Language of document :

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

4 oktober 2012 (*)

„Niet-nakoming – Burgerschap van Unie – Reis‑ en verblijfsrecht – Artikelen 20 VWEU en 21 VWEU – Discriminatie op grond van nationaliteit – Artikel 18 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 24 – Afwijking – Reikwijdte – Lidstaat waar voordeel van gereduceerde vervoertarieven uitsluitend is voorbehouden aan studenten wier ouders in die staat kinderbijslag ontvangen”

In zaak C‑75/11,

betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 21 februari 2011,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en D. Roussanov als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en M. Fruhmann als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, U. Lõhmus, A. Rosas, A. Ó Caoimh (rapporteur) en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2012,

het navolgende

Arrest

1        De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door het voordeel van gereduceerde vervoertarieven in beginsel uitsluitend voor te behouden aan studenten waarvan de ouders Oostenrijkse kinderbijslag ontvangen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 18 VWEU junctis de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU en krachtens artikel 24 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77, gerectificeerd in PB L 229, blz. 35).

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

 Verordening (EEG) nr. 1408/71

2        Artikel 1, sub u‑i, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB L 177, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), verstaat onder „gezinsbijslagen”: „alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, [van diezelfde verordening] bedoelde wettelijke regeling”.

3        Krachtens artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71 is deze van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid die betrekking hebben op gezinsbijslagen.

4        Artikel 13, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies van die verordening degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat zijn onderworpen.

 Richtlijn 2004/38

5        In de punten 1 en 10 van de considerans van richtlijn 2004/38 staat:

„(1)      Burgerschap van de Unie verleent iedere burger van de Unie, binnen de beperkingen van het [EG-]Verdrag en de maatregelen tot uitvoering daarvan, een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten.

[...]

(10)      Personen die hun recht van verblijf uitoefenen mogen evenwel tijdens het begin van hun verblijfsperiode geen onredelijke belasting vormen voor het sociale bijstandsstelsel van het gastland. Daarom dient het recht van verblijf van een burger van de Unie en zijn familieleden voor perioden van meer dan drie maanden aan bepaalde voorwaarden te zijn verbonden.”

6        Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat deze van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

7        Artikel 7, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt:

„Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

[...]

c)      –      indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en

–        indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze – de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; [...]”

8        Artikel 24 van richtlijn 2004/38, met als opschrift „Gelijke behandeling”, luidt als volgt:

„1.      Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.

2.      In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, sub b, bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of ‑lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.”

 Oostenrijks recht

9        In Oostenrijk bestaan er geen bondsregels die de korting voor studenten op de vervoertarieven regelen.

10      Volgens de aan het Hof verstrekte inlichtingen, worden aan studenten weekkaarten tegen een gereduceerd tarief toegekend op basis van tussen het Bundesministerium für Verkehr, Innovation und Technologie (bondsministerie voor verkeer, innovatie en technologie) en de betrokken regionale lichamen en vervoerondernemingen gesloten financieringsovereenkomsten. Die overeenkomsten regelen niet alleen het tarief, de omvang van de korting en de financiële bijdrage van de bondsregering, maar stellen ook de kring van rechthebbenden vast.

11      Uit de stukken blijkt voorts dat in bepaalde Länder de studenten, zoals gedefinieerd in de artikelen 3 en 4 van het Studienförderungsgesetz 1992 (Oostenrijkse wet van 1992 betreffende de studiefinanciering, BGBl. nr. 305/1992), in de ten tijde van het geding geldende versie (hierna: „wet van 1992”), slechts in aanmerking kunnen komen voor gereduceerde tarieven, indien hun woonplaats of de plaats van hun opleiding zich bevindt binnen het ressort van de betrokken openbaarvervoermaatschappij en indien voor hen overeenkomstig artikel 2 van het Familienlastenausgleichsgesetz 1967 (Oostenrijkse wet van 1967 betreffende de compensatie van gezinslasten; BGBl. nr. 376/1967), in de ten tijde van het geding geldende versie (hierna: „FLAG”), kinderbijslag is ontvangen.

