Language of document : ECLI:EU:C:2012:719

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

15 november 2012 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikelen 32 en 33 – Erkenning van rechterlijke beslissingen – Begrip ‚beslissing’ – Gevolgen van rechterlijke beslissing voor internationale bevoegdheid – Forumkeuzebeding”

In zaak C‑456/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Bremen (Duitsland) bij beslissing van 25 augustus 2011, ingekomen bij het Hof op 2 september 2011, in de procedure

Gothaer Allgemeine Versicherung AG,

ERGO Versicherung AG,

Versicherungskammer Bayern-Versicherungsanstalt des öffentlichen Rechts,

Nürnberger Allgemeine Versicherungs-AG,

Krones AG

tegen

Samskip GmbH,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts (rapporteur), waarnemend voor de president van de Derde kamer, E. Juhász, G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: V. Tourrès, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 juli 2012,

gelet op de opmerkingen van:

–        Gothaer Allgemeine Versicherung AG, ERGO Versicherung AG, Versicherungskammer Bayern-Versicherungsanstalt des öffentlichen Rechts, Nürnberger Allgemeine Versicherungs-AG, vertegenwoordigd door K. Ramming, Rechtsanwalt,

–        Krones AG, vertegenwoordigd door A. Nerz en M. Theisen, Rechtsanwälte, bijgestaan door R. Geimer, professor, en C. Wagner, Justiziar,

–        Samskip GmbH, vertegenwoordigd door O. Hartenstein, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en F. Wannek als gemachtigden,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.‑C. Halleux en T. Materne als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,

–        de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en A.‑M. Rouchaud-Joët als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 32 en 33 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds vier Duitse verzekeringsmaatschappijen, namelijk Gothaer Allgemeine Versicherung AG, ERGO Versicherung AG, Versicherungskammer Bayern-Versicherungsanstalt des öffentlichen Rechts en Nürnberger Allgemeine Versicherungs-AG (hierna: „verzekeraars”), alsook Krones AG (hierna: „Krones”), een Duitse onderneming die bij deze vier maatschappijen verzekerd is, en anderzijds Samskip GmbH (hierna: „Samskip”), een Duitse dochteronderneming van de in Nederland gevestigde, maar in IJsland opgerichte transport- en logistieke onderneming Samskip Holding BV. Het geding betreft de levering van een brouwerij-installatie door Samskip aan de Mexicaanse onderneming Cerveceria Cuauthemoc Monezum SA (hierna: „ontvangster”).

3        Het geding heeft betrekking op schadevorderingen die door de verzekeraars en Krones bij de Duitse rechter zijn ingediend in verband met schade die deze installatie tijdens het vervoer zou hebben opgelopen, hoewel de Belgische rechter, meer bepaald het Hof van Beroep te Antwerpen, bij hem ingediende soortgelijke vorderingen reeds niet-ontvankelijk had verklaard op grond dat het cognossement („Bill of Lading”) van 13 augustus 2006, de datum waarop Samskip de installatie te Antwerpen (België) in ontvangst heeft genomen, een beding bevatte waarbij de bevoegdheid om kennis te nemen van eventuele geschillen werd verleend aan de IJslandse rechter en het IJslandse recht van toepassing werd verklaard op de vervoerovereenkomst.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

4        Het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1; hierna: „verdrag van Lugano”), is in de plaats gekomen van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988 (PB L 319, blz. 9). Artikel 23, lid 1, van het verdrag van Lugano bepaalt in nagenoeg dezelfde bewoordingen als artikel 17 van zijn voorganger:

„Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, een gerecht of de gerechten van een door dit verdrag gebonden staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn die gerechten van die staat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a)      hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b)      hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

c)      hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

 Recht van de Unie

5        De punten 2, 6 en 15 tot en met 17 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luiden:

„(2)      Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.

[...]

(6)      Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtstreeks toepasselijk besluit van de Gemeenschap neer te leggen.

[...]

(15)      Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.

(16)      Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.

(17)      Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.”

