Language of document : ECLI:EU:C:2013:228

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

11 april 2013 (*)

„Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikelen 1, lid 1, en 6, punt 1 – Begrip ‚burgerlijke en handelszaken’ – Onverschuldigde betaling door overheidslichaam – Terugvordering van betaling in gerechtelijke procedure – Bepaling forum connexitatis – Nauwe band tussen vorderingen – Verweerder met woonplaats in derde staat”

In zaak C‑645/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 18 november 2011, ingekomen bij het Hof op 16 december 2011, in de procedure

Land Berlin

tegen

Ellen Mirjam Sapir,

Michael J. Busse,

Mirjam M. Birgansky,

Gideon Rumney,

Benjamin Ben-Zadok,

Hedda Brown,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, E. Jarašiūnas, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur) en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door K. Petersen als gemachtigde,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en S. Nunes de Almeida als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en W. Bogensberger als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, lid 1, en 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Land Berlin en E. M. Sapir, M. J. Busse, M. M. Birgansky, G. Rumney, B. Ben-Zadok, H. Brown en vijf andere personen, over de terugbetaling van een abusievelijk te veel betaald bedrag na een bestuurlijke procedure tot herstel van de schade die is veroorzaakt door het verlies van een stuk grond tijdens de vervolgingen onder het naziregime.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 44/2001

3        De punten 7 tot en met 9 en 11 van de considerans van verordening nr. 44/2001 zijn aldus verwoord:

„(7)      Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden.

(8)      De zaken waarin deze verordening wordt toegepast moeten een aanknopingspunt hebben met het grondgebied van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is. De gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid moeten derhalve in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft.

(9)      Ten aanzien van verweerders die geen woonplaats in een lidstaat hebben, gelden als regel de nationale bevoegdheidsregels die worden toegepast op het grondgebied van de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak is aangebracht, en voor verweerders met woonplaats in een lidstaat waarvoor deze verordening niet verbindend is, blijft het [Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: ,Executieverdrag’)] gelden.

[...]

(11)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.”

4        Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 definieert het materiële toepassingsgebied van deze verordening als volgt:

„Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.”

5        De algemene bevoegdheidsregels voor vorderingen ingesteld tegen hen die woonplaats hebben op het grondgebied van de Europese Unie zijn neergelegd in de artikelen 2 en 3 van deze verordening, die zijn opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk II ervan, getiteld „Algemene bepalingen”.

6        Artikel 2, lid 1, van deze verordening luidt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

7        Artikel 3, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

8        Met betrekking tot vorderingen die zijn ingesteld tegen hen die woonplaats hebben op het grondgebied van een derde staat, bepaalt artikel 4, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat eveneens is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk II van deze verordening:

„Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd de artikelen 22 en 23.”

9        De artikelen 5 en 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, die zijn opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk II ervan, getiteld „Bijzondere bevoegdheid”, luiden als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]”

„Deze persoon kan ook worden opgeroepen:

1.      indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

 Duits recht

10      In het hoofdgeding zijn de bepalingen van het Gesetz zur Regelung offener Vermögensfragen (wet inzake onopgeloste vermogenskwesties; hierna: „Vermögensgesetz”) en het Gesetz über den Vorrang für Investitionen bei Rückübertragungsansprüchen nach dem Vermögensgesetz (wet inzake de prioriteit van investeringen bij restitutieaanspraken op grond van het Vermögensgesetz; hierna: „Investitionsvorranggesetz”) van toepassing.

11      De werkingssfeer van het Vermögensgesetz wordt in § 1, leden 1 en 6, ervan als volgt omschreven:

„Deze wet bevat een regeling voor vermogensrechtelijke aanspraken op vermogensbestanddelen die [...] zonder enige schadeloosstelling zijn onteigend en genationaliseerd [...].

[...]

Deze wet dient mutatis mutandis te worden toegepast op vermogensrechtelijke aanspraken van burgers en organisaties die in de periode van 30 januari 1933 tot 8 mei 1945 op racistische, politieke, religieuze of levensbeschouwelijke gronden werden vervolgd en daarom hun vermogen door gedwongen verkoop, onteigening dan wel anderszins zijn kwijtgeraakt. [...]”