12      In andere Länder, waar de toepassing van kortingen niet afhankelijk is gesteld van het ontvangen van kinderbijslag, zijn de in aanmerking genomen criteria (naast het statuut van student): de leeftijd en/of de woonplaats van de betrokkenen.

13      Personen die hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats hebben in Oostenrijk, hebben overeenkomstig § 2 FLAG recht op kinderbijslag voor hun minderjarige kinderen en voor hun meerderjarige kinderen onder de 26 jaar die een beroepsopleiding volgen of die in verband met het vak dat zij hebben geleerd een nascholing volgen aan een gespecialiseerde school, mits die opleiding of nascholing hen belet hun vak uit te oefenen. In beginsel is het degene tot wiens huishouden het kind behoort, die recht heeft op kinderbijslag.

14      § 4 van de wet van 1992 bepaalt dat onderdanen van een der overeenkomstsluitende partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) of bij het EG-Verdrag, alsook onderdanen van derde landen, worden gelijkgesteld met Oostenrijkse onderdanen, „voor zover deze gelijkstelling voortvloeit uit voornoemde overeenkomsten”.

15      In § 52 van de wet van 1992 worden vervoervergoedingen gedefinieerd als „andere maatregel[en] voor het stimuleren van studie”. De doelstelling van die vergoedingen bestaan erin de ontvangers van studietoelagen te ondersteunen door hun vervoerkosten te vergoeden. Het gaat om vergoedingen waarvan uitsluitend de ontvangers van kinderbijslag in Oostenrijk profiteren en die verschillen van de kortingen op de vervoertarieven.

 Precontentieuze procedure

16      De Commissie is er door een klacht, ingediend door een persoon handelend in naam van de politieke partij „die Grünen” („de groenen”), van in kennis gesteld dat talrijke studenten uit andere lidstaten dan de Republiek Oostenrijk die hun studie volgen in Oostenrijk, hogere bedragen moesten voldoen om gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer dan de bedragen die werden betaald door Oostenrijkse studenten. In bepaalde Länder kunnen namelijk uitsluitend studenten afkomstig uit gezinnen die Oostenrijkse kinderbijslag ontvangen, in aanmerking komen voor een korting op de vervoertarieven.

17      Van mening dat een dergelijk selectief stelsel een schending van het in artikel 12 EG neergelegde non-discriminatiebeginsel oplevert, heeft de Commissie bij brief van 13 februari 2008 aan de Republiek Oostenrijk verzocht haar een gedetailleerde beschrijving te verstrekken van het stelsel van gereduceerde vervoertarieven dat van toepassing is in die lidstaat.

18      Bij brief van 18 april 2008, hebben de Oostenrijkse autoriteiten de verschillende toepasselijke tarieven per Land, en aan de hand van de specifieke situatie van de betrokkenen beschreven.

19      Bij als aanmaning geldende brief van 23 maart 2009 heeft de Commissie de Republiek Oostenrijk verzocht om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen in te dienen met betrekking tot de selectieve wijze van toekenning van gereduceerde vervoertarieven voor studenten. Volgens de Commissie schendt die selectieve wijze van toekenning het non-discriminatiebeginsel dat is neergelegd in, enerzijds, artikel 12 EG (thans, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in artikel 18 VWEU) en, anderzijds, artikel 24 van richtlijn 2004/38.

20      In haar antwoord van 25 juni 2009 op die aanmaningsbrief heeft de Republiek Oostenrijk de relevantie betwist van artikel 24 van richtlijn 2004/38. Volgens die lidstaat vormen de gereduceerde vervoertarieven voor studenten aanvullende gezinsbijslagen die vallen onder het stelsel van in Oostenrijk toegekende kinderbijslag en moeten zij derhalve worden gekwalificeerd als een socialezekerheidsprestatie in de zin van de regeling van de Unie die van toepassing is op het gebied van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. De begunstigden van die tarieven zijn niet de studenten zelf, maar de ouders die hun kinderen ondersteunen zolang die het statuut van student behouden.