6        Artikel 23, lid 1, van deze verordening, dat in wezen overeenstemt met het in punt 4 van het onderhavige arrest weergegeven artikel 23, lid 1, van het verdrag van Lugano, bepaalt:

„Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a)      hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b)      hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

c)      hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

7        Artikel 32 van deze verordening luidt:

„Onder beslissing in de zin van deze verordening wordt verstaan, elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten.”

8        Artikel 33 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„1.      De in een lidstaat gegeven beslissingen worden in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces.

2.      Indien tegen de erkenning van een beslissing bezwaar wordt gemaakt, kan iedere partij die er belang bij heeft ten principale te zien vastgesteld dat de beslissing erkend moet worden, gebruikmaken van de procedures, bedoeld in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk.

3.      Wordt voor een gerecht van een lidstaat de erkenning bij wege van tussenvordering gevraagd, dan is dit gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.”

9        Artikel 34 van deze verordening bepaalt:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

1)      de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

2)      het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;

3)      de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

4)      de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde [voor]werp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.”

10      Artikel 35 van verordening nr. 44/2001 luidt:

„1.      De beslissingen worden tevens niet erkend, indien de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden, of indien het in artikel 72 bedoelde geval zich voordoet.

2.      Bij de toetsing of de in het vorige lid genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is het aangezochte gerecht of de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de lidstaat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

3.      Onverminderd lid 1 mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, sub 1.”

11      Artikel 36 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      In 2006 heeft Krones een brouwerij-installatie verkocht aan de ontvangster. Zij heeft Samskip ermee belast het vervoer van deze installatie van Antwerpen via Altamira (een stad in Mexico) naar Guadalajara (eveneens in Mexico) te organiseren en uit te voeren.

13      De uit containers en vervoeronderstellen bestaande zending is op 13 augustus 2006 aan Samskip overhandigd. Samskip heeft op dezelfde dag het cognossement opgesteld, waarin Krones als verzendster („shipper”), de ontvangster als geconsigneerde („consignee”), Antwerpen als haven van verscheping en Altamira als haven van bestemming werden opgegeven. Punt 2 van de op de achterzijde van dit document vermelde bedingen („Endorsements”) luidt:

„Jurisdictie. Ieder uit dit cognossement voortvloeiend geschil zal in IJsland worden beslecht volgens IJslands recht.”

14      Verzoeksters in het hoofdgeding stellen dat de vracht tijdens het vervoer over zee schade heeft opgelopen en dat een deel van de vracht bovendien tijdens het vervoer over land van Altamira naar Guadalajara beschadigd is geraakt. Krones heeft haar rechten – ten belope van de maximale aansprakelijkheid volgens het zeerecht, namelijk twee bijzondere trekkingsrechten waarvan de waarde ten tijde van de overdracht 235 666,46 EUR bedroeg – overgedragen aan de verzekeraars in verhouding tot hun risicoverdeling. De ontvangster heeft haar rechten uit hoofde van het cognossement eveneens aan de verzekeraars overgedragen in verhouding tot hun risicoverdeling.

15      De ontvangster en de verzekeraars hebben zich op 30 augustus 2007 tot de Belgische rechter gewend en hebben Samskip opgeroepen om op 16 oktober 2007 voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen te verschijnen. Deze rechtbank heeft de verzekeraars en de ontvangster in het gelijk gesteld, maar het Hof van Beroep te Antwerpen heeft dit vonnis bij arrest van 5 oktober 2009 gewijzigd en heeft zich „onbevoegd” verklaard „om uitspraak te doen”.

16      Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in de motivering van zijn arrest uiteengezet dat de ontvangster geen beroep kon instellen op grond van de vervoerovereenkomst. De verzekeraars hadden als rechtsopvolgers van Krones weliswaar een procesbelang, maar zij waren aan het forumkeuzebeding in het cognossement gebonden. Volgens punt 2 van de cognossementsbedingen is de IJslandse rechter exclusief bevoegd om kennis te nemen van uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende geschillen, zodat de Belgische rechter niet bevoegd was. Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen is in kracht van gewijsde gegaan.

17      In september 2010 hebben de verzekeraars bij het Landgericht Bremen en Krones bij het Landgericht Landshut schadevorderingen ingesteld tegen Samskip. Bij beslissing van 3 juni 2011 heeft het Landgericht Landshut de zaak van Krones verwezen naar het Landgericht Bremen.