12      § 3, lid 1, van het Vermögensgesetz bepaalt met betrekking tot de restitutie van vermogensbestanddelen:

„Vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan de in § 1 bedoelde maatregelen zijn toegepast en die zijn genationaliseerd dan wel aan derden zijn verkocht, moeten desgevraagd aan de rechthebbenden worden teruggeven, voor zover dit niet [...] is uitgesloten. [...]”

13      Om te voorkomen dat deze rechten niet meer met vrucht geldend kunnen worden gemaakt doordat het betrokken vermogensbestanddeel te goeder trouw en vrij van lasten is verkregen, is bij § 3, lid 3, van het Vermögensgesetz een verbod neergelegd om stukken grond te vervreemden waarvoor een verzoek tot restitutie krachtens deze wet is ingediend.

14      Het Investitionsvorranggesetz behelst een uitzondering op deze beginselen opdat de nodige investeringen in de nieuwe deelstaten niet onmogelijk worden gemaakt door het verbod, stukken grond waarvoor een verzoek tot restitutie krachtens het Vermögensgesetz is ingediend, aan een investeerder te verkopen.

15      § 1 van het Investitionsvorranggesetz bepaalt aldus:

„Stukken grond [...] die het voorwerp van restitutieaanspraken op grond van het Vermögensgesetz zijn of kunnen zijn, mogen overeenkomstig onderstaande bepalingen geheel dan wel ten dele voor investeringsdoeleinden worden gebruikt. De rechthebbende wordt dan overeenkomstig deze wet gecompenseerd.”

16      Volgens § 16, lid 1, van het Investitionsvorranggesetz kan elke rechthebbende, „[i]ndien [...] restitutie van het vermogensbestanddeel niet mogelijk is, [...] nadat is vastgesteld of aangetoond dat zijn aanspraak gegrond is [...], betaling vorderen van een geldbedrag ter hoogte van de volledige verkoopopbrengst van het betrokken vermogensbestanddeel. Over deze aanspraak moet [...] worden beslist bij beschikking van het Amt of het Landesamt zur Regelung offener Vermögensfragen. Indien geen opbrengst is verkregen [...] [of] indien deze lager is dan de marktwaarde van het vermogensbestanddeel op het moment waarop genoemde beschikking uitvoerbaar wordt, [...] kan de rechthebbende binnen een termijn van een jaar [...] bij de rechter een vordering tot betaling van de marktwaarde instellen”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Julius Busse was eigenaar van een stuk grond in het gebied dat voorheen tot Oost-Berlijn behoorde. Ten tijde van het Derde Rijk werd hij door het naziregime vervolgd en in 1938 moest hij zijn perceel aan een derde verkopen. Het stuk grond werd later door de Duitse Democratische Republiek onteigend en in het kader van een herverkaveling samengevoegd met andere aan die Staat toebehorende percelen. Het aldus gevormde perceel werd na de Duitse hereniging gedeeld eigendom van het Land Berlin en de Bondsrepubliek Duitsland.

18      Op 5 september 1990 hebben de eerste tot en met de tiende verweerder in het hoofdgeding (van wie Sapir, Birgansky, Rumney en Ben-Zadok woonachtig zijn in Israël, Busse in het Verenigd Koninkrijk woont en Brown in Spanje), als rechtsopvolgers van de oorspronkelijke eigenaar, krachtens het Vermögensgesetz verzocht om restitutie van het vroeger aan hem behorende deel van dat perceel.

19      In 1997 hebben het Land Berlin en de Bondsrepubliek Duitsland gebruikgemaakt van de bepalingen van § 1 van het Investitionsvorranggesetz en het door de genoemde herverkaveling gevormde perceel in zijn geheel aan een investeerder verkocht.

