Language of document : ECLI:EU:C:2012:668

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

25 oktober 2012 (*)

„Vrij verkeer van personen – Artikel 39 EG – Staatsburger van ene lidstaat die op zoek is naar dienstbetrekking in andere lidstaat – Gelijke behandeling – Wachtuitkeringen ten gunste van jongeren op zoek naar hun eerste dienstbetrekking – Toekenning van uitkering onderworpen aan voorwaarde dat ten minste zes jaar studie in ontvangende lidstaat is gevolgd”

In zaak C‑367/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 27 juni 2011, ingekomen bij het Hof op 11 juli 2011, in de procedure

Déborah Prete

tegen

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J.‑C. Bonichot, C. Toader, A. Prechal (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Prete, vertegenwoordigd door J. Oosterbosch, advocaat,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck en M. Jacobs als gemachtigden, bijgestaan door P. A. Foriers, advocaat,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en D. Hadroušek als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en G. Rozet als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juli 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 12 EG, 17 EG, 18 EG en 39 EG.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Prete en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: „RVA”) over de weigering van de RVA om verzoekster de wachtuitkeringen toe te kennen waarin de Belgische wetgeving voorziet.

 Belgische regeling

3        De Belgische regeling voorziet voor jongeren die hun studie hebben voleindigd en op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking, in de toekenning van sociale uitkeringen, „wachtuitkeringen” genoemd, die tot doel hebben de overgang van studie naar beroepsleven voor hen te vergemakkelijken.

4        Artikel 36, § 1, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (Belgisch Staatsblad van 31 december 1991, blz. 29888), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 februari 2003 (Belgisch Staatsblad van 19 februari 2003, blz. 8026; hierna: „koninklijk besluit”), bepaalt:

„Om toegelaten te worden tot het recht op wachtuitkeringen moet de jonge werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen:

[...]

2°      a)     ofwel studies met een volledig leerplan van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies met een volledig leerplan van het secundair technisch-, kunst‑ of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap;

      b)      ofwel voor de studies bedoeld in a) een diploma of getuigschrift behaald hebben voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap;

      [...]

      h)      ofwel studies of een vorming gevolgd hebben in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte indien volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn:

–        de jongere legt documenten voor waaruit blijkt dat de studie of de vorming van hetzelfde niveau en gelijkwaardig zijn aan deze vermeld in de voormelde litterae;

–        op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag is de jongere, als kind, ten laste van migrerende werknemers in de zin van artikel [39 EG], die in België verblijven.

      [...]

      j)      ofwel een bewijsstuk bekomen hebben afgeleverd door een Gemeenschap dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift bedoeld onder b of een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs; deze littera geldt evenwel slechts op voorwaarde voorafgaandelijk ten minste zes jaar studies gevolgd te hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

5        Prete heeft de Franse nationaliteit en heeft haar secundaire onderwijs in Frankrijk voltooid, waar zij in juli 2000 een baccalaureaatsdiploma in het beroepsonderwijs met als specialisatie secretariaat heeft behaald. In juni 2001 is zij gehuwd met een Belgische staatsburger en is zij bij hem in Doornik (België) gaan wonen.

6        Op 1 februari 2002 heeft Prete zich bij de RVA als werkzoekende ingeschreven. Op 1 juni 2003 heeft zij bij de RVA een verzoek om wachtuitkeringen ingediend.

7        Bij beslissing van 11 september 2003 heeft de RVA dit verzoek afgewezen op grond dat Prete voorafgaand aan het behalen van haar diploma van secundair onderwijs niet ten minste zes jaar onderwijs had gevolgd aan een in België gelegen onderwijsinstelling, zoals is vereist in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, sub j, van het koninklijk besluit.

8        Bij vonnis van 19 december 2008 heeft de Arbeidsrechtbank te Doornik het door Prete tegen deze beslissing ingestelde beroep toegewezen en haar recht op wachtuitkeringen erkend.