18      Het Landgericht Bremen wijst erop dat de vorderingen volgens Samskip niet-ontvankelijk zijn, aangezien het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 oktober 2009 niet alleen rechtskracht heeft met betrekking tot de vaststelling dat de Belgische rechter onbevoegd is, maar ook met betrekking tot de in de motivering van dat arrest opgenomen vaststelling dat de IJslandse rechter bevoegd is. Samskip is namelijk van mening dat voornoemd arrest ingevolge de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 bindend is voor de verwijzende rechter.

19      De verzekeraars en Krones stellen zich op het standpunt dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 oktober 2009 hoogstens bindende kracht heeft op het punt van de vaststelling dat de Belgische rechter onbevoegd is. Een andere werking, met name met betrekking tot het feit dat de rechters van andere lidstaten dan het Koninkrijk België geen bevoegdheid toekomt op grond dat de IJslandse rechter bevoegd zou zijn, heeft dat arrest echter niet.

20      Onder verwijzing naar de Duitse rechtsleer zet de verwijzende rechter uiteen dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 oktober 2009 een „beslissing inzake niet-ontvankelijkheid” („Prozessurteil”) is, waarbij de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een arrest ten gronde te kunnen wijzen. Dergelijke beslissingen van buitenlandse rechters kunnen in Duitsland meestal niet worden erkend. Hij vraagt zich dus af of hij dat arrest dient te erkennen en, zo ja, of die erkenning ook betrekking heeft op de motivering ervan.

21      Daarop heeft het Landgericht Bremen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het begrip ,beslissing’ in principe ook beslissingen omvat waarbij enkel wordt vastgesteld dat niet is voldaan aan de procedurele ontvankelijkheidsvoorwaarden (beslissing inzake niet‑ontvankelijkheid)?

2)      Moeten de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het begrip ,beslissing’ ook een eindarrest omvat waarbij de internationale onbevoegdheid wordt vastgesteld op basis van een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter?

3)      Moeten de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake het beginsel van de uitbreiding van de werking (arrest van 4 februari 1988, Hoffmann, 145/86, Jurispr. blz. 645) aldus worden uitgelegd dat iedere lidstaat de beslissingen van de rechter van een andere lidstaat inzake de geldigheid van een tussen partijen gesloten overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter moet erkennen wanneer volgens het nationale recht van de eerste rechter de vaststelling van de geldigheid van de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter in kracht van gewijsde is gegaan, zelfs indien de beslissing hierover deel uitmaakt van een beslissing waarbij de vordering als niet-ontvankelijk wordt verworpen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

22      Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 32 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding, ook al is deze beslissing naar het recht van een andere lidstaat een „beslissing inzake niet-ontvankelijkheid”.

23      Meteen zij erop gewezen dat volgens artikel 32 van verordening nr. 44/2001 onder „beslissing” wordt verstaan „elke” door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing zonder onderscheid naar de inhoud ervan, wat in beginsel impliceert dat dit begrip tevens beslissingen omvat waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding.

24      Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 25 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), waarvan de door het Hof gegeven uitlegging in beginsel ook geldt voor de overeenkomstige bepaling van verordening nr. 44/2001 (zie in die zin arrest van 18 oktober 2011, Realchemie Nederland, C‑406/09, Jurispr. blz. I-9773, punt 38), dat wil zeggen artikel 32 van deze verordening, niet alleen ziet op beslissingen die geheel of gedeeltelijk een einde maken aan een instantie, maar ook op tussenbeslissingen en beslissingen waarbij voorlopige of conservatoire maatregelen worden gelast (arrest van 14 oktober 2004, Mærsk Olie & Gas, C‑39/02, Jurispr. blz. I‑9657, punt 46).

25      Bovendien moeten de bepalingen van verordening nr. 44/2001 volgens de vaste rechtspraak van het Hof autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van deze verordening (zie in die zin arresten van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, Jurispr. blz. I‑6827, punt 29; 23 april 2009, Draka NK Cables e.a., C‑167/08, Jurispr. blz. I‑3477, punt 19, en 16 juli 2009, Zuid-Chemie, C‑189/08, Jurispr. blz. I‑6917, punt 17).