21      Op 28 januari 2010 heeft de Commissie de Republiek Oostenrijk een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij haar standpunt handhaafde dat het Oostenrijkse stelsel van gereduceerde vervoertarieven voor studenten in strijd is met artikel 18 VWEU en artikel 24 van richtlijn 2004/38, zonder dat de afwijking waarin artikel 24, lid 2, voorziet van toepassing is. De Commissie betoogde, enerzijds, dat, in tegenstelling tot de argumenten van de Oostenrijkse autoriteiten, het enkele feit dat een maatregel de lasten van ouders voor het onderhoud van hun kinderen verlicht niet kan volstaan om die maatregel niet als steun voor levensonderhoud voor studies te kwalificeren zonder aan voornoemd artikel 24, lid 2, elke zin te ontnemen. Anderzijds moet volgens haar uit de tekst van artikel 24, lid 2, worden afgeleid dat gastlanden aan studenten van andere lidstaten die niet in het bezit zijn van een duurzame verblijfstitel op het grondgebied van het gastland, enkel steun voor levensonderhoud kunnen weigeren in de gevallen waarin die steun de vorm aanneemt van een studiebeurs of ‑lening.

22      In haar antwoord van 29 maart 2010 op dat met redenen omkleed advies heeft de Republiek Oostenrijk betoogd dat de gereduceerde vervoertarieven kunnen worden aangemerkt als een gezinsbijslag die wordt toegekend in het kader van privaatrechtelijk beheer. Er is geen sprake van discriminatie op grond van nationaliteit, aangezien die tarieven worden verleend aan alle aangesloten ouders, ongeacht hun nationaliteit.

23      In deze omstandigheden heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.

 Beroep

24      Vooraf moet worden gepreciseerd dat de Commissie met haar beroep de Republiek Oostenrijk verwijt een korting op de vervoertarieven enkel te verlenen aan studenten waarvoor in Oostenrijk kinderbijslag is toegekend. Een dergelijke voorwaarde is opgelegd door de Länder Wien, Oberösterreich, Burgenland en Steiermark alsmede in de stad Innsbruck.

25      Hoewel uit het dossier volgt dat, wat de stad Innsbruck betreft, de studenten sinds het academisch jaar 2010/2011 in aanmerking kunnen komen voor weekkaarten tegen gereduceerd tarief ongeacht de vraag of hun ouders al dan niet Oostenrijkse kinderbijslag hebben ontvangen, moet het bestaan van een niet-nakoming evenwel worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, te weten, in casu, 28 maart 2010. Met daarna opgetreden wijzigingen kan het Hof geen rekening houden (zie met name arresten van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C‑147/00, Jurispr. blz. I‑2387, punt 26; 4 juli 2002, Commissie/Griekenland, C‑173/01, Jurispr. blz. I‑6129, punt 7, en 19 juli 2012, Commissie/Italië, C‑565/10, punt 22).

26      Vaststaat dat bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn dit nieuwe type weekkaarten in de stad Innsbruck nog niet gold.

27      Ook moet worden gepreciseerd dat, aangezien de Commissie onvoldoende informatie had over de in het Land Niederösterreich geldende regeling, die regeling geen voorwerp vormt van het onderhavige beroep.

 Argumenten van partijen

28      Dat de verlening van gereduceerde vervoertarieven afhankelijk is gesteld van het ontvangen van Oostenrijkse kinderbijslag, vormt volgens de Commissie een indirecte discriminatie van studenten uit andere lidstaten dan de Republiek Oostenrijk die hun studie volgen in dat land, en is derhalve in strijd met de artikelen 18 VWEU, 20 VWEU en 21 VWEU, alsook met artikel 24 van richtlijn 2004/38.

29      De in casu aan de orde zijnde Oostenrijkse regeling benadeelt namelijk studenten die onderdaan zijn van die andere lidstaten, door de verlening van gereduceerde vervoertarieven afhankelijk te stellen van een voorwaarde waaraan gemakkelijker kan worden voldaan door Oostenrijkse onderdanen.

