Language of document : ECLI:EU:C:2013:305

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

16 mei 2013 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Grensoverschrijdende deelneming van meerdere personen aan eenzelfde onrechtmatige daad – Mogelijkheid om territoriale bevoegdheid te baseren op plaats waar andere veroorzaker van schade dan verweerder heeft gehandeld (,wechselseitige Handlungsortzurechnung’)”

In zaak C‑228/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) bij beslissing van 29 april 2011, ingekomen bij het Hof op 16 mei 2011, in de procedure

Melzer

tegen

MF Global UK Ltd,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, J.‑J. Kasel, M. Safjan (rapporteur) en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juli 2012,

gelet op de opmerkingen van:

–        Melzer, vertegenwoordigd door S. Volaric-Huppert, F. Marzillier, G. Guntner en W. A. Meier, Rechtsanwälte,

–        MF Global UK Ltd, vertegenwoordigd door C. Gierets, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, K. Petersen en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes als gemachtigde,

–        de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en W. Bogensberger als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 november 2012,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Melzer en MF Global UK Ltd (hierna: „MF Global”) over een schadevordering in het kader van de uitvoering van beurstermijntransacties.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

3        Volgens punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 heeft deze tot doel om in het belang van de goede werking van de interne markt „[b]epalingen [vast te stellen] die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is”.

4        De punten 11, 12 en 15 van de considerans van deze verordening luiden als volgt:

„(11) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(12)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

[...]

(15)      Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven [...]”.

5        De bevoegdheidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk II van de verordening.

6        Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat deel uitmaakt van afdeling 1 van hoofdstuk II ervan, getiteld „Algemene bepalingen”, luidt als volgt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

7        Artikel 3, lid 1, van deze verordening, dat deel uitmaakt van dezelfde afdeling, luidt als volgt:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

8        Artikel 5, punten 1 en 3, van verordening nr. 44/2001, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk II ervan, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, bepaalt het volgende:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a is van toepassing indien punt b niet van toepassing is;

[...]

3.      ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”.

9        Artikel 6, punt 1, van deze verordening, dat deel uitmaakt van dezelfde afdeling, luidt als volgt:

„Deze persoon kan ook worden opgeroepen:

1.      indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

 Duits recht

10      § 830 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek), met als opschrift „Mededaders en deelnemers”, luidt als volgt:

„(1)      Wanneer meerdere personen door een gezamenlijk gepleegde onrechtmatige daad schade hebben veroorzaakt, is ieder van hen voor die schade aansprakelijk. Hetzelfde geldt indien niet kan worden bepaald wie van meerdere deelnemers de schade door zijn handelen heeft veroorzaakt.

(2)      Aanzetters en medeplichtigen worden met mededaders gelijkgesteld.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Melzer, die in Berlijn (Duitsland) woont, telefonisch als klant is geworven en begeleid door de in Düsseldorf (Duitsland) gevestigde Weise Wertpapier Handelsunternehmen (hierna: „WWH”). Deze vennootschap heeft voor Melzer een rekening geopend bij MF Global, een te Londen (Verenigd Koninkrijk) gevestigde beursmakelaar. Op deze rekening heeft MF Global voor Melzer tegen betaling beurstermijntransacties uitgevoerd.

12      In 2002 en 2003 heeft Melzer op een bepaalde rekening in totaal 172 000 EUR gestort. MF Global heeft hem op 9 juli 2003 924,88 EUR teruggestort. Melzer vordert schadevergoeding voor het verschil van 171 075,12 EUR.

13      MF Global heeft Melzer een commissie van 120 USD in rekening gebracht. Zij heeft 25 USD ingehouden en het verschil van 95 USD aan WWH afgedragen.

14      Melzer is van mening dat hij noch door WWH, noch door MF Global voldoende over de risico’s van beurstermijntransacties is geïnformeerd. Hij heeft evenmin objectieve informatie ontvangen over de tussen MF Global en WWH gesloten „kickback‑overeenkomst” en over het daaruit voortvloeiende belangenconflict. Volgens Melzer is MF Global hem schadevergoeding verschuldigd wegens medeplichtigheid aan de opzettelijke wederrechtelijke schadetoebrenging door WWH.

15      Het Landgericht Düsseldorf is van oordeel dat de Duitse gerechten op grond van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 internationaal bevoegd zijn omdat de schade in Duitsland is ingetreden. De financiële schade waarvan Melzer vergoeding eist is in Duitsland ingetreden aangezien Melzer vanuit deze lidstaat stortingen op zijn rekening te London heeft verricht en de schade op zijn door een bankinstelling beheerde rekening is ontstaan.