9        Op het hoger beroep van de RVA is dit vonnis bij arrest van 25 februari 2010 door het Arbeidshof te Bergen hervormd. Deze rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat Prete geen recht op wachtuitkeringen had en merkte in dit verband met name op dat betrokkene noch aan artikel 39 EG noch aan artikel 18 EG een dergelijk recht kon ontlenen.

10      Ter ondersteuning van het cassatieberoep dat Prete tegen dit arrest bij het Hof van Cassatie heeft ingesteld, voert zij met name aan dat het arrest de rechten schendt die de burgers van de Europese Unie aan de artikelen 12 EG, 17 EG, en 18 EG, en voor zover nodig, aan artikel 39 EG ontlenen.

11      Het Hof van Cassatie wijst erop dat het bestreden arrest vermeldt dat de in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, sub j, van het koninklijk besluit gestelde voorwaarde in dit koninklijk besluit is ingevoerd om te waarborgen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van de wachtuitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt. Het Hof van Cassatie merkt overigens op dat de rechtmatigheid van een dergelijke doelstelling door het Hof is erkend, met name in zijn arrest van 11 juli 2002, D’Hoop (C‑224/98, Jurispr. blz. I‑6191).

12      In haar cassatieberoep voert Prete evenwel aan dat die voorwaarde verder gaat dan nodig is voor de verwezenlijking van genoemde doelstelling omdat zij te algemeen en te exclusief is, zodat het Arbeidshof te Bergen de voorwaarde in de omstandigheden van de onderhavige zaak buiten toepassing had moeten laten. Deze rechterlijke instantie, die diende na te gaan of Prete’s inschrijving als werkzoekende bij de werkloosheidsdienst en haar vestiging in België na haar huwelijk met een Belg de gevraagde band met de Belgische arbeidsmarkt konden aantonen, heeft ten onrechte geoordeeld dat dit niet het geval was en heeft ten onrechte de toekenning van wachtuitkeringen aan Prete geweigerd. De uitsluiting van Prete van die uitkeringen is niet ingegeven door de bezorgdheid verplaatsingen te vermijden die louter strekken tot het verkrijgen van dergelijke uitkeringen en is in strijd met het recht van betrokkene op eerbiediging van haar gezinsleven en met het beginsel van gemeenschapsrecht dat elke lidstaat moet verzekeren dat voor de integratie van het gezin van de communautaire werknemer optimale voorwaarden gelden.

13      In deze omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Verzetten de artikelen 12 [EG], 17 [EG], 18 [EG] en, voor zover nodig, 39 [EG] zich tegen een bepaling van nationaal recht als artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, sub j, van het [koninklijk besluit], die het recht op wachtuitkeringen van een jongere, burger van de [...] Unie, die niet de hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39 [EG] heeft en die zijn secundaire studies in de [...] Unie heeft voltooid, maar niet in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een van de Gemeenschappen van [het Koninkrijk] België en die ofwel een bewijsstuk heeft verkregen dat is afgeleverd door een van die Gemeenschappen ter bevestiging van de gelijkwaardigheid van die studies met het getuigschrift afgegeven door de bevoegde examencommissie van een van die Gemeenschappen voor de in een van die Belgische onderwijsinstellingen gevolgde studies, ofwel een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de jongere voorafgaand zes jaar studies heeft gevolgd in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een van de Gemeenschappen van [het Koninkrijk] België, indien die voorwaarde exclusief en absoluut is?

