Language of document : ECLI:EU:C:2012:717

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

15 november 2012 (*)

„Richtlijn 2004/48/EG – Voorschriften inzake onderzoek van bewijzen in kader van geding voor nationale rechter waarbij vordering tot nietigverklaring van bescherming van gebruiksmodel is ingesteld – Bevoegdheden van nationale rechter – Verdrag van Parijs – Trips-Overeenkomst”

In zaak C‑180/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Bíróság (Hongarije) bij beslissing van 29 september 2010, ingekomen bij het Hof op 18 april 2011, in de procedure

Bericap Záródástechnikai bt

tegen

Plastinnova 2000 kft,

in tegenwoordigheid van:

Magyar Szabadalmi Hivatal,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, E. Juhász, J. Malenovský (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Bericap Záródástechnikai bt, vertegenwoordigd door Zs. Kacsuk, ügyvéd,

–        Plastinnova 2000 kft, vertegenwoordigd door J. Hergár, ügyvéd,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Bulst en B. Béres als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157, blz. 45, met rectificaties in PB 2004, L 195, blz. 16, en PB 2007, L 204, blz. 27), de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: „Trips-Overeenkomst”), die als bijlage 1 C is gehecht aan de op 15 april 1994 te Marrakesh ondertekende Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie en die is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1), en het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979 (Recueil des traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11851, blz. 305; hierna: „Verdrag van Parijs”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bericap Záródástechnikai bt (hierna: „Bericap”) en Plastinnova 2000 kft (hierna: „Plastinnova”) over het gestelde ontbreken van nieuwheid en onderliggende uitvinderswerkzaamheid van een gebruiksmodel.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

 Trips-Overeenkomst

3        De eerste alinea van de preambule van de Trips-Overeenkomst luidt als volgt:

„Geleid door de wens de verstoring van en belemmeringen voor de internationale handel te verminderen en rekening houdend met de noodzaak een doeltreffende en toereikende bescherming van de intellectuele eigendom te bevorderen en te verzekeren dat maatregelen en procedures om de rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom te handhaven niet zelf hinderpalen voor legitiem handelsverkeer worden”.

4        Artikel 1, leden 1 en 2, van deel I van de Trips-Overeenkomst met het opschrift „Algemene bepalingen en grondbeginselen” bepaalt:

„1.      De Leden geven uitvoering aan de bepalingen van deze Overeenkomst. De Leden kunnen, maar zijn niet verplicht, in hun nationale wetgeving een uitgebreidere bescherming toepassen dan in deze Overeenkomst is vereist, mits deze bescherming niet in strijd is met de bepalingen van deze Overeenkomst. Het staat de Leden vrij de passende methode voor toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst binnen hun eigen rechtsstelsel en -praktijk te bepalen.

2.      Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder ‚intellectuele eigendom’ verstaan alle categorieën intellectuele eigendom die worden genoemd in deel II, titels 1 tot en met 7.”

5        Artikel 2 van deze overeenkomst, met het opschrift „Verdragen inzake de intellectuele eigendom”, luidt:

„1.      Wat betreft de delen II, III en IV van deze Overeenkomst leven de Leden de artikelen 1 t/m 12 en 19 van het Verdrag van Parijs (1967) na.

2.      Geen enkele bepaling in de delen I t/m IV van deze Overeenkomst doet afbreuk aan de bestaande verplichtingen die de Leden jegens elkaar kunnen hebben ingevolge het Verdrag van Parijs, de Berner Conventie, het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen.”

6        Artikel 41, leden 1 tot en met 3, van de Trips-Overeenkomst, dat deel uitmaakt van deel III ervan met het opschrift „Handhaving van de rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom”, bepaalt:

„1.      De Leden zien erop toe dat in hun nationale wetgeving is voorzien in procedures voor de handhaving, zoals bedoeld in dit deel, opdat doeltreffend kan worden opgetreden tegen elke inbreuk op onder deze Overeenkomst vallende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom, met inbegrip van snelle middelen om inbreuken te voorkomen en middelen die verdere inbreuken tegengaan. Deze procedures dienen zodanig te worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.

2.      Procedures betreffende de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom dienen eerlijk en billijk te zijn. Zij mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn of onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden.

3.      Beslissingen ten principale dienen bij voorkeur schriftelijk en met redenen omkleed te zijn. Zij dienen ten minste aan de partijen bij de procedure zonder onnodige vertraging ter beschikking te worden gesteld. Beslissingen ten principale dienen slechts te zijn gebaseerd op bewijsmateriaal ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid werden gesteld om te worden gehoord.”

