Language of document : ECLI:EU:F:2012:172

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Eerste kamer)

5 december 2012 (*)

„Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 – Opstelling van reservelijst met het oog op aanwerving van Roemeense administrateurs – Grondige kennis van de officiële taal van Roemenië – Hongaarstalige minderheid in Roemenië – Niet-toelating tot mondeling examen – Beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie – Draagwijdte”

In zaak F‑29/11,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

BA, wonende te Wezembeek-Oppem (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Orlandi, A. Coolen, J.‑N. Louis en É. Marchal, advocaten, vervolgens door S. Orlandi, A. Coolen, J.‑N. Louis, É. Marchal en D. Abreu Caldas, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Eggers en P. Pecho als gemachtigden, vervolgens door B. Eggers als gemachtigde,

verweerster,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kreppel, kamerpresident, E. Perillo (rapporteur) en R. Barents, rechters,

griffier: J. Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juli 2012,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 21 maart 2011, heeft BA het onderhavige beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de directeur van het Europees Bureau voor Personeelsselectie (EPSO) van 10 december 2010 tot afwijzing van haar klacht en van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 om haar niet toe te laten tot het mondeling examen van het vergelijkend onderzoek.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 1 quinquies van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt:

„1. Voor de toepassing van dit Statuut is iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke, filosofische, godsdienstige of andere overtuiging, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd, of seksuele geaardheid verboden.

[...]

5. Indien onder dit Statuut vallende personen die zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het hierboven genoemde beginsel van gelijke behandeling benadeeld achten, feiten aanbrengen op grond waarvan kan worden aangenomen dat directe of indirecte discriminatie heeft plaatsgevonden, moet de instelling het bewijs leveren dat het beginsel van gelijke behandeling niet is geschonden. Deze bepaling is niet van toepassing in het kader van tuchtprocedures.

6. Iedere beperking ten aanzien van de naleving van het non-discriminatiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel moet op objectieve en redelijke wijze gemotiveerd zijn en moet beantwoorden aan legitieme doelstellingen van algemeen belang in het kader van het personeelsbeleid. Met name de vaststelling van een verplichte pensioenleeftijd en van een minimale pensioengerechtigde leeftijd kunnen door dergelijke doelstellingen worden gerechtvaardigd.”

3        Artikel 27 van het Statuut luidt:

„De aanwerving dient erop gericht te zijn de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten [van de Unie] zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding.

Geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat.”

4        Artikel 28 van het Statuut bepaalt:

„Als ambtenaar kan slechts worden aangesteld hij:

a)      die onderdaan is van een der lidstaten van de [Unie], behoudens andersluidende beslissing van het tot aanstelling bevoegde gezag, en die zijn rechten als staatsburger bezit;

[...]

f)      die blijk geeft van een grondige kennis van een van de talen der [Unie] en van een voldoende kennis van een andere taal der [Unie] voor zover dit voor de door hem te verrichten werkzaamheden noodzakelijk is.”

5        Artikel 1, lid 1, van bijlage III bij het Statuut luidt:

„1. De aankondiging van een vergelijkend onderzoek wordt door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgesteld, na raadpleging van de paritaire commissie.

De aankondiging vermeldt:

[...]

f)      zo nodig de in verband met de bijzondere aard van het ambt vereiste talenkennis;

[...]”

6        Artikel 1 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), in de op de onderhavige zaak toepasselijke versie, bepaalt:

„De officiële talen en de werktalen van de instellingen van de Unie zijn het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Iers, het Italiaans, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Sloveens, het Slowaaks, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds.”

7        Artikel 2 van verordening nr. 1 luidt:

„De stukken die door een lidstaat of door een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een lidstaat aan de instellingen worden gezonden, worden naar keuze van de afzender gesteld in een der officiële talen. Het antwoord wordt in dezelfde taal gesteld.”

8        Artikel 3 van verordening nr. 1 bepaalt:

„De stukken die door de instellingen aan een lidstaat of aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een lidstaat worden gezonden, worden gesteld in de taal van die staat.”

9        Artikel 6 van verordening nr. 1 luidt:

„De instellingen kunnen de wijze van toepassing van de onderhavige regeling in hun reglement van orde vaststellen.”

10      Artikel 8 van verordening nr. 1 bepaalt:

„Wat de lidstaten betreft waar verschillende officiële talen bestaan, zal het gebruik van de taal op verzoek van de betrokken staat worden vastgesteld volgens de algemene regels welke uit de wetgeving van die staat voortvloeien.

[...]”

11      Artikel 2 van verordening (EG, Euratom) nr. 401/2004 van de Raad van 23 februari 2004 tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en de Tsjechische Republiek (PB L 67, blz. 1) luidt:

„Tot en met 31 december 2010 zullen ook algemene vergelijkende onderzoeken worden georganiseerd voor het aanwerven van ambtenaren die een van de huidige elf officiële talen als hoofdtaal hebben; deze vergelijkende onderzoeken bestrijken gelijktijdig al deze talen.”