2)      Zo ja, zijn de omstandigheden van de in de eerste vraag omschreven jongere, die geen zes jaar studies in een Belgische onderwijsinstelling heeft gevolgd, met zijn/haar Belgische echtgeno(o)t(e) in België woont en als werkzoekende bij een Belgische werkloosheidsdienst is ingeschreven, factoren waarmee rekening dient te worden gehouden om het bestaan van de band van de jongere met de Belgische arbeidsmarkt te beoordelen, zulks in het licht van de artikelen 12 [EG], 17 [EG], 18 [EG] en, in voorkomend geval, 39 [EG]? In welke mate dient de duur van die periodes van verblijf, huwelijk en inschrijving als werkzoekende in aanmerking te worden genomen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

14      Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 12 EG, 17 EG, 18 EG, of, in voorkomend geval, artikel 39, EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling als aan de orde in het hoofdgeding die het recht op wachtuitkeringen voor jongeren die op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene voorafgaand ten minste zes jaar onderwijs heeft gevolgd aan een onderwijsinstelling van de ontvangende lidstaat, gelet op de algemene en te exclusieve aard van deze voorwaarde, voor zover zij met name elke mogelijkheid uitsluit om bedoelde uitkeringen toe te kennen aan een jonge vrouw, die staatsburger van een andere lidstaat is en die weliswaar geen onderwijs aan een dergelijke instelling heeft gevolgd, maar zich in de situatie bevindt dat zij gehuwd is met een staatsburger van de ontvangende lidstaat, in die lidstaat met deze staatsburger samenwoont en er als werkzoekende bij een werkloosheidsdienst is ingeschreven. In dit verband wenst de verwijzende rechter met name te vernemen of met de omstandigheden van deze situatie daadwerkelijk rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van het bestaan van een werkelijke band tussen betrokkene en de arbeidsmark van de ontvangende lidstaat.

 Opmerkingen vooraf

15      Vooraf moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding een beslissing van 11 september 2003 betreft, waarbij Prete’s verzoek om toekenning van wachtuitkeringen vanaf 1 juni 2003, is afgewezen.

16      Dit betekent dat de relevante Verdragsbepalingen in casu die van het EG-Verdrag zijn, in de versie van het Verdrag van Nice.

17      Ook zij erop gewezen dat de verwijzende rechter in zijn vragen verwijst naar de artikelen 12 EG, 17 EG 18 EG, en voor zover nodig artikel 39 EG.

18      In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 12 EG, dat een algemeen verbod van discriminatie op grond van nationaliteit bevat, slechts autonoom toepassing kan vinden in situaties waarin het Unierecht geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet (zie met name arresten van 30 mei 1989, Commissie/Griekenland, 305/87, Jurispr. blz. 1461, punt 13; 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, Jurispr. blz. I‑2793, punt 37; 26 november 2002, Oteiza Olazabal, C‑100/01, Jurispr. blz. I‑10981, punt 25, en 15 september 2011, Schulz-Delzers en Schulz, C‑240/10, Jurispr. blz. I-8531, punt 29).

19      Op het gebied van het vrije verkeer van werknemers is het non-discriminatiebeginsel echter ten uitvoer gelegd door artikel 39 EG, door handelingen van afgeleid recht en, in het bijzonder, door verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) (zie met name reeds aangehaalde arresten Commissie/Griekenland, punt 12, en Gilly, punt 38; arrest van 23 maart 2004, Collins, C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 55, en arrest Schulz-Delzers en Schulz, reeds aangehaald, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20      Ook artikel 18 EG, dat op algemene wijze bepaalt dat iedere burger van de Unie het recht heeft om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, vindt volgens vaste rechtspraak in artikel 39 EG een specifieke uitdrukking inzake het vrije verkeer van werknemers (zie met name arrest Oteiza Olazabal, reeds aangehaald, punt 26; arrest van 11 september 2007, Hendrix, C‑287/05, Jurispr. blz. I‑6909, punt 61, en arrest Schulz-Delzers en Schulz, reeds aangehaald, punt 30).