 Verdrag van Parijs

7        Alle lidstaten van de Europese Unie zijn partij bij het Verdrag van Parijs.

8        Artikel 1, lid 2, van dit Verdrag bepaalt:

„De bescherming van de industriële eigendom omvat de octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de tekeningen of modellen van nijverheid, de fabrieks‑ of handelsmerken, de dienstmerken, de handelsnaam en de aanduidingen van herkomst of benamingen van oorsprong, zomede de bestrijding van oneerlijke mededinging.”

9        Artikel 2, lid 1, van dit Verdrag luidt als volgt:

„De onderdanen van elk van de landen der Unie zullen in alle andere landen der Unie, voor wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit ogenblik aan de nationalen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit Verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als deze en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hun rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.”

 Unierecht

10      De overwegingen 4 tot en met 6 van de considerans van richtlijn 2004/48 zijn als volgt geformuleerd:

„(4)      Op internationaal niveau zijn alle lidstaten, alsmede de Gemeenschap zelf voor de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden gebonden door de [Trips-Overeenkomst] [...].

(5)      De Trips-Overeenkomst omvat met name bepalingen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten die gemeenschappelijke normen vormen die op internationaal vlak van toepassing zijn en in alle lidstaten ten uitvoer worden gelegd. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de lidstaten, met inbegrip van de Trips-Overeenkomst.

(6)      Voorts bestaan er internationale verdragen waarbij alle lidstaten partij zijn en die ook bepalingen over de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten bevatten. Dat geldt met name voor het Verdrag van Parijs [...], de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en het Internationale Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties.”

11      Overweging 27 van de considerans van deze richtlijn preciseert:

„Als extra afschrikking voor toekomstige inbreukmakers en als bijdrage tot de bewustmaking van het brede publiek, is het nuttig uitspraken in inbreukzaken over intellectuele eigendom bekend te maken.”

12      Overweging 32 van de considerans van deze richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de intellectuele eigendom volledig wordt geëerbiedigd overeenkomstig artikel 17, lid 2, van genoemd Handvest.”

13      In artikel 1 van richtlijn 2004/48 wordt het doel ervan omschreven als volgt:

„Deze richtlijn betreft de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. In deze richtlijn omvat de term ‚intellectuele-eigendomsrechten’ ook industriële-eigendomsrechten.”

14      Artikel 2 van deze richtlijn betreft het toepassingsgebied ervan en bepaalt in lid 1:

„Onverminderd de middelen die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het communautaire recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.”

15      Volgens artikel 2, lid 3, sub b, van richtlijn 2004/48 doet deze richtlijn geen afbreuk aan „internationale verplichtingen van de lidstaten en met name de Trips-overeenkomst, waaronder de verplichtingen met betrekking tot strafprocedures en straffen”.

16      In artikel 3 van de richtlijn is bepaald:

„1.      De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2.      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

 Hongaars recht

 Wet inzake de bescherming van gebruiksmodellen

17      Artikel 1, lid 1, van de A használati minták oltalmáról szóló 1991. évi XXXVIII. törvény (wet nr. XXXVIII van 1991 inzake de bescherming van gebruiksmodellen) bepaalt:

„Gebruiksmodelbescherming (hierna: ‚modelbescherming’) kan worden verleend aan elke oplossing (hierna: ‚model’) met betrekking tot de vormgeving, de structuur of de ordening van de delen van een voorwerp, mits deze nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en industrieel kan worden toegepast.”

18      Artikel 2, lid 2, van de wet inzake de bescherming van gebruiksmodellen bepaalt:

„De stand van de techniek omvat alles wat aan het publiek ter beschikking is gesteld door middel van een schriftelijke beschrijving of door gebruik ervan op het nationale grondgebied vóór de datum van voorrang.”

19      Artikel 3, lid 1, van deze wet bepaalt:

„Een gebruiksmodel berust op uitvinderswerkzaamheid indien het gezien de stand van de techniek voor een bekwaam vakman niet voor de hand liggend is.”

20      Artikel 5 van deze wet luidt:

„1)      Aan de aanvrager wordt bescherming voor zijn model verleend indien dit model:

a)      voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 1 tot en met 4 van deze wet en het niet op grond van lid 2 of artikel 1, lid 2, van deze wet van bescherming is uitgesloten.”