12      Verordening (EG, Euratom) nr. 1760/2006 van de Raad van 28 november 2006 tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (PB L 335, blz. 5) bepaalt:

„[...]

(1) Naar aanleiding van de komende toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie dienen tijdelijke bijzondere maatregelen te worden vastgesteld die afwijken van het statuut [...].

(2) Voorts moeten, gezien de relatieve omvang van de toetredende landen en het aantal personen waarom het kan gaan, deze maatregelen, hoewel zij tijdelijk zijn, worden toegepast gedurende een lange periode. Een periode die op 31 december 2011 verstrijkt, lijkt daartoe het meest gepast.

(3) Aangezien de voorgenomen aanwervingen zo spoedig mogelijk na de toetreding moeten kunnen plaatsvinden, dient deze verordening vóór de feitelijke toetredingsdatum te worden vastgesteld,

[...]

Artikel 1

1. Tot en met 31 december 2011 kan, in afwijking van artikel 4, tweede en derde alinea, artikel 7, lid 1, artikel 27, tweede alinea, en artikel 29, lid 1, [sub] a en b, van het statuut, na de feitelijke toetredingsdatum van Bulgarije en Roemenië in vacatures worden voorzien door de aanstelling, binnen het daartoe aangewezen aantal ambten, van Bulgaarse en Roemeense onderdanen, in voorkomend geval met inachtneming van de beraadslagingen over de begroting.

2. Tot aanstelling in de ambten wordt overgegaan:

a)      voor alle rangen, na de feitelijke toetredingsdatum van de betrokken landen;

b)      behalve voor hogere ambtenaren (directeuren-generaal of een equivalente functie in de rangen AD 16 of AD 15 en directeuren of een equivalente functie in de rangen AD 15 of AD 14), na vergelijkende onderzoeken aan de hand van schriftelijke bewijsstukken en tests die worden georganiseerd overeenkomstig bijlage III bij het statuut.

[...]”

13      Op 21 januari 2009 is aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 bekendgemaakt, dat door EPSO met name werd georganiseerd voor de vorming van een aanwervingsreserve van Roemeense administrateurs (AD 5) op het gebied van het Europees openbaar bestuur (PB C 14 A, blz. 1), welke aankondiging is gewijzigd bij een corrigendum van 13 maart 2009 (PB C 59 A/2, blz. 2) (hierna: „aankondiging van vergelijkend onderzoek”).

14      Titel I, B, punt 2, sub c, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, „Talenkennis”, luidt:

„Hoofdtaal (taal 1)

De kandidaten moeten beschikken over:

[...]

–        een grondige kennis van het Roemeens [...]

Tweede taal (taal 2)

De kandidaten moeten beschikken over voldoende kennis van het Duits, het Engels of het Frans.

[...]”

15      Titel III, punt 1, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, „Schriftelijke examens – Beoordeling”, bepaalt:

„De schriftelijke examens a) en b) vinden plaats in het Duits, het Engels of het Frans (taal 2).

a)       Examen bestaande uit een reeks meerkeuzevragen teneinde de specifieke kennis van de kandidaten op het gekozen gebied te beoordelen.

[...]

b)      Examen over een onderwerp naar keuze op het gekozen gebied [...]

c)      Opstelling van een korte nota in de hoofdtaal (taal 1) van de kandidaat waarin de argumenten en de conclusies van schriftelijk examen b) worden uiteengezet. Dit examen is bedoeld om de beheersing van de kandidaat van zijn hoofdtaal te testen, zowel door de kwaliteit van de opstelling als door de presentatie.

Voor dit examen worden 0 tot en met 10 punten gegeven (vereiste minimum: 8 punten).

[...]”

16      Voorts wordt in de bijlage bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek gepreciseerd:

„[...]

Verzoek om een heronderzoek

Deze verzoeken kunnen binnen tien kalenderdagen vanaf de datum van de elektronische verzending van de brief waarbij het besluit wordt meegedeeld, in de vorm van een met redenen omklede brief worden ingediend [...]”

 Feiten van het geding

17      Verzoekster, die zowel de Roemeense als de Hongaarse nationaliteit heeft, behoort tot de Hongaarse minderheid van Roemenië.

18      In haar hoedanigheid van Roemeens burger heeft zij zich aangemeld voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09, dat door EPSO met name werd georganiseerd voor de vorming van een aanwervingsreserve van Roemeense administrateurs op het gebied van het „Europees openbaar bestuur”. Nadat zij met succes de toelatingstoetsen had afgelegd, is zij toegelaten tot de schriftelijke examens.

19      Bij brief van 21 april 2010 heeft EPSO verzoekster haar uitslag voor de schriftelijke examens meegedeeld. Zij had meer dan het vereiste minimum behaald voor de examens a) en b), waarvoor gebruik was gemaakt van de door de kandidaat gekozen taal 2 (Duits, Engels of Frans), waarvan de aankondiging van vergelijkend onderzoek „voldoende kennis” vereiste. Zij had echter een onvoldoende, dat wil zeggen 6 van de 10 punten, behaald voor examen c), waarvoor gebruik was gemaakt van taal 1 (Roemeens), waarvan de aankondiging van vergelijkend onderzoek „grondige kennis” vereiste.