 Toepasbaarheid van artikel 39 EG

21      Artikel 39, lid 2, EG bepaalt dat het vrije verkeer van werknemers de afschaffing inhoudt van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

22      Artikel 39, lid 3, EG verleent aan de staatsburgers van de lidstaten met name het recht om zich binnen het grondgebied van de andere lidstaten vrij te verplaatsen en daar te verblijven teneinde er werk te zoeken. De staatsburgers van een lidstaat die op zoek zijn naar een dienstbetrekking in een andere lidstaat, vallen aldus binnen de werkingssfeer van artikel 39 EG en genieten bijgevolg het in lid 2 van deze bepaling genoemde recht op gelijke behandeling (zie met name arrest Collins, reeds aangehaald, punten 56 en 57).

23      In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, ter bepaling van de draagwijdte van het recht op gelijke behandeling van werkzoekenden, dit beginsel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van andere Unierechtelijke bepalingen, met name artikel 12 EG (arrest Collins, reeds aangehaald, punt 60).

24      De burgers van de Unie die legaal op het grondgebied van de ontvangende lidstaat verblijven, kunnen zich namelijk in alle situaties binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht op artikel 12 EG beroepen. De hoedanigheid van burger van de Unie dient de primaire status van de onderdanen van de lidstaten te zijn, die degenen onder hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen ter zake, het recht op dezelfde rechtsbehandeling verleent (zie met name arrest Collins, reeds aangehaald, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat, gelet op de invoering van het burgerschap van de Unie en de jurisprudentie over de uitlegging van het recht van de burgers van de Unie op gelijke behandeling, een financiële uitkering die de toegang tot de arbeidsmarkt van een lidstaat beoogt te vergemakkelijken, niet langer kan worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 39, lid 2, EG, dat uitdrukking geeft aan het door artikel 12 EG gewaarborgde grondbeginsel van gelijkheid van behandeling (zie arrest Collins, reeds aangehaald, punt 63, en arrest van 15 september 2005, Ioannidis, C‑258/04, Jurispr. blz. I‑8275, punt 22).

26      Vaststaat dat de wachtuitkeringen waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, sociale uitkeringen zijn die tot doel hebben de overgang van studie naar beroepsleven voor jongeren te vergemakkelijken (zie met name reeds aangehaalde arresten D’Hoop, punt 38, en Ioannidis, punt 23).

27      Vaststaat eveneens dat op de datum van de indiening van haar verzoek om deze uitkeringen, Prete staatsburger was van een lidstaat en, na haar studie te hebben voleindigd, op zoek was naar een dienstbetrekking in een andere lidstaat.

28      Onder deze omstandigheden kan betrokkene op goede gronden met een beroep op artikel 39 EG staande houden dat zij met betrekking tot de toekenning van wachtuitkeringen niet mag worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit (zie in die zin arrest Ioannidis, reeds aangehaald, punt 25).

 Verschil in behandeling

29      Volgens vaste rechtspraak verbiedt het in artikel 39 EG neergelegde beginsel van gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie met name arrest Ioannidis, reeds aangehaald, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling stelt een verschil in behandeling in naargelang de jongeren die op zoek zijn naar een eerste dienstbetrekking, al dan niet kunnen aantonen dat zij ten minste zes jaar secundair onderwijs aan een Belgische onderwijsinstelling hebben gevolgd.

31      Een voorwaarde die verband houdt met de noodzaak aan een onderwijsinstelling van de ontvangende lidstaat te hebben gestudeerd, kan naar de aard ervan gemakkelijker door de nationale onderdanen worden vervuld en dreigt dus vooral staatsburgers van andere lidstaten te benadelen (zie naar analogie arrest Ioannidis, reeds aangehaald, punt 28).

 Rechtvaardiging van het verschil in behandeling

32      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een verschil in behandeling zoals hierboven uiteengezet slechts gerechtvaardigd is indien het berust op objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel (zie met name reeds aangehaalde arresten, D’Hoop, punt 36; Collins, punt 66, en Ioannidis, punt 29).

33      Wat uitkeringen als aan de orde in het hoofdgeding betreft, die tot doel hebben voor jongeren de overgang van studie naar beroepsleven te vergemakkelijken, heeft het Hof geoordeeld dat het rechtmatig is dat de nationale wetgever zich ervan wil vergewissen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van die uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt (zie met name reeds aangehaalde arresten D’Hoop, punt 38; Collins, punten 67 en 69, en Ioannidis, punt 30).

