Language of document : ECLI:EU:C:2013:173

BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 maart 2013 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak C‑240/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rechtbank te Rotterdam (Nederland) bij beslissing van 4 mei 2012, ingekomen bij het Hof op 18 mei 2012, in de strafzaak tegen

EBS Le Relais Nord-Pas-de-Calais,

geeft

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Berger, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits en J.‑J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: A. Calot Escobar,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip doorvoer in de zin van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1), en verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen EBS Le Relais Nord-Pas-de-Calais (hierna: „Le Relais”) over de overbrenging van gebruikte kleding van Frankrijk naar de Verenigde Arabische Emiraten via de haven van Rotterdam, zonder dat de bevoegde Nederlandse autoriteiten tevoren van deze overbrenging in kennis waren gesteld.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

3        Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Le Relais op of omstreeks 11 april 2007 gebruikte kleding heeft overgebracht van Frankrijk via Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten, zonder daarvan kennisgeving te hebben gedaan aan of toestemming te hebben verkregen van de bevoegde Nederlandse autoriteiten, zoals vereist door verordening nr. 259/93.

4        Voor de Rechtbank te Rotterdam heeft Le Relais zich op het standpunt gesteld dat er in het onderhavige geval geen sprake was van „doorvoer” in de zin van verordening nr. 259/93, aangezien de container met afvalstoffen de Rotterdamse haven in transito aandeed – er werd slechts aangemeerd – zonder dat de goederen werden ingeklaard door de douane, zodat geen kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten was vereist.

5        Ter ondersteuning van haar stelling verwijst Le Relais naar de uitlegging van het begrip doorvoer ten tijde van de feiten op de website van een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken, werkzaam in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Volgens Le Relais blijkt uit de interpretatie van dit agentschap dat het enkel aanmeren in een Nederlandse haven door de Nederlandse overheid niet als „doorvoer” in de zin van verordening nr. 259/93 wordt gezien.

6        In dit verband geeft de Rechtbank te Rotterdam in haar verwijzingsbeslissing aan dat zij de officier van justitie zal verzoeken een aanvullend proces-verbaal op te laten maken omdat uit het door de Nederlandse douane opgemaakte proces-verbaal niet zonder meer duidelijk wordt of de container in kwestie in de Rotterdamse haven het zeeschip heeft verlaten (en zo ja, of dit al dan niet in opdracht van de Nederlandse autoriteiten is geschied) en/of de zich in die container bevindende afvalstoffen zijn ingeklaard. Uit het dossier blijkt dat dit aanvullende proces-verbaal, met nummer 2007/0262‑00401/03, op 18 juni 2012 is opgemaakt.

7        Het Nederlandse Openbaar Ministerie meent daarentegen dat Le Relais gehouden was kennisgeving te doen aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten, omdat het Koninkrijk der Nederlanden beschouwd moest worden als een „staat van doorvoer” in de zin van de verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006.

8        Voor de verwijzende rechter hangt het oordeel in de bij hem aanhangige zaak derhalve af van de uitlegging van de verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006.

9        Daarop heeft de Rechtbank te Rotterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is in het geval van overbrenging per zeeschip van afvalstoffen van een EU-lidstaat (in casu Frankrijk) naar een staat waarop het [besluit van de OESO-Raad van 30 maart 1992 betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing] niet van toepassing is (in casu de Verenigde Arabische Emiraten) sprake van ‚doorvoer’ in de zin van [de verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006], indien onderweg de haven van een andere EU-lidstaat (in casu die van Rotterdam) wordt aangedaan?

2)      Maakt het voor het antwoord op vraag 1 verschil of:

–      er in die haven op- en/of overslag van die afvalstoffen plaatsvindt en/of

–      die afvalstoffen aan de wal worden gebracht en/of

–      die afvalstoffen ter invoer worden aangegeven bij de douane?”