20      In antwoord op een op 21 april 2010 ingediend verzoek om een heronderzoek, heeft EPSO verzoekster bij brief van 18 juni 2010 meegedeeld dat de jury, na de kopie van haar schriftelijk examen c) opnieuw te hebben onderzocht, haar besluit bevestigde om haar niet toe te laten tot het mondeling examen.

21      Bij e-mail van 7 juli 2010 heeft verzoekster gevraagd om haar situatie opnieuw te onderzoeken, omdat zij meende het slachtoffer van discriminatie te zijn op grond van het feit dat zij schriftelijk examen c) in het Roemeens had moeten afleggen, en niet in het Hongaars, haar moedertaal.

22      Bij brief van 20 september 2010, die door EPSO de volgende dag is ingeschreven, heeft verzoekster een klacht ingediend uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarin zij het besluit van de jury om haar voor schriftelijk examen c) 6 van de 10 punten te geven betwistte én de wettigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

23      Bij brief van 10 december 2010 heeft de directeur van EPSO in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) verzoeksters klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).

 Conclusies van partijen

24      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren;

–        voor zover nodig, het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om haar voor schriftelijk examen c) het onvoldoende aantal van 6 van de 10 punten te geven, nietig te verklaren;

–        een nieuw schriftelijk examen c) te organiseren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

25      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Voorwerp van het beroep

26      Met haar eerste vordering vraagt verzoekster om nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht.

27      Volgens vaste rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, wanneer dat besluit geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punt 8).

28      In casu was de op 10 december 2010 door het TABG afgewezen klacht van 20 september 2010 gericht tegen het besluit van de jury om verzoekster voor schriftelijk examen c) 6 van de 10 punten te geven. Het besluit tot afwijzing van de klacht heeft geen zelfstandige inhoud, aangezien het slechts het besluit bevestigt dat na een heronderzoek door de jury op 18 juni 2010 is genomen, met een motivering die, zij het dat deze gedetailleerder was, in wezen die van dat besluit overnam (arrest Gerecht van 1 juli 2010, Mandt/Parlement, F‑45/07, punt 43).

29      Wanneer een partij wier verzoek om toelating tot een door de instellingen van de Unie georganiseerd vergelijkend onderzoek is afgewezen, op basis van een precieze bepaling die de administratie bindt een heronderzoek van dat besluit vraagt, is het door de jury na een heronderzoek genomen besluit overigens het bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, of, in voorkomend geval, van artikel 91, lid 1, van het Statuut (arrest Gerecht van 1 juli 2010, Časta/Commissie, F‑40/09, punt 27, en aangehaalde rechtspraak).

30      In casu heeft verzoekster overeenkomstig de bijlage bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek op 21 april 2010 gevraagd om een heronderzoek van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om haar niet tot het mondeling examen toe te laten.

31      Bij brief van 18 juni 2010 heeft EPSO haar geantwoord dat de jury op 11 juni 2010 was bijeengekomen en had besloten om het cijfer 6/10 dat zij voor het schriftelijk examen c) had gekregen, te bevestigen. Dit gold ook voor het besluit om haar niet toe te laten tot het mondeling examen.

32      Het besluit van 18 juni 2010, dat diezelfde dag aan verzoekster is meegedeeld, vormt dus in casu het bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

33      Uit het voorgaande volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van het na heronderzoek genomen besluit van 18 juni 2010 (hierna: „bestreden besluit”).

 Ontvankelijkheid

 Argumenten van partijen

34      De Commissie stelt primair dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Verzoekster heeft het besluit om haar niet toe te laten tot de latere fase van het vergelijkend onderzoek niet betwist op grond van een kennelijke beoordelingsfout bij de correctie van het schriftelijk examen c), maar uitsluitend omdat zij bij het examen niet het Hongaars, haar moedertaal, had kunnen gebruiken. Aangezien in de aankondiging van vergelijkend onderzoek wordt bepaald dat dit examen uitsluitend in het Roemeens plaatsvindt, is die aankondiging dus het besluit dat voor haar daadwerkelijk bezwarend is. Daar zij niet binnen de vanaf de bekendmaking van de aankondiging van vergelijkend onderzoek geldende termijn beroep heeft ingesteld, heeft verzoekster geen belang meer.

35      Verzoekster is van mening dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek in beginsel geen bezwarende handeling is en deze haar in casu niet direct van de examens uitsluit. Zij stelt echter dat zij zich in het kader van een beroep tegen een individueel voor haar bezwarend besluit kan beroepen op onregelmatigheden bij het verloop van het vergelijkend onderzoek, daaronder begrepen die welke zijn veroorzaakt door de aankondiging van vergelijkend onderzoek, en dat zij bij wijze van incident dus kan opkomen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

36      In het besluit tot afwijzing van de klacht heeft het TABG overigens betoogd dat de klacht niet-ontvankelijk was wegens niet-inachtneming van de statutaire termijnen. Verzoekster heeft op 18 juni 2010 kennis genomen van het bestreden besluit en had ten laatste op 18 september 2010, en niet op 20 september 2010, een klacht moeten indienen.