26      Volgens punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 bestaat één van de doelstellingen van deze verordening in „de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten” waarvoor deze verordening bindend is. Ook dit pleit voor een uitlegging van het begrip „beslissing” waarbij de wijze waarop een handeling van een nationale rechter in het recht van een lidstaat wordt gekwalificeerd, buiten beschouwing wordt gelaten, ongeacht of het gaat om het recht van de lidstaat van herkomst dan wel om dat van de aangezochte lidstaat. De verwezenlijking van dit doel zou namelijk aanzienlijk worden belemmerd indien dit begrip werd uitgelegd aan de hand van de specifieke kenmerken van het recht van elk van de lidstaten.

27      Verder vermeldt punt 6 van de considerans van verordening nr. 44/2001 dat deze tot doel heeft „het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken” te waarborgen. Een dergelijk doel bevestigt dat het begrip „beslissing” in de zin van artikel 32 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het ook beslissingen omvat waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding. Werden dergelijke beslissingen niet erkend, dan zou dit het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen immers aanzienlijk kunnen bemoeilijken.

28      Aangaande het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel wordt in de punten 16 en 17 van de considerans ervan gewezen op het belang dat toekomt aan het beginsel van het wederzijdse vertrouwen tussen de rechters van de lidstaten met betrekking tot de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Ook dit vereist dat dit begrip niet eng wordt uitgelegd, teneinde met name geschillen te voorkomen over de vraag of er wel sprake is van een „beslissing”.

29      Het wederzijdse vertrouwen zou immers worden geschaad indien een rechter van een lidstaat kon weigeren een beslissing te erkennen waarbij een rechter van een andere lidstaat zich onbevoegd heeft verklaard op grond van een forumkeuzebeding. Werd aanvaard dat een rechter van een lidstaat kan weigeren een dergelijke beslissing te erkennen, dan zou dat indruisen tegen het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel, aangezien een dergelijke weigering de doeltreffende werking van de in hoofdstuk II van deze verordening opgenomen voorschriften betreffende de verdeling van de bevoegdheid tussen de rechters van de lidstaten in het gedrang kan brengen.

30      Zoals de advocaat-generaal in de punten 49 en 50 van zijn conclusie heeft uiteengezet, verzetten ook de artikelen 33 tot en met 35 van verordening nr. 44/2001 zich tegen een enge uitlegging van het begrip „beslissing” in de zin van artikel 32 daarvan. In artikel 33 is namelijk het beginsel neergelegd dat beslissingen moeten worden erkend, terwijl de artikelen 34 en 35 uitzonderingen op dit beginsel bevatten, die dus eng moeten worden uitgelegd. Overigens bepaalt artikel 35, lid 3, dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet mag worden getoetst en dat de bevoegdheidsregels niet de openbare orde betreffen.

31      Opgemerkt zij dat een enge uitlegging van het begrip beslissing ertoe zou leiden dat een categorie van door rechters verrichte handelingen wordt ingevoerd die niet tot de in de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001 limitatief opgesomde uitzonderingen behoren en niet als „beslissingen” in de zin van artikel 32 kunnen worden aangemerkt, zodat de rechters van de andere lidstaten ze niet hoeven te erkennen. Vastgesteld zij dat het bestaan van een dergelijke categorie handelingen, die met name de handelingen zou omvatten waarbij een rechter van een andere lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding, onverenigbaar zou zijn met het bij de artikelen 33 tot en met 35 van verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel, dat wil bevorderen dat rechterlijke beslissingen zonder enige belemmering worden erkend en verbiedt dat de bevoegdheid van de rechters van de lidstaat van herkomst door de rechters van de aangezochte lidstaat wordt getoetst.

32      Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 32 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding, ongeacht hoe een dergelijke beslissing in het recht van een andere lidstaat wordt gekwalificeerd.