16      De verwijzende rechter vraagt zich echter of hij krachtens artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 zelf bevoegd is. Aangezien de schade te Berlijn en niet te Düsseldorf is ingetreden, is de plaats van het schadebrengende feit bepalend. Nu MF Global echter enkel te Londen optreedt, kan de bevoegdheid enkel op de activiteiten van WWH te Düsseldorf worden gebaseerd.

17      Volgens de verwijzende rechter kan in de Duitse civiele procedure de bevoegdheid ook worden gebaseerd op de plaats waar mededaders of medeplichtigen schade hebben veroorzaakt en is dit gelet op hetgeen Melzer heeft aangevoerd in casu mogelijk.

18      In die omstandigheden heeft het Landgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Kan voor de bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad op basis van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001 bij grensoverschrijdende deelneming van meerdere personen aan een onrechtmatig handelen de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan worden bepaald naargelang de plaats waar een deelnemer een schadeveroorzakend feit heeft gepleegd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

19      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat op grond van deze bepaling uit de plaats van de handeling die een van de veronderstelde veroorzakers van schade – die geen partij is bij het geding – ten laste wordt gelegd, rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van een andere veronderstelde veroorzaker van deze schade – die niet heeft gehandeld in het rechtsgebied van het aangezochte gerecht – kan worden afgeleid.

20      In zijn verwijzingsbeslissing zet de verwijzende rechter uiteen dat het Duitse recht in een dergelijke mogelijkheid voorziet doordat de rechterlijke bevoegdheid kan worden gebaseerd op de plaats waar een der deelnemers aan de onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt. Hij vraagt zich bijgevolg af of deze regel naar analogie kan worden toegepast op het bij hem aanhangige geval.

21      Om te beginnen geeft de verwijzende rechter aan dat de vordering in het hoofdgeding, ook al is de verhouding tussen Melzer en MF Global van contractuele aard, enkel op het recht aangaande verbintenissen uit onrechtmatige daad is gebaseerd. Bijgevolg strekt de onderhavige prejudiciële vraag zich enkel uit tot de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.

22      Voorts moet in herinnering worden gebracht dat de bepalingen van verordening nr. 44/2001 autonoom moeten worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van deze verordening (zie onder meer arresten van 16 juli 2009, Zuid-Chemie, C‑189/08, Jurispr. blz. I‑6917, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, Jurispr. blz. I-10269, punt 38).

23      Na deze preciseringen moet worden benadrukt dat hoofdstuk II, afdeling 2, van verordening nr. 44/2001 slechts als afwijking van het fundamentele beginsel van artikel 2, lid 1, van deze verordening, dat de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft bevoegd verklaart, een aantal bijzondere bevoegdheden regelt, waaronder die van artikel 5, punt 3, van deze verordening.

24      Aangezien de bevoegdheid van de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen een bijzondere bevoegdheidsregel vormt, moet er een strikte uitlegging aan worden gegeven, die niet verder gaat dan de door verordening nr. 44/2001 uitdrukkelijk voorziene gevallen (zie naar analogie reeds aangehaald arrest Zuid-Chemie, punt 22).

25      Dit neemt niet weg dat de zinsnede „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arrest van 19 april 2012, Wintersteiger, C‑523/10, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      In dit verband is het vaste rechtspraak dat de bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (zie reeds aangehaalde arresten Zuid-Chemie, punt 24, en eDate Advertising e.a., punt 40).

27      Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen immers normaliter het best in staat om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker (zie in die zin arrest van 1 oktober 2002, Henkel, C‑167/00, Jurispr. blz. I‑8111, punt 46, en arrest Zuid-Chemie, punt 24).

28      Aangezien uit de vaststelling van een van de aanknopingspunten die volgens de in punt 25 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak worden erkend, dus de bevoegdheid moet kunnen worden afgeleid van het gerecht dat objectief gezien het best in staat is om te beoordelen of de verweerder aansprakelijk kan worden gesteld, moet het relevante aanknopingspunt zich in het rechtsgebied van het aangezochte gerecht bevinden (zie in die zin arrest van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec, C‑133/11, punt 52).

29      In dit verband moet worden vastgesteld dat de gestelde vraag niet de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden betreft, maar, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de uitlegging van de zinsnede „plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan”, in een situatie waarin de vordering tegen de rechtspersoon die voor de verwijzende rechter is opgeroepen, niet wordt ingediend wegens een feit dat deze persoon in het rechtsgebied van die rechter heeft gepleegd, maar wegens een feit dat beweerdelijk door een andere persoon is gepleegd.

30      In omstandigheden zoals beschreven in de verwijzingsbeslissing, waarin slechts een van meerdere veronderstelde veroorzakers van gestelde schade is opgeroepen voor een gerecht in het rechtsgebied waarvan hij niet heeft gehandeld, ontbreekt in beginsel echter de op het handelen van de verweerder gebaseerde aanknoping.