37      Verzoekster beroept zich op artikel 100, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, op grond waarvan „de termijn waarvan de laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, aan het einde van de daaraanvolgende werkdag verstrijkt”. Daar 18 september 2010 een zaterdag was, was het beroep ontvankelijk, aangezien de klacht is ingediend op maandag 20 september 2010, de eerste werkdag na afloop van die termijn.

38      In haar verweerschrift stelt de Commissie niet dat de klacht te laat is ingediend.

 Beoordeling door het Gerecht

39      Gelet op de bijzondere aard van de aanwervingsprocedure, die een ingewikkeld administratief proces is dat een aantal opeenvolgende, zeer nauw samenhangende besluiten omvat, mag een verzoeker zich in het kader van een beroep tegen een later individueel besluit, zoals een besluit om hem niet tot de examens toe te laten, beroepen op onregelmatigheden die zich tijdens het verloop van het vergelijkend onderzoek hebben voorgedaan, daaronder begrepen die welke waarvan de oorzaak in de tekst zelf van de aankondiging van vergelijkend onderzoek kan worden gevonden (arrest Hof van 11 augustus 1995, Commissie/Noonan, C‑448/93 P, punt 19; arrest Gerecht van 14 april 2011, Clarke e.a./BHIM, F‑82/08, punt 79).

40      In een dergelijke procedure kan namelijk niet worden verlangd dat een verzoeker even zoveel beroepen instelt als de procedure handelingen omvat die voor hem bezwarend zouden kunnen zijn (arrest Commissie/Noonan, reeds aangehaald, punt 17).

41      Eveneens is geoordeeld dat geen onderscheid behoeft te worden gemaakt naar de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek (arrest Commissie/Noonan, reeds aangehaald, punt 19).

42      Ten slotte is gepreciseerd dat bij wijze van uitzondering beroep tot nietigverklaring van een aankondiging van vergelijkend onderzoek kan worden ingesteld, wanneer deze, door voorwaarden te stellen die de aanmelding van de verzoeker uitsluiten, een voor hem bezwarend besluit vormt in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut (arrest Clarke e.a./BHIM, reeds aangehaald, punt 79).

43      Met andere woorden, zelfs al zou alleen ter wille van de redenering worden erkend dat verzoekster door middel van een beroep tot nietigverklaring had kunnen opkomen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek, dan nog heeft deze omstandigheid op zich niet tot gevolg dat zij geen belang meer heeft om op te komen tegen het bestreden besluit en evenmin dat de middelen die eventueel de wettigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek ter discussie beogen te stellen, niet-ontvankelijk worden.

44      Overigens was de klacht niet te laat ingediend.

45      Daar het besluit dat de jury na heronderzoek heeft genomen het bezwarend besluit vormt, is dit tevens het besluit waardoor de klacht- en de beroepstermijn ingaan (arrest Časta/Commissie, reeds aangehaald, punt 27).

46      Partijen zijn het erover eens dat verzoekster op 18 juni 2010 kennis heeft genomen van het bestreden besluit en dat de klacht tegen dat besluit is ingediend op 20 september 2010.

47      Artikel 100, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, waarnaar verzoekster verwijst, geldt echter niet voor de precontentieuze procedure.

48      Nu het Statuut zelf geen specifieke regels voor de in artikel 90 ervan bedoelde termijnen geeft, moet worden verwezen naar verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124, blz. 1) (beschikking Gerecht van 8 juli 2009, Sevenier/Commissie, F‑62/08, punt 27). Artikel 3, lid 4, van die verordening bepaalt dat indien de laatste dag van de termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is, de termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag.

49      Aangezien de laatste dag van de termijn, namelijk 18 september 2010, in casu een zaterdag was, is de termijn afgelopen op 20 september 2010. De klacht was derhalve niet te laat ingediend.

50      Gelet op het voorgaande, moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.

 Ten gronde

51      Verzoekster preciseert dat zij zich tot staving van haar beroep baseert op schending van:

–        de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie:

–        artikel 1 quinquies, leden 1, 5 en 6, van het Statuut;

–        artikel 2 VEU;

–        artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

–        de artikelen 3, 4, 5, 10 en 19 van het op 1 februari 1995 te Straatsburg gesloten Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (hierna: „Kaderverdrag”).

 Middelen ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie alsmede aan schending van artikel 1 quinquies, leden 1, 5 en 6, van het Statuut

52      Deze twee middelen moeten gezamenlijk worden onderzocht.

–       Argumenten van partijen

53      Verzoekster stelt dat de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie zijn geschonden, doordat zij schriftelijk examen c) niet in haar hoofdtaal, het Hongaars, heeft kunnen afleggen.