21      Artikel 24 van de wet inzake de bescherming van gebruiksmodellen bepaalt:

„1)      De bescherming van een model wordt nietig verklaard wanneer:

a)      het voorwerp van de bescherming niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, sub a.

[...]”

22      Artikel 26 van deze wet stelt:

„Het Hongaarse octrooibureau is bevoegd om:

[...]

c)      een modelbescherming nietig te verklaren.”

23      Artikel 27 van deze wet bepaalt:

„[...]

3)      Beslissingen van het Hongaarse octrooibureau in zaken betreffende modelbescherming zijn onderworpen aan rechterlijk toezicht overeenkomstig artikel 37.

4)      Het Hongaarse octrooibureau kan zijn beslissingen ten gronde alleen wijzigen of herroepen op basis van een verzoek om herziening, en voordat daartegen een rechtsmiddel wordt ingesteld, mits het voorwerp van de beslissing:

[...]

c)      de nietigverklaring van een modelbescherming betreft.”

24      Artikel 36, lid 3, van de wet inzake de bescherming van gebruiksmodellen bepaalt:

„Met betrekking tot [...] de nietigverklaring van modelbescherming [...] zijn mutatis mutandis de bepalingen van de octrooiwet van toepassing.”

25      Artikel 37 van die wet luidt:

„1)      Op verzoek kan de rechter de volgende beslissingen van het Hongaarse octrooibureau herzien:

a)      de beslissingen genoemd in artikel 27, lid 4.

[...]

13)      Voor het overige worden de bepalingen inzake de procedure van rechterlijke toetsing van beslissingen van het Hongaarse octrooibureau in octrooizaken mutatis mutandis toegepast op de procedure van rechterlijke toetsing van de beslissingen van het Hongaarse octrooibureau ter zake van de bescherming van modellen.”

 Octrooiwet

26      Artikel 42 van wet XXXIII van 1995 inzake de octrooieerbaarheid van uitvindingen (hierna: „octrooiwet”) bepaalt:

„[...]

3)      Indien het verzoek tot nietigverklaring bij eindbeslissing is afgewezen, is een nieuwe procedure tot nietigverklaring van hetzelfde octrooi op basis van dezelfde feiten door wie dan ook uitgesloten.”

27      Artikel 80 van de octrooiwet luidt als volgt:

„1)      Eenieder kan overeenkomstig artikel 42 – onder voorbehoud van het in lid 2 bepaalde – verzoeken om nietigverklaring van een octrooi door een vordering tegen de houder ervan in te stellen.

2)      In het geval bedoeld in artikel 42, lid 1, sub d, kan nietigverklaring van het octrooi worden gevorderd door de persoon die volgens de wet recht heeft op het octrooi.”

28      Artikel 81 van deze wet bepaalt:

„[...]

3)      Ingeval een vordering tot nietigverklaring wordt ingetrokken, kan de procedure ambtshalve worden voortgezet [...]”

29      Artikel 86 van die wet luidt:

„1)      De Fővárosi Bíróság is exclusief bevoegd om uitspraak te doen in procedures tot herziening van beslissingen van het Hongaarse octrooibureau.

[...]”

30      Artikel 88 van dezelfde wet bepaalt:

„De rechter behandelt de vorderingen tot herziening van beslissingen van het Hongaarse octrooibureau overeenkomstig de regels voor niet-contentieuze procedures, behoudens de in deze wet genoemde uitzonderingen. Tenzij deze wet of de niet-contentieuze aard van de procedure anders voorschrijven, zijn mutatis mutandis de algemene bepalingen van de Polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törvény (wet nr. III van 1952 tot invoering van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) op de procedure van toepassing.”

 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

31      De artikelen 3 en 4 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering staan in titel I, met het opschrift „Algemene bepalingen”, onder de afdeling „Taken van de rechter in civiele procedures” van het hoofdstuk „Grondbeginselen”.

32      Artikel 3, lid 2, van dit wetboek bepaalt:

„2)      De rechter is – behoudens andersluidende wettelijke bepaling – gebonden aan de door partijen geformuleerde vorderingen en overige verklaringen met rechtsgevolgen. [...]”