34      Wat de evenredigheidseis betreft, zij in herinnering gebracht dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat, wanneer daartoe één enkel criterium wordt gehanteerd, namelijk de plaats waar het diploma van de studie van de secundaire cyclus is behaald, zoals het in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, sub a, van het koninklijk besluit neergelegde criterium, dit te algemeen en te exclusief is omdat hierdoor een te groot gewicht wordt toegekend aan een factor die niet noodzakelijk een juiste weergave is van de mate waarin een echte en daadwerkelijke band bestaat tussen de aanvrager van de wachtuitkeringen en de geografische arbeidsmarkt, met uitsluiting van elke andere representatieve factor. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat deze voorwaarde derhalve verder gaat dan nodig is ter bereiking van het beoogde doel (zie reeds aangehaalde arresten D’Hoop, punt 39, en Ioannidis, punt 31).

35      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de omstreden voorwaarde, te weten ten minste zes jaar onderwijs gevolgd te hebben aan een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een van de Belgische Gemeenschappen, als alternatief voor de voorwaarde betreffende de plaats waar het diploma is behaald, in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, sub j, van het koninklijk besluit is ingevoerd om deze situatie te verhelpen.

36      In haar bij het Hof ingediende opmerkingen bevestigt de Belgische regering dat de omstreden voorwaarde ertoe strekt te waarborgen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van bedoelde wachtuitkeringen en de Belgische arbeidsmarkt en voert zij aan dat een dergelijke voorwaarde voldoet aan de eisen van het evenredigheidsbeginsel. In dit verband voert zij met name aan dat het aantal studiejaren dat door deze voorwaarde wordt vereist, niet verder gaat dan noodzakelijk is om genoemd doel te bereiken.

37      In de onderhavige zaak lijkt het evenwel niet noodzakelijk dat het Hof zich uitspreekt over de vraag of bedoelde voorwaarde wegens de erin bepaalde vereiste studieduur eventueel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

38      Uit de omstandigheden van het hoofdgeding blijkt namelijk dat Prete geen enkel studiejaar in België heeft voltooid zodat de wachtuitkeringen haar ook zouden zijn geweigerd indien de omstreden voorwaarde zou vereisen dat betrokkene kon aantonen minder dan zes jaar onderwijs aan een Belgische onderwijsinstelling te hebben gevolgd, ongeacht bovendien om hoeveel jaar minder het zou gaan.

39      Het Hof dient dus alleen de vraag te onderzoeken of een eventuele onverenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met artikel 39 EG kan voortvloeien uit de omstandigheid dat deze regeling, door een voorwaarde te stellen die verband houdt met de noodzaak onderwijs aan een Belgische instelling te hebben gevolgd, tot gevolg heeft dat geen rekening kan worden gehouden met factoren die weliswaar geen betrekking hebben op de plaats waar het onderwijs is gevolgd, maar niettemin eveneens representatief zijn voor het bestaan van een werkelijke band tussen de betrokkene en de betrokken geografische arbeidsmarkt.

40      In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de omstandigheden van het hoofdgeding een staatsburger van een lidstaat betreffen, die naar aanleiding van haar huwelijk met een staatsburger van de ontvangende lidstaat sinds ongeveer twee jaar in die lidstaat woont, sinds 16 maanden als werkzoekende is ingeschreven bij een werkloosheidsdienst van die lidstaat en die blijkens de aan het Hof overgelegde stukken daadwerkelijke, actieve stappen heeft ondernomen om in die lidstaat een dienstbetrekking te vinden.