 Derde vraag

33      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter die wordt verzocht om erkenning van een beslissing waarbij de rechter van een andere lidstaat zich onbevoegd heeft verklaard op grond van een forumkeuzebeding, gebonden is aan de vaststelling betreffende de geldigheid van dit beding die is opgenomen in de motivering van een in kracht van gewijsde gegaan arrest waarbij de vordering niet-ontvankelijk is verklaard.

34      Onder vermelding van het rapport-Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1), heeft het Hof in herinnering gebracht dat de erkenning „ten gevolge [dient] te hebben dat de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in het land waar zij zijn gewezen” (arrest Hoffmann, reeds aangehaald, punt 10). Derhalve moet een krachtens artikel 33 van verordening nr. 44/2001 erkende buitenlandse beslissing in de aangezochte staat in beginsel dezelfde werking hebben als zij in de staat van herkomst heeft (zie in die zin arrest Hoffmann, reeds aangehaald, punt 11).

35      Voorts is in punt 28 van het onderhavige arrest reeds uiteengezet dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de gerechten de basis vormt van het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel. Zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dringt een hoge mate van wederzijds vertrouwen zich namelijk des te meer op nu de rechters van de lidstaten gemeenschappelijke bevoegdheidsregels dienen toe te passen. In dit opzicht vormen deze regels en de regels inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in deze verordening niet elk een afzonderlijk en autonoom geheel, maar houden zij nauw met elkaar verband (arrest van 21 juni 2012, Wolf Naturprodukte, C‑514/10, punt 25). Een dergelijk verband rechtvaardigt het vereenvoudigde mechanisme van erkenning en tenuitvoerlegging van artikel 33, lid 1, van deze verordening, volgens hetwelk de in een lidstaat gegeven beslissingen in de overige lidstaten in beginsel worden erkend, en leidt er ingevolge artikel 35, lid 3, van voornoemde verordening toe dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet wordt getoetst (zie in die zin advies 1/03 van 7 februari 2006, Jurispr. blz. I‑1145, punt 163).

36      Artikel 23 van verordening nr. 44/2001, dat ziet op de aanwijzing van het bevoegde gerecht door partijen, kan in het hoofdgeding niet worden toegepast aangezien het betrokken forumkeuzebeding bevoegdheid verleent aan de rechter van de Republiek IJsland, die geen lid is van de Unie. Zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie heeft aangegeven, bevat het verdrag van Lugano, waarbij de Republiek IJsland partij is, echter een artikel 23, dat overeenkomt met artikel 23 van deze verordening. Wanneer een rechter van de lidstaat van herkomst in het kader van het onderzoek van zijn eigen bevoegdheid heeft vastgesteld dat een dergelijk forumkeuzebeding geldig is, zou het bijgevolg in strijd zijn met het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Europese Unie dat een rechter van de aangezochte lidstaat deze geldigheid nogmaals onderzoekt.

37      Bovendien blijkt uit artikel 36 van verordening nr. 44/2001 dat overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen „[i]n geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid” van de door het gerecht van de lidstaat van herkomst gegeven beslissing. Volgens het rapport-Jenard (blz. 46), „[impliceert] [h]et ontbreken van een hernieuwd onderzoek van de zaak zelve [namelijk] een volledig vertrouwen in de rechtspraak van de staat van herkomst; dit vertrouwen met betrekking tot de gegrondheid van de beslissing moet zich normalerwijze uitstrekken tot de toepassing van de [geharmoniseerde] bevoegdheidsregels [...] door de rechter”.

38      De zienswijze dat de rechter van de aangezochte lidstaat het forumkeuzebeding dat door de rechter van de lidstaat van herkomst geldig is bevonden, als nietig kan beschouwen, zou ingaan tegen het verbod voor eerstgenoemde rechter om opnieuw te onderzoeken of de beslissing juist is, met name in omstandigheden waarin de rechter van de lidstaat van herkomst tot de slotsom had kunnen komen dat hij zonder dat beding zelf bevoegd was geweest. In dit laatste geval zou een dergelijke vaststelling door de rechter van de aangezochte lidstaat immers niet alleen afbreuk doen aan de tussenbeslissing van de rechter van de lidstaat van herkomst over de geldigheid van het forumkeuzebeding, maar ook aan de beslissing van deze rechter waarbij deze zich als zodanig onbevoegd heeft verklaard.