33      Artikel 4, lid 1, van dit wetboek bepaalt:

„1)      De rechter is bij zijn beslissing niet gebonden aan uitspraken van andere autoriteiten of tuchtrechtelijke beslissingen, noch door de feiten die in dergelijke uitspraken of beslissingen zijn vastgesteld.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

34      Op 17 mei 1991 heeft Plastinnova bij het Hongaarse octrooibureau een aanvraag tot bescherming van een model van nijverheid ingediend onder nr. 2252‑320/91. Vervolgens werd op 1 september 1992 een aanvraag tot bescherming van een gebruiksmodel ingediend. Plastinnova heeft aangevoerd dat het een omzetting van de gevraagde bescherming betrof en heeft zich beroepen op het recht van voorrang dat is verbonden aan de eerste aanvraag. Het Hongaarse octrooibureau heeft dit verzoek tot omzetting toegewezen en heeft de aanvraag tot bescherming van het gebruiksmodel toegewezen met het recht van voorrang dat was verbonden aan de indiening van het model van nijverheid.

35      Op 6 mei 1998 heeft Bericap in het kader van een administratieve procedure verzocht om nietigverklaring van de bescherming van het betrokken gebruiksmodel wegens het ontbreken van nieuwheid en van onderliggende uitvinderswerkzaamheid.

36      Bij beslissing nr. U9200215/35 van 1 juni 2004 heeft het Hongaarse octrooibureau de geldigheid van de aan het gebruiksmodel verleende bescherming bevestigd, maar de strekking ervan beperkt.

37      Plastinnova heeft als houdster van het gebruiksmodel de Fővárosi Bíróság verzocht om herziening van die beslissing van het Hongaarse octrooibureau. Deze rechter, die in eerste aanleg uitspraak deed, heeft deze vordering afgewezen en door herziening van beslissing nr. U9200215/35 de bescherming van het litigieuze model nietig verklaard.

38      Plastinnova heeft daartegen beroep ingesteld bij de Fővárosi Ítélőtábla (hof van beroep te Boedapest), die bij beschikking de in eerste aanleg gegeven beslissing heeft gewijzigd door deze te herzien wat de nietigverklaring van de bescherming van het gebruiksmodel betreft, en deze voor het overige heeft bevestigd.

39      De Legfelsőbb Bíróság (Hooggerechtshof van Hongarije), waarbij Bericap cassatieberoep instelde, heeft de in tweede aanleg gegeven beschikking bevestigd.

40      Het hoofdgeding (administratieve procedure) heeft een aanvang genomen op 31 januari 2007, toen Bericap bij het Hongaarse octrooibureau een nieuwe vordering tot nietigverklaring van het litigieuze gebruiksmodel heeft ingesteld. Deze onderneming voerde als nietigheidsgronden het ontbreken van nieuwheid en van onderliggende uitvinderswerkzaamheid aan. Bij haar vordering voegde zij naast andere documenten onder meer beschrijvingen van octrooien als bijlagen met nummers K4 tot en met K10, K19 tot en met K25, K29 en K30.

41      Plastinnova beriep zich op de eerdere nietigheidsprocedure en verzocht dat de nieuwe vordering tot nietigverklaring werd afgewezen zonder onderzoek ten gronde.

42      Bij beslissing nr. U9200215/58 heeft het Hongaarse octrooibureau deze vordering tot nietigverklaring afgewezen onder verwijzing naar artikel 42, lid 3, van de octrooiwet. Het heeft deze bepaling zo toegepast dat in de nieuwe nietigheidsprocedure wat bovengenoemde documenten betreft geen rekening werd gehouden met de beschrijvingen van octrooien K4 tot en met K8, K10, K19, K21 en K22. Volgens het octrooibureau vormden deze documenten immers „de grondslag van de beslissing die werd gegeven aan het einde van de eerdere nietigheidsprocedure”. Het heeft daaraan toegevoegd dat „elk van deze documenten het voorwerp [was] geweest van een onderzoek, los van de vraag welke documenten relevante informatie bevatten uit het oogpunt van het betrokken model” en dat, „aangezien de beslissing die aan het einde van de vorige procedure [was] genomen, op de totaliteit van die onderzochte documenten berust[te], deze in de onderhavige procedure niet in aanmerking [mochten] worden genomen”. Het Hongaarse octrooibureau heeft tevens erop gewezen dat „elk van de kenmerken waarop de hoofdconclusies voor de bescherming van het gebruiksmodel betrekking [hadden], [kon] worden geïdentificeerd aan de hand van de foto’s en [dat] derhalve de bescherming van dat model aanspraak [kon] maken op voorrang”. Het heeft daaraan toegevoegd dat de „vraag van de voorrang reeds het voorwerp [was] geweest van een beslissing in de eerdere procedure, waarbij die beslissing eveneens berust[te] op de vaststelling dat de bescherming via het gebruiksmodel aanspraak kon maken op de voorrang die hem was toegekend wegens de omzetting van de bescherming van het model van nijverheid”. In dit verband stelde het Hongaarse octrooibureau dat de beschrijvingen van octrooien K20 en K23 geen deel uitmaakten van de stand van de techniek.