20      Na de verkoop heeft de bevoegde instantie vastgesteld dat de eerste tot en met de tiende verweerder in het hoofdgeding naar nationaal recht het stuk grond niet konden revindiceren, maar recht hadden op het deel van de verkoopopbrengst dat correspondeerde met het aandeel van dat stuk grond in het verkochte perceel, of op de marktwaarde van het stuk grond. Die instantie heeft het Land Berlin, verzoeker in het hoofdgeding, opgedragen om aan de eerste tot en met de tiende verweerder in het hoofdgeding dat deel van de verkoopopbrengst uit te keren dat correspondeerde met het aandeel van het aan Busse toebehorende stuk grond in het perceel.

21      Bij die uitbetaling heeft het Land Berlin, dat tevens optrad voor de Bondsrepubliek Duitsland, een fout gemaakt. Het heeft namelijk abusievelijk het volledige verkoopbedrag overgemaakt aan de met de vertegenwoordiging van de eerste tot en met de tiende verweerder in het hoofdgeding belaste advocaat, die het bedrag vervolgens onder zijn cliënten heeft verdeeld.

22      In het hoofdgeding vordert het Land Berlin van verweerders terugbetaling van het te veel betaalde bedrag, dat volgens zijn berekeningen ongeveer 2,5 miljoen EUR bedraagt. Het heeft de eerste tot en met de tiende verweerder, in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van Julius Busse, voor het Landgericht Berlin gedaagd op grond van ongerechtvaardigde verrijking, alsook de elfde verweerder in het hoofdgeding, de advocaat belast met hun vertegenwoordiging, die wordt verweten onrechtmatig te hebben gehandeld.

23      De verweerders in het hoofdgeding hebben aangevoerd dat het Landgericht Berlin geen internationale bevoegdheid had om uitspraak te doen jegens de verweerders in het hoofdgeding met woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Israël, namelijk Sapir, Busse, Birgansky, Rumney, Ben-Zadok en Brown.

24      Zij stellen bovendien dat zij betaling van een hoger bedrag dan het betrokken deel van de verkoopopbrengst kunnen vorderen, aangezien die opbrengst onder de marktwaarde ligt van het perceel dat aan Busse toebehoorde. Derhalve menen zij dat het beroep iedere grond mist.

25      Het Landgericht Berlin heeft de eis van het Land Berlin bij deelvonnis niet-ontvankelijk verklaard jegens de verweerders in het hoofdgeding met woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Israël. Het door het Land Berlin ingestelde hoger beroep is eveneens verworpen.

26      De appelrechter was namelijk van oordeel dat de Duitse rechter niet internationaal bevoegd is voor de vordering jegens Sapir, Busse, Birgansky, Rumney, Ben-Zadok en Brown. Volgens deze rechter gaat het hier niet om een burgerlijke zaak in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001, maar om een publiekrechtelijke zaak, waarvoor deze verordening niet geldt.

27      Met zijn beroep in „Revision” wil verzoeker in het hoofdgeding bereiken dat het Landgericht Berlin zich ook ten aanzien van die verweerders in het hoofdgeding ten gronde over de zaak uitspreekt.

28      Daarop heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)       Is de terugvordering van een onverschuldigde betaling ook een burgerlijke zaak in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001, indien een Duitse deelstaat door een overheidsinstantie is gelast om bij wijze van schadeloosstelling een deel van de verkoopopbrengst van een stuk grond aan de benadeelde uit te keren, maar in plaats daarvan abusievelijk het volledige verkoopbedrag aan hem overmaakt?

2)      Bestaat de volgens artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 vereiste nauwe band tussen meerdere vorderingen ook als de verweerders ruimere vergoedingsaanspraken doen gelden, ten aanzien waarvan slechts op uniforme wijze kan worden beslist?

3)      Geldt artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 ook ten aanzien van verweerders die geen woonplaats in de Europese Unie hebben? Zo ja, is dit ook het geval indien in de woonstaat van de verweerder op grond van bilaterale overeenkomsten met de staat waar de beslissing is gegeven, de erkenning van die beslissing wegens onbevoegdheid zou kunnen worden geweigerd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

29      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag door een overheidslichaam dat door een instantie opgericht bij een wet tot herstel van de vervolgingen van een totalitair regime is gelast om bij wijze van schadeloosstelling een deel van de verkoopopbrengst van een stuk grond aan een benadeelde uit te keren, maar in plaats daarvan abusievelijk het volledige verkoopbedrag aan hem overmaakt en vervolgens in een gerechtelijke procedure het onverschuldigd betaalde bedrag terugvordert, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” valt.