30      De Republiek Oostenrijk betoogt dat de korting op de vervoertarieven, die afhankelijk is gesteld van het ontvangen van Oostenrijkse kinderbijslag, een in het kader van privaatrechtelijk beheer toegekende gezinsbijslag vormt. In het Oostenrijkse recht kunnen de gezinsbijslagen niet automatisch worden ontvangen door elke Oostenrijkse student, maar hangt hun toekenning af van het feit dat de ouders verplicht zijn om de student te ondersteunen. De korting op de vervoerprijs komt in wezen ten goede aan het familiebudget en zij wordt, net als de gezinsbijslagen, niet langer toegekend wanneer de student zelf inkomsten ontvangt boven de door de Oostenrijkse wetgever vastgestelde drempel. Volgens die lidstaat moet een dergelijke korting worden aangemerkt als een gezinsbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71, zelfs wanneer zij is gekoppeld aan studies of cursussen en een dubbele functie vervult. Anders dan de vervoervergoeding die wordt toegekend aan de sociaal achtergestelde student, is de korting op de vervoertarieven niet afhankelijk van het inkomen van de ouders en wordt deze niet direct overgemaakt naar de bankrekening waarvan de begunstigde student de houder is.

31      De Republiek Oostenrijk stelt vast dat zij in haar bekendmaking met betrekking tot verordening nr. 1408/71 heel algemeen melding heeft gemaakt van het FLAG, waar de in casu aan de orde zijnde korting op de vervoertarieven uit voortvloeit. Die bekendmaking heeft volgens haar declaratoire en constitutieve werking.

32      Voornoemde lidstaat betoogt derhalve dat haar stelsel volledig voldoet aan verordening nr. 1408/71 en bovendien niet in strijd is met richtlijn 2004/38. Hij voegt hieraan toe dat het Hof ter beoordeling van de prestaties die vallen binnen de werkingssfeer van die verordening niet verwijst naar de beginselen van primair recht, zoals die welke zijn neergelegd in artikel 18 VWEU (zie arrest van 16 juli 2009, von Chamier-Glisczinski, C‑208/07, Jurispr. blz. I‑6095, punten 84 e.v.).

33      De Commissie is van mening dat het argument waarop de Republiek Oostenrijk zich baseert, dat is ontleend aan het socialezekerheidskarakter van de korting op de vervoertarieven, irrelevant is. Om te beginnen vormt een dergelijke korting geen compensatie van gezinslasten, zoals wordt vereist door artikel 1, sub u‑i, van verordening nr. 1408/71, maar verlicht zij de kosten die het gebruik van het openbaar vervoer met zich meebrengt voor studenten op universiteiten en in het hoger onderwijs. De gereduceerde vervoertarieven komen direct ten goede aan de studenten en niet aan de ouders. Vervolgens kan op grond van de door de Republiek Oostenrijk verstrekte beschrijving van de gereduceerde vervoertarieven niet worden gesteld dat deze voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als een socialezekerheidsprestatie in de zin van verordening nr. 1408/71. Dienaangaande zij erop gewezen dat de studenten geen wettelijk recht hebben op die prestaties. Ten slotte is het niet logisch de in de wet van 1992 voorziene vervoervergoeding te kwalificeren als steun voor levensonderhoud, terwijl de in casu aan de orde zijnde korting op de vervoertarieven wordt aangemerkt als een gezinsbijslag. Volgens de Commissie is het feit dat de verlening van een korting op de vervoertarieven in bepaalde Länder niet afhankelijk is gesteld van het ontvangen van Oostenrijkse kinderbijslag een aanvullende aanwijzing dat die korting niets heeft van een gezinsbijslag.