54      Haar moeder- en hoofdtaal is het Hongaars, een officiële taal van de Europese Unie. Ofschoon het Hongaars niet de officiële taal van Roemenië is, is het nochtans de spreektaal die door de Hongaarse minderheid in dat land mag worden gebruikt. Roemenië conformeert zich dus aan de door de Europese instellingen nagestreefde doelstelling om nationale minderheden te beschermen. De Hongaarse minderheid van Roemenië heeft in de loop der tijd steeds nieuwe rechten gekregen, waaronder het recht op onderwijs in het Hongaars. Verzoekster heeft haar basis-, haar middelbaar en haar universitair onderwijs in het Hongaars gevolgd, en het na afloop van haar studie verkregen diploma geeft haar in Roemenië dezelfde rechten als die welke worden verleend aan personen die hetzelfde diploma in het Roemeens hebben verkregen.

55      Zij is dus objectief benadeeld ten opzichte van haar medeburgers die (universitair) onderwijs in het Roemeens hebben gevolgd, doordat zij schriftelijk examen c) niet in het Hongaars heeft kunnen afleggen.

56      In de omstandigheden van de onderhavige zaak had de kandidaten de mogelijkheid moeten worden geboden om te kiezen tussen de in Roemenië gesproken talen, aangezien het om officiële talen van de Unie gaat.

57      Ter onderbouwing van dit argument beroept zij zich op het feit dat aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/53/06 (PB C 172 A, blz. 3), dat op grond van artikel 2 van verordening nr. 401/2004 was voorbehouden aan Cypriotische burgers, grondige kennis van het Grieks als hoofdtaal vereiste, maar voor Cypriotische onderdanen wier hoofdtaal niet het Grieks was bij wijze van uitzondering wel in de mogelijkheid voorzag om een andere officiële taal van de Unie te kiezen, waarbij de tweede taal in dat geval een andere moest zijn dan de gekozen hoofdtaal.

58      Het is ook discriminerend dat de Commissie voor deelname aan het betrokken vergelijkend onderzoek in casu zowel de voorwaarde van nationaliteit als die van de taal van de betrokken lidstaat stelt. Indien burgers moesten worden aangeworven die Roemeens spraken, was het niet nodig de aanwerving te beperken tot personen met de Roemeense nationaliteit. Dienden echter Roemeense burgers te worden aangeworven, dan had het enige criterium dat van de nationaliteit moeten zijn.

59      Krachtens artikel 1 quinquies van het Statuut dient de Commissie in elk geval aan te tonen dat het besluit om schriftelijk examen c) in het Roemeens te organiseren geen schending van het beginsel van gelijke behandeling oplevert alsmede dat de eventuele beperking van dat beginsel objectief en in redelijkheid gerechtvaardigd wordt.

60      Met betrekking tot de vraag of het verschil in behandeling gerechtvaardigd wordt, met name door het door de Commissie aangevoerde doel om een redelijk geografisch evenwicht te bereiken, stelt verzoekster dat het niet legitiem is om Roemeense kandidaten die tot de Hongaarse minderheid behoren uit te sluiten op grond dat Roemenië het Hongaars niet tot officiële taal in de zin van verordening nr. 1 heeft verklaard.

61      De Commissie legt niet uit waarom de behoeften van de dienst vereisen dat geslaagde kandidaten van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 die als ambtenaar worden aangesteld, uitsluitend het Roemeens gebruiken.

62      Bovendien moet onderscheid worden gemaakt tussen het „dienstbelang” en het „algemeen belang in het kader van het personeelsbeleid”. Indien de aanwerving van Roemeense ambtenaren werd ingegeven door de noodzaak om te communiceren met de economische en sociale partners van de lidstaten, zou het relevant zijn om personen aan te werven die tot de Hongaarse minderheid behoren teneinde te communiceren met de leidende figuren op economisch en sociaal gebied die contacten onderhouden met die minderheid.

63      Ten slotte voldoet verzoekster aan de vereisten van artikel 28 van het Statuut, dat haars inziens geen enkele voorwaarde bevat betreffende de kennis van een taal waarvan de ambtenaar de nationaliteit bezit.

64      De Commissie is echter van mening dat verzoekster niet het slachtoffer van ongelijke behandeling is geweest en dat de taalvoorwaarden van het vergelijkend onderzoek in elk geval gerechtvaardigd worden door het belang van de dienst, beantwoorden aan de doelstellingen van algemeen belang in het kader van het personeelsbeleid en evenredig zijn.

65      Om te beginnen moet onderscheid worden gemaakt tussen de „talen van de Unie”, dat wil zeggen de talen die op grond van verordening nr. 1 gebruikt moeten worden, en de „in een lidstaat gesproken talen”. Geen enkele kandidaat kan krachtens de artikelen 27 en 28 van het Statuut en verordening nr. 1 eisen dat voor de schriftelijke examens van het vergelijkend onderzoek een andere taal wordt gebruikt dan de op grond van verordening nr. 1 relevante talen van de Unie.