30      Het Bundesgerichtshof vermeldt in zijn verwijzingsbeslissing dat op verschillende punten twijfels rijzen. Enerzijds gaat het volgens deze rechter om terugbetaling van een geldbedrag dat het Land Berlin abusievelijk aan verweerders in het hoofdgeding heeft overgemaakt. Deze terugbetaling richt zich naar de bepaling betreffende de teruggave bij ongerechtvaardigde verrijking, die in het Duitse recht is geregeld in § 812, lid 1, Bürgerliches Gesetzbuch (hierna: „BGB”) en iedere ontvanger van een onverschuldigde betaling verplicht tot teruggave ervan. Anderzijds was de aanleiding voor de betaling geen privaatrechtelijke rechtshandeling van het Land Berlin, maar een administratieve procedure.

31      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat, voor zover verordening nr. 44/2001 voortaan in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats is getreden van het Executieverdrag, de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot dit verdrag ook geldt voor de verordening, wanneer de bepalingen van deze laatste en die van het Executieverdrag als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie onder meer arrest van 18 oktober 2011, Realchemie Nederland, C‑406/09, Jurispr. blz. I-9773, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001, net als dat van het Executieverdrag, beperkt is tot „burgerlijke en handelszaken”. Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat dit toepassingsgebied in wezen wordt afgebakend aan de hand van factoren die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen de procespartijen bestaande rechtsbetrekkingen of van het voorwerp van het geschil (zie onder meer arrest van 15 februari 2007, Lechouritou e.a., C‑292/05, Jurispr. blz. I‑1519, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Zo heeft het Hof geoordeeld dat bepaalde geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier weliswaar onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 kunnen vallen, doch dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt (zie in die zin onder meer arresten van 28 april 2009, Apostolides, C‑420/07, Jurispr. blz. I‑3571, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 juli 2012, Mahamdia, C‑154/11, punt 56).

34      Om vast te stellen of zulks in een geschil als het hoofdgeding het geval is, is het dus noodzakelijk de grondslag en de wijze van instellen van de vordering te onderzoeken (zie in die zin arresten van 14 november 2002, Baten, C‑271/00, Jurispr. blz. I‑10489, punt 31, en 15 mei 2003, Préservatrice foncière TIARD, C‑266/01, Jurispr. blz. I‑4867, punt 23).

35      Zoals de verwijzende rechter benadrukt, is het recht op schadeloosstelling dat aan de vordering in het hoofdgeding ten grondslag ligt, gegrond op nationale bepalingen, in dit geval het Vermögensgesetz en het Investitionsvorranggesetz betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van het naziregime, die voor iedere eigenaar van een met restitutieaanspraken belast stuk grond gelijk zijn. Zij leggen namelijk dezelfde verplichting tot schadeloosstelling op, ongeacht of deze eigenaar een particulier dan wel een overheidslichaam is.

36      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt eveneens dat de administratieve procedure tot schadeloosstelling van de benadeelden voor elke eigenaar, ongeacht diens hoedanigheid, gelijk is. Bovendien geniet een eigenaar, ongeacht of hij een particulier of een overheidslichaam is, in het kader van deze procedure geen bijzondere beslissingsvoorrechten bij de vaststelling van het recht op restitutie van de benadeelde.

37      Overigens moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de terugvordering van een bedrag dat het Land Berlin abusievelijk te veel heeft betaald bij de tenuitvoerlegging van de rechten op betaling van benadeelden. Enerzijds maakt de terugbetaling van dat teveel geen deel uit van de administratieve procedure die in het Vermögensgesetz en het Investitionsvorranggesetz is neergelegd. Anderzijds moet de eigenaar, ongeacht of het gaat om een overheidslichaam of een particulier, met het oog op de terugvordering van het te veel betaalde, de benadeelden oproepen voor de civiele rechter. Voorts heeft deze terugbetaling de bepalingen van § 812, lid 1, BGB over de teruggave bij ongerechtvaardigde verrijking als rechtsgrondslag.