41      Dienaangaande voert de Belgische regering aan dat het huwelijk met een staatsburger van de ontvangende lidstaat en de erop volgende verplaatsing van de woonplaats naar die lidstaat gebeurtenissen uit het privéleven zijn die geen verband houden met de arbeidsmarkt van die lidstaat. De inschrijving als werkzoekende is een louter administratieve formaliteit die gemakkelijk te vervullen is. Deze omstandigheden betekenen dus niet dat betrokkene zich uitsluitend kan richten op de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat, vooral nu het een persoon betreft die, zoals Prete, dicht bij de grens gaat wonen van de lidstaat waar zij haar onderwijs heeft gevolgd en waar zij zich dus vanzelfsprekend beter voorbereid op de arbeidsmarkt kan begeven.

42      In het kader van de in artikel 267 VWEU neergelegde verdeling van bevoegdheden is het in beginsel de nationale rechterlijke instantie die op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel moet toezien (zie met name arrest van 19 maart 2002, Lommers, C‑476/99, Jurispr. blz. I‑2891, punt 40). Het staat in deze context dan ook aan de nationale rechterlijke instanties om vast te stellen of de specifieke omstandigheden van een individueel geval aantonen dat er een reële band is met de betrokken arbeidsmarkt (zie in die zin arrest van 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C‑22/08 en C‑23/08, Jurispr. blz. I‑4585, punt 41).

43      Uit de rechtspraak volgt echter tevens dat het Hof bevoegd is de nationale rechterlijke instantie alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen welke die rechterlijke instantie in staat stellen de verenigbaarheid van een nationale maatregel met dat recht te beoordelen voor de beslechting van het bij haar aanhangig geding. In casu stelt de verwijzende rechterlijke instantie bovendien een aantal specifieke vragen aan de orde die moeten worden beantwoord (zie in die zin met name arrest Lommers, reeds aangehaald, punt 40).

44      In dit verband moet worden vastgesteld dat, onverminderd het feit dat de beoordeling van de feiten aan nationale rechterlijke instanties toekomt, zoals zojuist in herinnering is gebracht, omstandigheden als beschreven in punt 40 van het onderhavige arrest, zoals ook de advocaat-generaal in de punten 48 en 49 van zijn conclusie heeft uiteengezet, daadwerkelijk het bestaan lijken te kunnen aantonen van een werkelijke band met de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat, ook al heeft de betrokkene geen onderwijs gevolgd aan een onderwijsinstelling van die lidstaat.

45      Dienaangaande moet allereerst het betoog van de Belgische regering worden afgewezen dat het voor een persoon als Prete, vooral wanneer deze dicht bij de grens woont van de lidstaat waar hij onderwijs heeft gevolgd, meer voor de hand zou liggen toe te treden tot de arbeidsmarkt van die lidstaat, waarmee hij een band heeft. Enerzijds moet worden vastgesteld dat de kennis die een student tijdens zijn opleiding verwerft, hem over het algemeen niet op een bepaalde geografische arbeidsmarkt voorbereidt (zie in die zin arrest van 15 maart 2005, Bidar, C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 58). Anderzijds beletten de omstandigheden die de Belgische regering aanvoert om aan te tonen dat er een band bestaat tussen betrokkene en de Franse arbeidsmarkt, hoe dan ook niet dat daarenboven in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding een dergelijke band met de Belgische arbeidsmarkt ontstaat.

46      Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een werkelijke band met de arbeidsmarkt van een lidstaat met name zou kunnen blijken uit de vaststelling dat de persoon in kwestie tijdens een redelijke periode effectief werk heeft gezocht in de betrokken lidstaat (zie reeds aangehaalde arresten Collins, punt 70, en Vatsouras en Koupatantze, punt 39).

47      Het Hof heeft tevens erkend dat ook het feit dat een persoon in een lidstaat woont, in voorkomend geval, kan waarborgen dat er een werkelijke band met de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat bestaat. Het heeft daarbij voorts gepreciseerd dat, indien een bepaalde verblijfsduur vereist is om aan bedoelde voorwaarde te voldoen, deze in ieder geval niet langer mag zijn dan nodig is om de nationale autoriteiten in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de betrokkene werkelijk op zoek is naar een betrekking op de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat (arrest Collins, reeds aangehaald, punt 72).