34      Wat de uitzondering betreft op het in artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 neergelegde beginsel van gelijke behandeling, waarop de Republiek Oostenrijk zich beroept, is de Commissie van mening dat deze strikt moet worden uitgelegd. Zij geldt alleen voor „steun voor levensonderhoud [...] voor studies, inclusief beroepsopleiding, [die] de vorm [aanneemt] van een studiebeurs of ‑lening”. In tegenstelling tot de argumenten van die lidstaat, strekt het in artikel 24, lid 1, neergelegde beginsel van gelijke behandeling zich uit tot alle prestaties voor studenten die niet worden toegekend in de vorm van een studiebeurs of ‑lening. Gelet op hun vorm, vallen de gereduceerde vervoertarieven niet onder de in voornoemd lid 2 voorziene uitzondering. De door de Republiek Oostenrijk voorgestane uitlegging van die uitzondering kan niet worden aanvaard, aangezien zij in strijd is met het primaire recht en met de rechtspraak van het Hof inzake de artikelen 18 en 21 VWEU.

35      De Republiek Oostenrijk betoogt dat de korting op de vervoerprijs in ieder geval bijdraagt aan de financiering van studies, en, bijgevolg, niet los kan worden gezien van andere maatregelen die de lidstaat van herkomst moet nemen op het gebied van studiefinanciering. Totdat de student, in het kader van de opleiding, in het gastland is geïntegreerd, is het de zaak van de lidstaat van herkomst om zijn studenten, rekening houdend met eventuele onderhoudsverplichtingen, voldoende steun te bieden. Het gastland hoeft niet de eventueel „lagere” toelagen die door andere lidstaten zijn verleend, te compenseren.

 Beoordeling door het Hof

36      Vooraf moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 20, lid 1, VWEU eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, burger van de Unie is.

37      Studenten die afkomstig zijn uit andere lidstaten dan de Republiek Oostenrijk en hun studie in Oostenrijk willen volgen, zijn, voor zover zij de nationaliteit van een lidstaat bezitten, burgers van de Unie.

38      Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld dient de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten te zijn en verleent zij degenen onder deze onderdanen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, ter zake van de werkingssfeer ratione materiae van het Verdrag aanspraak op een gelijke behandeling rechtens (arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, Jurispr. blz. I‑6193, punt 31, en 11 juli 2002, D’Hoop, C‑224/98, Jurispr. blz. I‑6191, punt 28).

39      Elke burger van de Unie kan zich beroepen op artikel 18 VWEU, dat iedere discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt in alle binnen de materiële werkingssfeer van het recht van de Unie vallende situaties, waaronder met name de uitoefening van de in artikel 21 VWEU neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie arresten van 12 mei 1998, Martínez Sala, C‑85/96, Jurispr. blz. I‑2691, punt 63; 15 maart 2005, Bidar, C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punten 32 en 33; 18 november 2008, Förster, C‑158/07, Jurispr. blz. I‑8507, punten 36 en 37, en 13 april 2010, Bressol e.a., C‑73/08, Jurispr. blz. I‑2735, punt 31).

40      Blijkens diezelfde rechtspraak overigens betreft dit verbod eveneens de situaties inzake de voorwaarden voor de toegang tot een beroepsopleiding, aangezien zowel het hoger als het universitair onderwijs een beroepsopleiding vormt (reeds aangehaald arrest Bressol e.a., punt 32).

41      Bijgevolg kan een onderdaan van een lidstaat die zijn studie volgt in Oostenrijk, zich beroepen op het in de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU neergelegde recht om vrij op het grondgebied van een lidstaat te reizen en te verblijven, zonder rechtstreeks of indirect op grond van zijn nationaliteit te worden gediscrimineerd (reeds aangehaald arrest Bressol e.a., punt 33).

42      Wat de vraag betreft of de kortingen op de vervoertarieven zoals die welke door bepaalde Länder in Oostenrijk worden verleend, binnen de werkingssfeer van de verdragen vallen in de zin van artikel 18, lid 1, VWEU, moet worden opgemerkt dat het Hof, vaststellend dat de toegang tot de beroepsopleiding binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, reeds heeft gepreciseerd dat nationale steun die wordt verleend aan studenten om hun kosten van levensonderhoud te dekken, in een niet op premies of bijdragen gebaseerde nationale regeling voorziene sociale uitkeringen en de zogenoemde „wachtuitkeringen” die zijn voorzien in een nationale regeling die is bestemd voor jonge werklozen die op zoek zijn naar hun eerste baan, binnen die werkingssfeer vallen (zie, respectievelijk, reeds aangehaalde arresten Bidar, punt 42; Grzelczyk, punt 46, en D’Hoop, punten 34‑35).