43      Ten slotte heeft het Hongaarse octrooibureau de vraag van het ontbreken van nieuwheid en van onderliggende uitvinderswerkzaamheid enkel onderzocht tegen de achtergrond van de beschrijvingen van octrooien K9, K24, K25, K29 en K30 en heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewijs van het bestaan van de aangevoerde nietigheidsgronden niet was geleverd.

44      Bericap heeft bij de verwijzende rechter een beroep tot herziening van beslissing nr. U9200215/58 ingesteld en daarbij verzocht om nietigverklaring van het gebruiksmodel. Zij heeft gevraagd dat rekening wordt gehouden met alle overgelegde stukken en heeft betoogd dat de bescherming door een gebruiksmodel de houder ervan uitsluitende rechten verleent die vergelijkbaar zijn met de door een octrooi verleende rechten. Om deze reden vereist het algemeen belang dat de uitsluitende rechten enkel worden verleend door een gebruiksmodel dat voldoet aan de wettelijke vereisten. Door middel van de rechtsfiguur van de nietigverklaring heeft de wetgever ervoor gezorgd dat het algemeen belang wordt gewaarborgd. Uit artikel 80, lid 1, van de octrooiwet, dat bepaalt dat onder voorbehoud van het in lid 2 bepaalde eenieder overeenkomstig artikel 42 kan verzoeken om nietigverklaring van een octrooi door een vordering tegen de houder ervan in te stellen, blijkt dat de nietigheidsprocedure van algemeen belang is. Het algemeen belang blijkt voorts uit artikel 81, lid 3, van deze wet, volgens hetwelk de procedure ambtshalve kan worden voortgezet ingeval een vordering tot nietigverklaring wordt ingetrokken.

45      Plastinnova heeft verzocht om bevestiging van beslissing nr. U9200215/58, die zij gegrond achtte.

46      De verwijzende rechter heeft beslissing nr. U9200215/58 vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Hongaarse octrooibureau voor een nieuwe uitspraak. Hij oordeelde dat de bewijselementen die in het kader van de nieuwe nietigheidsprocedure waren overgelegd, niet buiten beschouwing konden worden gelaten op de loutere grond dat zij reeds in de eerdere nietigheidsprocedure waren overgelegd.

47      De Fővárosi Ítélőtábla heeft de in eerste aanleg gegeven beschikking vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Fővárosi Bíróság voor een nieuw onderzoek en een nieuwe beslissing, na te hebben vastgesteld dat het Hongaarse octrooibureau in zijn onderzoek van de nieuwe vordering tot nietigverklaring de te onderzoeken feitelijke context juist had vastgesteld.

48      In de verwijzingsbeslissing preciseert de Fővárosi Bíróság dat hij, gelet op de bepalingen van richtlijn 2004/48, in het bijzonder de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, twijfels heeft over de wijze waarop de bepalingen van nationaal recht inzake de procedures tot nietigverklaring van gebruiksmodellen worden toegepast.

49      De verwijzende rechter wijst tevens erop dat de vragen die het voorwerp uitmaken van het verzoek aan het Hof om een prejudiciële beslissing berusten op een vergelijking van de bepalingen van het Verdrag van Parijs en de Trips-Overeenkomst met de wijze waarop de relevante nationale bepalingen worden toegepast. In dit verband stelt hij dat in Hongarije het Verdrag van Parijs bekend werd gemaakt bij wetsdecreet nr. 18 van 1970 en de Trips-Overeenkomst bij wet nr. IX van 1998.

50      Daarop heeft de Fővárosi Bíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is het verenigbaar met het Unierecht dat in een wijzigingsprocedure met betrekking tot een vordering tot nietigverklaring van een gebruiksmodel de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zo zijn gestructureerd dat de nationale rechter niet gebonden is aan de door de partijen geformuleerde vorderingen en overige verklaringen met rechtsgevolgen en, met name dat de rechter ambtshalve de noodzakelijk geachte bewijsmaatregelen kan gelasten?