39      Zoals de advocaat-generaal in punt 82 van zijn conclusie heeft uiteengezet, impliceert het feit dat niet mag worden getoetst of de rechter van de lidstaat van herkomst bevoegd is, tegelijkertijd een beperking van de mogelijkheid van de rechter van de aangezochte staat om na te gaan of hij zelf bevoegd is, aangezien laatstbedoelde rechter gebonden is aan de beslissing van de rechter van de lidstaat van herkomst. Het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht verlangt dat de precieze omvang van die beperking op het niveau van de Unie wordt vastgesteld en niet afhangt van de verschillende nationale regels inzake het gezag van gewijsde.

40      Volgens het recht van de Unie komt het gezag van gewijsde niet alleen toe aan het dictum van de betrokken rechterlijke beslissing, maar strekt het zich ook uit tot de motivering ervan die de nodige onderbouwing van het dictum vormt en er daardoor onlosmakelijk mee verbonden is [zie met name arresten van 1 juni 2006, P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, C‑442/03 P en C‑471/03 P, Jurispr. blz. I‑4845, punt 44, en 19 april 2012, Artegodan/Commissie, C‑221/10 P, punt 87]. Gelet op het in punt 35 van het onderhavige arrest vermelde feit dat de door de gerechten van de lidstaten toegepaste gemeenschappelijke bevoegdheidsregels hun oorsprong vinden in het recht van de Unie, meer bepaald in verordening nr. 44/2001, en op het in punt 39 hierboven genoemde vereiste van eenvormigheid, is het Unierechtelijke begrip gezag van gewijsde relevant om te bepalen welk effect een beslissing sorteert waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd heeft verklaard op grond van een forumkeuzebeding.

41      Een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich uit hoofde van een forumkeuzebeding onbevoegd heeft verklaard op grond dat dit een geldig beding is, bindt aldus de rechters van de andere lidstaten, zowel wat de in het dictum van de beslissing vervatte verklaring van die rechter betreft dat hij onbevoegd is, als wat de vaststelling betreffende de geldigheid van dat beding betreft die is opgenomen in de motivering van deze beslissing en die de nodige onderbouwing van het dictum vormt.

42      Aan deze zienswijze wordt overigens niet afgedaan door de argumenten die de Bondsrepubliek Duitsland met name heeft aangevoerd op grond van punt 66 van het arrest van 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, Jurispr. blz. I‑3571), volgens hetwelk er geen reden is om bij de tenuitvoerlegging van een beslissing aan deze beslissing rechten toe te kennen die deze in het nationale recht van de betrokken lidstaten niet heeft. Voor de erkenning van de beslissingen van de gerechten van de lidstaten waarbij deze zich krachtens verordening nr. 44/2001 onbevoegd verklaren, die worden gegeven op grond van gemeenschappelijke bevoegdheidsregels van het Unierecht, zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is uiteengezet, geldt namelijk de specifieke, in de punten 39 tot en met 41 hierboven beschreven regeling.

43      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter die wordt verzocht om erkenning van een beslissing waarbij de rechter van een andere lidstaat zich onbevoegd heeft verklaard op grond van een forumkeuzebeding, gebonden is aan de vaststelling betreffende de geldigheid van dat beding die is opgenomen in de motivering van een in kracht van gewijsde gegaan arrest waarbij de vordering niet-ontvankelijk is verklaard.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 32 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding, ongeacht hoe een dergelijke beslissing in het recht van een andere lidstaat wordt gekwalificeerd.

2)      De artikelen 32 en 33 van verordening nr. 44/2001 moeten aldus worden uitgelegd dat de rechter die wordt verzocht om erkenning van een beslissing waarbij de rechter van een andere lidstaat zich onbevoegd heeft verklaard op grond van een forumkeuzebeding, gebonden is aan de vaststelling betreffende de geldigheid van dat beding die is opgenomen in de motivering van een in kracht van gewijsde gegaan arrest waarbij de vordering niet-ontvankelijk is verklaard.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.