43      Hieruit volgt dat ook een regeling die bepaalt dat aan studenten kortingen worden verleend op de vervoertarieven, voor zover deze hen in staat stelt om, rechtstreeks of indirect, hun kosten van levensonderhoud te dekken, binnen de werkingssfeer van het VWEU valt.

44      Aangaande het argument van de Republiek Oostenrijk dat de korting op de vervoertarieven moet worden aangemerkt als een gezinsbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71, moet worden opgemerkt dat, gesteld al dat de conflictregels van die verordening van toepassing zijn op burgers van de Unie die studies willen volgen in andere lidstaten dan hun lidstaten van herkomst en waarvan de ouders geen enkele band hebben met dat gastland, een dergelijke kwalificatie van die korting een verschillende behandeling van die burgers op grond van nationaliteit niet kan rechtvaardigen.

45      Enerzijds zij immers eraan herinnerd dat bepaalde prestaties die vallen binnen de specifieke werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, eveneens door het Hof zijn aangemerkt als (sociale) voordelen die zijn onderworpen aan het beginsel van gelijke behandeling op grond van nationaliteit uit hoofde van andere bepalingen van het recht van de Unie betreffende het vrije verkeer van personen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Martínez Sala, punt 27).

46      Anderzijds zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1408/71 geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid heeft ingevoerd, maar verschillende nationale stelsels laat voortbestaan, waarvan zij slechts de coördinatie beoogt (arrest van 21 juli 2011, Stewart, C‑503/09, nog niet gepubliceerd in de jurisprudentie, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Hoewel de lidstaten bevoegd blijven om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, zodat het, bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie elke lidstaat vrij staat de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid en waaronder recht bestaat op uitkeringen, dienen zij bij de uitoefening van die bevoegdheid niettemin het recht van de Unie in acht te nemen, en, in het bijzonder, de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (reeds aangehaald arrest Stewart, punten 75‑77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Het argument van de Republiek Oostenrijk betreffende de kwalificatie van de kortingen op de vervoertarieven als gezinsbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71, sluit de door de Commissie gestelde discriminatie op grond van nationaliteit van studenten uit andere lidstaten die hun studie volgen in Oostenrijk dus niet uit.

49      Ten aanzien van bovenstaande stelling zij eraan herinnerd dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat algemeen is neergelegd in artikel 18 VWEU en in artikel 24 van richtlijn 2004/38 nader is gespecificeerd ten aanzien van burgers van de Unie die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen, niet alleen directe discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook alle indirecte vormen van discriminatie die, door toepassing van andere onderscheidingscriteria, in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie reeds aangehaald arrest Bressol e.a., punt 40).

50      Dat de korting op de vervoertarieven door bepaalde Länder afhankelijk is gesteld van de toekenning van Oostenrijkse kinderbijslag, leidt in casu tot een ongelijke behandeling van Oostenrijkse studenten die hun studie in Oostenrijk volgen, ten opzichte van studenten uit andere lidstaten die eveneens hun studie in Oostenrijk volgen, aangezien aan een dergelijke voorwaarde gemakkelijker kan worden voldaan door Oostenrijkse studenten omdat hun ouders in de regel die kinderbijslag ontvangen.

51      Een dergelijke ongelijke behandeling is in strijd met de beginselen die aan de hoedanigheid van burger van de Unie ten grondslag liggen, namelijk de waarborg, in herinnering gebracht in punt 38 van het onderhavige arrest, dat de burgers bij de uitoefening van hun recht van vrij verkeer rechtens gelijk worden behandeld (reeds aangehaald arrest D’Hoop, punt 35).