2)      Is het verenigbaar met het Unierecht dat in een wijzigingsprocedure met betrekking tot een vordering tot nietigverklaring van een gebruiksmodel de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zo zijn gestructureerd dat de nationale rechter bij zijn beoordeling niet gebonden is aan de administratieve beslissing die op de vordering tot nietigverklaring is gegeven, noch aan de daarin vastgestelde feiten evenmin als aan met name de nietigheidsgronden die tijdens de administratieve procedure zijn aangevoerd, of aan de verklaringen, beoordelingen en bewijzen die tijdens de administratieve procedure zijn overgelegd?

3)      Is het verenigbaar met het Unierecht dat in een wijzigingsprocedure met betrekking tot een nieuwe vordering tot nietigverklaring van een gebruiksmodel de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zo zijn gestructureerd dat de nationale rechter van de documenten die de nieuwe vordering betreffen – met inbegrip van het bewijs omtrent de stand van de techniek – die documenten uitsluit die reeds ter ondersteuning van de vorige vordering tot nietigverklaring van het gebruiksmodel zijn aangevoerd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid

51      Plastinnova en de Hongaarse regering betwisten op diverse gronden de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.

52      In de eerste plaats vraagt Plastinnova het Hof, dat verzoek zonder onderzoek ten gronde af te wijzen op grond dat enerzijds de Fővárosi Bíróság overeenkomstig het wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet bevoegd was om een dergelijk verzoek in te dienen, en anderzijds enkel het Hooggerechtshof bevoegd was om een prejudiciële procedure in te leiden daar in het hoofdgeding cassatieberoep kon worden ingesteld tegen de betrokken beslissing.

53      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 267 VWEU aan de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid toekent zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie opwerpt waarover ter beslechting van het hun voorgelegde geschil moet worden beslist. De nationale rechterlijke instanties mogen die bevoegdheid overigens uitoefenen op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten (zie arrest van 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, Jurispr. blz. I‑8889, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het bestaan van een nationale procedureregel niet afdoet aan de bevoegdheid van de niet in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties om het Hof prejudiciële vragen te stellen wanneer zij, zoals in het hoofdgeding, twijfels koesteren over de uitlegging van het Unierecht (arrest Elchinov, reeds aangehaald, punt 25, en arrest van 20 oktober 2011, Interedil, C‑396/09, Jurispr. blz. I-9915, punt 35).

55      Volgens het Hof moet het voorts de niet in laatste aanleg uitspraak doende rechter vrijstaan zich met zijn vragen tot het Hof te wenden indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het recht van de Unie strijdig vonnis zou kunnen brengen (zie arrest Elchinov, reeds aangehaald, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      In deze omstandigheden moet de op dit punt door Plastinnova opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

57      In de tweede plaats voert de Hongaarse regering aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verwijzende rechter niet uitlegt waarom hij een uitlegging van richtlijn 2004/48 noodzakelijk acht.

58      Volgens vaste rechtspraak kan het Hof een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 39; 15 juni 2006, Acereda Herrera, C‑466/04, Jurispr. blz. I‑5341, punt 48, en 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 25).

59      Vastgesteld moet echter worden dat niet duidelijk blijkt dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of de vragen over de uitlegging van dit recht van hypothetische aard zijn. De gestelde vragen vermelden weliswaar in zeer algemene bewoordingen het Unierecht, doch uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de rechter waarbij het hoofdgeding aanhangig is, in werkelijkheid verzoekt om uitlegging van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, van richtlijn 2004/48, artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Parijs en artikel 41, leden 1 en 2, van de Trips-Overeenkomst, zodat hij kan nagaan of de nationale procedureregels die in het kader van een vordering tot nietigverklaring van de bescherming van een gebruiksmodel van toepassing zijn, verenigbaar zijn met die bepalingen.

60      In deze omstandigheden is het vermoeden van relevantie dat op de gestelde vragen rust, niet weerlegd.

61      Hieruit volgt dat deze tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid eveneens moet worden verworpen.

62      In de derde plaats betwist de Hongaarse regering de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond dat richtlijn 2004/48 kennelijk niet relevant is voor de beslechting van het geschil, daar deze richtlijn enkel beoogt de civiele en administratieve maatregelen te harmoniseren die van toepassing zijn bij schending van de intellectuele-eigendomsrechten. In de onderhavige zaak betreft de procedure evenwel de geldigheid van een gebruiksmodel en niet een schending van intellectuele-eigendomsrechten.