66      Voorts beschikken de instellingen over een ruime beoordelingsvrijheid bij de bepaling van de officiële talen die binnen hun organen worden gebruikt en derhalve bij de keuze van de talen die van de kandidaten van een vergelijkend onderzoek kunnen worden geëist. Artikel 1, lid 1, sub f, van bijlage III bij het Statuut geeft het TABG overigens de mogelijkheid om de vereiste taalkennis te specificeren aan de hand van de bijzondere aard van de te vervullen posten.

67      Ook beroept de Commissie zich op het feit dat Roemenië tot op heden het Hongaars niet heeft opgegeven als andere taal van de Unie in de zin van artikel 8 van verordening nr. 1.

68      Vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 is een vergelijkend onderzoek dat verband houdt met een uitbreiding en dat nu juist is georganiseerd krachtens verordening nr. 1760/2006, die voor een overgangsperiode en ten behoeve van de aanwerving van Roemeense onderdanen afwijkt van de regels van het Statuut, met name van artikel 27 op grond waarvan het verboden is om vacante ambten voor te behouden aan de onderdanen van een bepaalde lidstaat. Het was noodzakelijk om zo snel mogelijk personeel met de Roemeense nationaliteit en met beheersing van het Roemeens aan te werven, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van de dienst die door de toetreding van Roemenië waren ontstaan en met name om te communiceren in de taal van de Unie die in de betrekkingen met Roemenië moet worden gebruikt.

69      In deze omstandigheden stelt de Commissie dat het vereiste van kennis van het Roemeens in de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek beantwoordt aan algemene doelstellingen die voortvloeien uit de toepassing van de afwijkende verordening nr. 1760/2006 en objectief gerechtvaardigd wordt door het belang van de dienst, met name in het licht van artikel 1, lid 1, sub f, van bijlage III bij het Statuut.

70      Ten slotte wordt van de kandidaten van het vergelijkend onderzoek een goede, en niet een perfecte beheersing van het Roemeens verlangd, hetgeen Roemeense kandidaten met een andere moedertaal dan het Roemeens de facto de mogelijkheid biedt om het schriftelijk examen c) met succes af te leggen.

–       Beoordeling door het Gerecht

71      Om te beginnen zij opgemerkt dat verzoekster in repliek stelt dat verordening nr. 1, waarop de Commissie een groot deel van haar betoog baseert, niet strijdig mag zijn met de bepalingen van het Verdrag, van elke andere hogere rechtsregel of elk algemeen rechtsbeginsel.

72      Zelfs al zou alleen ter wille van de redenering ervan worden uitgegaan dat die exceptie van onwettigheid nauw aansluit bij de klacht en niet te laat is opgeworpen, dan nog moet worden vastgesteld dat deze geen precisering bevat op grond waarvan het Gerecht de gegrondheid ervan kan onderzoeken.

73      Krachtens artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoekschrift onder meer de aangevoerde middelen en argumenten feitelijk en rechtens bevatten. Volgens vaste rechtspraak moeten deze onderdelen zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder verdere informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de feitelijke en juridische gronden van het beroep coherent en begrijpelijk uit het verzoekschrift zelf blijken (arrest Gerecht van 15 februari 2011, AH/Commissie, F‑76/09, punt 29).

74      Gelet op artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering, is de door verzoekster aangevoerde exceptie van onwettigheid van verordening nr. 1 bij gebreke van elke vermelding van redenen waarom deze in strijd zou zijn met de bepalingen van het Verdrag, derhalve niet-ontvankelijk.

75      Met betrekking tot het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling en van non-discriminatie, zij eraan herinnerd dat het gelijkheidsbeginsel, als algemeen beginsel van het recht van de Unie, vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest Hof van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, punt 23). Ook is er sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat op het ambtenarenrecht van de Unie van toepassing is, wanneer twee categorieën personen die in dienst van de Unie zijn en wier rechtspositie en feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld en dat verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd is (arrest Gerecht van 25 februari 2010, Pleijte/Commissie, F‑91/08, punt 36).

76      Aangezien verzoekster stelt dat er in casu sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling omdat verschillende situaties gelijk zijn behandeld, moet worden onderzocht of de onderhavige situaties vanuit feitelijk en juridisch oogpunt verschillen.

