneens moeten worden afgewezen.

50      Het Statuut voorziet namelijk niet in een vaste relatie tussen een bepaalde functie en een bepaalde rang. Het Gerecht van de Europese Unie heeft in die zin geoordeeld dat de administratie wettelijk gebruik kan maken van haar ruime beoordelingsbevoegdheid door in een aankondiging van een vacature – of van een selectieprocedure – het niveau van een post vast te stellen onder verwijzing naar een groot aantal rangen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 18 juni 2009, Commissie/Traore, T‑572/08 P, punten 61‑63). Uit de beschrijving van verzoeksters post blijkt echter niet duidelijk dat een indeling in de rang AST 5 in plaats van AST 6 kennelijk ongepast zou zijn. Overigens zijn de in bijlage I, punt A, van het Statuut bedoelde standaardfuncties die overeenstemmen met de rangen AST 5 en AST 6, volkomen identiek.

51      Uit een en ander volgt dat, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het door Europol aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid, het beroep kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

 Kosten

52      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

53      Uit de hierboven uiteengezette overwegingen volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft Europol in zijn conclusie uitdrukkelijk gevraagd om verzoekster te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak geen rechtvaardiging opleveren voor de toepassing van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, draagt verzoekster haar eigen kosten alsook die van Europol.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer)

beschikt:

1)      Het beroep is kennelijk ongegrond.

2)      S. J. Markland draagt haar eigen kosten alsook die van de Europese politiedienst.

Luxemburg, 13 september 2012.

De griffier

 

       De president

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Nederlands.