63      In dit verband volstaat de vaststelling dat de vraag of een procedure tot nietigverklaring van een gebruiksmodel een procedure is die beoogt intellectuele-eigendomsrechten te handhaven, niet de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen, maar de vragen ten gronde betreft (zie naar analogie arresten van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, Jurispr blz. I‑6619, punt 30, en 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, Jurispr. blz. I‑10055, punt 27). Een dergelijke vaststelling kan dus niet ertoe leiden dat het verzoek om een prejudiciële beslissing reeds in het stadium van de beoordeling van de ontvankelijkheid ervan wordt afgewezen.

64      Aangezien deze derde exceptie van niet-ontvankelijkheid ook moet worden verworpen, volgt uit de voorgaande overwegingen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk moet worden verklaard.

 Ten gronde

65      Met zijn drie vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht eraan in de weg staat dat in een gerechtelijke procedure betreffende een vordering tot nietigverklaring van de bescherming van een gebruiksmodel de rechter:

–        niet gebonden is aan de vorderingen en andere verklaringen van partijen en ambtshalve de overlegging van de noodzakelijk geachte bewijzen kan gelasten;

–        niet gebonden is aan een administratieve beslissing die op een vordering tot nietigverklaring is gegeven, noch aan de daarin vastgestelde feiten, en

–        bewijzen die reeds in het kader van een eerdere vordering tot nietigverklaring werden overgelegd, niet opnieuw kan onderzoeken.

66      Meer in het bijzonder blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de nationale rechter van mening is dat richtlijn 2004/48 van toepassing is op de in het hoofdgeding gevolgde procedure en hij vragen heeft over de uitlegging van deze richtlijn, in het bijzonder de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, ervan, tegen de achtergrond van de in punt 59 van het onderhavige arrest aangehaalde artikelen van het Verdrag van Parijs en van de Trips-Overeenkomst.

67      Op dit punt dient allereerst te worden opgemerkt dat de Unie de WTO-Overeenkomst, waarvan de Trips-Overeenkomst deel uitmaakt, heeft ondertekend en vervolgens bij besluit 94/800 heeft goedgekeurd. Daarmee vormen de bepalingen van de Trips-Overeenkomst volgens vaste rechtspraak thans een bestanddeel van de rechtsorde van de Unie en in het kader van deze rechtsorde is het Hof bevoegd om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van deze overeenkomst (zie arrest van 11 september 2007, Merck Genéricos – Produtos Farmacêuticos, C‑431/05, Jurispr. blz. I‑7001, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Wat meer in het bijzonder de bepalingen van artikel 41, leden 1 en 2, van de Trips-Overeenkomst betreft, gelezen in hun onderling verband, blijkt daaruit dat de overeenkomstsluitende staten erop toezien dat in hun nationale wetgeving is voorzien in procedures – met specifieke kenmerken – voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, opdat doeltreffend kan worden opgetreden tegen elke inbreuk op onder deze overeenkomst vallende intellectuele-eigendomsrechten.

69      De staten die partij zijn bij deze overeenkomst, de Unie daaronder begrepen, zijn dus overeenkomstig die bepalingen verplicht om regels op te stellen, door in hun interne recht maatregelen ter handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten in te voeren die in overeenstemming zijn met de in die bepalingen vermelde elementen.

70      Aangezien de Trips-Overeenkomst – zoals blijkt uit artikel 2, lid 1, ervan – bepaalt dat, wat de delen II, III en IV van deze overeenkomst betreft, de staten die partij zijn bij deze overeenkomst de artikelen 1 tot en met 12 en 19 van het Verdrag van Parijs naleven, moet de door artikel 41, leden 1 en 2, van de Trips-Overeenkomst gevorderde regelgeving voorts onder meer artikel 2, lid 1, van dit verdrag naleven.

71      Volgens artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Parijs zullen de onderdanen van elk van de landen waarvoor dit verdrag geldt, in alle andere landen waarvoor dit verdrag eveneens geldt, voor wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit ogenblik aan de nationalen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als deze en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hun rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.

72      Wat alle bovengenoemde bepalingen van de Trips-Overeenkomst en het Verdrag van Parijs hoofdzakelijk gemeen hebben, is dus de verplichting voor de partijen bij deze verdragen, om door middel van hun interne recht de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen door te voorzien in rechtsgangen waarmee doeltreffend kan worden opgetreden tegen elke inbreuk op die rechten.