52      Volgens vaste rechtspraak kan een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit alleen worden gerechtvaardigd indien deze is gebaseerd op objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel (zie reeds aangehaald arrest D’Hoop, punt 36; arrest van 7 juli 2005, Commissie/Oostenrijk, C‑147/03, Jurispr. blz. I‑5969, punt 48, en reeds aangehaald arrest Bressol e.a., punt 41).

53      Alvorens wordt vastgesteld of er in casu sprake is van een dergelijke objectieve rechtvaardiging, dient om te beginnen het argument van de Republiek Oostenrijk te worden onderzocht dat de regeling van gereduceerde vervoertarieven voor studenten binnen de werkingssfeer valt van de in artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 voorziene afwijking van het beginsel van gelijke behandeling.

54      Als afwijking van het beginsel van gelijke behandeling dat is neergelegd in artikel 18 VWEU en waaraan artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 slechts specifieke uitdrukking geeft, dient artikel 24, lid 2, van die richtlijn strikt te worden uitgelegd.

55      Hoewel, zoals volgt uit punt 43 van het onderhavige arrest, de aan de betrokken studenten verleende kortingen op de vervoertarieven voor die studenten steun voor levensonderhoud vormen, valt enkel steun voor levensonderhoud voor studies „in de vorm van een studiebeurs of ‑lening” binnen de werkingssfeer van de in artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 neergelegde afwijking van het beginsel van gelijke behandeling.

56      Elke andere uitlegging zou niet alleen in strijd zijn met de tekst van die bepaling, maar ook indruisen tegen de op het Hof rustende verplichting om die afwijking uit te leggen in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, met inbegrip van die inzake het burgerschap van de Unie (zie in die zin arrest van 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C‑22/08 en C‑23/08, Jurispr. blz. I‑4585, punt 44).

57      Wat, in de tweede plaats, het bestaan betreft van objectieve overwegingen die de vastgestelde ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen, betoogt de Republiek Oostenrijk, zoals blijkt uit punt 35 van het onderhavige arrest, dat de korting op de vervoerprijzen bijdraagt aan de financiering van studies, en, bijgevolg, niet los kan worden gezien van andere maatregelen, die de lidstaat van herkomst moet nemen op het gebied van studiefinanciering. Er zijn lidstaten die veel royalere studiebeurzen toekennen dan Oostenrijk, zodat uit andere lidstaten afkomstige studenten beter in staat zijn de kosten van levensonderhoud in Oostenrijk, de reiskosten daaronder begrepen, te dragen dan Oostenrijkse studenten. Hoewel andere lidstaten een minder ruimhartig studietoelagenstelsel dan het Oostenrijkse kennen, staat het niet aan het gastland om uit dergelijke lidstaten afkomstige studenten te ondersteunen.

58      Hoewel, zoals de advocaat-generaal opmerkt in punt 62 van haar conclusie en ook blijkt uit de aan het Hof overgelegde informatie, de korting op de vervoertarieven niet langer wordt verleend wanneer de student zelf inkomsten ontvangt boven een bepaalde drempel, moet worden geconstateerd dat de korting in beginsel niet vooronderstelt dat er sprake is van ontoereikende middelen. Ook moet, in het geval de door de Republiek Oostenrijk nagestreefde doelstelling erin zou bestaan te vermijden dat een uit een andere lidstaat afkomstige student dubbele financiële steun ontvangt, worden opgemerkt dat uit de door de Oostenrijkse regering overgelegde informatie niet blijkt dat de bevoegde autoriteiten van die lidstaat bij de toekenning van die korting aan studenten waarvan de ouders Oostenrijkse kinderbijslag ontvangen, rekening houden met de eventueel door die studenten in een andere lidstaat ontvangen prestaties.