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

10      Volgens vaste rechtspraak is de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechter de gegevens voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die laatstbedoelde nodig heeft om uitspraak te kunnen doen in de bij hem aanhangige zaak (zie onder meer arresten van 16 juli 1992, Meilicke, C‑83/91, Jurispr. blz. I‑4871, punt 22; 5 februari 2004, Schneider, C‑380/01, Jurispr. blz. I‑1389, punt 20, en 15 september 2011, Unió de Pagesos de Catalunya, C‑197/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16).

11      Dienaangaande heeft het Hof al herhaaldelijk opgemerkt dat het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk is dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie onder meer arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C‑320/90–C‑322/90, Jurispr. blz. I‑393, punt 6; beschikkingen van 7 april 1995, Grau Gomis e.a., C‑167/94, Jurispr. blz. I‑1023, punt 8; 28 juni 2000, Laguillaumie, C‑116/00, Jurispr. blz. I‑4979, punt 15, en 11 maart 2008, Consel Gi. Emme, C‑467/06, punt 15).

12      In het kader van deze samenwerking rust een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende het recht van de Unie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie onder meer arrest van 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 25, en arrest Unió de Pagesos de Catalunya, reeds aangehaald, punt 17).

13      In casu meende het Hof dat het niet beschikte over de feitelijke gegevens aan de hand waarvan het een zinvol antwoord kon geven op het verzoek om een prejudiciële beslissing van de verwijzende rechter.

14      Daarom heeft het de Rechtbank te Rotterdam bij schrijven van 14 december 2012 krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om uiterlijk op 18 januari 2013 de volgende vragen te beantwoorden:

„1)      Welk type behandeling (nuttige toepassing of verwijdering) moest het betrokken afval ondergaan op de eindbestemming?

2)      Heeft bij de uitvoer van het afval naar de Verenigde Arabische Emiraten een douanebehandeling in Frankrijk plaatsgevonden?

3)      Is het betrokken afval in de haven van Rotterdam:

–      opgeslagen en/of overgeslagen;

–      ontscheept;

–      aan douaneformaliteiten onderworpen?”

15      Op 21 december 2012 heeft de Rechtbank te Rotterdam het Hof ervan in kennis gesteld dat zij het verzoek om verduidelijking niet voor eind januari 2013 kon beantwoorden.

16      Dientengevolge heeft het Hof besloten de terechtzitting, die aanvankelijk op 6 februari 2013 was gesteld, ter wille van de samenwerking met deze rechter uit te stellen tot 14 maart 2013.

17      Op 14 januari 2013 heeft de Rechtbank te Rotterdam het Hof echter medegedeeld dat zij de vragen ter verduidelijking pas kon beantwoorden nadat partijen in het hoofdgeding waren gehoord.

18      Tot slot heeft deze rechter bij schrijven van 1 februari 2013, onder verwijzing naar een uitgebreid zittingsrooster waardoor het vonnis in deze zaak mogelijk aanmerkelijk later zou worden gewezen, het Hof uitgenodigd af te zien van zijn verzoek om verduidelijking en uitspraak te doen aan de hand van de gegevens waarover het reeds beschikte.

19      Daarnaast is het Hof, ondanks de informele briefwisseling met de Rechtbank te Rotterdam, niet in kennis gesteld van de datum waarop een antwoord op zijn verzoek om verduidelijking kan worden gegeven opdat het een datum zou kunnen vaststellen voor de terechtzitting in deze zaak.

20      Onder die omstandigheden herinnert het Hof eraan dat het zich in de huidige stand van het geding niet in staat acht deze zaak afdoende te onderzoeken en dat het de verwijzende rechter juist daarom krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering om verduidelijking had verzocht.

21      Derhalve ziet het Hof zich genoodzaakt, het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing in deze staat niet-ontvankelijk verklaren.

22      Niettemin behoudt de Rechtbank te Rotterdam de mogelijkheid een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen wanneer zij in staat is het Hof alle gegevens te verschaffen die het nodig heeft om uitspraak te kunnen doen.

23      Gelet op het bovenstaande moet het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Rechtbank te Rotterdam kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

 Kosten

24      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) beschikt:

Het door de Rechtbank te Rotterdam (Nederland) bij beslissing van 4 mei 2012 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is kennelijk niet-ontvankelijk.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.