38      Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag door een overheidslichaam dat door een instantie opgericht bij een wet tot herstel van de vervolgingen van een totalitair regime is gelast om bij wijze van schadeloosstelling een deel van de verkoopopbrengst van een stuk grond aan een benadeelde uit te keren, maar in plaats daarvan abusievelijk het volledige verkoopbedrag aan hem overmaakt en vervolgens in een gerechtelijke procedure het onverschuldigd betaalde bedrag terugvordert, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” valt.

 Tweede vraag

39      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat er een nauwe band in de zin van die bepaling bestaat tussen vorderingen jegens meerdere verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van andere lidstaten indien deze verweerders, in omstandigheden als in het hoofdgeding, ruimere vergoedingsaanspraken doen gelden, waarover op uniforme wijze moet worden beslist.

40      Volgens de bevoegdheidsregel van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 kan een verweerder, indien er meer dan één verweerder is, worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie arrest van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, Jurispr. blz. I-12533, punt 73).

41      Deze bijzondere regel, waarmee wordt afgeweken van de in artikel 2 van de verordening neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder, moet eng worden uitgelegd. Die uitlegging mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (zie arrest Painer, reeds aangehaald, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Voor de toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, moet worden nagegaan of er tussen de verschillende vorderingen die door dezelfde verzoeker tegen meerdere verweerders zijn ingesteld, zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie arrest van 11 oktober 2007, Freeport, C‑98/06, Jurispr. blz. I‑8319, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      Aangaande die samenhang heeft het Hof geoordeeld dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Voor tegenstrijdigheid is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (zie arresten Freeport, reeds aangehaald, punt 40, en Painer, reeds aangehaald, punt 79).

44      Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat uit de bewoordingen van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 niet blijkt dat voor de toepassing van deze bepaling mede de voorwaarde geldt dat de tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van rechtsgrondslag is slechts één van de relevante factoren (zie arrest Painer, reeds aangehaald, punten 76 en 80).

45      In casu ligt zowel aan de in het hoofdgeding ingestelde vorderingen, die gebaseerd zijn op ongerechtvaardigde verrijking en, wat de elfde verweerder betreft, op onrechtmatige daad, als aan de ruimere vergoedingsaanspraken die de eerste tot en met de tiende verweerder daartegen aanvoeren, dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, ten grondslag, namelijk het recht op schadeloosstelling van de eerste tot en met de tiende verweerder in het hoofdgeding krachtens het Vermögensgesetz en het Investitionsvorranggesetz, en het litigieuze bedrag dat het Land Berlin abusievelijk aan deze verweerders heeft overgemaakt.

46      Zoals de Duitse regering heeft benadrukt, komen bovendien als rechtsgrond voor het bedrag dat verweerders in het hoofdgeding te veel hebben ontvangen, uitsluitend het Vermögensgesetz en het Investitionsvorranggesetz in aanmerking, hetgeen voor alle verweerders een beoordeling naar dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, vergt. Bovendien gaat de beoordeling van de rechtsgrondslag van het verweer inzake de ruimere vergoedingsaanspraken vooraf aan de behandeling van de vorderingen in het hoofdgeding; de gegrondheid van die vorderingen is namelijk afhankelijk van de vraag of verweerders al dan niet recht hebben op een deze ruimere schadeloosstelling.

47      Dat verzoeker zich jegens de elfde verweerder in het hoofdgeding op een andere rechtsgrondslag beroept dan in de vordering jegens de eerste tot en met de tiende verweerder, doet aan deze eenheid niet af. Zoals de advocaat-generaal in punt 99 van haar conclusie heeft onderstreept, wordt met de in het hoofdgeding ingestelde vorderingen uiteindelijk hetzelfde beoogd, namelijk terugbetaling van het bedrag dat abusievelijk onverschuldigd is betaald.