59      Voor zover de Republiek Oostenrijk met haar argument betwist dat op een gastland de verplichting rust om studenten te financieren die niet in dat land zijn geïntegreerd, zij eraan herinnerd dat het Hof met betrekking tot bepalingen inzake het burgerschap van de Unie reeds heeft geoordeeld dat het rechtmatig is dat een gastland zich ervan wil vergewissen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van een prestatie en dat land (zie in die zin reeds aangehaald arrest D’Hoop, punt 38; arrest van 23 maart 2004, Collins, C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 67, en reeds aangehaalde arresten Bidar, punt 57, en Vatsouras en Koupatantze, punt 38).

60      Hoewel het recht van de Unie betreffende het vrije verkeer van personen aanvaardt dat er een zekere financiële solidariteit bestaat tussen de onderdanen van het gastland en die van de andere lidstaten (zie in die zin reeds aangehaald arrest Grzelczyk, punt 44), mogen, zoals volgt uit punt 10 van de considerans van richtlijn 2004/38, personen die hun recht van verblijf uitoefenen evenwel tijdens het begin van hun verblijfsperiode geen onredelijke belasting vormen voor het sociale bijstandsstelsel van het gastland. Daarom is het recht van verblijf van een burger van de Unie en zijn familieleden voor perioden van meer dan drie maanden overeenkomstig artikel 21 VWEU en de bepalingen van richtlijn 2004/38 aan bepaalde voorwaarden verbonden.

61      Een nationale regeling die vereist dat een student aantoont dat er een werkelijke band met het gastland bestaat, kan derhalve in beginsel beantwoorden aan een rechtmatige doelstelling die beperkingen kan rechtvaardigen van het in artikel 21 VWEU neergelegde recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

62      Niettemin moet worden gepreciseerd dat het bewijs dat wordt vereist om het bestaan aan te tonen van een dergelijke werkelijke band, niet te exclusief mag zijn en niet op onrechtmatige wijze een te groot gewicht mag toekennen aan een factor die niet noodzakelijk representatief is voor de mate waarin er een werkelijk aanknopingspunt bestaat tussen de aanvrager van een korting op vervoertarieven en de lidstaat waar die aanvrager zijn studie volgt, met uitsluiting van elke andere representatieve factor (zie in die zin reeds aangehaalde arresten D’Hoop, punt 39, en Stewart, punt 95).

63      Anderzijds kan, zoals de advocaat-generaal opmerkt in punt 76 van haar conclusie, niet voor alle prestaties dezelfde werkelijke band worden verlangd, maar moet er integendeel onderscheid worden gemaakt aan de hand van de constitutieve elementen van de prestatie, zoals met name de aard en de doelstellingen ervan. Het doel van de prestatie moet worden onderzocht aan de hand van de resultaten en niet van de structuur of de formele kwalificatie ervan (zie in die zin reeds aangehaald arrest Vatsouras en Koupatantze, punten 41 en 42).

64      Wat een korting voor studenten op de vervoertarieven betreft, kan het bestaan van een werkelijke band tussen de student die zijn studie volgt en het gastland met betrekking tot gereduceerde vervoertarieven doeltreffend worden geverifieerd, met name aan de hand van de vaststelling dat de betrokkene, overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub c, eerste streepje, van richtlijn 2004/38, is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen.

65      Mitsdien moet worden geconcludeerd dat de Republiek Oostenrijk niet heeft aangetoond dat de in bepaalde Länder van toepassing zijnde Oostenrijkse regeling van gereduceerde vervoertarieven objectief gerechtvaardigd is.

66      Gelet op voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de Republiek Oostenrijk, door het voordeel van gereduceerde vervoertarieven in beginsel uitsluitend voor te behouden aan studenten waarvan de ouders Oostenrijkse kinderbijslag ontvangen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 18 VWEU junctis de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU en krachtens artikel 24 van richtlijn 2004/38.

 Kosten

67      Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Republiek Oostenrijk in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

1)      Door het voordeel van gereduceerde vervoertarieven in beginsel uitsluitend voor te behouden aan studenten waarvan de ouders Oostenrijkse kinderbijslag ontvangen, is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 18 VWEU junctis de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU en krachtens artikel 24 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.

2)      De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.