48      Ten slotte kan voor de beoordeling of Prete een werkelijke band met de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat heeft, evenmin worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat verzoekster in het hoofdgeding zich, onder gebruikmaking van de krachtens artikel 18 EG aan de burgers van de Unie verleende vrijheid van verkeer, naar de ontvangende lidstaat heeft begeven om daar bij haar echtgenoot te wonen na haar huwelijk met een staatsburger van die lidstaat.

49      In dit verband zij er namelijk aan herinnerd, enerzijds, dat het Hof, zoals reeds in punt 25 van het onderhavige arrest is benadrukt, gelet op de invoering van het burgerschap van de Unie en de jurisprudentie over de uitlegging van het recht van de burgers van de Unie op gelijke behandeling, heeft geoordeeld dat een financiële uitkering die de toegang tot de arbeidsmarkt van een lidstaat beoogt te vergemakkelijken, niet langer kan worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 39, lid 2, EG.

50      Anderzijds kunnen de factoren die betrekking hebben op de familieomstandigheden van de aanvrager van wachtuitkeringen, eveneens bijdragen tot het bewijs van het bestaan van een werkelijke band tussen de aanvrager en de ontvangende lidstaat (zie in die zin arrest van 21 juli 2011, Stewart, C‑503/09, Jurispr. blz. I-6497, punt 100). In dit verband kan het feit dat nauwe banden, inzonderheid wat het privéleven betreft, zijn gecreëerd met de ontvangende lidstaat, waar betrokkene zich na haar huwelijk met een staatsburger van die lidstaat heeft gevestigd en sindsdien gewoonlijk verblijft, bijdragen tot het ontstaan van een duurzame band tussen betrokkene en haar nieuwe lidstaat van vestiging, daaronder begrepen de arbeidsmarkt van deze lidstaat (zie in die zin arrest van 22 september 1988, Bergemann, 236/87, Jurispr. blz. 5125, punten 20‑22).

51      Bijgevolg vormen de omstandigheden die het hoofdgeding kenmerken, er een concreet voorbeeld van dat een voorwaarde als die van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, sub j, van het koninklijk besluit, voor zover deze belet dat rekening wordt gehouden met andere factoren die mogelijkerwijs representatief zijn voor de mate waarin er een werkelijke band tussen de aanvrager van wachtuitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt bestaat, verder gaat dan nodig voor de verwezenlijking van de doelstelling die daarmee wordt nagestreefd.

52      Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 39 EG zich verzet tegen een nationale bepaling als aan de orde in het hoofdgeding die het recht op wachtuitkeringen voor jongeren die op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene voorafgaand ten minste zes jaar onderwijs heeft gevolgd aan een onderwijsinstelling van de ontvangende lidstaat, voor zover deze voorwaarde belet dat rekening wordt gehouden met andere representatieve factoren die het bestaan kunnen aantonen van een werkelijke band tussen de aanvrager van wachtuitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt, en daardoor verder gaat dan nodig voor de verwezenlijking van de door die bepaling nagestreefde doelstelling, te weten het bestaan van een dergelijke band te waarborgen.

 Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 39 EG verzet zich tegen een nationale bepaling als aan de orde in het hoofdgeding die het recht op wachtuitkeringen voor jongeren die op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene voorafgaand ten minste zes jaar onderwijs heeft gevolgd aan een onderwijsinstelling van de ontvangende lidstaat, voor zover deze voorwaarde belet dat rekening wordt gehouden met andere representatieve factoren die het bestaan kunnen aantonen van een werkelijke band tussen de aanvrager van wachtuitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt, en daardoor verder gaat dan nodig voor de verwezenlijking van de door die bepaling nagestreefde doelstelling, te weten het bestaan van een dergelijke band te waarborgen.

ondertekeningen


*Procestaal: Frans.