48      Gelet op het bovenstaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een nauwe band in de zin van deze bepaling bestaat tussen de vorderingen jegens meerdere verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van andere lidstaten ingeval deze verweerders, in omstandigheden als in het hoofdgeding, ruimere vergoedingsaanspraken doen gelden, waarover op uniforme wijze moet worden beslist.

 Derde vraag

49      Met het eerste onderdeel van zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het ook geldt ten aanzien van verweerders die geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat hebben wanneer deze zijn gedagvaard in een zaak tegen meerdere verweerders onder wie ook personen met woonplaats in de Unie.

50      Om te beginnen moet worden benadrukt dat deze derde vraag betrekking heeft op Sapir, Birgansky, Rumney en Ben-Zadok, die woonplaats hebben in Israël.

51      Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet derhalve worden vastgesteld of voor de toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 voorwaarde is dat de medeverweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat.

52      Daartoe moet ten eerste worden geconstateerd dat uit de aanhef van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 volgt dat dit artikel voor de vraag op welke personen het van toepassing is, moet worden gelezen in samenhang met artikel 5 van deze verordening. Daarin wordt uitdrukkelijk verwezen naar verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van de Unie.

53      Ten tweede is artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 volgens vaste rechtspraak een bijzondere regel die strikt moet worden uitgelegd, in die zin dat de uitlegging niet verder mag gaan dan de door de verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen (zie in die zin arrest Freeport, reeds aangehaald, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Ten derde dient erop te worden gewezen dat artikel 4, lid 1, van verordening nr. 44/2001 een uitdrukkelijke bepaling bevat die het vraagstuk van personen die geen woonplaats hebben op het grondgebied van de Unie, uitputtend regelt. Overeenkomstig punt 9 van de considerans van die verordening wordt de bevoegdheid ten aanzien van deze verweerders in elke lidstaat door de nationale wetgeving geregeld, onverminderd de artikelen 22 en 23 van de verordening. In casu staat echter vast dat geen van deze bepalingen, die respectievelijk betrekking hebben op de exclusieve bevoegdheid in enkele uitputtend opgesomde situaties en op een door partijen aangewezen bevoegd gerecht, op het hoofdgeding van toepassing is.

55      Daaruit volgt dat een medeverweerder zijn woonplaats op het grondgebied van een lidstaat moet hebben om hem krachtens artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 te kunnen oproepen voor een gerecht van een andere lidstaat.

56      In die omstandigheden moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het geen toepassing vindt ten aanzien van verweerders die geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat wanneer deze zijn gedagvaard in een zaak tegen meerdere verweerders onder wie ook personen met woonplaats in de Unie.

57      Gelet op het ontkennende antwoord op het eerste onderdeel van de derde vraag hoeft het tweede onderdeel van deze vraag niet te worden beantwoord. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing komt immers naar voren dat deze deelvraag enkel is gesteld voor het geval de vraag of artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 van toepassing is op verweerders die hun woonplaats niet op het grondgebied van de Unie hebben, bevestigend wordt beantwoord.

 Kosten

58      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat de terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag door een overheidslichaam dat door een instantie opgericht bij een wet tot herstel van de vervolgingen van een totalitair regime is gelast om bij wijze van schadeloosstelling een deel van de verkoopopbrengst van een stuk grond aan een benadeelde uit te keren, maar in plaats daarvan abusievelijk het volledige verkoopbedrag aan hem overmaakt en vervolgens in een gerechtelijke procedure het onverschuldigd betaalde bedrag terugvordert, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” valt.

2)      Artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat een nauwe band in de zin van deze bepaling bestaat tussen de vorderingen jegens meerdere verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van andere lidstaten ingeval deze verweerders, in omstandigheden als in het hoofdgeding, ruimere vergoedingsaanspraken doen gelden, waarover op uniforme wijze moet worden beslist.

3)      Artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het geen toepassing vindt ten aanzien van verweerders die geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat wanneer deze zijn gedagvaard in een zaak tegen meerdere verweerders onder wie ook personen met woonplaats in de Europese Unie.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.