77      Partijen zijn het er inderdaad over eens dat de moeder- en hoofdtaal van verzoekster, die zowel de Roemeense als de Hongaarse nationaliteit heeft, feitelijk het Hongaars is. Haar moeder- en hoofdtaal is echter niet de nationale taal van Roemenië. Zoals verzoekster zelf toegeeft, is het Hongaars in de Roemeense rechtsorde evenmin bij wet als officiële taal erkend. In dit verband heeft de Commissie het Gerecht ter terechtzitting gewezen op stukken betreffende bepaalde Roemeense wetgevende handelingen die met name verband houden met de rechten en verplichtingen van personen die deel uitmaken van de verschillende en talrijke nationale minderheden in Roemenië. Daartoe behoort met name Roemeense wet nr. 188/1999, waarvan artikel 54, betreffende de aanwerving van ambtenaren, bepaalt dat voor de vervulling van een openbaar ambt in Roemenië aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: „a) Roemeens burger zijn en in Roemenië woonachtig zijn; b) schriftelijke en mondelinge beheersing van de Roemeense taal”. Het feit dat het Hongaars een officiële taal van de Unie is, is in casu overigens irrelevant, daar het gaat om een „vergelijkend onderzoek in verband met een uitbreiding”, dat op basis van verordening nr. 1760/2006 bij wijze van uitzondering is voorbehouden aan onderdanen van de betrokken lidstaat. Het is overigens juist op grond van haar hoedanigheid van Roemeens onderdaan dat verzoekster zich heeft aangemeld voor het vergelijkend onderzoek en daartoe is toegelaten. Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters situatie niet verschilt van die van de andere kandidaten van het betrokken vergelijkend onderzoek.

78      Bovendien onderscheidt vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 zich duidelijk van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/53/06, dat uitsluitend voor Cypriotische onderdanen is georganiseerd en waarop verzoekster zich ter onderbouwing van haar betoog beroept. Volgens artikel 2 van verordening nr. 401/2004 moesten immers algemene vergelijkende onderzoeken worden georganiseerd voor de aanwerving van ambtenaren die één van de elf officiële talen van de Unie op de datum van vaststelling van die verordening als hoofdtaal hadden en dienden deze vergelijkende onderzoeken gelijktijdig al deze talen te bestrijken. Daar één van de officiële talen van de Republiek Cyprus het Turks is, dat overigens geen officiële taal van de Unie is, was het, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft gepreciseerd, nodig om een alternatieve taal te voorzien voor het Grieks, de andere officiële taal van die lidstaat. De gekozen taal was dus het Engels, dat eveneens één van de drie talen was waarvoor voor het tweede schriftelijk examen kon worden gekozen. In de omstandigheden van de onderhavige zaak diende de Commissie algemene vergelijkende onderzoeken te organiseren onder de voorwaarden die de wetgever van de Unie in verordening nr. 401/2004 had vastgesteld. Verordening nr. 1760/2006, op basis waarvan vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 is georganiseerd dat in deze zaak aan de orde is, bevat echter geen bepaling die vergelijkbaar is met artikel 2 van verordening nr. 401/2004.

79      In elk geval moet eraan worden herinnerd dat, ook al is verzoekster, doordat zij schriftelijk examen c) in het Roemeens heeft afgelegd, mogelijk benadeeld ten opzichte van kandidaten met Roemeens als moedertaal, verschillen in behandeling die gerechtvaardigd worden op basis van objectieve, redelijke en met het nagestreefde doel evenredige criteria, geen schending van het beginsel van gelijke behandeling opleveren. In dit verband moet er eveneens aan worden herinnerd dat het dienstbelang één van de criteria is die een verschil in behandeling van ambtenaren kunnen rechtvaardigen (arrest Pleijte/Commissie, reeds aangehaald, punt 57).

80      Verordening nr. 1760/2006, waarvan de wettigheid in deze procedure niet ter discussie is gesteld, biedt echter de rechtsgrondslag om, bij wijze van uitzondering en in afwijking op de geldende statutaire regels, Roemeense onderdanen aan te werven door middel van aan hen voorbehouden vergelijkende onderzoeken. Ofschoon die verordening in tegenstelling tot verordening nr. 401/2004 niets zegt over de taalkeuze, staat echter vast dat Roemenië als officiële taal in de zin van verordening nr. 1 slechts het Roemeens heeft gekozen. Bovendien is het Roemeens volgens de Roemeense grondwet de enige officiële taal van dat land.

81      Het feit dat een examen van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 in het Roemeens moest worden afgelegd, moet derhalve legitiem worden geacht, aangezien dit wordt gerechtvaardigd door hogere eisen die nu juist voortvloeien uit de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie. De betrokken eisen zijn dus gebaseerd op objectieve en redelijke criteria en het verschil in behandeling bij de organisatie van een „vergelijkend onderzoek in verband met een uitbreiding”, dat beperkt is tot een overgangsperiode volgende op de toetreding van die staat, lijkt evenredig met het beoogde doel.

82      Uit het voorgaande volgt dat de administratieve diensten van de Unie, zoals EPSO, die op basis van een afwijkende verordening, zoals verordening nr. 1760/2006, vergelijkende onderzoeken moeten organiseren die voorbehouden zijn aan onderdanen van Roemenië als staat die zojuist tot de Unie is toegetreden, niet zonder schending van het beginsel van gelijke behandeling een andere dan de officiële taal van dat land kunnen gebruiken bij het verloop van bepaalde schriftelijke selectieproeven die nu juist de grondige kennis van die taal beogen vast te stellen. Dit zou anders zijn indien die lidstaat voor zijn deelname aan het werk van de instellingen van de Unie krachtens artikel 1 van verordening nr. 1 formeel een op zijn grondgebied gesproken minderheidstaal erkent die, zonder een officiële taal van die staat te zijn, toch een officiële taal van de Unie is.