73      Die verplichting om regels op te stellen is de Unie nagekomen door de vaststelling van richtlijn 2004/48, die blijkens artikel 1 ervan juist beoogt de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen door de invoering van verschillende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen in de lidstaten.

74      Meer in het bijzonder blijkt uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2004/48 dat de bij die richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 ervan van toepassing zijn op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het recht van de Unie en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.

75      Alle bovengenoemde bepalingen van de Trips-Overeenkomst, van het Verdrag van Parijs en van richtlijn 2004/48 (hierna: „betrokken bepalingen”) beogen dus niet, alle aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten te regelen, maar alleen de aspecten die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken op die rechten, door te eisen dat doeltreffende rechtsgangen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen.

76      In dit verband blijkt uit artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat een procedure die beoogt de handhaving van een intellectuele-eigendomsrecht te waarborgen, veronderstelt dat dit recht rechtmatig is verkregen (zie in die zin arrest van 12 juli 2005, Alliance for Natural Health e.a., C‑154/04 en C‑155/04, Jurispr. blz. I‑6451, punt 128).

77      Zoals overigens ook blijkt uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2004/48, waarborgen de betrokken bepalingen derhalve enkel de handhaving van de verschillende rechten van de personen die intellectuele-eigendomsrechten verkregen hebben, te weten de houders van dergelijke rechten, en kunnen zij niet in die zin worden uitgelegd dat zij beogen de verschillende maatregelen en procedures te regelen die ter beschikking worden gesteld van de personen die, zoals verzoekster in het hoofdgeding, door anderen verkregen intellectuele-eigendomsrechten betwisten zonder zelf houders van dergelijke rechten te zijn.

78      Een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wordt juist ter beschikking gesteld van een persoon die, zonder houder van een intellectuele-eigendomsrecht te zijn, opkomt tegen de bescherming van een gebruiksmodel die aan de houder van de overeenkomstige rechten is verleend.

79      Een dergelijke procedure beoogt dus niet de bescherming van houders van intellectuele-eigendomsrechten te verzekeren in de zin van de betrokken bepalingen.

80      Die procedure betreft immers geen inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, of het nu gaat om de persoon die deze procedure inleidt, aangezien deze geen houder van een dergelijk recht is en derhalve per definitie geen inbreuk op dit recht kan ondergaan, of om de houder van een recht waarop die procedure betrekking heeft, aangezien een tegen hem gerichte rechtsvordering waarbij het bestaan van zijn intellectuele-eigendomsrecht in rechte wordt betwist, per definitie niet als een inbreuk kan worden aangemerkt.

81      Uit een en ander volgt dat de betrokken bepalingen niet de regeling beogen van de verschillende aspecten van een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

82      Bijgevolg dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat, aangezien de bepalingen van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, van richtlijn 2004/48, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Parijs en artikel 41, leden 1 en 2, van de Trips-Overeenkomst, niet van toepassing zijn op een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, deze bepalingen niet kunnen worden geacht zich ertegen te verzetten dat de rechter in een dergelijke gerechtelijke procedure:

–        niet gebonden is aan de vorderingen en andere verklaringen van partijen en ambtshalve de overlegging van de noodzakelijk geachte bewijzen kan gelasten;

–        niet gebonden is aan een administratieve beslissing die op een vordering tot nietigverklaring is gegeven, noch aan de daarin vastgestelde feiten, en

–        bewijzen die reeds in het kader van een eerdere vordering tot nietigverklaring werden overgelegd, niet opnieuw kan onderzoeken.

 Kosten

83      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Aangezien de bepalingen van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979, en artikel 41, leden 1 en 2, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die als bijlage 1 C is gehecht aan de op 15 april 1994 te Marrakesh ondertekende Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie en die is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten, niet van toepassing zijn op een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kunnen deze bepalingen niet worden geacht zich ertegen te verzetten dat de rechter in een dergelijke gerechtelijke procedure:

–        niet gebonden is aan de vorderingen en andere verklaringen van partijen en ambtshalve de overlegging van de noodzakelijk geachte bewijzen kan gelasten;

–        niet gebonden is aan een administratieve beslissing die op een vordering tot nietigverklaring is gegeven, noch aan de daarin vastgestelde feiten, en

–        bewijzen die reeds in het kader van een eerdere vordering tot nietigverklaring werden overgelegd, niet opnieuw kan onderzoeken.

ondertekeningen


* Procestaal: Hongaars