31      In die omstandigheden zou het aangezochte gerecht, om zich krachtens artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 bevoegd te kunnen verklaren, moeten aantonen waarom het schadeveroorzakende feit niettemin moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in zijn rechtsgebied. Daartoe zou echter reeds in het stadium van het onderzoek van de bevoegdheid een soortgelijke beoordeling moet worden verricht als de beoordeling die voor het onderzoek van de gegrondheid van de vordering noodzakelijk is.

32      In het bijzonder zou immers de vraag rijzen onder welke voorwaarden in geval van meerdere veroorzakers de handelingen van een van hen kunnen worden toegerekend aan de andere om deze laatste te kunnen oproepen voor het gerecht van het rechtsgebied waarin deze handelingen zijn verricht. Aangezien de nationale rechtsordes en de rechtsorde van de Europese Unie echter geen begrip gemeen hebben op grond waarvan een dergelijke toerekening mogelijk is, zou het aangezochte gerecht zich waarschijnlijk door zijn nationale recht laten leiden.

33      Dat wordt bevestigd door de omstandigheid dat de door de verwijzende rechter in dit verband beoogde aanknoping aan de plaats waar door andere personen schade is veroorzaakt is terug te voeren op een Duits rechtsvoorschrift betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, namelijk § 830 Bürgerliches Gesetzbuch.

34      Door het gebruik van nationale rechtsbegrippen in het kader van verordening nr. 44/2001 zouden echter de oplossingen in de lidstaten uiteen gaan lopen, waardoor de harmonisatie van de regels voor de rechterlijke bevoegdheid die blijkens punt 2 van de considerans met de verordening is beoogd, in het gedrang zou kunnen komen (zie naar analogie arrest van 7 februari 2013, Refcomp, C‑543/10, punt 39).

35      Voorts druist een oplossing waarbij de vaststelling van het aanknopingspunt onderworpen is aan beoordelingscriteria uit het nationale materiële recht in tegen de doelstelling van rechtszekerheid, aangezien het voor de bevoegdverklaring op grond van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 van het toepasselijke recht zal afhangen of het handelen van een persoon in een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht al dan niet als schadeveroorzakend feit kan worden gekwalificeerd. Bij deze oplossing zou de verweerder niet redelijkerwijs kunnen voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.

36      Bovendien zou deze oplossing, aangezien zij ertoe zou leiden dat, op grond van het schadeveroorzakende feit, de veronderstelde schadeveroorzaker kan worden opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat in het rechtsgebied waarvan hij niet heeft gehandeld, verder gaan dan de door deze verordening uitdrukkelijk beoogde gevallen en zou zij dus indruisen tegen het stelsel en de doelstellingen ervan.

37      Bovendien doet de omstandigheid dat het gerecht in het rechtsgebied waarvan de veronderstelde veroorzaker niet zelf heeft gehandeld, zich niet bevoegd kan verklaren op basis van de plaats van het schadeveroorzakende feit, geen afbreuk aan de toepasselijkheid van zowel de algemene als de bijzondere bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001, inzonderheid die van artikel 5, punt 1, van deze verordening.

38      Voor het overige kan de pleger van een schadeveroorzakend feit overeenkomstig artikel 5, punt 3, van deze verordening altijd worden opgeroepen voor het gerecht in het rechtsgebied waarvan hij heeft gehandeld of in voorkomend geval overeenkomstig de algemene regel voor het gerecht van zijn woonplaats.

39      Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan het aangezochte gerecht zijn bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen betreffende personen die niet in zijn rechtsgebied hebben gehandeld, bovendien nog baseren op artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, voor zover aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan en er dus onder meer een band bestaat tussen de vorderingen.

40      Uit een en ander volgt dat in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, waarin slechts één van meerdere veronderstelde veroorzakers van beweerde schade is opgeroepen voor een gerecht in het rechtsgebied waarvan hij niet heeft gehandeld, de autonome uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, gelet op de doelstellingen en het stelsel van deze verordening, eraan in de weg staat dat het schadeveroorzakende feit wordt geacht zich te hebben voorgedaan in het rechtsgebied van dat gerecht.

41      Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat op grond van deze bepaling uit de plaats van de handeling die een van de veronderstelde veroorzakers van schade – die geen partij is bij het geding – ten laste wordt gelegd, geen rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van een andere veronderstelde veroorzaker van deze schade – die niet heeft gehandeld in het rechtsgebied van het aangezochte gerecht – kan worden afgeleid.

 Kosten

42      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat op grond van deze bepaling uit de plaats van de handeling die een van de veronderstelde veroorzakers van schade – die geen partij is bij het geding – ten laste wordt gelegd, geen rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van een andere veronderstelde veroorzaker van deze schade – die niet heeft gehandeld in het rechtsgebied van het aangezochte gerecht – kan worden afgeleid.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.