83      Bovendien is de vereiste „grondige kennis van het Roemeens” als hoofdtaal van het betrokken vergelijkend onderzoek, dat is voorbehouden aan Roemeense onderdanen, noch willekeurig noch duidelijk in strijd met het dienstbelang.

84      Reeds geoordeeld is immers dat de administratie, wanneer de behoeften van de dienst of van het ambt dit vereisen, de taal of talen mag specificeren waarvan een grondige of een toereikende kennis is vereist (arrest Gerecht van eerste aanleg van 5 april 2005, Hendrickx/Raad, T‑376/03, punt 26; arrest Gerecht van 29 juni 2011, Angioi/Commissie, F‑7/07, punt 90, en aangehaalde rechtspraak).

85      Zoals de Commissie in de loop van de procedure heeft aangegeven, is kennis van het Roemeens echter nuttig en zelfs noodzakelijk omdat de aldus aangeworven administrateurs deelnemen aan verschillende taken „binnen de instellingen en, eventueel, contact zouden hebben met sociale en economische partners van de lidstaten [van de Unie]”. Deze preciseringen vormen een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de verplichting om in het kader van één van de eerste „vergelijkende onderzoeken in verband met een uitbreiding” die na de toetreding van Roemenië tot de Unie worden georganiseerd, een examen in het Roemeens af te leggen.

86      Uit het voorgaande volgt dat de administratie op grond van verordening nr. 1760/2006 gerechtigd was om een vergelijkend onderzoek te organiseren waartoe ten dele alleen Roemeense onderdanen werden toegelaten en om die kandidaten in het belang van de dienst de verplichting op te leggen van een grondige kennis van hun nationale taal, dat wil zeggen het Roemeens, de enige officiële taal van Roemenië in de zin van verordening nr. 1.

87      Er bestaat derhalve geen aanwijzing dat het vereiste van een grondige kennis van het Roemeens in het kader van het betrokken vergelijkend onderzoek kennelijk in strijd was met het belang van de dienst of aanleiding zou geven tot een willekeurige differentiatie.

88      De middelen ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie alsmede aan schending van artikel 1 quinquies, leden 1, 5 en 6, van het Statuut moeten derhalve worden afgewezen.

 Middelen ontleend aan schending van artikel 2 VEU, artikel 21 van het Handvest en de artikelen 3, 4, 5, 10 en 19 van het Kaderverdrag

89      Voor zover het verzoekschrift aldus kan worden begrepen dat de Commissie daarin wordt verweten dat zij artikel 2 VEU en artikel 21 van het Handvest heeft geschonden, door in het kader van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 een examen in het Roemeens verplicht te stellen, moet dit middel, nu elke discriminatie ontbreekt (zie de punten 75‑88 hierboven), ongegrond worden verklaard, zonder dat de ter terechtzitting opgeworpen vraag moet worden onderzocht of artikel 2 VEU rechtstreekse werking kan hebben en een subjectief recht voor verzoekster kan doen ontstaan.

90      Met betrekking tot de verwijzing naar de artikelen 3, 4, 5, 10 en 19 van het in het verzoekschrift genoemde Kaderverdrag, zij eraan herinnerd dat het verzoekschrift op grond van artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering een uiteenzetting van de aangevoerde middelen en argumenten feitelijk en rechtens moet bevatten. Om redenen van rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling, welke in punt 73 van dit arrest reeds zijn genoemd, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen feitelijk en rechtens waarop het is gebaseerd, coherent en duidelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken.

91      De loutere verwijzing in het verzoekschrift naar de artikelen 3, 4, 5, 10 en 19 van het Kaderverdrag kan, nu elke verklaring daarover ontbreekt, in het licht van het Reglement van de procesvoering dus niet toereikend worden geacht en moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

 Derde vordering

92      Verzoekster vraag het Gerecht in wezen om de Commissie te gelasten, een nieuw schriftelijk examen c) te organiseren.

93      Daar de rechter van de Unie niet bevoegd is om de instellingen bevelen te geven (arrest Gerecht van 5 juli 2011, V/Parlement, F‑46/09, punt 63, en aangehaalde rechtspraak), moet het op deze vordering gebaseerde verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

94      Gelet op het voorgaande, moet het beroep in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

 Kosten

95      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

96      Uit bovenstaande rechtsoverwegingen volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft de Commissie in haar conclusies uitdrukkelijk gevraagd om verzoekster te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, moet verzoekster haar eigen kosten dragen en wordt zij verwezen in de kosten van de Commissie.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      BA draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Kreppel

Perillo

Barents

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 december 2012.

De griffier

 

       De president van de Eerste kamer

W. Hakenberg

 

      H. Kreppel


* Procestaal: Frans.